HOME
Adolf Hitler
Nederlandse editie, aangevuld met een introductie, commentaren, inhoudsopgave, en het begin van het tweede deel.
Materialen ontleend aan http://www.stormfront.org/forum/showthread.php?t=93204
Het 1e deel van MK dat u in deze draad aantreft is de vertaling door Steven Barends, uitgegeven door de Uitgeversmaatschappij De Amsterdamse Keurkamer te Amsterdam, en telt dit eerste deel in boekvorm 430 pagina's die door mij in een tijdsperiode van 1 jaar in 'word' is gezet. Mocht u in dit gedigitaliseerde bestand een zetfout tegenkomen, dan is die van mijn hand. - Brama
In HTML vorm gegoten door Runemaster / Draumar.
Boeken als 'Mein Kampf', Das Kapital, en de Bijbel in het bijzonder en in het algemeen over (Nationaal-) Socialisme, het Fascisme, het Stalinisme, het Communisme, Maoisme, alsook over geloofsovertuigingen en richtingen, zoals het katholicisme, hindoeïsme, ja, eigenlijk alles wat de wereld in beweging heeft gezet, verbrand, verpulverd en daardoor gevormd heeft moet voor ieder individu vrij beschikbaar en ter inzage zijn. Vrij om te lezen, te beoordelen, en als het zonodig gewenst is moet vanuit verschillende gezichtshoeken en belevingen daar een aanvullende en/of verklarende bijlage voor kunnen worden geraadpleegd. Een zichzelf respecterende en zich democratisch noemende samenleving is dit naar zijn burgers toe verplicht. Het mag niet zo zijn dat alleen politiek onverdachte hogepriesters die behoren tot het 'uitverkoren en onbesproken volk' toegang hebben tot informatie die de wereldgeschiedenis hebben bepaald en gevormd en dat 'mindere goden' als inferieure, tweedehands burgers worden beschouwd, onwaardig om beschikbare kennis over hun eigen wereldgeschiedenis te kennen of te onderzoeken.
Is "Mein Kampf" een geheimzinnig boek vol toverformules, vol krachtige (on-)waarheden of beestachtige leugens, hoort het thuis in de categorie "In de ban van de Ring", of het geheim van "De steen der Wijzen"? Wat is de waarde van de - absoluut niet waterdichte - banvloek die over dit boekwerk is uitgesproken. De geschiedenis leert niet anders dan dat uitsluiting niet anders betekend dan censuur. WAT is het toch wat de Nederlandse burger niet mag lezen in dit ondertussen erg gedateerde boek. Is deze burger niet bij machte om zich zelf te beschermen tegen de occulte krachten die uit dit magische boekwerk opstijgen, om zelf te oordelen? Moeten rechters met behulp van wurgende wetten een manuscript verbieden en demoniseren? Wat verbergt dit manuscript? Verbergt het misschien... niets??? Is het een handige doctrinetruc? Is het in feite niets anders dan de gedachten van een oud front-soldaat met politiek-maatschappelijke kanttekeningen???? Is het misschien een los draadeindje dat mensen in staat stelt veel grotere vuiligheden los te weken en inzicht te krijgen in machtsintriges die mogelijk tot op de dag van vandaag nog steeds voortduren?? Is het een achterhaald wereldbeeld van een waanzinnige??
Was het niet in 1811 dat de (overigens Joodse) Duitse dichter Heinrich Heine in Jena de volgende woorden opschreef:
"Waar men boeken verbrandt, eindigt men met mensen te verbranden"
Met het boek Mein Kampf gebeurt eigenlijk hetzelfde als verbranden, namelijk verbannen. Met het verbranden van een boek wordt het onmogelijk gemaakt om kennis te nemen van de inhoud. De in een boek opgenomen gedachten, neergeschreven theorieën, op schrift gestelde meningen zijn definitief niet meer raadpleegbaar. Een boek verbranden of verbannen is in beide gevallen gelijk aan het onbereikbaar maken van de inhoud, het is een verbanning en waar eindigt het, waar en wanneer gaat het branden? Elk moet kennis kunnen nemen van ieder geschrift, en is dat voor mij één van de drijfveren geweest om het hier digitaal beschikbaar te maken, in een proces dat 1 jaar in beslag genomen heeft, letter voor letter overgezet in de computer. Een waardeoordeel geef ik niet, vanuit historisch oogpunt vind ik het een interessant boek, gelijk alle publicaties die te maken hebben Europese- en Wereldgeschiedenis van de afgelopen 200 jaar.
-- Brama
Oorspronkelijke was de titel van dit veel besproken boek: "Vier en een half jaar strijd tegen leugens, domheid en lafheid", een onuitsprekelijke en absoluut niet pakkende titel die door de uitgever Max Amman werd vervangen door het beter aansprekende Mein Kampf. De officiële geschiedschrijving wil ons leren dat Adolf Hitler dit boekwerk grotendeels eigenhandig en deels met ondersteuning van zijn secretaris Rudolf Hess heeft geschreven, iets wat maar ten dele waarheid is. Voor de meeste mensen zal het een nieuw gegeven zijn dat een veel groter aantal betrokkenen verantwoordelijk is voor dit manuscript. Mein Kampf is slechts deels door Hitler gedicteerd en deels aangevuld door anderen met hun eigen denkbeelden die in het ideologisch verlengde lagen en zijn grote delen herschreven en taalkundig bijgeschaafd.
Hitler zat van 11 november 1923 t/m 20 december 1924 in de gevangenis in Landsberg voor zijn aandeel in de mislukte putsch van 1923. Ongeveer vanaf juli 1924 tot het voorjaar van 1925 is gewerkt aan het eerste deel en verscheen het voor het eerst op de markt in juli 1925. In krap 14 maanden tijd werd dus een ruim 400 pagina's tellend boekwerk geschreven, gecorrigeerd, gezet en gedrukt. Een beetje journalist, schrijver of graficus weet uit ervaring wat voor een gigantische hoeveelheid werk dit is en zeker als we de grafische productiemogelijkheden van de 20er jaren bekijken, is alleen daardoor al duidelijk te maken dat het voor een enkeling een vrijwel onmogelijke taak is om zo'n omvangrijk boekwerk het licht te laten zien.
Hitler werd ondermeer bijgestaan door enkele medegevangenen, zoals Emil Maurice, zijn oppasser en chauffeur en Rudolf Hess die de rol van secretaris op zich nam. Ook partijgenoot Ernst ("Putzi") Hanfstaengl werd betrokken bij het manuscript en samen met de hyronymietenpater Bernhard Stempfle nam deze de redactie ter hand en werden hele delen van het manuscript door hen herschreven en bijgevijld. Ook Hitler's lievelingsnicht Geli Raubal heeft een actieve rol gespeelt in de totstandkoming van het boek. Minder bekend is de grote en directe invloed van Dr. Karl Haushofer, de befaamde Duitse Geopoliticus. Veel van zijn denkbeelden staan woordelijk vermeld in het boek en ook de denkbeelden van de Amerikaanse autofabrikant Henri Ford zijn soms letterlijk verwoord in Mein Kampf en hebben Max Amman en Dietrich Eckart een grote redigerende rol gespeeld.
Het boek op zich zal voor veel mensen een teleurstelling blijken en menigeen die kans gezien heeft het boek soms tegen hoge kosten aan te schaffen via de seculiere markt zal na een tiental pagina's het boek teleurgesteld aan de kant leggen. De schrijfwijze is sterk gedateerd, de schrijfstijl en taalbeleving verraad duidelijk zijn laat negentiende-eeuwse oorsprong en zonder diepgaande achtergrond informatie is het een gortdroog en saai boekwerk. Is dit nu het vermaledijde en verboden boek?
Om op zijn minst de achtergronden een beetje te kunnen begrijpen is het nodig om de tijd waarin het boek geschreven is een beetje aan te voelen. Het is de tijd waarin Duitsland gebukt gaat onder het dictaat van "Versailles" en waardoor vele miljoenen Duitsers te lijden hebben onder de opgelegde bepalingen en vele miljoenen pure honger lijden.
Het Verdrag van Versailles omvat 440 artikelen. De voornaamste punten zijn:
Duitsland moet:
Elzas-Lotheringen aan Frankrijk afstaan, de kolenmijnen in het Saargebied aan Frankrijk afstaan, Moresnet, Eupen, Malmédy en St. Vith aan België afstaan, het grootste deel van West-Pruisen en bijna de gehele provincie Posen aan de nieuwe staat Polen afstaan, alle koloniën afstaan: Togo en Kameroen, de gebieden in Oost- en Zuidwest-Afrika, enkele eilanden in de Stille Oceaan en bezittingen in China. Alle Duitse goederen en bezittingen in het buitenland worden verbeurd verklaard, alle oorlogsmateriaal aan de geallieerden afstaan.
De algemene dienstplicht in Duitsland wordt afgeschaft en de generale legerstaf wordt opgeheven, mag het geen tanks, vliegtuigen, onderzeeboten, grote oorlogsschepen en gifgas meer hebben. Mag het gedurende 15 jaar geen troepen stationeren op de linker Rijnoever en in een strook van 50 km op de rechter Rijnoever.
De totale omvang van het Duitse landleger mag niet groter zijn dan 100.000 man. De Duitse marine mag niet meer dan 15.000 manschappen hebben, mag niet meer dan 4.000 officieren hebben. Duitsland mag geen deel uitmaken van de te vormen Volkenbond.
Oostenrijk moet Zuid-Tirol aan Italië afstaan. Duitsland moet alle handelsschepen met een laadvermogen boven 1600 Brt aan de geallieerden afstaan, plus de helft van alle handelsschepen van 1000 tot 1600 Brt. Bovendien moet éénvierde deel van de visserijvloot en tweevijfde deel van de binnenvaartschepen worden afgestaan. Duitsland dient verder af te staan grote aantallen machines en bouwmaterialen, treinen en vrachtauto's. Duitsland dient jarenlang bepaalde hoeveelheden kolen en chemicaliën, verfstoffen en brandstoffen te leveren. Alle Duitse onderzeese telegraafkabels worden verbeurd verklaard.
Duitsland dient 20 miljard goudmark te betalen, wat tot betalingsverplichtingen leidt tot ver in de jaren 80 en door inflatie tot ver in onze huidige jaartelling.
Engeland krijgt Irak, Palestina en Trans-Jordanië; Frankrijk krijgt Syrië en Libanon.
Op 21 juni 1919, een week voor de ondertekening van het verdrag, schreef de Nederlandse (socialistische) krant Het Volk:
Een diepe en bittere teleurstelling, een ontgoocheling die men voelt als een ramp is deze vrede voor allen, die tijdens den oorlog de leuzen der Entente (de geallieerden) als levende idealen hebben liefgehad. Het vredestraktaat legt het statuut vast van het verval van Europa, van zijn teruggang tot een lagere beschavingsgraad. Het grootste volk van het vasteland wordt geketend en tot dwangarbeid gedreven. Vernedering en verbittering vallen Duitsland ten deel. Wraakzucht hier, overmoed, machtsbegeerte, roekeloosheid daar, zijn de nieuwe 'beschavingselementen' door het vredestraktaat gewekt.
Zoals gezegd is het "Toverboek" een vrij saai stuk leesvoer. Met veel enthousiasme wordt er aan begonnen, maar al na een paar pagina's zakt bij de meesten het elan al snel naar ongekende diepten. Om het een en ander helemaal tot het eind te kunnen lezen, of op zijn minst tot de helft ervan is enige achtergrondkennis onontbeerlijk. Heeft u al enig speur en zoekwerk verricht over de mensen die hun naam genoemd weten in de eerste paar alinea's die in de eerste bijdrage genoemd zijn? De Neurenbergse boekhandelaar Johannes Palm, of Leo Schlageter? Weet u al wat hun rol is in de Duitse geschiedenis en waarom zij genoemd zijn? Al iets opgezocht over de achtergronden van de Duits-Franse oorlog van 1870 - 1871, waarom aangevangen?
U bent niet de enige die nou niet echt staat te trappelen om deze droge (ondertussen erg gedateerde) kost tot zich te nemen. Wilhelmina, onze 'Keunegin' gedurende de donkere dagen in de veertiger jaren van de vorige eeuw, verordonneerde haar ministers om Mein Kampf te lezen, zoals blijkt uit het navolgende citaat:
"... het regime dat in Duitsland de macht gegrepen had, verfoeide zij hartgrondig. Zelf had zij niet de tijd of de lust om de ter zake doende literatuur over het Nationaal-Socialisme te bestuderen, maar zij liet zich wel door een adjudant of door haar lectrice informeren. De lectuur van Hitlers Mein Kampf vond zij voor haar ministers van Buitenlandse Zaken noodzakelijk. Toen haar in 1937 bleek dat minister J.A.N. Patijn het boek niet kende, kreeg hij daarover heel wat te horen....."
(Pagina 85, uit het boek Wilhelmina, Krijgshaftig in vormeloze jas van Cees Fasseur, Uitgeverij Balans, februari 2001.)
Persoonlijk vind ik het voorstel van onze staatsrechtdeskundige, Dhr. Erik Jurgens niet eens zo heel beroerd. Eigenlijk zou ik het toejuichen om het boek stap voor stap pagina voor pagina uitvoerig te voorzien van kanttekeningen en toelichtingen, alleen op die wijze zal de burger zich pas goed een voorstelling kunnen maken van het tijdvak waarin het boek geschreven is. Ik neem bij deze alvast een voorschot en probeer een zo'n beknopt mogelijke inleiding te geven naar de van oorsprong zuiver technisch gezien Engels - Duitse oorlog die later geëscaleerd is tot WOII.
Het oude Keizerrijk Duitsland was na het einde van de Great War feitelijk overgeleverd aan de goedwillendheid en genade van de overwinnende machten, met name Engeland, Frankrijk en Amerika. De overwinnaars waren bepaald niet mild in hun oordeel en behandeling en meenden het verslagen Duitse Rijk economisch zeer zwaar te moeten straffen. Een meerdere generaties overstijgende astronomische 'erfschuld' werd het Duitse volk opgelegd, en leende Amerika tegen geldende rente het geld voor de rente en aflossing hiervan aan de verslagen vijand. Tegelijkertijd werd Duitsland alle mogelijke bronnen van inkomsten ontnomen. Industriegebieden van levensbelang voor de Duitse natie werden onteigend en toegevoegd aan het grondgebied van de overwinnaars en hun bondgenoten, haar export werd door stringente beperkingen lamgelegd, de complete infrastructuur van het land werd ontmanteld en als krijgsbuit gevorderd. Kortom, het werd de Duitse bevolking nagenoeg onmogelijk gemaakt zich ook maar fractie te herstellen van die bloederige en verschrikkelijke oorlog.
Het gevolg was bittere armoede, constante hongersnood, faillissementen volgden elkaar in ongekend tempo op, fabrieken lagen stil, ontelbare zelfmoorden, heel het land was gebroken en verkeerde in een staat van apathie. De Duitsers waren en voelden zich door de opgelegde vredesbepalingen van 1919 'Ehrlos, Wehrlos und Herlos ' - zonder eer, weerloos en zonder verdediging. De Duitse natie werd in die tijd dan ook uitgebeeld als Duitse maagd die gekneveld overgeleverd was aan de genade van de overwinnaars. Winston Churchill sprak toen al de profetische woorden dat de opgelegde vrede van Versailles slechts als een gevechtspauze beschouwd diende te worden en onherroepelijk en binnen afzienbare tijd zou leiden tot voortzetting van de gevechtshandelingen. Nadat de Duitsland zich met heel kleine en moeizame stapjes zo goed en zo kwaad als het kon herstelde van de economische verwurging, brak de grote depressie van de 20-er jaren aan
Onderstaand citeer ik een gedeelte uit hoofdstuk 6, pagina's 190 en 191 van het boek: Wie financierde Hitler, van James en Suzanne Pool:
In het voorjaar van 1929 ondergingen de prijzen van de Duitse landbouwproducten een drastische verlaging waardoor zowel de boeren als de grootgrondbezitters zwaar werden getroffen. Onder de landbouwbevolking begon gebrek te heersen; veel boeren konden het niet meer bolwerken en werden verdreven uit hun boerderijen en woningen, waar zij de pacht, huur en hypotheekaflossingen niet meer konden opbrengen. Dit was een van de eerste symptomen van de naderende grote economische wereldcrisis. Naarmate de economische rampspoed zich verder over het land ging verbreiden kwam de tijd nabij dat Hitler, die 'profeet van het noodlot', gelijk ging krijgen.
In oktober 1929 kwam het tot een ineenstorting van de koersen op de Newyorkse effectenbeurs. Dat was het begin van de Grote Depressie, die zich binnen enkele maanden over alle werelddelen zou verspreiden. De krach aan de beurs in Wall Street betekende het eind van de Amerikaanse leningen aan Duitsland en dat was tevens het eind van de toevloed aan vreemde valuta, waarmee Duitsland zijn schulden had kunnen betalen. Tegen het eind van dat jaar ging de economische crisis zich in alle sectoren van de Duitse samenleving doen voelen. Overigens was er reeds in de herfst van 1928 reden tot bezorgdheid over de Duitse economie geweest. Maar ofschoon de situatie in de loop van het jaar 1929 voortdurend benarder was geworden kwamen de meeste mensen eerst in 1930 tot het besef dat het land opnieuw aan de rand van een afgrond stond.
Een van de beste maatstaven voor de sociale gevolgen van de depressie is de ontwikkeling van de werkloosheid. Het aantal geregistreerde werklozen in Duitsland bedroeg in september 1929 meer dan een miljoen, namelijk 1.320.000 en bleef daarna voortdurend stijgen, eerst tot drie miljoen in september 1930 en vervolgens tot recordaantallen, die in september 1931 tot 4.350.000 waren geklommen en in september 1932 zelfs tot 5.102.000. In de eerste twee maanden van 1932 en opnieuw in de loop van 1933 overschreden de werkeloosheidscijfers zelfs de grens van zes miljoen. (Het feitelijke aantal werkelozen lag overigens veel hoger dan de cijfers van de 'geregistreerde' werklozen aangaven omdat daarbij niet degenen waren meegeteld die zich om de een of andere reden niet hadden laten registreren of die bijvoorbeeld halve dagen werkten.)
Allan Bullock heeft daarover in zijn biografie van Hitler opgemerkt dat men voor een goed begrip de bovengenoemde aantallen moet vertalen in termen van op straathoeken staande, tot nietsdoen gedoemde arbeiders, van huizen zonder voedsel en verwarming, van schoolverlatende kinderen zonder enige kans op werk, om aldus iets te verstaan van de diepe menselijke angst en verbittering, die in die dagen gingen heersen bij miljoenen Duitse werkende mannen en vrouwen.
Duidelijk is wel dat Hitler beter schreef dan Marx, aldus journalist Herbert Blankesteijn. Hij schreef 4 jaar geleden (21-10-1999) in Intermediair een bijdrage naar aanleiding van het feit dat Mein Kampf gewoon te koop bleek te zijn bij het Duitse Internetboekhandel Bertelsmann.
Herbert Blankesteijn:
"Ik verbaasde me er vooral over dat je voor Mein Kampf zou moeten betalen. Zulke oude boeken zijn doorgaans rechtenvrij en worden altijd wel door iemand gescand en gratis op het Web gezet. Dus heb ik in een zoekmachine de titel ingetikt en ja hoor, een rechtsradicale site bood het hele boek aan, naar keuze in het Duits of in een Engelse vertaling.
Ronald Plasterk heeft er als columnist van Intermediair meermalen zijn verbazing en boosheid over uitgesproken dat MK in Nederland niet mag worden verkocht. Ik ben het hartgrondig met hem eens. Dit boek bevat het gedachtegoed van een van de grootste misdadigers van de eeuw. Het is het behang van de Tweede Wereldoorlog. Als je de geschiedenis wilt begrijpen moet je MK gelezen hebben, net zo goed als je de Bijbel en Das Kapital gelezen moet hebben. Het verbod op verkoop is hiervoor een belemmering, en het vergroot de kans dat de geschiedenis zich herhaalt.
Mijn nieuwsgierigheid was dus groot. Wat schrijft Hitler? Hoe schrijft hij? Ik had het nooit mogen weten, en nu had ik opeens de complete tekst.
MK zit vol verrassingen. De grootste was voor mij wel dat Adolf Hitler aanvankelijk geen antisemiet was: op grond van de 'menselijke verdraagzaamheid' was hij tegen vervolging op grond van godsdienst. De toon van de antisemitische Weense pers vond hij 'het culturele erfgoed van een groot volk onwaardig', schrijft hij. Mich bedrückte die Erinnerung an gewisse Vorgänge des Mittelalters, die ich nicht gerne wiederholt sehen wollte.
En, zeer opmerkelijk en actueel: 'Ik werd in deze mening gesterkt door oneindig veel waardiger wijze waarop de werkelijk grote pers op al deze aanvallen antwoordde, of, wat me nog prijzenswaardiger leek, er zelfs niet op reageerde, maar ze eenvoudig doodzweeg.' Zo moet de pers extreem-rechts dus aanpakken; Hitler zegt het zelf. En zo verkondigt hij wel meer verstandige meningen, bijvoorbeeld over het gedrag en het niveau van politici in een democratie en over de persoonlijke verantwoordelijkheid (of het gebrek daaraan) van ambtenaren.
Hoe werd Hitler dan toch antisemiet? De uitleg daarover valt tegen. Het komt erop neer dat, toen hij goed keek, de Joden overal bleken te zitten, vooral onder de door hem verachte sociaaldemocraten. En dat is symptomatisch: MK schiet als het om logica gaat ernstig tekort. Doordat het in de ik-vorm is geschreven leest het makkelijker dan bijvoorbeeld Das Kapital, maar het zou een lachwekkend boek zijn geweest, categorie Wachttoren, als de schrijver niet zo opvallend carrière had gemaakt.
Het verbod op verkoop van Mein Kampf is nu op slag een dode letter. Het laatste vervelende gevolg is dat we, om het boek te downloaden, naar de neofascistische site www.crusader.net moeten. Dus als Simon Wiesenthal, Oorlogsdocumentatie of de Anne Frank Stichting verstandig zijn, maken ze de tekst snel op hun eigen site beschikbaar."
In de discussie op het forum van de Volkskrant zijn de volgende reacties te lezen:
Sander van Leeuwen:
Ik ben het er niet mee eens dat de geschriften uit het heden voldoende zijn om alle lessen uit het verleden te leren. De geschriften over die geschiedenis, die recent geschreven zijn, zijn geschreven door de overwinnaars. De tegenstanders van Hitler. Ze zijn een interpretatie van feiten door die mensen.
Ik denk dat het verbod op dit boek een onderdeel is van een stukje ontkenning. De ontkenning dat Hitler naast een monsterlijk megalomaan en psychopaat, ook een zeer intelligent mens was. En dat hij zeer eloquent was in het verwoorden van een gevoel van onvrede en een gevoel van onmacht onder zijn volk wist aan te spreken.
Als hij dat allemaal niet was geweest, had hij het Duitse volk niet achter zich gekregen. Dan hadden we geen tweede wereldoorlog en geen massale jodenvervolging en moord gehad. Juist daarom, denk ik, is het goed om eens te lezen wat hij schreef, eens goed te luisteren naar zijn toespraken en te kijken hoe het heeft kunnen gebeuren. Begrijpen hoe zijn boodschap het volk zo heeft kunnen aanspreken.
We zien nu namelijk een tendens in Europa naar een steeds hatelijkere houding tegenover de "fundamentele islamisten" en meer van dat soort termen, die toch altijd richten op moslims. En langzaam zien we een veralgemenisering ontstaan waar alles waar moslim of islam uit klinkt, gelinkt wordt aan terrorisme en haat.
Als we niet kunnen lezen en horen wat Hitler destijds heeft gezegd en geschreven om tot jodenhaat en ultra-nationalisme aan te zetten, hoe kunnen we dan zeker weten dat wat nu gezegd en geschreven wordt in veel kringen in het westen, tegen de moslim staten en indirect tegen moslims in het algemeen?
Als we echt willen leren uit de geschiedenis moeten we ophouden met ontkennen dat wat Hitler gedaan heeft, en wat hij zijn volk heeft kunnen laten doen, in andere context weer kan gebeuren. Met weer mensen die mooie woorden spreken die slechts aanzetten tot haat en uiteindelijk oorlog.
Misschien zijn we al te laat. Net als de wereld destijds ook te laat was met inzien hoe gevaarlijk de situatie al was. Omdat ze in ontkenning zaten en dachten dat het wel los zou lopen en de vrede bewaard kon worden.
Marcel Stoop:
Is "Het rode Boekje" van Mao of "Das Kapital" van Marx ook verboden? Zo veel ik weet niet.
Een ieder weet wat voor een onheil die beide geschriften voor miljoenen mensen gebracht hebben.
Het verbieden van "mein Kampf" ruikt naar eenzijdigheid: Rechtsdictatoriale boeken verbieden, Linksdictatoriale Boeken dulden.
G. Groothedde:
Heel toevallig heb ik Mein Kampf net drie weken geleden ontvangen, nadat ik hem heel eenvoudig via het internet uit de VS had besteld. Het verbod op dit boek is dus al even zinloos als ridicuul: een ieder die het wenst te hebben kan er doodeenvoudig aan komen. Daarnaast is het ronduit belachelijk dat het boek ooit verboden is, ik maak namelijk zelf wel uit wat ik wens te lezen, dat hoeft de overheid niet voor mij te doen.
Ik moet trouwens zeggen dat het een buitengewoon interessant boek is om te lezen. De lezer kan door het lezen van dit boek zelf zijn conclusies trekken en zijn mening vormen over de denkwereld van de persoon Adolf Hitler en is nu niet meer afhankelijk van politiek correcte 'deskundigen' die voor deze personen de conclusies trekken.
Mein Kampf is een onmisbare historische bron die vrij voor iedereen te verkrijgen zou moeten zijn.
Van http://rejo.zenger.nl/misc/mein-kampf.php
Mein Kampf für Mein Kampf
Verboden boeken kennen we in Nederland gelukkig niet. Ook Mein Kampf is niet verboden, maar de Nederlandse Staat meent er het auteursrecht op te hebben en heeft daarmee het herdrukken van het boek tot nu toe verboden. De verkoop van het boek, ook tweedehands, is eveneens verboden. Een exemplaar van het boek bezitten of uitlenen is echter geen enkel punt. Dat vermeende verbod op het boek zorgt er echter voor dat de discussie over Mein Kampf vrijwel altijd over de juridische status van het boek gaat in plaats van daar waar de discussie eigenlijk over zou moeten gaan: de inhoud van Mein Kampf en de daar aan gerelateerde onderwerpen. Om de discussie daar terug te brengen zou het verbod op herpublicatie moeten worden herzien.
De angst dat een herpublicatie tot hernieuwde interesse in Hitlers gedachtegoed zou opleveren lijkt ongegrond te zijn. Die mensen die geïnteresseerd zijn in het boek, hebben zich hoogstwaarschijnlijk al lang legaal toegang verschaft tot het boek. In Amerika kan het boek vrij worden verkocht omdat men daar blijkbaar een andere waarde aan de persvrijheid hecht dan in Nederland. Via online winkels als Amazon is het dan ook mogelijk om in die landen waar het boek verboden is, een Engelstalige editie ervan aan te schaffen. Om diezelfde reden kunnen diverse websites, die vanuit bijvoorbeeld Amerika opereren, zoals het nationalistisch georiënteerde Stormfront, zonder meer een elektronische kopie ervan aanbieden. Maar ook in Nederland is het boek zonder problemen beschikbaar. Behalve dat het bezit en uitlenen ervan geen probleem is, kan men in iedere grotere bibliotheek terecht. De bibliotheken met exemplaren, zoals de Openbare Bibliotheek in Rotterdam, lenen deze exemplaren niet uit maar bieden ze wel ter inzage aan. Alleen het verveelvoudigen en verkopen van Mein Kampf is niet toegestaan.
Het opheffen van het verbod op herpublicatie brengt de discussie terug op het eigenlijke onderwerp. Het zou kunnen bijdragen in een beter begrip van wat er destijds in Duitsland gebeurde en het voorkomen van een herhaling ervan. De inhoud van het boek en het boek zelf kunnen uitstekend dienen om te leren van de geschiedenis. De logica is bij vlagen ver te zoeken in Mein Kampf. Dat is iets wat nog steeds aan de orde van de dag is bij enkele hedendaagse politici. Het houdt ons een spiegel voor op die momenten dat we dreigen te vallen voor de holle retoriek van een welbespraakt politicus of zijn boeken.
Daarnaast zou een publicatie het gemakkelijker maken de mythevorming rond het boek te ontkrachten. Het boek wordt vaak als gevaarlijk aangezien omdat iedereen het erover heeft, maar vrijwel niemand het boek ook alleen maar heeft ingezien. Diegenen die een eenvoudig verteerbaar boek met een makkelijk te behappen theorie verwachten, komen bedrogen uit. Het boek is allerminst gemakkelijk te lezen propaganda. Het boek is geen literair hoogstandje, het vervalt regelmatig in herhaling en is net als veel ideeën van Hitler bombastisch te noemen. Het zou ook de mythevorming kunnen doorbreken omdat eveneens in het geval van Mein Kampf het vermeende verbod op het boekde aantrekkingskracht ervan alleen maar vergroot.
Een herpublicatie dient overigens met de nodige omzichtigheid te gebeuren. In de eerste plaats meent de Nederlandse Staat aanspraak te kunnen maken op het auteursrecht en als gevolg daarvan zou zij mogelijk een herpublicatie kunnen tegenhouden. Maar ook de Deelstaat Beieren geen bezwaar tegen een herpublicatie hebben, zij is immers de auteursrechthebbende van de originele, onvertaalde, tekst. De kans dat dat gebeurt is niet zeer groot, maar zeker niet afwezig. Minder dan 10 jaar geleden is er in Groot-Brittannië een "wetenschappelijk geannoteerde" versie van het boek verschenen bij uitgeverij Pimlico in Londen. Deze editie heeft een uitgebreide inleiding over de achtergronden van Mein Kampf en de publicatie ervan en is voorzien van voetnoten. Het is dan ook te verwachten dat de Deelstaat Beieren ook geen bezwaar zou hebben tegen een herpublicatie van Mein Kampf in Nederland, mits "wetenschappelijk geannoteerd". In Nederland zijn de verkopers van oude exemplaren nooit aangepakt op grond van een schending van het auteursrecht, maar bijna altijd op grond van het verspreiden van discriminerende of beledigende uitlatingen die mogelijk aanzetten tot rassenhaat. Met een "wetenschappelijk geannoteerd" publicatie zou ook mogelijk dat argument vervallen.
Door een herpublicatie van Mein Kampf zouden de discussies weer over de inhoud van het boek en aangrenzende onderwerpen kunnen gaan, in plaats van over de juridische status van het boek. Tevens zou mythevorming bestreden kunnen worden. Die herpublicatie zou zo nodig op non-profit basis moeten gebeuren, zodat de publicist ervan niet beschuldigd kan worden dat het voor geldelijk gewin over lijken gaat.
Centrum Informatie en Documentatie Israel > CIDI in de media 2003 / NIW 31 oktober 2003
Bron: http://www.cidi.nl/media/2003/niw.311003.html
Heruitgave Mein Kampf moet mogelijk zijn
Ronny Naftaniel
Onorthodoxe voorstellen roepen altijd weerstand op. Dat gebeurde ook vorige week, toen het Eerste Kamerlid van de PvdA, Erik Jurgens in een artikel in de Volkskrant een lans brak voor het in Nederland heruitgeven van het boek Mein Kampf. De auteursrechten van dit noodlottige geschrift berusten niet bij de nazaten - voorzover aanwezig - van Adolf Hitler, maar bij de Staat der Nederlanden. Op grond hiervan kan de regering ingrijpen als neonazi's het boek opnieuw op de markt willen brengen.Tot dusverre heeft dit een heruitgave in Nederland (niet in Vlaanderen) tegengehouden. Jurgens wil nu het roer omgooien en pleit ervoor dat de staat der Nederlanden zelf de publicatie van het boek, in een geannoteerde versie, ter hand neemt. Ik ben het in grote lijnen met Jurgens eens.
Mein Kampf is een vrijwel onleesbaar geschrift vol met persoonlijke frustraties van de auteur. De afschuwelijke "waarde" van het boek is, dat Hitler zo'n tien jaar voordat hij aan de macht kwam op duivelse wijze beschreef wat er volgens hem met de Joden moest gebeuren. Indertijd geloofden velen, dat het zo'n vaart niet zou lopen. Ook de Duitse Joden niet, totdat het te laat was. Een "kale" heruitgave zal alleen een handvol neonazi's bevredigen, maar van een educatief verantwoorde, geannoteerde versie zal een krachtige waarschuwende werking kunnen uitgaan. We zijn nu drie generaties na de Tweede Wereldoorlog. De meeste jongeren weten nauwelijks wat Hitler op zijn kerfstok had en hoe hij aan de macht kwam. Mein Kampf, voorzien van een voorwoord dat verklaart hoe Hitler zijn verwerpelijke ideeën in de praktijk bracht en hoe weinig de wereld ertegen deed en voorts uitgerust is met een illustratief notenapparaat, kan een impuls geven aan de strijd tegen het hedendaagse antisemitisme.
Laten we niet vergeten, dat er momenteel in Europa groepen Arabische jongeren zijn, die weer schreeuwen dat "Joden dood moeten". De kreet "Hamas, Hamas, Joden aan het gas" is in sommige straten in Amsterdam tot de hoogste wijsheid verheven. Sommigen vertikken het lessen te volgen over de Shoa en terroriseren leraren die toch een poging hiertoe doen. In de Arabische landen en ook in Europa komt de eeuwenoude complottheorie weer op. Joden zouden aan de touwtjes in Washington trekken en de wereldpolitiek naar hun hand zetten. Het krachtige Amerikaanse optreden tegen het Islamitisch terrorisme zou georkestreerd worden door de Joodse lobby. Vorige week nog kreeg op de Islamitische topconferentie in Maleisië, de Maleisische premier Mahathir Mohammed, een staande ovatie toe hij zei: " De Joden heersen over de wereld per volmacht. Ze ronselen anderen om voor hen te vechten en te sterven." De Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, Achmed Maher, prees de toespraak door te zeggen dat Mahathir Mohammed de spijker op de kop had geslagen. Ook Hitler geloofde in de complottheorie. Hij zag "de Joodse economische en politieke macht" als het grootste beletsel om zijn territoriale expansiedrift te bevredigen.
Het kan zeker geen kwaad om thans in Nederland op de meest indringende wijze duidelijk te maken hoe noodlottig zijn visie was. Overigens zou het beter zijn zo'n geannoteerde heruitgave niet door de overheid te laten doen. Dat is te veel eer voor massamoordenaar Hitler. Beter zou het zijn, als de regering een geschikte particuliere uitgever zoekt en pas vergunning tot publicatie geeft na zekerheid te hebben verkregen, dat de toelichtingen een educatief doel dienen.
Critici zullen toch nog angst hebben dat de Nederlandse versie van Mein Kampf misbruikt zal worden door neonazi's . Dat is evenwel onaannemelijk, omdat het boek in België te verkrijgen is en te downloaden valt via Internet. Bovendien is de verkoop van de originele versie - anders dan Jurgens stelt - wel degelijk verboden op grond van artikel 137d W.v.Str. Enige jaren geleden werd een marktkoopman op het Waterlooplein veroordeeld voor het verkopen van een oud-Duitse versie van Mein Kampf.
Tot slot geldt nog een belangrijk argument om nu te beginnen met publicatie van een geannoteerde versie. In 2015 vervallen de auteursrechten op het boek. Dan is iedereen vrij deze perfide lectuur op geheel eigen wijze uit te geven. Je kan dit moment beter voor zijn door, zo lang het nog kan, de geschiedenis op een verantwoorde wijze zelf aan het woord te laten.
Adolf Hitlers Mein Kampf. Geschiedenis - Fragmenten - Commentaren
Bron: http://www.histocasa.nl/recensies/7022003129.shtml
Vooreerst de succesvolle studie van Werner Maser, waarvan de eerste druk al in 1966 verscheen. Herdrukken en herwerkingen volgden in 1974,1976,1981,1983,1995 en de Nederlandse vertaling in 1998. Het boek "Mein Kampf" lag aan de basis van veel ellende. Er werden reusachtige oplagen van verkocht, maar het werd weinig gelezen, zodat men ook weinig rekening hield met wat Hitler allemaal beloofde te gaan doen. Zelfs zijn topmedewerkers Goering en Goebbels gaven toe dat ze het niet gelezen hadden.
Hitler begon het te schrijven toen hij, na de mislukte staatsgreep van 8-9 november 1923, al op 11 november in de gevangenis belandde, in Landsberg aan de Lech, helemaal in het zuiden van Beieren, ten zuiden van Augsburg en München. Eigenlijk dicteerde hij het en moest Hess alles opschrijven. Hitler vond spreken efficiënter dan schrijven, maar vergat dat als Hess het noteerde, dit ook gebeurde zonder de kracht van zijn overweldigende stem.
Op 20 december 1924 mocht Hitler zijn comfortabele gevangenis voortijdig verlaten, na "een jaar universitaire opleiding op staatskosten", zoals hij het verblijf daar noemde. Het manuscript voor "Mein Kampf" was toen bijna voltooid. Op 18 juli 1925 werd het eerste deel gepubliceerd, met als titel "Een afrekening" en overwegend autobiografisch. Deel II, "De nationaal-socialistische beweging", met instructies voor zijn partij en zijn land, bereikte de boekhandel in december 1926.
De lectuur van "Mein Kampf" zelf is niet de meest verheffende, maar zoals gezegd werd het bezit ervan een must in de nazi-tijd, toen het boek de bestseller was. Het autobiografische deel valt nog mee, maar het verhaal over de "bekering" tot het anti-marxisme en nog meer tot het antisemitisme is minder fraai. Hitlers overtuiging dat joden synoniem waren met "parasieten, bacillen, bloedzuigers", die uitgeroeid moesten worden, wijst nog niet op een vast omlijnd plan en zijn besluit om politicus te worden evenmin. Maar ze leiden tot het noodlottige wereldbeeld van Hitler : het verraad van Versailles ongedaan maken, Lebensraum veroveren in het Oosten, marxisme en jodendom vernietigen, cultuur gelijk schakelen met ariër zijn, de massa's beschouwen als lichtgelovig, niet geïnteresseerd in genuanceerde waarheden, niet in staat te onderscheiden wie gelijk en wie ongelijk heeft, mits je eindeloos bepaalde stellingen of leugens blijft herhalen.
Maser beschrijft de ontstaansgeschiedenis van "Mein Kampf", de vele drukken en herdrukken, de perceptie in binnen- en buitenland, de stijl, structuur, de oeverloze woordenstroom, de geestelijke bronnen van autodidact Hitler. Hij wijst ook op de gevaren en de destructieve plannen die erin zaten en die Hitler nadien, in zijn toenemende sluwheid en demagogie, nooit meer zo openlijk en zwart op wit zou verkondigen. Bij de citaten voegt hij telkens zijn kritische commentaar. En voortdurend corrigeert hij Hitler, wanneer deze zijn jeugd of prestaties onjuist voorstelt. In de bijlagen zitten enkele brieven aan en van Hitler en een chronologisch overzicht van internationale conferenties, besluiten en gevolgen voor de Weimarrepubliek in de periode van eind 1923 tot eind 1926. Hier horen o.a. bij : het Dawesplan, de conferentie van Locarno, de heropname van Duitsland in de Volkenbond ; dit laatste gebeurde op 8 september 1926, met algemeenheid van stemmen! Het boek eindigt met een indrukwekkend notenapparaat van 71 pagina's, de originele bibliografie van Maser (16 p.), het niet vertaalde en integraal overgenomen personen- en zakenregister van de Duitse uitgave van Mein Kampf (17 p.) en een personenregister bij Masers boek zelf. Wie ooit "Mein Kampf" volledig wil lezen, heeft er alle belang bij dit standaardwerk van Maser ernaast te leggen voor nuanceringen en correcties.
Bron: http://www.stormfront.org/forum/showpost.php?p=1122920&postcount=77
Een interessante poging Rebirth, om Mein Kampf kritisch te analyseren. Jij bent beslist niet de enige die deze (en andere) vragen en meningen over Hitler's boek heeft. Daarom kan enige toelichting op enkele punten wellicht verhelderend zijn.
Quote:
|
Originally Posted by Rebirth Beste Brama, |
Het boek was geen studie, maar bedoeld voor de grote massa van
Duitse mensen. Veel zaken uit die tijd waren bij het volk bekend en
behoefden nauwelijks bewijs.
Quote:
|
Want stel nu dat het waar is dat joden toentertijd in relatieve hoge mate waren vertegenwoordigd in de sociaal-democratie en in de pers. Stel dat zijn persoonlijke ervaringen met Joden ook kloppen dat ze gladde praters zijn die de dag nadat je hen lijkt te hebben overtuigd als een blad aan een kunnen omdraaien. Dan moeten we ons wel realiseren wat daar de oorzaak van kan zijn. En vooral Hitler had dat moeten doen, want de kracht van zijn analyses ligt nu juist zoals hij zelf zegt niet in het veroordelen van het volk maar in het achterhalen van de oorzaken van hun gedrag. Dat had hij dan ook tav de Joden moeten doen en daar vind ik in Mein Kampf niets over. |
Hitler had niet de illusie om door een analyse van de oorzaken het
joodse volk te kunnen genezen van haar in zijn ogen negatieve
eigenschappen
Quote:
|
In feite verwijt hij de joden dat te zijn geworden wat hij zelf van het Germaanse volk wil maken. Namelijk doorwinterde Nationalisten met een vechtersmentaliteit die hun vechtstijl aanpassen aan de omgeving waarin zij zich bevinden. Zijn Jodenhaat is dus een pot verwijt de ketel verhaal en als die vechtersmentaliteit van de Joden al overerfbaar is dan heeft hij er zelf ook iets van geerfd. |
Hitler betwistte niet het recht van het joodse volk te strijden
voor het primaat over andere volkeren. Hij vond dat ieder volk dat
van nature deed maar wilde voorkomen dat het Duitse volk daarbij
het onderspit zou delven. Zijn punt was dat er een voortdurende
strijd (vijandschap) tussen de volkeren heerste, waaruit de
sterkste (in zijn ogen meest raszuivere) als winnaar tevoorschijn
zou komen. Hij was van mening dat het Duitse volk raciaal,
economisch en moreel te gronde zou gaan als de joden de overhand
zouden krijgen. Hij geloofde dat nietsdoen automatisch tot joodse
hegemonie zou leiden.
Quote:
|
Idem, als hij de joden verwijt een splijtzwam der volken te zijn, terwijl hij zelf wil dat de Duisters zich van Oostenrijk afscheiden. |
Oostenrijk was een maaksel van Versailles. De Oostenrijkers waren
Duitsers, die niets anders wilden dan tot Duitsland behoren. Hitler
zelf was 'Oostenrijker' en bij het referendum van de 'Anschluss'
bleek 97% van de 'Oostenrijkers' bij Duitsland te willen horen.
Daarmee was Hitler het tegendeel van een 'splijtzwam': hij
verenigde het Duitse volk.
Quote:
|
Zoals de geschiedenis ons echter heeft geleerd was Hitler niet
die overwinnaar. En een ieder die zijn boek leest kan op zijn
sloffen aanvoelen waarom hij dat ook nooit kon worden. Het verbaast
mij dan ook dat hij "zijn strijd" is aangegaan zoals hij die is
aangegaan. Want zoals gezegd, hij was zeker niet dom. Daar ben ik
inmiddels wel van overtuigd. |
Hitler is de grootste verliezer uit de geschiedenis. ALLES wat hij
wilde verkeerde in het tegendeel. Hij had beter dan wie ook moeten
weten hoe en door wie hij zou worden vernietigd.
Hij had nauwelijks een keuze. Duitsland was vanaf 1914 in oorlog en
die oorlog eindigde pas in 1945 met de vernietiging van Duitsland.
Na Versailles was er geen hoop meer voor Duitsland. De
internationale kapitaalelite, voor een belangrijk deel joden, had
Duitsland vernietigd en wilde niet dat het ooit weer gezond en
krachtig zou worden. Hitler bouwde tegen hun belangen in Duitsland
na de Weimar periode weer op energieke en constructieve wijze op.
De gruwelijke armoede en werkloosheid die miljoenen Duitsers
tijdens de vijftien Weimar-jaren had geteisterd, wist hij in
slechts 2,5 jaar volkomen op te lossen. Niet met
'bewapeningsprogramma's', (dat kwam pas na 1937), maar met
autobahnen, goedkope koopwoningen voor de Duitse arbeiders, de
Volkswagen voor 1.000 Mark op gemakkelijke betalingsvoorwaarden,
enz. Dat en nog veel meer zagen de Duitsers van Hitler. Ze aanbaden
hem omdat hij voor hen de eerste politicus was die zijn beloften
nakwam en het Duitse volk weer werk, brood en eigenwaarde
gaf.
Dat deed hij echter door Versailles aan zijn laars te lappen, de
zgn. 'gouden standaard' te dumpen (en daarmee de eeuwigdurende
renteslavernij aan de bezitters van het goud, de joodse
bankconsortia) enz.
Dat bezorgde hem vanaf het allereerste begin de vijandschap van
de machtige internationale kapitaalmafia. Direct na zijn
ambtsaanvaarding in 1933 verklaarde het internationale jodendom dan
ook Duitsland de oorlog (niet de nazi's, want
de Duitse regering bestond toen nog uit een democratisch gekozen
coalitie!) en kondigde een permanente wereldwijde boycot van Duitse
producten af.
Het was niet Hitler die de oorlog aan de joden verklaarde,
de internationale joodse elite verklaarde Duitsland de
oorlog!
Dat was in 1933, toen Duitsland op het dieptepunt van haar ellende
verkeerde, de internationale financiele crisis op het hoogtepunt
was en het voor Duitsland exporteren of sterven was. Op dat
moment staken de elitejoden Duitsland wederom (net zoals in 1916
met de Balfourverklaring) een dolk in de rug.
Quote:
|
Wat betreft de zwakte van zijn aanpak, moet ik constateren dat hij zich beter niet tegen een etnische groep had kunnen afzetten maar beter de elite als geheel en hun machtsbasis in bijzonder had kunnen aanpakken. Dat had het discriminerende element uit zijn visie gehaald en had derhalve de tegenstand en coalitievorming bij tegenstanders ondermijnend. Had hij het rustiger en subtieler aangepakt dan was hij wellicht veel verder gekomen en had Europa nu Germania geheten. |
Het internationale kapitaaljodendom verklaarde dat ALLE joden in
ALLE landen van de wereld (ook in Duitsland) vijanden van Duitsland
waren die zouden vechten voor haar ondergang. Dat tot afgrijzen van
de Duitse joden, die zich daardoor terecht verraden voelden; Hitler
beschouwde vanaf dat moment de joden nog meer dan vroeger als een
gevaar, een vijfde colonne van de vijand.
Alles wat Hitler gedaan of nagalaten zou hebben was volstrekt om
het even. De internationale joodse elite was uit op vernietiging en
onderwerping van Duitsland en afgezien van onvoorwaardelijke
overgave, waren er nauwelijks mogelijkheiden voor Duitsland om dat
te vermijden.
Quote:
|
Hij had bijvoorbeeld ipv een militaire strijd ook voor een economische strijd kunnen kiezen. En zijn volk daartoe kunnen opzwepen. Wellicht had hij dat ook wel gewild ware het niet dat zijn volk reeds lang juist onder dit economische juk leefde en dat ze waarschijnlijk niet de psychologische kracht hadden kunnen opbrengen om die strijd aan te gaan. |
Duitsland moest worden opgebouwd en in die paar jaar tot 1939 heeft
het Duitse volk daarmee een ongeevenaarde prestatie geleverd.
Als Hitler in 1938 zou zijn gestorven, zou hij de geschiedenis
zijn ingegaan als een van 's werelds grootste staatslieden.
Duitsland was NIET uit op wereldhegemonie, niet militair en al
helemaal niet economisch. Duitsland moest in de optiek van Hitler
OVERLEVEN temidden van een vijandige wereld.
Quote:
|
Wat ik echter nooit helemaal heb begrepen is waarom hij geen
rigoreuze hervorming op dit punt heeft doorgevoerd in Duitsland en
de bestaande machtsverhoudingen tussen volk en groot-kapitaal heeft
laten bestaan. |
Volgens Hitler was er onder het Nationaal-socialisme geen
kunstmatige tegenstelling meer tussen arbeid en kapitaal. Met de
afschaffing van het rentekapitaal beoogde hij internationale
ruilhandel te plegen, waarbij Duitsland hoogwaardige Duitse
eindprodukten (machines, spoorwegen, enz.) leverde aan arme landen,
welke daarvoor dan in grondstoffen die Duitsland niet had (olie,
suiker, koffie, enz.) betaalden. Daar profiteerden zowel Duitsland
als de minder ontwikkelde landen van omdat die daarmee niet
afhankelijk waren van goud en dollarleningen met eeuwigdurende
oplopende rentelasten.
Alle Duitsers waren "arbeiders" in dienst van het volk, ook de
industrielen. Hitler verwierp de 'klassestrijd" omdat hij vond dat
daardoor de maatschappij werd verlamd en in tweeen gedeeld; het
nationaalsocialisme moest iedereen welvaart bieden.
Quote:
|
Originally Posted by Rebirth Als ik ervan uit mag gaan dat dit "tweede boek" inderdaad ook
van Hitler is en dat de teksten van de speeches en documenten juist
zijn dan moet ik samen met de tekst van Mein Kampf tot de conclusie
komen dat Hitler al minstens vanaf 16 september 1919 behoorlijk
anti-semitisch was (zie |
Ikzelf kende dit "tweede boek" niet. Ik heb de indruk dat het een
vervalsing is. Waarom wordt het vrijwel nergens geciteerd in de
joods onderhorige media? Waarom werd zo'n belangrijk werk niet (al
dan niet aangepast) gepubliceerd toen Hitler eenmaal aan de macht
was gekomen? Vreemd. Wie heeft het vertaald en hoe?
Hitler was inderdaad antisemitisch omdat hij alle joden als
vijanden zag, ongeacht hun gedragingen, leeftijd, enz.
Quote:
|
Vanaf die tijd uitte hij zich ook in het openbaar als zodanig en is er een consistente lijn van dat anti-semitisme en dus van het oproepen tot het boycotten en uitsluiten van Joden. Ik kan mij goed indenken dat de Joodse gemeenschap daar behoorlijk nerveus van werd, vooral toen Hilter in 1933 aan de macht kwam en dit derhalve officieel Duits beleid werd. En in dat licht zie ik dus ook de reactie van de Joodse gemeenschap met haar boycot tegen Duitsland de dag na Hilters machtovername. |
Voor zover mij bekend heeft Hitler voor 1933 niet of nauwelijks
opgeroepen tot uitsluiten en boycotten van joden in Duitsland. Zijn
openbare tirades tegen joden richtten zich tegen het internationale
kapitaaljodendom. De (eendaagse) symbolische 'boycot' van 1 april
1933 (op een zaterdag, de sabbat, om de joodse winkeliers zo min
mogelijk te duperen!) was een gematigde reactie op de
permanente wereldwijde boycot die de internationale
kapitaaljoden tegen Duitsland hadden afgekondigd. Het was niet
toevallig dat deze boycot werd uitgeroepen door een
Amerikaans-joodse monopoliekapitalist, Samuel Untermeyer. Die sprak
ter gegenheid daarvan (in 1933) over ‘moord,
‘uithongering’ en ‘vernietiging’ toen er
absoluut geen sprake was van welke benadeling van joden in
Duitsland ook. Integendeel, Duitsland gold tot dan als een
voorbeeld voor de assimilatie van joden in Europa. Degenen die in
1933 de hongerdood stierven waren de Duitse arbeiders. Een andere
Amerikaans-joodse monopoliekapitalist, oorlogsprofiteur en
‘adviseur’ van president Roosevelt, Henry Morgenthau,
verklaarde al op 1 februari 1933, de dag nadat Hitler aan de macht
kwam, dat “de Tweede Wereldoorlog was begonnen.”
Op dat moment was er uit 'humanitair' oogpunt geen enkele reden om
Duitsland daarmee zo hard te treffen. (De Palestijnen
zouden zich in de hemel wanen als zij slechts een
week konden leven zoals de joden in Duitsland van 1933 tot
1941.)
De vijandschap van de internationale kapitaaljoden had niets met
humanitaire redenen te maken. Het was in werkelijkheid een
reactie op het verwerpen van Duitsland van de wurgvoorwaarden van
Versailles, het afschaffen van de 'gouden standaard' en de
renteslavernij. De Duitse joden waren dan ook fel tegen de boycot
gekant en voelden zich terecht verraden door deze internationale
kapitaalmafia.
Quote:
|
In de samenvatting aan het einde van zijn tweede boek geeft hij een prachtig beeld van zijn visie op het internationale Jodendom. Hij beweert daarin van alles over de Joden. En als daar iets van waar is, dan is zijn standpunt begrijpelijk en zijn zijn acties in de strijd tegen dat Jodendom te rechtvaardigen, ook ten aanzien van de deportatie van Joden. Ik kan me dan zelfs indenken dat hij zich door de oorlog en de weigering van de wereldgemeenschap om Joden op te nemen zo in het nauw voelde dat hij alleen de Endlosung nog als optie zag. Echter, dat begrip kan ik alleen opbrengen als zijn visie op het Jodendom, zoals hij dat zag en zo helder verwoord heeft in zijn tweede boek, volkomen juist was. |
Ikzelf kan geen enkele rechtvaardiging vinden voor het over
een kam scheren van alle joden: vrouwen, kinderen, zieken,
bejaarden, volstrekt a-politieke joden, trouwe vaderlandse joden,
enz. Misschien nog wel voor zijn politiek van gedwongen emigratie,
maar al helemaal niet voor zijn politiek van dwangarbeid in
gruwelijke barakkenkampen in het Oosten. Daarvoor bestaat - in
ieder geval in mijn ogen - geen enkel excuus en geen enkele
rechtvaardiging.
Je gebruikt trouwens ten onrechte het leugenwoord
"Endlosung", dat suggereert dat miljoenen joden systematisch
werden uitgeroeid in "gaskamers" van "vernietigingskampen". Als je
jezelf ook maar een klein beetje verdiept in het revisionistische
feitenmateriaal zul je voortaan dat woord alleen nog tussen
aanhalingstekens gebruiken.
Quote:
|
En daar loop ik tot op heden vast, want in geen van zijn brieven, speeches of boeken komt Hilter met concrete echte bewijzen. Het is mij daarbij echt onvoldoende dat er in Duitsland en elders in de wereld reeds anti-semitische ideeen waren en boeken circuleerden waarin dat tot uitdrukking werd gebracht. Ik wil bewijzen niet meer en niet minder. Want er zijn teveel mensen, vooral ook niet Joodse Duitsers, gestorven voor deze ideeen om het zonder echt bewijs als waarheid te aanvaarden. |
Je vraag naar "bewijzen" is natuurlijk veel te breed om hier op in
te gaan. Waar een overvloed van bewijzen van bestaat is dat: de
meerderheid der joden in de eerste plaats loyaal is aan hun eigen
"volk". Zij zijn door de eeuwen heen een sterk gesloten gemeenschap
gebleven, welke nooit echt wilde integreren binnen hun
gastvolkeren. Integendeel, vooral vroeger stonden zij uiterst
vijandig tegenover de gemeenschappen waarin zij leefden. Zij
vergaarden voor een groot deel hun bezit door improductieve
activiteiten: geldmanipulatie, advocatuur, politiek, handel,
speculatie, enz.
Zoals gezegd, het Duitse volk had daarvoor geen verdere 'bewijzen'
nodig; zij zagen dat elke dag op straat en om zich heen.
Quote:
|
Overigens ben ik blijkbaar wat harder voor parasieten dan jou
King Arthur. |
Ik ga hierin dus niet met je mee. Voor mij is er
nooit sprake van collectieve schuld, niet bij een ras
en niet bij een volk.
Dan maak je dezelfde fout als Hitler, de nazi's en de
Zionazi's in Israel en dat verwerp ik volledig.
Quote:
|
Originally Posted by Rebirth King Arthur ik heb net als jij dezelfde bedenkingingen bij
collectieve schuld. |
Naar mijn mening was er van collectief parasitisme en
nepotisme geen sprake, althans niet bij het gros van de
Europese joden en niet in de mate dat dat bij hen als
staatsondermijnend kon worden gekwalificeerd. Zeker, er was een
aanzienlijk deel van de joden voor wie dat wel gold. Ik denk dat
Hitler zich hierbij voor het probleem gesteld zag dat als
maatregelen zich alleen zouden beperken tot joden waarvan 'bewezen'
kon worden dat zij ondermijnend en disloyaal waren, dat op
individuele basis moest worden vastgesteld. Een onoplosbaar
probleem daarbij zou zijn waar de grenzen dan getrokken moesten
worden. Dat was ondoenlijk en politiek onverkoopbaar; zelfs als dat
wel kon zou hij er ook bij uitwijzing van deze joden niet aan
kunnen ontkomen onschuldigen (vrouwen, kinderen, bejaarden) te
treffen. Op die manier zou hij het joodse vraagstuk nooit kunnen
oplossen. Bovendien stond voor hem vast - daarin gesterkt door de
oorlogsverklaring van het internationale jodendom aan Duitsland -
dat elke jood zich vroeg of laat tegen Duitsland zou (kunnen)
keren.
Ik vermoed dat dit soort overwegingen hem ertoe hebben gebracht
geen onderscheid te maken en zich op verwijdering van alle
Duitse (en later 'Grootduitse') joden te richten.
Niet uit het oog mag worden verloren dat het aanvankelijk ging om
vrijwillige en later om dwangmatige emigratie.
Pas toen de oorlogsomstandigheden dat onmogelijk maakten, liep dat
uit op de beruchte transporten naar het Oosten.
Quote:
|
En ik wacht ook op mensen die mij kunnen aantonen dat er nu
nog steeds een Joodse wereld elite is die aan de touwtjes trekt in
een mate die niet in verhouding staat tot het aantal Joden in de
wereld. |
Dat er een joodse elite bestaat welke gezien hun geringe aantal een
buitenproportionele macht in en over de wereld bezit is boven elke
twijfel verheven. Het kost werkelijk niet de minste moeite om dat
met harde bewijzen te staven. Meer dan 80% van alle (massa)media in
de VS en een groot deel van de Westerse wereld is in joodse handen.
Hetzelfde geldt voor de grootste bankconsortia in de VS en in de
wereld. Let wel, zij zijn ook de schuldeisers van de nooit meer af
te lossen mega-staatsschulden welke alle Westerse landen hebben.
Ondanks al deze torenhoge schuld (en rente!)lasten en alle
'bezuinigingen' welke als gevolg daarvan in een niet aflatende
stroom over de burgers worden uitgestort, waren er onmiddellijk
honderden miljarden dollars beschikbaar om het Iraakse volk te gaan
"bevrijden" van hun ondemocratische dictator. Behalve dat daarmee
weer een vijand van Israel onschadelijk werd gemaakt, neemt
daardoor de staatsschuld van de VS aan de joodse kapitaalelite nog
weer verder toe. Er is een oud spreekwoord dat zegt: "Wie betaalt,
bepaalt". Dat is exakt aan de hand met de joden in de VS en in de
wereld. Vrijwel alle voorraden aan goud en edele metalen in de
wereld zijn in handen van anonieme stichtingen en bankinstellingen
waarvan de eigenaren joden zijn. de "Amerikaanse" regering is
vergeven van joden op beslissende functies en van de "adviseurs"
die zich aan elke democratische controle onttrekken, maar niettemin
bepalen wat de 'president' mag en moet doen. Joodse machten bepalen
wie er president mag worden, en daarbij maakt het hen geen fluit
uit of hij Democratisch of Republikeins is. Wie het ook is, hij
heeft tevoren moeten beloven de door hen vastgestelde politiek te
voeren. Indien niet dan maakt hij geen schijn van kans op
verkiezing. Zit hij er eenmaal en doet hij niet voldoende wat van
hem wordt verwacht, dan wacht hem een anti-campagne in de media,
een chantage-affaire (al dan niet met een joodse stagiaire) of
uiteindelijk een nooit opgeloste moordaanslag.
Elke vergelijking van "er zijn veel meer Christenen, Mohammedanen,
Duitsers, enz. dan joden" mist elke grond omdat de honderden
miljoenen Christenen enz. geen Volk zijn, doch slechts honderden
miljoenen individualisten.
De joodse macht is gebaseerd op het feit dat zij een VOLK zijn en
zich als zodanig al eeuwenlang gedragen. Hetzelfde geldt bijv. voor
de Japanners en dat maakt het mogelijk dat zij als kleine groep een
formidabele macht in de wereld vertegenwoordigen. Niet voor niets
worden in het westen door de joods gedomineerde pers het
"individualisme" en "materialisme" zo op een voetstuk geplaatst.
Dat biedt de beste garantie dat de massa NOOIT een bedreiging kan
worden voor de werkelijke heersers.
-- "King Arthur"
Nu beschouw ik het als een gelukkige schikking van het lot, dat het mij juist Braunau aan de Inn als geboorteplaats aanwees. Dit stadje is immers precies gelegen op de grens van de twee Duitse staten, die vooral volgens ons, jongeren, weer tot een geheel moet worden samengevoegd. Duits-Oostenrijk moet weer terug naar het grote Duitse moederland, en dat niet op grond van de een of andere economische overweging. Nee, nee: ook zelfs als de hereniging, economisch gezien, geen voordeel zou opleveren, ja zelfs als zij nadelig zou zijn, moet dit toch plaatsvinden.
Het Duitse volk kan geen aanspraken op een koloniaal-politiek gebied doen gelden, zolang het niet bij machte is gebleken, zijn eigen zonen binnen 1 staatsverband te brengen. Pas wanneer de rijksgrens ook de laatste Duitser omsluit, en het Rijk niet meer de zekerheid heeft, iedereen te kunnen verzorgen, pas DAN ontstaat uit de nood van het eigen volk het morele recht tot verwerving van vreemde grond. Dan wordt het zwaard tot ploeg en uit de tranen van de oorlog groeit voor de nakomelingen van het dagelijks brood. Zo schijnt mij dit kleine grensstadje het symbool van een grote levenstaak te zijn. Maar ook nog in een ander opzicht staat het als een stenen waarschuwing in onze tijd. Het is meer dan 100 jaar geleden, dat dit onaanzienlijke nest het toneel was van een tragische gebeurtenis, waarmee het leven van de hele Duitse natie gemoeid was, en die maakte, dat het in de annalen van de Duitse geschiedenis werd vereeuwigd.
In de tijd van de diepste vernedering van ons vaderland, stierf daar voor zijn land, dat hij ook toen, juist toen, met zijn gehele hart liefhad, de Neurenberger Johannes Palm, particulier boekhandelaar, overtuigd nationalist en vijand van de Fransen. Hardnekkig had hij geweigerd, de mede- of liever de hoofdschuldigen te noemen. Dus evenals Leo Schlageter. Hij werd dan ook gelijk als deze door een regeringsvertegenwoordiger bij de Fransen verraden. Een directeur van de Augsburgse politie verwierf deze treurige roem en gaf aldus het voorbeeld aan de Duitse ambtenaren van onze tijd in het rijk van de heer Severing.
In dit stadje aan de Inn, dat door het offer van deze Duitse martelaar een aureool zal blijven dragen, dat naar t gevoel en 't bloed' Beiers is, maar staatkundig tot Oostenrijks grondgebied behoort, woonden in de tachtiger jaren van de vorige eeuw mijn ouders; mijn vader was een plichtsgetrouw rijksambtenaar, mijn moeder ging op in haar huishouden en gaf zich vooral aan ons kinderen met altijd dezelfde liefde en zorg. Uit deze tijd is mij maar weinig bijgebleven, want reeds na verloop van enkele jaren moest mijn vader het hem lief geworden grensstadje weer verlaten, om in Passau, dat aan de monding van de Inn, dus in Duitsland zelf, gelegen is, een nieuwe standplaats te gaan innemen. Maar het lot van een Oostenrijks Douanier betekende destijds 'vaak verhuizen'. Al na korte tijd moest mijn vader naar Linz en werd tenslotte ook gepensioneerd. "Rust" zou dit voor de oude heer weliswaar niet betekenen. Als zoon van een arme pachter had hij het vroeger thuis reeds niet kunnen uithouden. Als kleine jongen van nog-niet-eens dertien jaar had hij zijn rugzak gepakt en was uit het bosland - zijn geboortestreek - weggelopen. Tegen de raad van de ervaren dorpsgenoten in, was hij naar Wenen getogen, om daar een vak te leren. Dat was in de vijftiger jaren van de vorige eeuw geweest. (vorige eeuw is 1800+)
Een moeilijk besluit, om met drie gulden op zak de wijde wereld in te trekken, een onzekere toekomst tegemoet. Toen de dertien jarige echter zeventien jaar geworden was had hij zijn (leerlingen) gezellen-proefstuk met goed gevolg afgelegd, maar de verwachte voldoening had het hem niet geschonken, eigenlijk het tegendeel. Doordat zijn nood, kommer en ellende destijds zo vreselijk lang duurde kwam hij tot het besluit, om zijn beroep uiteindelijk toch maar op te geven en iets 'hogers' te worden. En zoals vroeger in het dorp meneer Pastoor voor de doorsnee jonge arme drommel de verpersoonlijking was van het hoogste wat een mens maar bereiken kan, zo zag hij nu - doordat zijn blikveld door het verblijf in een grote stad zo veel ruimer was geworden - de waardigheid van de rijksambtenaar in dit licht.
Deze zeventienjarige - die, nog een half kind, door nood en ontberingen al "oud" was geworden - wierp zich met al zijn energie en taaiheid op deze nieuwe zelfopgelegde taak, en werd... ambtenaar.
Na bijna drie en twintig jaar (naar ik meen) was het doel bereikt. Nu scheen ook de grote gelofte vervult die de arme jongen eens aan zichzelf had gedaan, om niet eerder in zijn geliefde geboortedorp terug te keren, voor hij iets van betekenis zou zijn geworden.
Nu was het doel bereikt; maar in het dorp wist niemand zich de vroegere kleine jongen meer te herinneren, en hemzelf was dit dorp vreemd geworden. Toen hij eindelijk op zesenvijftigjarige leeftijd gepensioneerd werd, zou hij toch van zijn rust als 'leegloper' geen dag hebben kunnen genieten. Hij kocht nabij het Oostenrijks gehucht Lambach een stuk grond, bebouwde dat, en keerde aldus in de kringloop van een lang en werkzaam leven, weer terug tot de oorsprong van zijn geslacht.
In deze tijd kwamen waarschijnlijk ook in mij reeds de eerste idealen op. Het vele rondzwerven in de vrije natuur, de lange weg naar school en ook de omgang met uitsterst ruwe jongens, iets wat vooral mijn moeder dikwijls met grote zorg vervulde, maakten dat ik allesbehalve een huismus werd. En al dacht ik destijds ook nauwelijks een ogenblik ernstig na over mijn toekomstig beroep, toch stond een ding vast: dat ik me heel zeker NIET tot de levensloop van mijn vader aangetrokken voelde. Ik geloof, dat reeds in die tijd mijn spreekvaardigheid zich ontwikkelde, wat tot uiting kwam in min of meer heftige ruzies met mijn kameraden.
Ik was een kleine belhamel geworden, die op school gemakkelijk en ook zeer goed leerde, maar overigens tamelijk moeilijk te behandelen was. Omdat ik in mijn vrije tijd zangles kreeg in het Klooster der Koorheren te Lambach, had ik volop gelegenheid de bedwelming van de buitengewoon feestelijke pracht en praal der kerkelijke plechtigheden te ondergaan. Wat was natuurlijker en logischer dan dat ik toen de Abt beschouwde als een man, die het hoogste ideaal bereikt had, evenals toentertijd mijn vader tegen de kleine dorpspastoor had opgekeken. Een tijdlang tenminste was dat het geval.
Aangezien mijn vader echter zijn vechtlustige zoon om begrijpelijke redenen de gebektheid en verbale talenten niet als zodanig kon waarderen, zo - dat hij daaruit enige hoopvolle gevolgtrekkingen kon maken voor de toekomst van zijn spruit, nam hij zulke jongensplannen ook niet ernstig op. Waarschijnlijk baarde dit dualisme van de natuur hem zorg. Inderdaad verdween dan ook mijn verlangen naar dit beroep vrij spoedig, om plaats te maken voor verwachtingen die met mijn temperament overeenkwamen.
Bij het doorsnuffelen van mijn vaders bibliotheek had ik verscheidene boeken over militaire onderwerpen gevonden, waaronder een volksuitgave over de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Het waren twee ingebonden jaargangen van een geïllustreerd tijdschrift uit die jaren en die werden nu mijn lievelingslectuur.
Het duurde niet lang, of deze titanenstrijd was als het ware geheel een stuk van mijzelf geworden. Van nu af aan dweepte ik hoe langer hoe meer met alles, wat op de een of andere manier samenhing met oorlog of tenminste met het soldatenleven. Maar ook in een ander opzicht zou dit van belang voor mij worden. Voor het eerst kwam de vraag bij mij op, hoewel nog in weinig heldere vorm, of en zo ja, welk onderscheid er dan toch bestond tussen deze Duitsers, die veldslagen leverden en de anderen.
Waarom heeft Oostenrijk toch niet OOK meegevochten in deze oorlog? Zijn wij dan niet gelijk aan al die andere Duitsers? Behoren wij dan niet allemaal bij elkaar? Dit probleem begon toen voor het eerst mijn jeugdige hersenen te pijnigen. Het vervulde mij met een gevoel van diepe afgunst toen ik in antwoord op mijn voorzichtig gestelde vragen tot antwoord kreeg dat niet iedere Duitser zo gelukkig was om tot het Rijk van Bismarck te behoren. Ik kon dit niet begrijpen.
Ik zou gaan studeren, Uit mijn gehele karakter, en meer nog uit mijn temperament, meende mijn vader de gevolgtrekking te kunnen maken, dat het humanistische gymnasium volkomen in tegenspraak zou zijn met mijn aanleg. De Hogere Burgerschool scheen hem beter daarbij te passen. In deze mening werd hij vooral gesterkt door mijn kennelijke aanleg voor tekenen, een vak dat naar zijn mening op de Oostenrijkse gymnasia verwaarloosd werd. Misschien was zijn eigen moeilijke levensweg daarbij wel mede beslissend, die hem de zijns inziens onpraktische humanistische studie wat minder deed waarderen.
Het stond echter onwrikbaar bij hem vast dat zijn zoon natuurlijk rijksambtenaar zou worden, ja..., MOEST worden. Zijn harde jeugd was uiteraard oorzaak dat hem datgene, wat hijzelf tenslotte bereikt had, nog des te groter toescheen, omdat hij dit immers uitsluitend door eigen vlijt en energie had bereikt. Het was de trots van een man, die zichzelf had opgemerkt, die de wens in hem wakker riep om zijn zoon in een gelijke, zo mogelijk in een hogere levenspositie te zien, en dit des te meer, waar hij - door eigen vlijt in staat was - zijn zoon deze weg zoveel gemakkelijker te maken.
De gedachte dat ik datgene, wat voor hem zijn gehele levensinhoud vormde, zou kunnen afwijzen, kwam eenvoudigweg niet bij hem op. ZO was mijn vaders besluit, eenvoudig, duidelijk en helder en in zijn eigen ogen vanzelfsprekend. Tenslotte zou hij met zijn karakter, dat in de loop van zijn levenslange strijd om het bestaan heerszuchtig was geworden, de gedachte ook niet kunnen verdragen, dat hij in een geval als dit de eindbeslissing had moeten overlaten aan de in zijn ogen onervaren en dus niet verantwoordelijke jongen zelf.
Hij zou bij zo'n optreden ongetwijfeld het gevoel hebben gehad dat hij de teugels van het hem toekomende bewind niet strak genoeg hield, en dat hij de verantwoordelijkheid voor het leven van zijn kind niet ernstig genoeg nam; het zou trouwens ook in lijnrechte tegenspraak zijn geweest met zijn opvatting van plicht. Maar het zou anders uitkomen. Voor de eerste maal in mijn leven werd ik - toen ik nauwelijks elf jaar oud was - in de oppositie gedrongen. Hoe hard en vastbesloten mijn vader ook mocht zijn bij het doorzetten van eenmaal bepaalde plannen en voornemens, zijn zoon was even koppig en weerbarstig wanneer het over dingen ging die hem niet of nauwelijks aanstonden. Ik wilde geen rijksambtenaar worden, En geen overredende woorden, geen ernstige vermaningen zagen kans aan deze tegenstand iets af te doen.
Ik wilde geen ambtenaar worden, nee en nog eens nee! Alle pogingen om bij mij - door de verhalen uit mijn vaders eigen leven - liefde voor dit beroep op te wekken, hadden een averechtse werking. Ik werd misselijk bij de gedachte, eens als onvrij man op een bureau te moeten zitten; niet meer heer en meester te kunnen zijn over mijn eigen tijd en gedwongen te zijn de inhoud van mijn gehele leven te zoeken in het invullen van formulieren. Welke bekoring kon zulk een toekomstbeeld ook hebben voor een jongen die toch werkelijk alles was, behalve zoet in de gebruikelijke zin van het woord.
Het grote gemak waarmee ik leerde liet mij zoveel vrije tijd dat ik meer in de zon liep dan op mijn kamer zat. Wanneer in onze dagen mijn politieke tegenstanders mij de aanminnige attentie bewijzen om mijn levensloop te doorsnuffelen tot in de jaren van mijn jeugd, en men eindelijk met innige voldoening kan vaststellen welk een schandelijk streken 'die Hitler' reeds in zijn jeugd heeft uitgehaald, dan dank ik de Hemel, dat men mij langs deze weg ook nu nog iets schenkt uit de herinneringen van deze gelukkige tijd.
Bos en weidegrond waren destijds het strijdperk waar onophoudelijke 'verschillen van mening' werden uitgevochten. Ook de Hogere Burgerschool, die ik nu moest bezoeken, bracht hierin weinig verandering. Wel leidde dit er echter toe, dat er nu een andere kwestie moest worden uitgevochten. Zolang tegen het plan van mijn vader - om mij ambtenaar te laten worden - alleen maar mijn afkeer van dat beroep op zichzelf stond, kwam het conflict niet tot uitbarsting. Zolang kon ik immers ook mijn innerlijke gevoelens enigszins inhouden en behoefde niet altijd dadelijk tegen te spreken. Mijn eigen vaste besluit om later geen ambtenaar te worden, was voldoende om mij innerlijk volkomen gerust te stellen. Dit besluit echter stond bij mij onwrikbaar vast.
Moeilijker werd de zaak, toen tegenover het plan van mijn vader een eigen plan kwam te staan. Hoe het kwam weet ik zelf niet, maar op zekere dag was het mij duidelijk dat ik schilder wilde worden - kunstschilder. Ik had ontegenzeggelijk talent voor tekenen en dit was zelfs mede een reden voor mijn vader geweest om mij naar de Hogere Burgerschool te zenden; maar nooit en te nimmer zou hij eraan gedacht hebben om mij in die richting te laten opleiden met het oog op een eventueel later beroep.
Integendeel, toen mij voor de eerste maal - nadat ik wederom vaders lievelingsdenkbeeld had afgewezen - de vraag werd gesteld, wat ik nu eigenlijk WEL wilde worden en ik vrijwel zonder voorbereiding mijn besluit - dat intussen reeds vast was komen te staan - eruit flapte, was vader eerst sprakeloos. "Schilder? Kunstschilder? Hij twijfelde aan mijn verstandelijke vermogens, meende misschien ook niet goed gehoord of verstaan te hebben.
Toen ieder twijfel dienaangaande uit de weg was geruimd, en hij vooral de ernst van mijn bedoeling voelde, verzette hij zich daartegen met geheel zijn wil en al zijn energie. Zijn beslissing was zeer simplistisch; er was geen sprake van, dat ook maar enigszins onderzocht werd of ik misschien inderdaad geschikt was voor dit beroep. "Kunstschilder, nee, zolang ik leef, nooit."
Daar echter zijn zoon nu juist, behalve verschillende andere eigenschappen, OOK zijn stijfkoppigheid had geërfd, kwam er ongeveer even pertinent antwoord terug. Alleen natuurlijk in omgekeerde zin. Aan beide zijden bleef het daarbij. Vader handhaafde zijn "Nooit" en ik verhardde in mijn "En Toch!" Dit had nu echter niet bepaald aangename gevolgen. De oude heer werd verbitterd, en hoezeer ik hem ook liefhad, ik ook. Vader wilde dat ik mijn innige hoop, toch nog eens voor kunstschilder te kunnen worden opgeleid, liet varen. Ik ging nog een stap verder en verklaarde dat ik dan helemaal niet meer wilde leren.
Daar ik nu natuurlijk met zulke 'verklaringen' toch aan het kortste eind trok, omdat de oude heer nu zijn gezag meedogenloos liet gelden, zweeg ik voortaan maar voerde inderdaad mijn bedreiging uit. Ik meende dat vader, wanneer hij maar eenmaal zou zien hoe slecht mijn resultaten op de Hogere Burgerschool waren, mij goed- of kwaadschiks toch mijngedroomde geluk wel zou toestaan. Ik weet niet of ik op de lange duur gelijk zou hebben gekregen. Zeker waren voorlopig alleen mijn zichtbaar slechte resultaten op school.
Wat ik prettig vond leerde ik, maar vooral ook alles wat mij naar mijn mening later als schilder van nut zou kunnen zijn. Wat mij in dat opzicht onbelangrijk toescheen - en mij ook overigens niet aantrok - saboteerde ik volkomen.
Mijn rapporten in deze tijd vertoonden, naar gelang van het vak en mijn waardering daarvoor, steeds uitersten. Naast "uitmuntend" en "zeer goed" stonden "even voldoende" en "onvoldoende". Verreweg het beste waren mijn vorderingen in aardrijkskunde en beter nog die in algemene geschiedenis. Dit waren mijn beide lievelingsvakken, waar ik mijn klasgenoten verre de baas was. Indien ik thans - na zoveel jaren - mij de resultaten van deze tijd voor de geest haal en onderzoek, dan zie ik twee in het oog lopende feiten bijzonder grote betekenis. Ten eerste: Ik werd Nationalist. Ten Tweede: Ik leerde de geschiedenis in haar ware betekenis doorzien en begrijpen.
Het oude Oostenrijk was een "nationaliteitenstaat". Een onderdaan van het Duitse rijk kon zich er, over het algemeen tenminste, destijds in het geheel geen beeld van vormen, welke betekenis dit feit bezit in het dagelijkse leven van de enkeling in zo'n staat. Men was na de wonderbare zegetocht van de heldhaftige legers in de Frans-Duitse oorlog zo langzamerhand steeds meer vervreemd van het Duitse volk buiten de eigen grenzen: sommige groepen hadden deze broeders zelfs niet meer willen, of misschien niet meer kunnen waarderen.
Met betrekking tot de Duits-Oostenrijker verwarde men voorla maar al te gemakkelijk het door-en-door rotte Vorstenhuis met het in de kern volkomen gezonde volk. Men begreep niet, dat de Oostenrijkse Duitser van het zuiverste bloed moest zijn, om de kracht te bezitten zijn stempel te drukken op een staat van 52 millioen zielen, en dat wel zodanig dat immers juist in Duitsland de foutieve mening kon gaan heersen dat de Oostenrijks-Hongaarse monarchie een Duitse staat was.
Een misverstand, dat noodlottige gevolgen met zich zou slepen, maar dat toch een schitterende getuigenis was voor de 10 millioen Duitsers van de Oostmark. Van de eeuwige onverbiddelijke strijd voor de Duitse taal, de Duitse school en het Duitse volkskarakter hadden slechts heel weinig Duitsers uit het Rijk enig vermoeden. Eerst nu, nu vele millioenen uit het Rijk zelf gebukt gaan onder datzelfde harde juk, nu millioenen volksgenoten onder vreemde heerschappij van een vaderland dromen dat weer alle Duitsers omsluit, en met het hart vol verlangen naar huis, vechten, om tenminste de heilige rechten op het gebruik van de moedertaal te behouden, nu begrijpt men pas in bredere kring wat het zeggen wil voor zijn volkseigenheden te moeten strijden.
Nu zal misschien ook de een of ander de grootheid weten te schatten van het Duitse bloed in de oude Oostmark van het Rijk, dat - geheel op zichzelf alleen aangewezen - eerst eeuwenlang de Oostgrenzen van het Rijk verdedigde, om tenslotte in een oneindig uitputtende guerrilla de Duitse taalgrens vast te houden in een tijd waarin het Rijk zich wel interesseerde voor koloniën, maar niet voor zijn eigen vlees en bloed vlak voor zijn poorten.
Zoals overal en altijd, in ieder strijd, bestonden er ook in de taalstrijd van het oude Oostenrijk drie soorten mensen: de Strijders, de Onverschilligen en de Verraders. Reeds op school kon men deze drie categorieën onderscheiden. Want dat is wel het merkwaardigste bij iedere taalstrijd, dat zijn golven misschien het zwaarst de school bebeuken, de plaats immers, waar de jonge generatie voor het leven wordt uitgerust. Deze strijd wordt gevoerd om het kind, en tot het kind richt zich de eerste oproep voor deze strijd.
"Duitse jongen, vergeet niet, dat je Duitser bent" en "Meisje, denk er aan dat je een Duitse moeder moet worden." Wie de ziel van de jeugd kent, die begrijpt dat juist zij met vreugde het oor leent aan zo'n strijdkreet. In honderd verschillende vormen voert zij dan deze strijd, op haar wijze en met haar wapens. Zij weigert, andere dan Duitse liederen te zingen, dweept des te meer met de grootheid der Duitse helden, naarmate men zich meer inspant haar daarvan te vervreemden; verzamelt geld, dat zij zich uit de mond bespaart voor de strijdkas van de volwassenen; zij hoort ieder woord en doorvoelt iedere bedoeling van de niet-Duitse leraar en werkt hem op alle manieren tegen; zij draagt de verboden onderscheidingstekenen van het eigen volk en voelt zich gelukkig wanneer ze daarvoor gestraft of zelfs gekastijd wordt.
Zij is dus in het klein een getrouw spiegelbeeld der groten, alleen met dit verschil, dat zij er dikwijls een sterker en oprechter overtuiging op nahoudt. Zo was ook ik reeds in mijn prille jeugd in de gelegenheid om deel te nemen aan de strijd der nationaliteiten in het oude Oostenrijk. Men collecteerde voor Duitse scholen en voor de Zuidelijkste provinciën, men gaf blijk van zijn overtuiging door middel van korenbloemen en zwart-rood-goud, men groette met "Heil" en zong liever het "Deutschland uber alles" dan het "Gott erhalte Franz den Kaiser", wat men ook mocht vermanen en straffen. Wij jongens waren daardoor reeds politiek geschoold op een leeftijd, waarop een onderdaan van een zogenaamde Volksstaat meestal van zijn volkseigenheden weinig meer kent dan de taal. Dat ik reeds destijds niet tot de onverschilligen hoorde spreekt vanzelf.
In korte tijd was ik een fanatiek "Duitsnationaal" geworden, waarbij dit echter niet identiek is met de ideologie der partij, welke heden deze naam draagt. Deze ontwikkeling maakte bij mij snelle vorderingen, zodat ik reeds op vijftienjarige leeftijd een juist begrip had van het onderscheid tussen dynastiegebonden " patriottisme" en volks "nationalisme"; en voor mij bestond er reeds destijds niets anders meer dan het laatste. Voor hem, die zich nooit de moeite getroostte, de binnenlandse verhoudingen van het rijk der Habsburgers te bestuderen, zal zo'n gebeurtenis misschien niet dadelijk begrijpelijk zijn.
Reeds de meest elementaire behandeling der wereldgeschiedenis, op school, moest noodgedwongen de kiem leggen voor deze ontwikkelingen, omdat er immers - afgezien van locale kronieken - geen eigenlijke Oostenrijkse geschiedenis bestond. Het lot van deze staat is zozeer verbonden met het leven en de groei van het gehele Duitse volk, dat een poging om de geschiedenis in een Duitse en een Oostenrijkse helft te splitsen eenvoudig op een jammerlijke mislukking moest uitlopen. Ja, toen Duitsland tenslotte in 2 machten uiteenviel, werd immers juist deze scheiding een gebeurtenis in de Duitse geschiedenis.
De in Wenen bewaarde Rijkskleinodien, zinbeelden van de vroegere grootheid en heerlijkheid van het Rijk, schijnen ons in hun wondere pracht een onderpand te zijn voor de eeuwige eenheid van de Duitse landen. Die, diep uit het hart opgewelde kreet van het Duits-Oostenrijkse volk: "Weer een met het Duitse moederland!" in de dagen dat de Habsburgse staat ineenstortte, was immers slechts het gevolg van dat gevoel van heimwee naar het nooit vergeten vaderhuis, dat in alle harten leefde. Nimmer echter zou dit verklaarbaar geweest zijn, indien niet de geschiedkundige opvoeding van iedere Duits-Oostenrijker afzonderlijk, dit algemene verlangen gewekt en versterkt had. Zij is een bron, die nimmer opdroogt, die - vooral dan - wanneer voorbijgaande rust en welvaart ons doen vergeten, haar donkere, waarschuwende stem doet horen en door het verleden van een nieuwe toekomst spreekt.
Het onderwijs in algemene geschiedenis op de zogenaamde middelbare scholen is er ook heden nog zeer slecht aan toe. Slechts zelden begrijpt een leraar, dat het doel van het geschiedenisonderwijs nooit en te nimmer kan gelegen zijn in het van buiten leren en afdraaien van geschiedkundige data en gebeurtenissen, dat het er niet op aan komt, of de jongen nu precies weet wanneer deze of gene veldslag geleverd werd, wanneer die veldheer geboren werd, of zelfs een (meestal zeer onbeduidend) monarch de kroon van zijn voorvaderen op het hoofd werd gezet. Nee, dat is waarlijk al van zeer weinig belang.
Geschiedenis "leren" wil zeggen, de krachten opzoeken die de oorzaken zijn van datgene wat wij als geschiedkundig gegroeide feiten en toestanden voor ons zien. De kunst van het lezen, evenals van het leren is ook hier: het wezenlijke behouden, de bijzaken vergeten. Het werd misschien beslissend voor mijn gehele leven, dat het geluk mij juist voor geschiedenis een leraar gaf, die als zeer weinigen de kunst verstond bij onderricht en examinering dit standpunt de doorslag te doen geven.
Mijn toenmalige leraar Dr. Leopold Pötsch van de Hogere Burgerschool te Linz voldeed aan deze eis op werkelijk ideale wijze. Deze oude heer, die even goedig van karakter was als vastberaden in zijn optreden, slaagde er - vooral door een schitterende welbespraaktheid - niet alleen in ons te boeien, maar wist ons ook werkelijk mee te slepen. Nog steeds maakt er zich even een ontroering van mij meester, wanneer ik aan die grijze man - die ons in het vuur van zijn woorden menigmaal het heden deed vergeten - het verleden voor ons deed herleven en uit de nevelsluiers der eeuwen, de droge geschiedkundige herinnering tot levende werkelijkheid maakte.
Vaak bracht hij ons tot levende geestdrift, soms werden wij zelfs tot tranen geroerd. Dat geluk was des te groter, omdat onze leraar de kunst verstond het verleden juist in het licht van het heden te bezien, tevens echter om uit dit verleden de lessen voor het heden op te maken. Zo gaf hij ons dan ook, meer dan iemand anders, inzicht in al de problemen van de dag, die ons destijds steeds bezighielden. Ons klein nationaal fanatisme was voor hem een middel tot opvoeding, terwijl hij meer dan eens een beroep deed op ons nationaal eergevoel en daardoor alleen ons deugnieten spoediger tot orde bracht, dan dit door enig ander middel ooit mogelijk zou zijn geweest.
Deze leraar heeft geschiedenis tot mijn lievelingsvak gemaakt. Reeds in die tijd groeide, waarschijnlijk tegen zijn zin, uit mij de jonge revolutionair. Wie had ook zonder leiding van zo'n leraar Duitse geschiedenis kunnen studeren zonder tot vijand te worden van deze staat, welke door zijn dynastie op zo noodlottige wijze het leven van de natie beïnvloedde? Wie tenslotte had trouw kunnen blijven aan een keizer, wiens huis, zo vroeger als nu, altijd en altijd weer de belangen van het Duitse volk verried ter wille van smadelijke eigen voordelen? Dit historische inzicht in de invloed van het Habsburgse huis werd nog versterkt door de dagelijkse ervaringen.
In het Noorden en in het Zuiden vrat het vreemde volkerenvergif aan het lichaam van ons volk en zelfs Wenen werd kennelijk meer en meer een on-Duitse stad. Het aartshertogelijk Huis werd steeds meer Tsjechisch, waar dat maar enigszins mogelijk was en het was de vuist van de godin der eeuwige rechtvaardigheid en der onverbiddelijke vergelding, die de dodelijkste vijand van het Duitse bloed in de Oostmark - aartshertog Frans Ferdinand - juist deed vallen door de kogels, welke hij zelf hielp gieten. Hij immers was de beschermheer van het Slavendom in oostenrijk en het was vooral aan hem te danken dat de groeiende invloed van deze groep van bovenaf in de hand werd gewerkt.
Ongelooflijk zwaar waren de lasten die men aan het Duitse volk oplegde. Geweldig waren de offers aan geld en bloed en niettemin moest ieder, die niet stekeblind was, inzien dat dit alles tot vruchteloosheid gedoemd zou zijn. Wat ons daarbij nog het meest hinderde was het feit dat dit gehele systeem moreel gedekt werd door het bondgenootschap met Duitsland, waardoor de geleidelijke uitroeiing van de Duitse volkseigenheden in de oude monarchie nog min of meer door Duitsland zelf gesanctioneerd werd. De Habsburgse huichelarij, waarmee men het klaarspeelde naar buiten de schijn te wekken alsof Oostenrijk nog altijd een Duitse staat was, voerde de haat tegen dit Huis op tot brandende verontwaardiging en minachting.
Alleen de officiële instanties van het Rijk, welke ook toen al de enige "bevoegden" waren, zagen van dit alles niets. Als met blindheid geslagen gingen zij naast een lijk, en meenden zelfs nog in de voortekenen der verrotting blijken van "nieuw" leven te ontdekken. In de noodlottige bondgenootschap van het jonge Rijk met de Oostenrijkse schijnstaat lag de kiem van de Wereldoorlog, maar ook van de ineenstorting. Ik zal in het verloop van dit boek mij nog diepgaand met dit probleem moeten bezighouden. Het is voldoende hier alleen nog vast te stellen dat ik - op de keeper beschouwd - reeds in mijn prilste jeugd tot een inzicht kwam dat mij nimmer meer verliet, maar dat alleen steeds dieper werd: namelijk, dat de vernietiging van de Donau monarchie eerste vereiste is voor het bestaan van het Duitse bloed en ten tweede, dat nationaal gevoel in geen deel identiek is met dynastiek patriottisme, en voor alles: dat het Habsburgse Huis een ramp was voor de Duitse natie.
Ik had reeds destijds de consequenties van dit inzicht aanvaard en voelde warme liefde voor mijn Duits-Oostenrijkse geboortegrond en diepe haat tegen de Oostenrijkse staat.
De wijze van geschiedkundig denken die mij zo op school bijgebracht werd, heeft mij nooit meer verlaten. De wereldgeschiedenis werd mij steeds meer tot een onuitputtelijke bron van voorbeelden, welke mij leerde de historische gebeurtenissen van het heden - dus de politiek - te begrijpen. Dat was niet omdat ik haar op de schoolmanier wilde "leren", maar omdat ik inzag dat zij mij het leven kon leren begrijpen. Terwijl ik er dus zodoende reeds vroeg op politiek gebied een revolutionaire overtuiging op na hield, op kunstgebied kwam ik al spoedig tot een soortgelijke mening.
De hoofdstad van Opper-Oostenrijk bezat destijds een betrekkelijk goede schouwburg. Er werd ongeveer van alles gespeeld. Toen ik twaalf jaar oud was zag ik voor de eerste maal "Wilhelm Tell", weinige maanden daarna, de eerste opera van mijn leven, "Lohengrin". Met een slag was ik geboeid. Mijn jeugdige geestdrift voor de grote kunstenaar uit Bayreuth kende geen grenzen. Steeds weer voelde ik mij tot zijn werken aangetrokken en ik gevoel het nog heden als een bijzonder geluk, dat de gebrekkigheid der opvoering in deze provinciestad maakte, dat ik later, bij een betere bezetting, nog zoveel meer kon genieten. Dit alles maakte, vooral toen ik de vlegeljaren gepasseerd was (hetgeen zich bij mij niet dan zeer pijnlijk voltrok) dat mijn diepe tegenzin tegen een beroep, zoals mijn vader voor mij gekozen had, nog groter werd.
Steeds meer kwam ik tot de overtuiging, dat ik als ambtenaar nimmer gelukkig zou worden. Toen ik nu ook op de Hogere Burgerschool waardering voor mijn tekentalent vond, stond mijn besluit nog weer vaster. Daar konden geen smeekbeden en geen bedreigingen meer iets aan veranderen. Ik wilde schilder worden, en geen macht ter wereld zou een ambtenaar uit mij kunnen maken. Eigenaardig was het alleen, dat met het klimmen der jaren bij mij steeds meer belangstelling opkwam voor de bouwkunst. Ik hield dit destijds voor een vanzelfsprekende aanvulling op mijn schildertalent en verheugde mij innerlijk over deze verruiming van mijn horizon. Dat dit eens geheel anders zou uitkomen, vermoedde ik niet.
De kwestie van mijn beroep zou nu toch nog vlugger beslist worden dan ik vroeger had mogen verwachten. Op mijn vijftiende levensjaar verloor ik zeer plotseling mijn vader. Een beroerte trof de overigens nog zo krasse man, en beëindigde op pijnloze wijze zijn aards bestaan, ons allen in diepe smart dompelend. Datgene wat hij het diepst verlangd had, n.l. te kunnen zorgen dat zijn kind een bestaan verwierf en het zo een bittere ontwikkelingsgang als de zijne te kunnen besparen was hem, voor zijn gevoel, ongetwijfeld niet gelukt.
Alleen legde hij, al was het ook geheel onbewust, de kiemen voor een toekomst, die destijds hij noch ik hadden voorzien. Voorlopig veranderde er niets. Mijn moeder voelde zich wel verplicht mijn opvoeding verder te leiden naar de wens van mijn vader, d.w.z. mij verder te laten studeren voor de ambtenaarsloopbaan. Ik zelf was vaster dan ooit besloten, onder geen omstandigheden ambtenaar te worden. Hoe meer nu de leerstof en de ontwikkeling van de middelbare school een richting begon in te slaan, welke in strijd was met mijn ideaal, des te onverschilliger werd ik. Toen kwam mij plotseling een ziekte te hulp, en deze besliste in weinige weken over mijn toekomst en over het steeds weer opkomende conflict in het ouderlijk huis. Mijn zware longaandoening was voor de dokter aanleiding mijn moeder dringend aan te raden, mij later in geen geval op een kantoor te doen.
Mijn bezoek aan de Hogere Burgerschool moest eveneens voor minstens een jaar gestaakt. Datgene wat ik zo lang in stilte verlangd had, waarvoor ik altijd gestreden had, was nu door deze gebeurtenis ineens - bijna vanzelf - werkelijkheid geworden. Onder de indruk van mijn ziekte stemde moeder er eindelijk in toe, mij later van de Hogere Burgerschool af te nemen en de tekenacademie te laten bezoeken.
Dat waren gelukkige dagen, die mij bijna een schone droom toeschenen. Een droom zou het immers ook slecht blijken te zijn. Want twee jaar later maakte de dood van mijn moeder een plotseling einde aan alle mooie plannen. Het was het einde van een lange, pijnlijke ziekte, die van het begin af aan weinig uitzicht op genezing had geboden. Niettemin trof vooral deze slag mij ontzettend zwaar. Ik had respect gehad voor mijn vader, maar mijn moeder werkelijk liefgehad.
De nood en de harde werkelijkheid dwongen mij thans een snel besluit te nemen. De geringe geldmiddelen van mijn vader waren door de zware ziekte van moeder voor het grootste deel verbruikt; mijn wezen-pensioen was niet voldoende om ook maar te kunnen leven en dus was ik nu wel genoodzaakt om op de een of andere wijze zelf mijn brood te verdienen. Een koffer met kleding en ondergoed in de hand, met een onverwoestbare wil in het hart, zo reisde ik naar Wenen. Wat mijn vader 50 jaar geleden gelukt was, hoopte ook ik het noodlot af te dwingen; ook ik wilde "iets" worden, hoewel - in GEEN geval ambtenaar.
Toen mijn moeder stierf, had het noodlot in een opzicht reeds over mijn lot beslist. In de laatste maanden van haar leven was ik naar Wenen gereisd om toelatingsexamen te doen voor de academie. Met een dik pak tekeningen onder de arm, had ik mij destijds op weg begeven, overtuigd het examen spelenderwijze te kunnen afleggen. Op de Hogere Burgerschool was ik in tekenen verreweg de beste van de klas geweest; sinsdien had zich mijn vaardigheid nog buitengewoon sterk ontwikkeld, zodat ik trots en gelukkig was in het gevoel dat ik over mijn werk tevreden kon zijn en er dus maar het beste van hoopte.
Een enkel ding baarde mij dikwijls zorg: mijn schildertalent scheen te worden overtroffen door dat in het tekenen, vooral op bijna het gehele gebied der architectuur. Mijn belangstelling voor de bouwkunst zelf hield met deze ontwikkeling gelijke tred, en werd steeds groter. Dit proces werd nog veel versneld toen ik voor het eerst, als jongen van 16 jaar oud, een veertiendaags bezoek aan Wenen had gebracht. Ik reisde er heen om de schilderijengalerij van het Hofmuseum te bestuderen, maar had bijna uitsluitend oog voor het museumgebouw zelf. Ik liep gedurende die dagen van de vroege morgen tot de late avond van de ene bezienswaardigheid naar de andere, maar het waren altijd weer enkel bouwwerken die mij boeiden.
Urenlang kon ik voor de Opera staan, urenlang het parlementsgebouw bewonderen; de gehele Ringstrasze werkte op mij als een betovering uit duizend-en-een-nacht. Nu was ik dus voor de tweede maal in deze stad en wachtte met brandend ongeduld, maar ook met trots en zelfvertrouwen op de uitslag van mijn toelatingsexamen. Ik was ZO overtuigd dat het mij trof als een bliksemslag uit heldere Hemel toen men mij mededeelde dat ik afgewezen was. En toch was het zo. Toen ik mij aan de rector liet voorstellen en hem verzocht mij te willen zeggen om welke redenen ik niet tot de algemene schildersschool der Academie was toegelaten, verzekerde deze mij dat uit de door mij meegebrachte tekeningen zonneklaar mijn ongeschiktheid voor schilder bleek, maar dat mijn talent toch kennelijk op het gebied der architectuur lag. Voor mij kon nimmer de schildersschool, maar alleen de architectuurschool der Academie in aanmerking komen.
Dat ik tot dusverre nog geen bouwkundige school had bezocht, en evenmin enig onderricht in architectuur ontvangen had, kon men zich gewoon niet voorstellen. Terneergeslagen verliet ik Hansens prachtgebouw aan de Schillerplatz en was nu, voor de eerste maal in mijn jeugdig leven, oneens met mijzelf. Want wat ik over mijn aanleg had gehoord wierp plotseling een schel licht op een innerlijke tegenstrijdigheid, welke mij reeds lang had gehinderd, zonder dat ik er totnogtoe in was geslaagd haar vast te stellen. Na enkele dagen stond het ook bij mij zelf vast, dat ik bouwmeester zou moeten worden. Weliswaar was de weg buitengewoon moeilijk, want wat ik tot dusver op de Hogere Burgerschool had verzuimd, moest zich nu wel bitter wreken.
Om tot de architectuurschool der Academie te worden toegelaten, was het noodzakelijk dat men de Bouwtechnische School had doorlopen en om hiertoe te worden toegelaten, moest men in het bezit zijn van een einddiploma van een middelbare school. Dit alles ontbrak ten ene male. Naar menselijke berekening was dus de vervulling van mijn droom om kunstenaar te worden niet meer mogelijk.
Toen ik na de dood van mijn moeder voor de derde maal naar Wenen trok, en ditmaal voor vele jaren, had de intussen verstreken tijd mij mijn rust en vastberadenheid teruggeven. De vroegere koppigheid was weergekeerd en ik had mij mijn doel eens en vooral vast voor ogen gesteld. Ik wilde bouwmeester worden en tegenslagen zijn er niet op dat wij ervoor capituleren, maar opdat wij hen overwinnen. En ik wilde al deze hindernissen overwinnen, met steeds het voorbeeld van mijn vader voor ogen, die eens als de zoon van een arme dorpsschoenlapper was begonnen en zich tot rijksambtenaar had weten op te werken.
Dan waren de wapenen waarover ik kon beschikken toch al heel wat beter, en waren mijn omstandigheden toch heel wat gunstiger, en wat ik destijds aanzag voor de hardheid van het lot, prijs ik heden als de wijsheid der Voorzienigheid. Terwijl de godin van de nood mijn leven begon te beheersen, en het dikwijls leek alsof ik de strijd zou moeten opgeven, groeide de wil tot verzet, en tenslotte bleef die wil overwinnaar. Ik dank het aan die tijd dat ik hard ben geworden en hard kan zijn. En meer nog dan deze versterking van mijn wil, ben ik hem dankbaar dat hij mij losscheurde uit de leegheid van een gemakkelijk leven, dat hij het moederskindje uit het zachte dons trok en hem de zorg als levenskameraad gaf, dat hij de tegenspartelende jongen in de wereld van de ellende en de armoede zette en hem zo met diegenen in aanraking bracht, voor wie hij later zou moeten strijden.
In deze tijd zouden ook mijn ogen geopend worden voor twee gevaren waarvan ik voordien nog maar nauwelijks de naam kende en waarvan ik zeker nog niet begreep, welk een ontzettende bedreiging zij vormden voor het bestaan van het Duitse volk: Marxisme en Jodendom. Wenen, de stad die voor zo velen het symbool van argeloze vrolijkheid is, en die men zich zo graag voorstelt als een groot feestterrein vol vrolijke mensen, wekt bij mij slechts herinneringen op aan de treurigste tijd van mijn leven. Ook heden nog roept deze stad slechts droeve gedachten bij mij wakker. In de naam van deze sprookjesstad liggen voor mij vijf jaren van honger en ellende besloten. Vijf jaren waarin ik de kost moest verdienen als los arbeider, daarna als kleine schilder mijn brood moest verdienen,
Mijn eisen op dit punt waren waarlijk bescheiden genoeg, en toch was er nooit voldoende om ook maar de eerste honger te stillen. Hij was destijds mijn trouwe metgezel, de enige die mij nooit verliet, die alles eerlijk met mij deelde. Ieder boek dat ik kocht wekte zijn medeleven; een bezoek aan de opera was voor hem reden om mij weer dagenlang gezelschap te houden; het was een voortdurende strijd met mijn meedogenloze vriend. En toch heb ik in deze tijd meer geleerd dan ooit tevoren. Op mijn bouwkunde en het zeldzame - uit mijn mond bespaarde bezoek aan de opera na - waren mijn boeken de enige vreugde in mijn leven.
Ik las destijds buitengewoon veel en degelijk. Alle vrije tijd welk mijn werk mij liet besteedde ik geheel en al aan mijn studie. In luttele jaren legde ik zodoende de grondvesten van een kennis, waarvan ik ook heden nog de vruchten pluk. Maar dit was nog niet alles. In deze tijd vormde zich bij mij een wereldbeeld en een wereldbeschouwing, die tot een muurvast fundament werd en een richtsnoer voor al mijn daden. Ik heb aan datgene - wat ik mij zodoende schiep - slechts weinig behoeven toe te voegen; te veranderen behoefde ik niets.
Integendeel. Het is nu mijn vaste overtuiging, dat in 't algemeen de kiemen van alle scheppende gedachten - wanneer er althans aanwezig zijn - reeds tijdens de jeugd op de een of andere wijze tot uiting komen. Ik maak onderscheid tussen de wijsheid van de ouderdom, welke alleen de grotere diepte en grotere voorzichtigheid als vrucht van een lang leven laat gelden, en de genialiteit van de jeugd, die in onuitputtelijke vruchtbaarheid gedachten en ideeën voortbrengt, al kan ze deze dan - door hun groot aantal - voorlopig nog in het geheel niet verwerken. De jeugd levert de bouwstoffen en toekomstplannen, waaraan de wijzere ouderdom de stenen ontleent, welke hij bijwerkt en waarmee hij de bouw voltooit, voor zover de zogenaamde wijsheid van de ouderdom althans de genialiteit der jeugd niet heeft verstikt.
Het leven dat ik tot die tijd in het ouderlijk huis geleid had, onderscheidde zich in weinig of niets van dat van alle anderen. Zorgeloos kon ik de nieuwe dag tegemoet zien, en een sociaal vraagstuk bestond er voor mij niet. Het milieu waarin ik opgroeide was dat van de kleine burgerij, dus een wereld die met de echte handarbeiders slechts weinig betrekkingen onderhoudt. Want hoe vreemd het op het eerste gezicht ook moge schijnen, toch is juist de kloof tussen deze - gewoonlijk niet bepaald schitterend gesitueerde - volksgroepen en de eigenlijke handarbeider dieper dan men denkt. De oorzaak van de bijna aan vijandschap grenzende koelheid - welke kenmerkend is voor de onderlinge verhouding van deze twee standen - is de vrees van een maatschappelijke groep, die zich eerst sedert kort boven het niveau der handarbeiders heeft uitgewerkt, om weer terug te zinken naar de oude, weinig geachte stand, of om nog tot die stand te worden gerekend.
Bovendien leefde nog bij velen de onaangename herinnering aan de culturele armoede van deze lagere klasse, de veelvuldige ruwheid in de onderlinge omgang, waardoor ieder contact van de eigen positie in het maatschappelijk leven, hoe onaanzienlijk deze ook moge zijn, met deze overwonnen trap van het leven en beschaving, tot een ondragelijke last wordt. Zo komt het dat een hoger ontwikkelde dikwijls minder bevooroordeeld tot zijn laagstaande medemens afdaalt dan iemand, die zelf in die stand heeft geleefd, dit ooit vermag. Want ieder die zich door eigen energie heeft opgewerkt, behoudt nu eenmaal zijn leven lang, als erfenis van zijn kinderjaren, de herinnering aan zijn vroeger lager levenspeil, en daarmee de angst voor dat - nog te nabije milieu.
Maar ook doodt deze dikwijls zeer harde strijd het medelijden. De eigen moeilijke worsteling om het bestaan maakt ongevoelig voor de ellende der anderen. Mij was het noodlot in dat opzicht genadig. Terwijl het mij dwong, weer in deze wereld der armoede en onzekerheid terug te keren, die mijn vader in de loop van zijn moeilijke leven reeds had verlaten, bevrijdde het mij van de vooroordelen welke een bekrompen kleinburgerlijke opvoeding mij had meegegeven. Nu eerst leerde ik de mensen kennen, leerde onderscheid te maken tussen de lege schijn of het ruwe uiterlijk en het innerlijk wezen.
Wenen was reeds in het begin dezer eeuw een stad met buitengewoon ongunstige sociale toestanden. De grootset rijkdom en de ontzettendste armoede wisselden elkaar af, in plotse opeenvolging. In het centrum en in de daaromheen gelegen wijken voelde men wel heel sterk de hartslag van dit rijk van 52 millioen zielen, met al de bedenkelijke glans en glorie, welke de nationaliteitenstaat eigen is. Het hof, met zijn verblindende pracht, trok als een magneet alles wat rijk of ontwikkeld was uit de andere delen des Rijks tot zich; een proces dat nog versneld werd door het sterk centraliserende streven van het Habsburgse Huis zelf. Hierin was de enige mogelijkheid gelegen om dit mengelmoes van volkeren in een vaste vorm bijeen te houden.
Het gevolg daarvan was echter een buitengewone opeenhoping van hoge en hoogste autoriteiten in de hoofd- en residentiestad. Wenen was niet alleen politiek en geestelijk, maar ook economisch het hart der oude Donau-monarchie. Tegenover het leger van hoge officieren, rijksambtenaren, kunstenaars en geleerden stond een nog veel groter leger van arbeiders, tegenover de rijkdom van aristocratie en handel de bitterste armoede. Voor de paleizen der Ringstrasze slenterden duizenden werkelozen, en onder deze "via triumphalis" van het oude Oostenrijk huisden in het schemerdonker en het slijk der kanalen de daklozen. Er zou moeilijk een andere Duitse stad te vinden zijn geweest waar het sociale vraagstuk zo goed te bestuderen was als juist in Wenen.
Dit bestuderen kan niet van bovenaf geschieden. Wie zich niet zelf in de omklemming van deze worgende reuzenslang bevindt, leert zijn giftanden nimmer kennen. Anders is het resultaat slechts oppervlakkig gezwets of onwaarachtig sentimenteel gedoe, wat beide even verkeerd is. Het ene is verkeerd, omdat het nooit tot de kern van het probleem kan doordringen, het andere, omdat het deze kern niet zoekt. Ik weet niet wat noodlottiger is, de onverschilligheid tegenover de sociale nood, zoals de meerderheid van de lieden die door het geluk begunstigd of door eigen verdienste opgeklommen zijn, dagelijks vertoont, of die even hooghartige als opdringerige, tactloze, maar altijd minzame neerbuigendheid van een bepaald soort van modewijven in rokken en broeken, "die toch zoveel voor het volk voelen".
Deze mensen zondigen in ieder geval meer dan zij met hun instinctloos verstand ook maar bij benadering kunnen begrijpen. Daarom dan ook, dat tot hun eigen verwondering, het resultaat van de door hen betoonde "sociale gevoelens" altijd nul is, en dat deze zelfs dikwijls verontwaardigd worden afgewezen; hetgeen dan natuurlijk onder de "weldoeners" weer doorgaat voor het bewijs van de ondankbaarheid van het volk. Dat dit met ernstig sociaal werk niet het geringste heeft uit te staan, en dat trouwens dit laatste ook in het geheel geen aanspraak mag maken op dankbaarheid, omdat het immers geen genade wil verlenen, maar enkel en alleen onrecht moet herstellen - dat is iets, wat hersens van dit soort maar liever niet tot zich laten doordringen.
Het bleef mij bespaard, het sociale vraagstuk op die wijze te leren kennen. Toen het ook mijn leven aantastte en teisterde, leek het er niet veel op, dat het me uitnodigde hiervan te leren, maar zag het er eerder naar uit dat het zijn krachten op mij wilde beproeven. Het was niet zijn schuld dat het proefkonijn niettemin heelhuids en gezond de operatie doorstond. Wanneer ik nu wil proberen, al mijn gewaarwordingen uit die tijd weer te geven, dan kan dit nimmer ook maar bij benadering volledig zijn; slechts de meest essentiële indrukken, die voor mij dikwijls de meest schokkende waren, zullen hier worden beschreven, en daarnaast de enkele lessen die ik er in deze tijd reeds uit putte.
Nu viel het mij destijds meestal niet erg zwaar, om werk te vinden, aangezien ik immers geen geschoold vakman was, maar slechts als zogenaamd los arbeider, en menigmaal als dagloner moest trachten, mijn dagelijks brood te verdienen. Ik stelde mij daarbij op het standpunt van al degenen, die het stof van Europa van hun voeten schudden, met het onwrikbare voornemen, zich in de Nieuwe Wereld ook een nieuw bestaan te verwerven, een nieuw tehuis veroveren. Wanneer ze zich eenmaal ontworsteld hebben aan de greep van alle tot dan heersende, verlammende opvattingen over beroep en stand, en niet meer gebonden zijn door omgeving en traditie, grijpen zij naar ieder mogelijkheid om hun brood te verdienen die zich voordoet, pakken elke arbeid aan en worden er zich zo steeds meer van bewust dat eerlijke arbeid nimmer onteert, van welke aard hij ook moge zijn.
Zo was ook ik vast besloten, om in die nieuwe wereld met beide benen op de grond te staan, en om mij er een weg te banen. Dat er dan altijd wel het een of andere werk te doen valt, leerde ik aldra, maar even vlug ook, hoe gemakkelijk men dit weer verliest. Het feit, dat ik zodoende nooit zeker was van mijn dagelijks brood, scheen mij na korte tijd een der ergste schaduwzijden van dit nieuwe leven. Wel zal de geschoolde arbeider niet zo vaak op straat worden gezet als de losse werkman, maar helemaal blijft toch ook hij niet voor dit noodlot bewaard.
Bij hem is het niet zozeer het gebrek aan werk, als wel de uitsluiting en de staking, welke aan zijn brood raken. Hier wreekt zich de onzekerheid van bestaan reeds het ergst aan het gehele economische leven zelf. De boerenjongen die naar de grote stad trekt, aangetrokken door de vermeende of ook wel werkelijk lichtere arbeid, de kortere arbeidstijd, het meest echter nog door het verblindende licht, dat de grote stad nu eenmaal weet uit te stralen, is nog gewend aan enige zekerheid van verdienste. Hij pleegt de oude werkkring ook slecht dan te verlaten, indien hij tenminste een nieuwe in het verschiet heeft. Tenslotte is het gebrek aan landarbeiders groot, de waarschijnlijkheid van een langdurige werkeloosheid dus op zichzelf gering.
Nu is het foutief, te geloven, dat de jonge man die zich naar de grote stad begeeft, reeds daardoor blijk geeft uit slechter hout te zijn gesneden dan hij, die zich ook verder eerlijk zijn brood verdient op het land. Nee, integendeel. De ervaring leert, dat eerder gezegd kan worden, dat degenen die wegtrekken, de gezondste en meest wilskrachtige naturen zijn dan omgekeerd. Tot deze "emigranten" echter behoort niet alleen de man die naar Amerika gaat, maar ook reeds de jonge knecht die zijn besluit zijn geboortedorp te verlaten, om naar een onbekende grote stad te trekken. Ook hij is bereid een onzekere toekomst op zich te nemen. Meestal komt hij met enig geld in de stad aan, en behoeft dus als zijn eerste pogingen mislukken, en hij de eerste tijd geen werk weet te vinden, niet reeds dadelijk de strijd op te geven.
Erger wordt het echter, wanneer hij een betrekking heeft gevonden, en deze na korte tijd weer verliest. Vooral in de winter is het moeilijk, zo niet onmogelijk, een nieuwe te vinden. De eerste weken gaat het dan nog. Hij wordt gesteund uit de werkelozenkas van zijn vakvereniging en slaat zich er doorheen , zo goed en zo kwaad als het gaat. Maar, als de laatste eigen cent is opgebruikt, en de werklozenkas tengevolge van de lange duur der werkeloosheid de ondersteuning ook nog staakt, dan komt de grote nood. Dan slentert hij hongerig rond, verpandt en verkoopt dikwijls nog zijn laatste bezittingen, komt zodoende ook steeds slechter in zijn kleren te zitten en daalt daarmede ook uiterlijk af tot een milieu dat, alsof al zijn materiële zorgen nog niet genoeg waren, ook nog zijn ziel vergiftigt. Wordt hij dan ook nog dakloos, en gebeurt dit, wat dikwijls het geval is, in de winter, dan wordt zijn ellende zeer groot.
Eindelijk vindt hij het een of andere werk. Maar het spel herhaalt zich. De tweede maal treft het hem even zwaar, een derde maal misschien nog zwaarder, zodat hij langzamerhand immuun begint te worden voor die eeuwige onzekerheid. En tenslotte gaat hij die herhaling gewoon vinden. Aldus verslapt de gehele levenshouding van deze eerst zo vlijtige man, en langzaam wordt hij rijp, om als instrument te dienen van diegenen, die hem slechts misbruiken ter wille van eigen plat-materieel voordeel. Hij was al zo dikwijls werkloos buiten eigen schuld, dat het er op een keer meer of minder niet aankomt, zelfs indien het daarbij niet meer gaat om de verovering van economische rechten, maar om het vernietigen van staatkundige, maatschappelijke of algemene culturele waarden. Hij zal, zoal niet belust zijn op staking, er dan toch vrij onverschillig tegenover staan.
Ik kon met eigen ogen in duizend gevallen deze gang van zaken waarnemen, en hoe langer ik dit spel aanzag, des te meer groeide mijn afkeer tegen die millioenenstad, die de mensen eerst hebzuchtig naar zich toetrok, om ze dan zo meedogenloos op te gebruiken. Wanneer zij kwamen, behoorden zij nog altijd tot hun volk; wanneer zij bleven, gingen zij voor hun volk verloren. Ook mij had het grote stadsleven zo her-en-derwaarts gesmeten, en ik kon dus zelf aan lichaam en ziel ervaren, welke invloed daarvan uitging. Ik zag daarbij nog iets bijzonders; n.l. dat de snelle overgang van arbeid tot werkeloosheid en omgekeerd, en ook de daardoor veroorzaakte voortdurende onzekerheid van inkomen, wat dus ook weer maakte dat men nooit zeker was, de volgende week weer te kunne rondkomen, op den duur bij velen het gevoel van spaarzaamheid vernietigde, en tegelijk daarmee het begrip voor verstandige indeling van het leven.
Het lichaam schijnt er langzamerhand aan te wennen, om in goede tijden in overvloed te leven, en in slechte te hongeren. Ja, ieder voornemen, om later, in gunstiger tijden, voor een betere indeling te zorgen, wordt omver geworpen door de honger, die zijn slaven in een voortdurend fata morgana een goed leventje voortovert, en die de kunst verstaat, om deze droom tot zulk een sterk verlangen op te voeren, dat het ziekelijk wordt, en iedere zelfbeheersing vernietigt zodra de verdienste maar even boven het levensminimum uitkomt. Daardoor komt het, dat hij, die nog maar pas weer werk gekregen heeft, zo onverstandig is om dadelijk iedere indeling te vergeten en in plaats daarvan er maar op los te leven.
Dit leidt zelfs tot ontreddering van de geringe wekelijkse huishouduitgaven, daar zelfs hier een verstandige indeling uitblijft; eerst is er nog maar voor vijf dagen genoeg, in plaats van zeven, later nog slechts voor drie, eigenlijk nog maar nauwelijks voor een dag, en tenslotte wordt alles reeds in de eerste nacht na de uitbetaling verbrast. Thuis zitten dan dikwijls vrouw en kinderen te wachten. Menigmaal worden ook zij door deze manier van leven aangestoken, vooral indien de man overigens goed voor hen is, ja, ze ze op zijn manier zelfs liefheeft.. Dan wordt het weekloon thuis in twee, drie dagen gemeenschappelijk verbrast; er wordt gegeten en gedronken zolang er geld is, en de laatste dagen wordt er evenzeer honger geleden. Dan gaat de vrouw beschaamd bij de buren en in de omgeving rond, leent hier en daar wat, maakt kleine schulden bij de kruidenier, en tracht aldus de moeilijke laatste dagen der week door te komen.
's Middags zit het hele gezin aan een karig maal, dikwijls is er ook niets op tafel, - en wacht op de aanstaande betaaldag, spreekt erover, maakt plannen en droomt, al hongerend, alweer van het naderend geluk. En zo worden de kleine kinderen al in hun prilste jeugd gewend aan en opgevoed in deze ellendige levensopvatting. Maar de eigenlijke slechte gevolgen komen in die gevallen, waar de man, van begin af aan, zijn eigen weg gaat, en de vrouw ter wille van de kinderen daartegen opkomt. Dan komt er twist en ruzie en naarmate de man dan van de vrouw vervreemdt, komt hij nader tot de alcohol. Elke zaterdag is hij nu dronken en uit drang tot zelfbehoud voor zich en haar kinderen, vecht de vrouw met hem om het beetje geld dat zij hem, en dan meestal nog op de weg van de fabriek naar de kroeg, moet zien te ontfutselen.
Komt hij eindelijk Zondags of in de nacht van Maandag zelf thuis, dronken en woest, maar altijd volkomen platzak, dan spelen zich soms tonelen af welke geen pen kan beschrijven. Ik heb honderden van zulke gevallen gezien, aanvankelijk met weerzin of ook wel met verontwaardiging, om later de hele tragiek van dit lijden te begrijpen en in de diepere oorzaken ervan te verstaan. Al deze mensen zijn de rampzalige slachtoffers van de slechte toestanden. Bijna nog droeviger waren destijds de woningtoestanden. De woningellende van de losse arbeiders te Wenen was ontzettend. Ik ril nog heden, als ik aan die jammerlijke woonholen denk, aan die volkslogementen en massakwartieren, aan die sombere tonelen waar het alom vol afval en stotend vuil lag en waar men vaak de ergste dingen zag gebeuren. Hoe moest, hoe moet dat eenmaal worden, wanneer de holen der ellende eenmaal de stroom der losgelaten slaven over die andere zo onnadenkende helft van de mensheid uitbraken. Want deze andere helft der wereld is gedachteloos. Gedachteloos laat ze die dingen hun ellendige gang maar gaan, zonder in haar instinctloosheid ook maar te vermoeden, dat het noodlot vroeger of later tot vergelding MOET overgaan, indien de mensen niet bijtijds nog het noodlot weten te bezweren.
Hoe dankbaar ben ik nu, dat de voorzienigheid mij deze school liet doorlopen. Daar kon ik niet saboteren, wat mij niet beviel. Daar werd ik snel en degelijk opgevoed. Indien ik niet wilde wanhopen aan de mensen die destijds mijn omgeving uitmaakten, dan moest ik leren onderscheid te maken tussen de uiterlijke schijn en de oorzaken van deze ontwikkeling. Alleen dan was dit alles te verdragen, zonder dat het tot wanhoop bracht. Dan zag men niet meer de mensen en al die nood en al die ellende, in al die afval en uiterlijke verwaarlozing, dan zag men enkel nog, dat treurige wetten tot treurige gevolgen hadden geleid, waarbij de zwaarte van mijn eigen, doch ook niet lichtere levensstrijd, mij belette om me er nu maar met miezerige sentimentaliteit bij neer te leggen dat dit nu de verdierlijkte eindproducten waren van die ontwikkeling, en dat daar verder niets aan te doen zou zijn.
Reeds destijds voorzag ik, dat hier slechts een tweeledige weg naar het doel, d.w.z. naar een verbetering dezer toestanden kon leiden, en wel:
Een groot sociaal verantwoordelijkheidsbesef, teneinde betere ontwikkelingsvoorwaarden te scheppen, met daarnaast onverbiddelijke gestrengheid tegen hardleerse onsociale elementen.
Zoals ook het streven van de natuur er niet zozeer op gericht is om het bestaande te houden, als wel om te zorgen voor het nageslacht als de drager van de soort, zo moet er ook in het menselijk leven niet zozeer naar worden gestreefd, om de bestaande onvolmaaktheden kunstmatig te verbeteren, wat - gezien de aanleg van de mensen - voor 99% onmogelijk is, maar om de toekomstige ontwikkeling van de beginne af in betere banen te leiden.
Reeds tijdens mijn Weense strijd om het bestaan was het mij duidelijk geworden, dat een werkelijk sociale politiek nooit haar taak mag zien in een even bespottelijk als doelloos verstrekken-van-steun-op-zo-groot-mogelijke basis, maar integendeel alles moet doen, om dergelijke fundamentele fouten in de organisatie van ons economisch en cultureel leven te voorkomen, omdat deze de ontaarding van vele tengevolge moeten, of althans kunnen hebben.
Het bezwaar, verbonden aan een optreden met gewelddadige middelen tegen de staatsvijandige misdadigerswereld is immers juist gelegen in het feit, dat wij nooit volkomen zekerheid bezitten omtrent de diepere oorzaken van zulke tijdsverschijnselen. Deze onzekerheid vindt zijn grond in een maar al te juist gevoel, dat men zelf schuld is aan deze rampzalige gevallen van zedelijke verwording; maar dit schuldbesef, hoe juist ook, verhindert nu elk ingrijpend besluit en maakt dat zodoende zelfs de allernodigste maatregelen tot zelfbehoud nog maar ten halve, of met veel te weinig energie worden doorgevoerd.
Pas een bewind, dat niet meer, door eigen schuldbewustzijn gekweld, genade voor recht zal moeten doen gelden, zal de innerlijke rust en daarmee ook de kracht bezitten, om onverbiddelijk en zonder aanzien des persoons de wilde loten te snoeien en het onkruid uit te wieden. Daar de Oostenrijkse staat nagenoeg in het geheel geen sociale rechtspraak of sociale wetgeving kende, was ook zijn strijd tegen deze uitwassen, zelfs tegen de ernstigste, opvallend krachteloos.
Ik weet niet, wat mij nu in deze tijd het meest ontstelde: de economische ellende van mijn toenmalige lotgenoten, hun onzedelijke en morele ruwheid of het lage peil van hun ontwikkeling. Hoe dikwijls stuiven niet onze brave burgers vol morele verontwaardiging op, wanneer ze uit de mond van de een of andere berooide landloper te horen krijgen, dat het hem onverschillig laat of hij Duitser is of niet en dat hij zich overal op zijn gemak voelt waar hij maar voldoende heeft om van te kunnen leven. Dit gebrek aan "nationale trots" wordt dan diep beklaagd, men weet voor een dergelijke mentaliteit geen woorden te vinden die scherp genoeg zijn.
Hoeveel van hen hebben zich echter wel eens de vraag gesteld, wat dan eigenlijk de oorzaak is van het feit, dat toevallig juist zij zelf er een moreel hoger staande mening op na houden? Hoeveel van hen begrijpen eindelijk, dat het juist de som is van die over talrijke herinneringen, die tot ons spreken over de grootheid van ons vaderland en over al datgene, wat onze natie op alle gebieden van de kunst en cultuur wist te presteren, welke die gerechtvaardigde trots, dat men tot een zo begenadigd volk mag behoren bij ons wakker roept.
Hoeveel vermoeden eigenlijk hoezeer deze nationale trots afhankelijk is van onze bekendheid met de grootheid van het vaderland op al deze gebieden? Denken onze burgerlijke kringen er wel een over na, hoe bitter weinig er gedaan wordt, om "de mindere man" deze noodzakelijke grondslag voor nationale trots bij te brengen? Men komt nu niet met het praatje dat "dit in andere landen immers ook niet anders is en dat de arbeider daar echter niettemin een sterk nationaal bewustzijn bezit". Zelfs indien dit zo was, zou het niet als verontschuldiging kunnen dienen voor eigen tekortkomingen.
Maar het is niet zo. Want wat wij altijd een chauvinistische opvoeding noemen, b.v. die van het Franse volk, is in wezen niets anders dan dat er buitengewoon de nadruk wordt gelegd op de grootheid van Frankrijk op alle gebieden der cultuur, of zoals de Fransman pleegt te zeggen, der 'civilisatie'. De jonge Fransman wordt immers niet tot objectiviteit opgevoed, maar tot het meest subjectieve inzicht dat men zich maar denken kan, voorzover het er althans om gaat de betekenis van het politieke en culturele grootheid van zijn vaderland tot hem te doen doordringen. Deze opvoeding zal zich daarbij altijd dienen te beperken tot algemene, zeer belangrijke gezichtspunten, die, zonodig door eindeloze herhaling in het gevoel en geheugen van het volk moeten worden geprent.
Nu komt echter bij ons, naast de negatieve fout der nalatigheid, nog de positieve, dat wij het weinige wat een gelukkige enkeling nog van de school mocht meenemen, nog vernietigen. De ratten, die ons volk met politiek vergiftigden, vraten ook dit weinige nog uit het hart en de herinnering van de grote massa, voorzover de nood en de ellende daar nog niet voor zorgden. Men denkt zich het volgende eens in: In een kelderwoning, bestaande uit twee bedompte kamers, woont een arbeidersfamilie, bestaande uit zeven personen. Stel, dat er nu onder de vijf kinderen ook een jongen van een jaar of drie is. Dit is de leeftijd, waarop de eerste indrukken bij een kind tot het bewustzijn doordringen. Bij begaafde mensen zijn nog tot op zeer hoge leeftijd sporen aanwezig van herinneringen uit deze tijd. Alleen reeds de bekrompenheid en bedomptheid van de woonvertrekken werken in ongunstige zin op de onderlinge verhoudingen. Twist en ruzie zullen hierdoor al dikwijls aan de orde van de dag zijn. De mensen leven immers op deze manier niet met elkaar, maar verdringen elkaar, leven ten koste van elkaar, van de lucht van de ander en de ruimte van de ander.
Ieder meningsverschil, hoe klein ook, dat in een ruimere woning eenvoudig kan worden opgelost, doordat beide partijen elkaar enige tijd uit de weg gaan, leidt hier tot een nare ruzie waar geen einde aan wil komen. Bij kinderen is dat natuurlijk nog te verdragen; zij kibbelen in zulke gevallen immers altijd en vergeten alles weer spoedig en volkomen. Indien echter deze strijd tussen de ouders zelf uitgevochten wordt, en dan nog bijna elke dag, in vormen die aan ruwheid dikwijls niets te wensen overlaten, dan MOET een dergelijk aanschouwelijk onderwijs na korte of langere tijd zijn invloed op de kinderen doen gelden. En voor iemand, die deze milieus niet kent, is het moeilijk zich voor te stellen van welke aard deze invloeden zullen zijn in de, toch niet zeldzame gevallen, dat de vader zich aan de moeder vergrijpt en haar, wanneer hij in beschonken toestand verkeert, zelfs mishandelt.
Op zesjarige leeftijd vermoedt zo'n beklagenswaardige kleine jongen reeds dingen, waaraan een volwassene niet dan met afgrijzen kan denken. Moreel vergiftigd, lichamelijk ondervoed, het arme hoofdje vol luizen, zo komt de aankomende "staatsburger" op school. Daar wordt hem dan met veel moeite wat lezen en schrijven bijgebracht, maar dat is dan ook vrijwel alles. Van enig leren thuis kan geen sprake zijn, integendeel. Moeder en vader spreken immers zelf, en dat wel in tegenwoordigheid der kinderen, op een wijze die niet weer te geven is, over onderwijzers en de school, en zijn steeds veel eerder geneigd de leraar grofheden toe te voegen, dan om hun spruit over de knie te leggen en tot rede te brengen.
Wat de kleine man thuis verder nog opvangt, werkt ook niet mee om zijn respect voor de geliefde medemensen te vergroten. Geen goede eigenschap der mensheid, die moeder en vader niet ontkennen, geen instelling die ze niet veroordelen; van de schoolmeester tot en met het hoofd van de staat. Of er sprake is van godsdienst of van de moraal zelf, van de staat of van de maatschappij, het komt er niet op aan, alles wordt beschimpt op de gemeenste manier door de modder van een minderwaardige mentaliteit gesleurd. Indien nu het jonge mens op veertienjarige leeftijd de school verlaat, valt het reeds moeilijk uit te maken wat het grootste is: zijn ongelofelijke domheid, wat zijn werkelijk weten en kunnen betreft, de stuitende onbeschaamdheid van zijn optreden, of zijn gemis aan moraal, dat reeds op deze leeftijd ontstellend groot is.
Nu staat het jonge mens dus op het punt om een lid van de maatschappij te worden; voor welke plaats is hij geschikt? Er is hem vrijwel niets meer heilig -hij heeft niets groots leren kennen, maar hij vermoedt of kent iedere gemeenheid van het leven. Uit het driejarige kind is een vijftienjarige gegroeid die elk gezag veracht. Het leven heeft hem vuilheid en laagheid bijgebracht, maar heeft hem nog niets weten te geven, dat iets hogers bij hem had kunnen wakker roepen. En nu heeft hij nog maar de lagere school van dit leven kunnen doorlopen. Thans begint voor hem hetzelfde leven dat hij gedurende zijn kinderjaren zijn vader heeft zien leiden. Hij dwaalt rond en komt diep in de nacht thuis, ranselt voor afwisseling ook zelf nog eens het ineengeschrompelde wezen af, dat eens zijn moeder was, vloekt op God en de wereld en wordt tenslotte wegens de een of andere bijzondere aanleiding veroordeeld en naar een tuchtschool gestuurd. Daar ontvangt hij de laatste "vorming".
En dan staat de brave burger nog verbaasd over het gebrek aan "nationaal gevoel" bij deze jonge "staatsburger". Hij ziet hoe het vergif in theater en bioscoop, in schunnige literatuur en vieze persproducten dag aan dag, met emmers tegelijk, over het volk wordt uitgegoten en staat dan nog verbaasd over het lage zedelijke gehalte, de "onverschilligheid tegenover het vaderland" bij de grote massa van dit volk. Alsof prullige bioscoopvoorstellingen, vuile couranten en dergelijke ook maar het allergeringste besef van vaderlandse grootheid konden opwekken, zelfs wanneer men hierbij de vroegere opvoeding van de enkeling buiten beschouwing laat, en een gezonde normale vatbaarheid voor indrukken veronderstelt.
Wat ik vroeger nimmer vermoed had, leerde ik destijds vlug en grondig begrijpen. Het vraagstuk, hoe men een volk zijn nationaal besef terug kan geven is in de eerste plaats een kwestie van het scheppen van gezonde sociale toestanden als fundament voor de opvoedingsmogelijkheden van de enkeling. Want alleen hij, wiens opvoeding er, thuis als op school, op gericht is, om hem de culturele, economische, voor alles echter de politieke grootheid van zijn eigen vaderland te leren kennen, kan en zal ook een grote trots gaan voelen, dat hij tot zulk een volk mag behoren. En strijden kan ik alleen voor dat, wat ik liefheb; ik kan alleen dat liefhebben, waarvoor ik eerbied gevoel; en om achting te kunnen gevoelen moet ik het voorwerp van die eerbied tenminste kennen.
Zodra mijn belangstelling voor de sociale kwestie gewekt was, begon ik haar ook zo diepgaand mogelijk te bestuderen. Het was een nieuwe, onbekende wereld, die hier voor mij openging. In de jaren 1909 en 1910 was er, ook in mijn eigen toestand verandering gekomen, in zoverre, dat ik niet meer als los werkman mijn dagelijks brood behoefde te verdienen. Ik werkte destijds reeds zelfstandig als tekenaar en aquarellist. Hoe gering de verdienste in deze tijd ook was - het was nauwelijks voldoende om van te leven - de school, welke ik hier doormaakte, was echter voor het beroep dat ik mij gekozen had, zeer goed. Nu was ik niet meer doodmoe, wanneer ik van mijn werk terugkeerde, zoals vroeger altijd het geval was, maar kon werkelijk af en toe eens een boek lezen, zonder na korte tijd in te dommelen.
De arbeid, die ik nu verrichtte, was immers van dezelfde aard als mijn aanstaande beroep. Ook kon ik, nu ik heer en meester was over mijn eigen tijd, deze werkelijk beter indelen, dan vroeger mogelijk was. Ik schilderde om mijn brood te verdienen en leerde voor mijn genoegen. Hierdoor was het mij ook mogelijk, bij mijn aanschouwelijk onderwijs over het sociale probleem de noodzakelijke theoretische kennis dienaangaande op de doen. Ik werkte zo ongeveer alles door, wat ik aan boeken op dit gehele gebied kon bemachtigen en dacht er overigens ook veel over na. Mijn omgeving moet mij destijds wel voor een zonderling hebben gehouden. Dat ik daarbij ook mijn studies op het gebied van de bouwkunst niet verwaarloosde, spreekt vanzelf. Want de bouwkunst scheen mij, naast de muziek, de koning der kunsten te zijn: Daarom had ik, wanneer ik mij met haar bezig hield, ook geen ogenblik het gevoel, "aan het werk" te zijn; integendeel, dit waren de gelukkigste momenten, welke ik destijds kende.
Ik kon tot laat in de nacht lezen of tekenen, het vermoeide mij nooit. Zo versterkte zich mijn geloof, dat mijn schone toekomstdroom, zij het ook eerst na lange jaren, toch werkelijkheid zou worden. Ik was overtuigd, dat ik eenmaal als bouwmeester naam zou maken. Dat ik daarnaast tevens de grootste belangstelling bezat voor alles, wat met politiek in verband stond, scheen mij niet van groot belang. Integendeel, dit was in mijn ogen immers de vanzelfsprekende plicht van ieder denkend mens. Wie daarvoor geen begrip bezat, verloor immers het recht tot iedere kritiek, en iedere klacht. Ook hier las en leerde ik dus veel. Nu versta ik misschien onder "lezen" iets anders dan het grootste deel van onze zogenaamde "intellectuelen".
Ik ken mensen, die oneindig veel lezen, boek na boek, letter voor letter, en die ik toch niet "belezen" zou willen noemen. Zij bezitten weliswaar een overmatige hoeveelheid "kennis", maar hun hersens verstaan de kunst niet, het opgenomen materiaal in te delen en te registreren. Hun ontbreekt de gave, om uit een boek datgene wat voor hen van waarde is, op te delven, om dat dan in hun hoofd voor altijd te bewaren en om de rest, zo mogelijk helemaal niet te zien, om het in ieder geval echter niet als doelloze ballast mee te slepen. Ook het lezen is immers niet zelf doel, maar enkel middel. Het dient in de eerste plaats mede te helpen om het kader, dat ieder zich door eigen aanleg en kundigheden opgelegd ziet, zo goed mogelijk te vullen; dus moet het de bouwstoffen en werktuigen leveren, die ieder afzonderlijk voor zijn levenstaak nodig heeft, onverschillig of die taak nu enkel bestaat uit het simpele "de kost verdienen" dan wel dat het er om gaat een hoge roeping te vervullen; in de tweede plaats echter moet het een middel zijn om de lezer een algemeen beeld te geven van de wereld.
Maar in beide gevallen is het noodzakelijk, dat de inhoud van het gelezene niet in de volgorde waarin het boek het weergaf, in ons geheugen bewaard blijft; evenmin mag de volgorde, waarin wij de boeken lazen, van enige invloed zijn. Nee, iedere eenheid moet afzonderlijk, als een mozaïeksteentje, de haar toekomende plaats in ons wereldbeeld vinden en moet er op die manier toe meewerken, dat dit wereldbeeld de lezer steeds zo scherp en volledig mogelijk voor de geest staat. Anders ontstaat er een verwarde massa "kennis", die enerzijds volkomen waardeloos is, en anderzijds de ongelukkige bezitter zonder reden verwaand maakt. Want deze meent nu werkelijk in alle ernst "ontwikkeld" te zijn, van het leven iets te begrijpen, kundigheden te bezitten, terwijl hij in werkelijkheid met ieder toenemen van een dergelijke "ontwikkeling" meer en meer van de wereld vervreemdt, totdat hij niet zelden OF in een sanatorium OF als politicus in een parlement terecht komt.
Nooit zal het zo iemand mogen gelukken, uit de warboel van zijn "kennis" het juiste tevoorschijn te halen voor de eis van het ogenblik, daar immers zijn geestelijke ballast niet in de lijn van het leven geordend gereed ligt, maar in de volgorde van de boeken, die hij las. Mocht het noodlot bij zijn eisen voor het dagelijks leven hem al eens herinneren aan het eens gelezene, opdat hij er hier een goed gebruik van zou kunnen maken, dan zou het echter ook nog boek en bladzijde moeten noemen, daar het arme bloed anders in alle eeuwigheid het juiste niet zou vinden. Aangezien het dit nu echter niet doet, geraken deze waanwijzen op ieder kritiek ogenblik in de grootste verlegenheid, zoeken krampachtig naar analoge gevallen en grijpen natuurlijk met onfeilbare zekerheid naar de verkeerde recepten. Indien dit niet zo was, dan zouden de politieke prestaties van de bollebozen in de allerhoogste regeringsfuncties eenvoudig onverklaarbaar zijn, tenzij men dan, in plaats van pathologische aanleg, schurkachtige gemeenheid zou willen veronderstellen.
Wie echter de kunst van het juiste lezen te pakken heeft, die zal bij het doorwerken van ieder boek, ieder tijdschrift of iedere brochure dadelijk voelen wat voor hem - hetzij omdat het voor een speciaal geval betekenis heeft of omdat het in 't algemeen wetenswaardig is - de moeite waard is om onthouden te worden. Zodra datgene, wat men op die wijze verworven heeft, organisch is samengegroeid met het reeds aanwezige beeld, dat men zich van de zaak in kwestie gemaakt had, zal het OF verbeterend OF aanvullend werken, dus OF de juistheid OF de duidelijkheid ervan verhogen. Legt nu het leven plotseling de een of andere kwestie ter toetsing of beantwoording voor, dan zal, bij zo'n manier van lezen, het geheugen ogenblikkelijk het reeds aanwezige, aanschouwelijke beeld te hulp roepen en daaruit alle, sedert tientallen jaren verzamelde bijdragen te voorschijn halen, die betrekking hebben op vragen van deze aard en zal met behulp hiervan de kwestie ophelderen of beantwoorden.
Alleen wanner het ZO gebeurt, heeft het lezen zin en doel. Een redenaar bij voorbeeld, die niet op zo'n wijze onderlegd is, zal nooit in staat zijn, om, wanneer men het niet met hem eens is, zijn mening op overtuigende wijze te verdedigen, al komt deze mening ook duizendmaal overeen met de waarheid en werkelijkheid. Bij iedere discussie zal zijn geheugen hem smadelijk in de steek laten; hij zal evenmin reden vinden om hetgeen hijzelf beweerd heeft te staven, als argumenten tegen de mening van de tegenstander. Zolang het daarbij, zoals bij een redenaar, in de eerste plaats een blamage is voor de spreker zelf, heeft dit nog weinig te betekenen; maar het wordt ernstiger wanneer het noodlot zo'n man, die veel "weet" maar niets kan, tot staatshoofd verheft. Ik heb mij van mijn prilste jeugd af ingespannen, om op de juiste wijze te lezen en was daarbij zo gelukkig, zowel door mijn geheugen als door mijn verstand te worden ondersteund. En in dat opzicht was vooral de Weense tijd vruchtbaar en waardevol voor mij.
De ervaringen van het dagelijks leven vormden een prikkel tot steeds nieuwe studie over de meest uiteenlopende problemen. Terwijl ik tenslotte daardoor in staat was, het HOE en WAAROM van de toestanden te vinden, en die theorie aan de werkelijkheid te toetsten, bleef ik voor twee gevaren bespaard, n.l. enerzijds het gevaar, om in de theorie te verstikken, anderzijds dat, om door de werkelijkheid te vervlakken. Zo gaven in deze tijd de ervaringen van het dagelijks leven voor mij de doorslag in twee belangrijke vraagstukken - nog afgezien van de sociale kwestie - en werden mij tevens een aansporing om dieper op de theorie dezer vraagstukken in te gaan. Wie weet, wanneer ik er ooit toe zou zijn gekomen, om mij in de leer en het wezen van het marxisme te verdiepen, indien deze tijd dit vraagstuk niet letterlijk tot een eigen levensprobleem voor mij had gemaakt.
Wat ik in mijn jeugd van de sociaal-democratie wist, was bedroevend weinig en veelal onjuist. Dat zij de strijd voerde voor algemeen en geheim kiesrecht, deed mij innerlijk genoegen. Immers, mijn verstand zei mij reeds destijds, dat dit moest leiden tot verzwakking van de heerschappij van de Habsburgers. In de overtuiging dat de Donaumonarchie, behalve dan door opoffering van haar Duitse karakter, toch nooit behouden zou zijn, dat echter zelfs indien men had toegestemd in een langzame Slavisering van het Duitse element, men nog geenszins de zekerheid zou hebben gehad, dat er dan ook werkelijk een levensvatbaar rijk zou ontstaan, daar de staatsvormende kracht van het Slavendom niet dan zeer zwak kan worden genoemd, juichte ik iedere ontwikkeling toe, die, mijns inziens, deze tegennatuurlijke staat ten val kon brengen, deze staat, die tien millioen Duitsers ter dood veroordeelden.
En hoe meer de chaos van talen het parlement aantastte en uiteenscheurde, des te nader kwam het uur, dat dit Babylonische rijk ineenzakte, maar daarmee ook het uur van de vrijheid voor mijn Duits-Oostenrijkse volk. Want alleen ZO kon eenmaal de "Anschluss" aan Rijksduitsland weer bereikt worden. Zodoende stond ik dus niet onsympathiek tegenover de actie van de sociaal-democratie. Ik was destijds nog zo argeloos en dom om te geloven, dat het inderdaad haar einddoel was, de levensvoorwaarden van de arbeiders te verbeteren en dat scheen mij eerder VOOR dan tegen haar te pleiten. Wat mij het meest in haar afstiet, was haar vijandige houding in de strijd om het behoud van ons Duitse karakter, en haar erbarmelijk gekruip en gelik om de gunst van de Slavische "partijgenoten", die zich dit, voor zover het gepaard ging met materiele voordelen, graag lieten aanleunen, maar zich overigens met een arrogant schouderophalen afzijdig hielden en ZO de opdringerige bedelaars hun verdiende loon gaven.
Zodoende was mij, toen ik zeventien jaar oud was, het woord marxisme feitelijk nog onbekend, terwijl "sociaal-democratie" en socialisme begrippen van dezelfde orde waren voor mij. Ook hier was eerst weer de vuist van het noodlot nodig, om mij de ogen te openen voor dit allerschandelijkste bedrog. Tot dusver was ik alleen nog maar als toeschouwer bij enkele massademonstraties met de sociaal-democratische partij in aanraking gekomen, en miste ik werkelijk ieder inzicht in de mentaliteit van haar aanhangers of zelfs in het wezen van haar leer. Nu kwam ik opeens in aanraking met de producten van haar opvoeding en "wereldbeschouwing". En wat anders misschien pas na tientallen van jaren opgekomen zou zijn, dat groeide nu in de loop van luttele maanden! Het besef namelijk, dat zich hier onder het mom van sociaal besef en naastenliefde een pestilentie verbergt van zodanige aard, dat het de mensheid geraden is, de aarde zo spoedig mogelijk hiervan te verlossen, omdat het anders maar al te licht zou kunnen gebeuren, dat de aarde van de mensen verlost raakt.
Bij een woningbouw had mijn eerste ontmoeting met de sociaal-democratie plaats. Nu waren de omstandigheden waaronder deze kennismaking plaats vond, reeds van het begin af niet ideaal geweest. Mijn kleding was nog enigszins in orde, mijn taal verzorgd en mijn houding iets gereserveerd. Ik had met mij zelf teveel uit te vechten, dan dat ik mij veel met mijn omgeving had kunnen bemoeien. Ik zocht alleen maar naar werk, om niet te verhongeren, en om mij daardoor, hoe langzaam ook, verder te kunnen ontwikkelen. Ik zou mij om mijn nieuwe omgeving misschien helemaal niet hebben bekommerd, wanneer niet reeds op de derde of vierde dag een gebeurtenis had plaatsgegrepen, die mij onmiddellijk dwong, partij te kiezen. Men ried mij vermanend aan, mij bij een bepaalde organisatie aan te sluiten.
Nu wist ik destijds nog absoluut niets van de vakbeweging af. Ik zou haar doelmatigheid al evenmin als haar ondoelmatigheid hebben kunnen verdedigen. Maar omdat men mij zei, dat ik toetreden moest, weigerde ik. Ik gaf hiervoor als reden op, dat ik van de zaak geen verstand had, maar dat er absoluut niets bestond, waartoe ik mij liet dwingen. Misschien was dat de reden, dat men mij er niet onmiddellijk uitgooide. Mogelijk hoopte men wel, dat ik na een paar dagen bekeerd of murw geworden zou zijn. In ieder geval heeft men zich daarin volkomen vergist. Na veertien dagen kon ik al niet meer lid worden, ook indien ik nog gewild had. In deze veertien dagen leerde ik mijn omgeving nader kennen, en het resultaat daarvan was, dat geen macht ter wereld mij meer had kunnen bewegen, toe te treden tot een organisatie, welke haar ware mentaliteit mij intussen in de persoon van haar aanhangers in alle afzichtelijkheid duidelijk geworden was.
De eerste dagen ergerde ik mij. 's Middags ging een gedeelte naar de nabij gelegen herbergen, terwijl een ander deel op de bouwplaats bleef en daar zijn, meestal zeer armelijk, middagmaal gebruikte. Dit waren de getrouwde mannen, wier vrouwen in armzalig vaatwerk de middagsoep kwamen brengen. Tegen het einde van de week werd dit laatste aantal steeds groter; pas later begreep ik, waarom. Ik dronk mijn fels melk en at mijn stuk brood ergens aan de kant en bestudeerde voorzichtig mijn nieuwe omgeving of dacht na over mijn eigen ellendig lot. Niettemin hoorde ik meer dan genoeg; ook scheen het mij dikwijls toe, alsof men opzettelijk dichter bij mij kwam zitten; misschien om mij er zo toe te brengen, partij te kiezen.
In ieder geval was dat, wat ik zoal hoorde, wel geschikt, om mij tot het uiterste te prikkelen. Men gaf op letterlijk alles af; de natie, die een uitvinding van de "kapitalistische"- hoe dikwijls moest ik alleen dit woord niet horen - klasse was; het Vaderland, dat een instrument van de bourgeoisie om "de arbeidersklasse uit te buiten" genoemd werd; de school, als instituut tot het kweken van slavenmateriaal, maar ook van slavenhouders; de Godsdienst als middel tot verdomming van het volk, dat uitgebuit moest worden, de moraal als teken van domme, schaapachtige gedweeheid, enz. Er was werkelijk niets, dat niet op de allerminderwaardigste manier werd gehekeld en bezwadderd.
Eerst trachtte ik te zwijgen. Tenslotte was echter ook dat niet meer mogelijk. Ik begon partij te kiezen, begon tegen te spreken. Toen moest ik inderdaad erkennen, dat dit volkomen kansloos was, zolang ik niet een bepaalde kennis had over de omstreden punten. Daarom begon ik de bronnen te onderzoeken, waaruit zij hun vermeende wijsheid putten. Boek na boek, brochure na brochure kwam nu aan de beurt. Op de aanbouw ging het er nu dikwijl warm aan toe. Ik streed, van dag tot dag, ook over hun eigen stellingen beter ingelicht dan mijn tegenstanders zelf, tot op zekere dag dat middel te baat genomen werd, dat inderdaad het gemakkelijkst in staat is, om het verstand te verslaan: de terreur, het geweld.
Enige woordvoerders van de tegenpartij stelden mij voor de keuze, om OF de aanbouw dadelijk te verlaten, OF van de steiger te worden geworpen. Daar ik alleen was en tegenstand niets gebaat zou hebben, gaf ik er de voorkeur aan, om, weer een ervaring rijker, het eerste te kiezen. Ik ging, van walging vervuld, maar was tegelijk zo geschokt, dat het mij geheel onmogelijk zou zijn geweest, om me nu nog langer afzijdig te houden van dit vraagstuk. Nee, toen de eerste diepe verontwaardiging voorbij was, kreeg de koppigheid weer de overhand. Ik was vast besloten, toch weer werk te zoeken bij een nieuwbouw. In dit besluit werd ik nog gesterkt door de nood, die, toen enige weken later mijn geringe spaargelden opgebruikt waren, weer mijn bitter deel werd.
Nu moest ik, of ik wilde of niet. En het spel begon dan ook van voren af aan, en eindigde op soortgelijke wijze als de eerste maal. Destijds vocht ik in mijzelf een moeilijke strijd uit over de vraag, of deze mensen nog waardig waren, om tot een groot volk te behoren?! Een pijnigende vraag, want wordt zij met ja beantwoord, dan is de strijd voor het behoud van de volkseigenheden werkelijk niet meer de moeite en offers waard, die de besten voor zo'n uitschot moeten brengen; luidt het antwoord echter nee, dan heeft ons volk dus reeds gebrek aan mensen.
Ongerust en beklemd zag ik in zulke dagen van peinzen en tobben, hoe het aantal van diegenen, welke niet meet tot hun volk gerekend konden worden, aangroeide tot een dreigende legerschaar. Het waren nu wel geheel andere gevoelens, welke zich van mij meester maakten, toen ik op zekere dag ter gelegenheid van een demonstratie weer de eindeloze rijen Weense arbeiders zag voorbij trekken. Bijna twee uren lang stond ik daar en aanschouwde met ingehouden adem die ontzaglijke reuzenslang van mensen, die langzaam voorbij kroop. In gedrukte stemming verliet ik tenslotte mijn plaats en wandelde naar huis. Onderweg zag ik in een sigarenwinkel de "Arbeiterzeitung", het centrale orgaan van de oude Oostenrijkse sociaal-democratie hangen. Weliswaar lag het blad ook in het goedkope volkskoffiehuis, waar ik dikwijls kwam, om er couranten te lezen, maar tot dusver had ik mijn walging nog niet zozeer weten te onderdrukken, dat ik dat miserabele blad, waarvan zowel toon als inhoud als geestelijk vitriool op mij werkten, langer dan twee minuten had kunnen inkijken.
De deprimerende indruk, welke de demonstratie bij mij had wakker geroepen, drong mij nu, om het blad eens te kopen en het dan grondig te lezen. 's Avonds deed ik dat dan ook, waarbij ik menigmaal mijn opkomende woede over deze geconcentreerde oplossing van leugens moest onderdrukken. Ik zag nu al spoedig, dat niet zozeer het doorwerken van de theoretische geschriften van de sociaal-democratie, als wel de dagelijkse lectuur van haar pers het best geschikt was, om mij spoedig de ware inhoud en het ware karakter van deze gedachtewereld bloot te leggen. Want welk een verschil bestaat er niet tussen de theoretische literatuur enerzijds, met haar schitterende frasen over vrijheid, schoonheid en waardigheid, haar misleidend woordenspel, dat zich het air geeft, alsof het er eindelijk, na veel moeite, in is geslaagd, de hoogste wijsheid uit te drukken, haar stuitend humanistische moraal - en dat alles dan nog met de koele zekerheid van een profeet neergeschreven - en anderzijds de grenzeloos grove en platte dagbladpers van deze heilsleer der nieuw mensheid, die geen gemeenheid te laag acht, die met iedere laster werkt, en een waarlijk ongelooflijke virtuositeit in het liegen heeft bereikt.
Het eerste is bestemd voor de onnozele halzen uit de middenstand en natuurlijk ook uit de "intellectuele kringen", het andere voor de massa. En van het ogenblik af, dat ik mij verdiepte in de literatuur en de pers van deze leer en organisatie, vond ik de weg nar mijn volk terug. Wat mij eerst een onoverbrugbare kloof toescheen, zou nu aanleiding worden tot een nog grotere liefde dan ooit te voren. Alleen een dwaas kan, wanneer hij van dit ongehoorde vergiftigingswerk afweet, nog bovendien het slachtoffer veroordelen. Hoe meer ik mij in de volgende jaren onafhankelijk maakte, des te meer groeide mijn verwijdering van deze gedachtewereld, mijn inzicht in de diepere oorzaken van de sociaal-democratische successen. Thans begreep ik de betekenis van de brutale eis, om enkel rode kranten te lezen, enkel rode vergaderingen te bezoeken, enkel rode boeken te lezen, enz. En duidelijk zag ik de onvermijdelijke gevolgen voor mij, waartoe deze leer van de onverdraagzaamheid moest leiden.
De ziel van de grote massa is niet ontvankelijk voor iets, wat halfslachtig en zwak is. Evenals de vrouw, wiens gevoelens ook veel minder bepaald worden door abstracte verstandelijke redenen, maar veel meer door een ondefinieerbaar instinctief verlangen naar aanvullende kracht, en die zich daarom liever buigt voor de sterke, dan dat zij de zwakke beheerst, verkiest ook de massa de heerser boven de smekeling en voelt zich innerlijk meer bevredigd door een leer, die geen andere naast zich duldt, dan door een, welke haar in liberale de vrijheid laat; zij weet met die vrijheid dan ook maar weinig te beginnen en voelt zichzelf min of meer verlaten. Het komt niet in haar op, hoe onbeschaamd de terreur is, welke zodoende op haar wordt uitgeoefend, zij voelt niet, hoe schandelijk haar menselijke vrijheid hier wordt beknot, eenvoudig, omdat zij in de verste verte niet vermoedt, hoe vals en onjuist deze leer in wezen is. Zodoende ziet zij - de massa - enkel de meedogenloze kracht, en het brute geweld, dat in al de doelbewuste uitingen van deze leer aan de dag treedt, - en dit is iets, waarvoor zij tenslotte altijd buigt. Indien tegenover de sociaal-democratie een leer gesteld wordt van groter waarachtigheid, maar even grote onverzoenlijkheid, dan zal de laatste overwinnen, zij het dan ook na zeer zware strijd.
Voordat er twee jaar verlopen waren, kende ik zowel de leer als ook de techniek van de sociaal-democratie terdege. Ik begreep de schandelijke geestelijke terreur, die deze beweging vooral op de bourgeoisie uitoefent, welke tegen zulke aanvallen noch moreel, nog door kracht van overtuiging opgewassen is, een terreur welke hoofdzakelijk hierin bestaat, dat op een gegeven altijd een formeel trommelvuur van leugen en laster losbarst tegen die tegenstander die als het gevaarlijkst wordt beschouwd, wat dan zolang wordt voortgezet, tot de zenuwen van de aangevallenen het begeven, en zij, alleen om maar weer rust te hebben, die grote vijand van de heren marxisten in de steek laten.
Het spel begint opnieuw en wordt zo dikwijls herhaald, tot de vrees voor de boze boeman tot een hypnotische verlamming leidt. Daar de sociaal-democratie de waarde der kracht uit eigen ondervinding het best kent, loopt zij ook bij voorkeur storm tegen degenen, welke zij ervan verdenkt in het bezit te zijn van een gering kwantum van deze, toch al zo zeldzame, bouwstof. Voorts prijst zij iedere zwakkeling aan de andere zijde, nu eens voorzichtig, dan weer luider, naar gelang van zijn vermeende of gebleken geestelijke capaciteiten. Zij heeft minder angst voor een zwak en willoos genie dan voor een energieke figuur met bescheiden geestelijke gaven.
Maar de meest uitbundige lofuitingen heeft ze voor diegenen, welke zowel energie als geest missen. Zij weet de schijn te wekken, alsof alleen op die manier de rust kan worden gehandhaafd, terwijl zij ondertussen wijs en voorzichtig, maar niettemin onvermoeibaar de ene positie na de andere verovert, nu eens door chantage, dan weer door doodgewone diefstal op ogenblikken, dat de algemene aandacht op andere dingen gevestigd is, en OF niet gestoord wil worden, OF wel de kwestie te nietig acht, om er ophef over te maken, waardoor immers de lastige tegenstander ook weer onmiddellijk op zijn achterste benen zou staan.
Deze tactiek is in haar soort een meesterwerk dat met alle menselijke zwakheden nauwkeurig rekening houdt, en bijna wiskundig zeker tot succes moet leiden, indien tenminste de tegenpartij niet leert, om gifgas met gifgas te bestrijden. Hierbij moet men de zwakkere karakters er van doordringen, dat het hier een kwestie is van ZIJN en NIET ZIJN. Al spoedig werd mij ook de betekenis van de lichamelijke terreur tegen de enkeling, of tegen de massa duidelijk. Ook hierbij wordt natuurlijk de psychologische uitwerking zo nauwkeurig mogelijk berekend.
De terreur in de werkplaatsen, in de fabriek, in de vergaderlokalen en bij massademonstraties zal altijd met succes bekroond worden, wanneer ze niet een even grote terreur tegenover zich vindt.
Ongetwijfeld zal de partij in dat geval een ontzettend gehuil aanheffen en moord en brand gaan schreeuwen; ze zal, hoewel ze vanouds de staatsmacht veracht, deze jammerend te hulp roepen, en zal in de meeste gevallen door de algemene verwarring werkelijk haar doel bereiken; zij zal namelijk een ezelachtige ambtenaar vinden, die - in de dwaze hoop, zich voor later de genegenheid van de gevreesde tegenstander te verzekeren - de vijand van deze wereldpest helpt neerslaan. Welke indruk zo'n afloop maakt op de mening van de grote massa, zowel op de aanhangers als op de tegenstanders, kan alleen hij beoordelen, die de ziel van het volk niet uit boeken, maar uit het leven kent. Want, terwijl in de rijen van haar aanhangers de behaalde zege nu beschouwd wordt als de overwinning van de eigen rechtvaardige zaak, wanhoopt de verslagen tegenstander in de meeste gevallen aan het nut van ieder verder verzet.
Hoe meer ik de methoden van deze terreur - en vooral die van de lichamelijke - leerde kennen, des te kleiner werd voor mij de schuld van de honderdduizenden, die voor deze dwang hadden gebukt. Maar voor een ding zal ik die harde en moeilijke tijd steeds dankbaar blijven: dat hij het was, en hij alleen, die mij mijn volk heeft teruggegeven, en dat ik leerde, de slachtoffers van de verleiders te onderscheiden. En anders dan de slachtoffers kan men datgene, wat er na deze geestelijke mishandeling nog van de mensheid is overgebleven, niet noemen. Want deze poging, om in enkele flitsen het wezen van deze "onderste" lagen van de bevolking te schetsen, zou niet volledig zijn, wanneer ik niet erkende, dat ik in deze diepten toch ook weer lichtpunten vond, zoals bijvoorbeeld een, dikwijls zeer grote, offervaardigheid, allertrouwste kameraadschap, buitengewone tevredenheid en bescheidenheid, vooral onder de oudere arbeiders.
En hoewel deze deugden ook bij de jongere generatie meer en meer teloor gingen, alleen reeds door de invloed, welke van het grotestadsleven uitging, toch waren er ook zelfs hier nog velen, wier kerngezonde bloed de laagheden van het leven overwon. Dat deze brave, dikwijls hoogstaande mensen in de politiek toch meestal de partij van de doodsvijanden van het volk kozen, en deze zo versterkten, kwam doordat zij de perfiditeit van de nieuwe leer niet begrepen en ook niet konden begrijpen; ook werd dit veroorzaakt door het feit, dat niemand anders het nodig achtte, zich om hen te bekommeren, en tenslotte, doordat de dwang van de sociale omstandigheden TOCH sterker was dan iedere, mogelijk aanwezige, wil om zichzelf te blijven. De nood, die de een of andere dag toch hun deel zou worden, dreef hen toch nog het kamp van de sociaal-democratie binnen.
Daar de bourgeoisie zich ontelbare malen op de meest onhandige, maar ook meest immorele manier verzette tegen letterlijk iedere eis - zelfs tegen een, welke een uitvloeisel van de meest elementaire menselijkheid was - en dat dan dikwijls nog zonder enig nut uit een dergelijke houding te verkrijgen of zelfs geheel zonder zulk nut of voordeel te kunnen verwachten, werd ook de fatsoenlijke arbeider uit de vakorganisatie tot politieke activiteit gedreven.
Ongetwijfeld stonden aanvankelijk millioenen arbeiders in hun hart vijandig tegenover de sociaal-democratische partij, maar deze afkeer werd tenslotte overwonnen door de dikwijls krankzinnige wijze, waarop de burgerlijke partijen zich tegen iedere eis van sociale aard teweer stelden. Dit stomme, botte afwijzen van iedere poging om in de sociale toestanden te verbeteren, om bij sommige machines beschermende maatregelen te treffen, om de kinderarbeid te beperken, om de vrouw, tenminste in de maanden, dat ze een kind onder het hart draagt, te beschermen - dit alles werkte er toe mee, om de massa in de armen van de sociaal-democratie te drijven, die al deze bewijzen van een allerellendigste mentaliteit dankbaar gebruikte, om er politieke munt uit te slaan.
Nooit kan de politieke bourgeoisie weer goedmaken, wat ze hier misdeed. Want door zich te verzetten tegen iedere poging, om de sociale missstanden op te heffen, zaaide ze haat en rechtvaardigde schijnbaar de beweringen van de doodsvijanden van het gehele volk, dat alleen de sociaal-democratische partij voor de belangen van het arbeidende volk opkwam. De bourgeoisie schiep zodoende in de eerste plaats de morele rechtvaardiging voor het bestaan van de vakverenigingen, de organisatie, die steeds de grootste werfkracht van de politieke partij is gebleken.
In mijn leerjaren te Wenen werd ik gedwongen, of ik wilde of niet, om ook mijn houding te bepalen ten opzichte van de vakverenigingen. Daar ik ze voor een onafscheidelijk bestanddeel van de sociaal-democratische partij zelf aanzag, was mijn oordeel snel gereed - en onjuist. Ik wees ze, vanzelfsprekend, rondweg af. Ook in dit zo buitengewoon belangrijke vraagstuk gaf het lot mij onderricht. En de uitwerking hiervan was, dat ik mijn oorspronkelijk oordeel herzag. Toen ik twintig jaar oud was, had ik geleerd, onderscheid te maken tussen de vakvereniging als middel tot verdediging van sociale rechten voor de arbeidnemers in het algemeen, en tot verovering van een levenspeil in het bijzonder - en de vakvereniging als instrument van de partij van de politieke klassenstrijd.
Het feit, dat de sociaal-democratie de enorme betekenis van de vakbeweging inzag, gaf haar dat instrument en daarmee het succes in handen. Dat de bourgeoisie dit niet begreep, kostte haar haar politieke positie. Zij meende met een hooghartig afwijzend gebaar een logische ontwikkeling te kunnen weerhouden en dwong deze daardoor nu in onlogische banen. Want dat de vakbeweging als zodanig vijandig tegenover het vaderland zou moeten staan, is onzin en bovendien een onwaarheid. Eerder is het tegendeel juist. Want de vakvereniging heeft ten doel om de bestaansmogelijkheden te verbeteren van een stand, welke een van de hoofdpijlers van de natie is; en daardoor is niet alleen iedere beschuldiging van vijandschap harerzijds, tegen vaderland of staat, ten ene male misplaatst, maar kan men alleen zeggen, dat ze 'nationaal' is in de beste betekenis des woords.
Zij immers helpt mede de sociale toestanden te scheppen, zonder welke een nationale opvoeding eenvoudig niet denkbaar is. Zij spant zich in, om de sociale kankergezwellen, die ons volk naar lichaam en geest uitmergelen, te verwijderen; hierdoor draagt zij bij tot de algemene gezondheid van het volk, en maakt zich zodoende hoogst verdienstelijk. De vraag of zij noodzakelijk is, mag dus waarlijk overbodig worden genoemd. Zolang er onder werkgevers nog mensen zijn met een tekort aan sociaal besef, of zelfs zulke die het aan gevoel voor recht en redelijkheid ontbreekt, is het niet alleen het recht, maar ook de plicht van hun werknemers, die toch een deel van ons volk vormen, om de algemene belangen te beschermen tegen de hebzucht en wanbegrip van een enkeling; want het handhaven van trouw en geloof in een volk is evenzeer in het belang van de natie, als het behoud van zijn lichamelijke gezondheid.
Beide worden door een minderwaardig slag werkgevers, die ieder saamhorigheidsgevoel met de volksgemeenschap missen, ernstig bedreigd. Want de toekomst zal de gevolgen van hun hebzucht of meedogenloosheid pijnlijk voelen. Zodoende werkt iedereen, die een dergelijke ontwikkeling tegengaat door haar oorzaken te vernietigen, in het belang van de natie, en geenszins anti-nationaal. Laat men nu niet komen met het argument, dat het toch iedereen vrijstaat, om de consequenties te trekken uit een werkelijk of vermeend onrecht, dus om heen te gaan. Nee! Dat is maar een schijnargument en moet gebrandmerkt worden als een poging, om de aandacht van de werkelijke kwestie af te leiden. De opruiming van sociale misstanden is OF in het belang van de natie OF niet.
Zo ja, dan moet de strijd ertegen aangebonden worden met de wapens, die kans op succes geven. De arbeider alleen echter is nimmer in staat, om iets te beginnen tegen de macht van de grote werkgever, aangezien het hier onmogelijk de vraag kan zijn wie gelijk of wie het meest gelijk heeft - in dat geval, wanneer men dus erkende, dat het een kwestie van recht was, zou er immers in het geheel geen aanleiding zijn voor onenigheid - maar het hier eenvoudig alleen om de brute macht gaan. Anders zou het aanwezige rechtsgevoel alleen reeds de strijdt op eerlijke wijze beslechten, of juister, het zou die strijd voorkomen.
Nee, wanneer ergens een onsociale of onwaardige behandeling van mensen tot verzet leidt, dan kan deze strijd, zolang niet wettelijke rechtelijke instanties geschapen worden, om een einde te maken aan deze misstanden, slechts beslist worden door het recht van de sterkste. Hierdoor komt men echter noodzakelijkerwijze tot de conclusie dat de arbeiders, wanneer ze althans niet reeds van te voren iedere kans op overwinning willen laten varen, in staat moeten zijn, in een ondeelbaar geheel tegen de patroon op te treden, in wiens persoon immers ook de gehele macht is geconcentreerd.
Zo kan de vakorganisatie het sociale vraagstuk in de praktijk helpen oplossen, en kunnen hierdoor de aloude twistpunten, welke telkens weer tot ontevredenheid plachten te leiden, worden vernietigd. Dat dit heden ten dage nog niet het geval is, moet voor een zeer groot deel worden geweten aan diegenen, die de kunst verstonden, letterlijk iedere sociale wet te dwarsbomen, of door middel van hun politieke invloed te voorkomen. En terwijl nu de politieke bourgeoisie de betekenis van de vakorganisatie niet inzag, of beter, niet wilde inzien en die vakorganisatie overal en altijd tegenwerkte, trok de sociaal-democratie zich het lot van de omstreden beweging aan. Zij gaf daarmee blijk van een scherpe blik, en schiep zichzelf door deze hulpverlening een stevige basis, welke reeds enige malen op kritieke momenten de laatste redder uit de nood bleek te zijn. De sociaal-democratie heeft er nimmer aan gedacht, om toe te staan, dat de zo veroverde vakbeweging ook inderdaad haar werkelijke taak vervulde.
Nee. In enkele tientallen van jaren was onder haar vaardige hand uit het middel van de verdediging van de sociale rechten van de mens, een instrument gegroeid tot vernietiging van de nationale huishouding. Hierdoor raakte echter het eigenlijke doel op de achtergrond en streefde deze misbruikte vakbeweging voortaan geheel andere doeleinden na. Want ook in politiek opzicht biedt het gebruik van economische dwangmiddelen gelegenheid, om te allen tijde chantage te plegen, wanneer aan de ene kant maar onvoldoende gewetenloosheid, en aan de andere kant maar voldoende dom schaapachtig geduld is. En aan deze beide voorwaarden was hier voldaan.
In het begin van de twintigste eeuw had de vakbeweging al lang opgehouden, haar vroegere taak te vervullen. Van jaar tot jaar was zij meer een werktuig van de sociaal-democratische politiek geworden, en werd tenslotte voor niets anders meer gebruikt, dan als stormram bij de klassenstrijd. Zij moest het gehele, met zoveel moeite tot stand gekomen bouwwerk van de nationale economie door voortdurende schokken tenslotte tot instorting brengen, waardoor dan het staatsgebouw, dat dus van zijn economische grondvesten beroofd was, gemakkelijker een eender lot zou kunnen ondergaan. De behartiging van de werkelijke behoeften van de arbeiders raakte hierdoor steeds meer op de achtergrond. Ja, uiteindelijk bleek de hoogste politieke wijsheid zelfs te vereisen, dat er helemaal niets meer werd gedaan, om de sociale en zelfs culturele noden van de brede massa te lenigen, daar men dan immers het gevaar liep, dat de verlangens van deze mensen bevredigd zouden worden, waardoor men ze niet langer als willoze stoottroep zou kunnen gebruiken.
Een dergelijke ontwikkeling, welke de heren leiders van de Klassenstrijd maar al te waarschijnlijk voorkwam, joeg hun zo'n angst aan, dat zij tenslotte iedere werkelijk effectief sociale verbetering kortweg afwezen, en zich zelfs uit alle macht daartegen verzetten. Mochten er zijn, die een dergelijke houding onverstandig achtten, dan was men om een motivering nooit verlegen. Want doordat men de eisen steeds hoger opvoerde, scheen de kans op een vervulling daarvan klein en onbeduidend. En hierdoor kon men de massa wijsmaken, dat het weer ging om een duivelse poging door de inwilliging van zo'n bespottelijk onbelangrijk onderdeel van de heiligste rechten van de arbeiders, hun stootkracht voor een koopje te verzwakken - ja, zo mogelijk lam te leggen. Gezien het geringe denkvermogen van de grote massa hoeft men zich over het succes van zulke methoden niet te verwonderen. In het burgerlijke kamp was men verontwaardigd over de zo kennelijke onwaarachtigheid van de sociaal-democratische tactiek, maar men wist daaruit ook niet de allergeringste nuttige les te putten voor de richtlijnen van het eigen beleid.
Juist de vrees van de sociaal-democratie voor iedere werkelijke opheffing van de arbeidersstand uit de diepte van zijn tegenwoordige culturele en sociale ellende had een reden moeten zijn, dat men zich aan de overzijde tot het uiterste inspande, juist om deze verbetering te bereiken en om de aanhangers van de klassenstrijd hierdoor langzamerhand dit wapen van de ontevredenheid uit de handen te wringen. Dit geschiedde echter niet. In plaats van, door middel van een eigen aanval, de stelling van de vijand te nemen, liet men zich liever dringen en dwingen, en greep tenslotte naar volkomen ontoereikende middelen, die zonder uitwerking bleven, omdat ze te laat kwamen, en ook gemakkelijk af te weren waren, omdat ze te weinig betekenden. Zodoende bleef in werkelijkheid alles bij het oude, alleen was de ontevredenheid groter dan te voren.
Als een dreigende onweerswolk hing reeds destijds de 'vrije vakvereniging' boven de politieke horizon en boven het bestaan van de enkeling. Zij was een van de vreselijkste terreurwerktuigen tegen de veiligheid en de onafhankelijkheid van de nationale economie, tegen de stevigheid van de staat en de persoonlijke vrijheid. Zij was het, meer dan iets of iemand anders, die het begrip democratie tot een weerzinwekkend belachelijke frase maakte, die de vrijheid schond en de meest grove bespotting van iedere idee van broederschap was, door de door haar maar al te zeer nagestreefde leus: "Und willst du nicht Genosse sein, so schlagen wir dir den Schädel ein." (En wil je onze kameraad niet zijn, dan slaan wij je de hersens in.) Zo leerde ik destijds deze vrienden van de mensheid kennen.
In de loop van de jaren heeft mijn mening over haar zich wel verbreed en verdiept, maar te veranderen behoefde ik ze niet. Hoe meer inzicht ik kreeg in het uiterlijke wezen van de sociaal-democratie, des te groter werd mijn verlangen, om de eigenlijke kern van deze leer te begrijpen. De officiële partijliteratuur kon hierbij natuurlijk maar van weinig nut zijn. Zij is, waar het economische kwesties betreft, onjuist in stelling en bewijs; waar politieke doelstellingen behandeld worden, is ze leugenachtig. Daarbij kwam, dat vooral de nieuwe, rechtsverdraaide wijze van uitdrukking en de manier, waarop de dingen werden voorgesteld, mij zeer tegen de borst stuitten. Met een geweldige stroom van vage of onbegrijpelijke woorden flanst men zinnen samen, die even zinloos zijn, als ze geniaal willen schijnen.
Alleen het aller decadentste gedeelte van onze grotestads bohème kan zich behaaglijk voelen in deze doolhof van het verstand, en alleen dit allegaartje ziet kans om uit de mest van dit literair dadaïsme nog "innerlijk beleven" op te vissen; een mogelijkheid, die natuurlijk nog vergroot wordt door de spreekwoordelijke bescheidenheid van een deel van ons volk, dat in de woorden des te diepere wijsheid vermoedt, naarmate het er zelf minder van begrijpt. Maar ik kreeg, door zo de onwaarachtigheid en innerlijke tegenstrijdigheid van de theorie en het werkelijke beeld, dat zij ons bood, te vergelijken, langzamerhand een helder inzicht in de werkelijke bedoeling van deze leer.
In zulke uren bekropen mij sombere voorgevoelens en vreesde ik het ergste. Ik zag dan een leer voor mij, die uit egoïsme en haat was opgebouwd, die wiskundig zeker de overwinning kon behalen, maar die daardoor tot de verdelging van de mensheid zou leiden. Want ik had ondertussen het verband leren zien tussen deze leer van de vernietiging en het karakter van een volk, dat mij tot die tijd bijna volkomen onbekend was geweest.
Want alleen hij, die het Jodendom door en door kent, is in staat, om de diepste, dus de werkelijke bedoelingen der sociaal-democratie te doorgronden. Hij die dit volk kent, doorziet al de valse voorstellingen, welke deze partij omtrent haar doel en streven wekt, en ziet uit de mist van de sociale frasen, het ware gezicht van het marxisme opdoemen: een grijnzende satanskop.
Het is moeilijk, zo niet onmogelijk voor mij, om vast te stellen, wanneer het woord "Jood" mij voor de eerste keer tot nadenken bracht. Ik herinner mij niet, dat ik in het ouderlijk huis, zolang ik leefde, het woord ooit heb gehoord. Ik geloof, dat de oude heer reeds in een mogelijke bijzondere nadruk, die men op deze naam had gelegd, een symptoom van een laag beschavingspeil zou hebben gezien. Hij was in de loop van zijn leven tot min of meer wereldburgerlijke opvattingen gekomen, die niet alleen in botsing kwamen met zijn sterk nationale overtuiging, maar ook nog enigszins op mij overgingen. Ook op school was er geen bijzondere aanleiding voor mij om deze traditionele opvatting te herzien. Op de Hogere Burgerschool leerde ik wel een Joodse jongen kennen, die door ons allen met enige terughoudendheid werd behandeld, maar dit was alleen, omdat wij, ook reeds gewaarschuwd door enige ervaringen welke wij met hem hadden opgedaan, zijn geslotenheid niet erg vertrouwden; de een of andere bijgedachte kwam daarbij al evenmin in mij als in anderen op.
Pas op dertien- of veertienjarige leeftijd kwam ik het woord Jood af en toe tegen, onder meer in politieke gesprekken. Ik voelde enige antipathie tegen dat woord, en kon nooit dat onaangename gevoel onderdrukken, dat mij steeds bekroop, wanneer godsdienstige ruzietjes in mijn tegenwoordigheid werden uitgevochten. Want een ander zijde zag ik destijds nog niet aan deze kwestie. Linz telde slechts zeer weinig Joden. In de loop van de eeuwen had zich hun uiterlijk "vereuropeest" en was het menselijk geworden; ja, ik zag ze zelfs voor Duitsers aan. Het dwaze van deze opvatting drong niet tot mij door, omdat ik immers meende, in de afwijkende godsdienst het verschil te moeten zien. Dat zij, naar ik toen meende, om die reden vervolgd zouden zijn, deed dikwijls mijn afkeer van onsympathieke uitlatingen over hen bijna tot afschuw groeien. De mogelijkheid van een doelbewuste strijd tegen het Jodendom kwam destijds nog geen ogenblik bij mij op.
En toen ging ik naar Wenen. Geboeid door de veelheid van de indrukken op het gebied van architectuur en terneer geslagen als ik was door de zwaarte van mijn eigen lot, had ik de eerste tijd geen oog voor de wijze, waarop de bevolking van deze reuzestad was samengesteld. Hoewel Wenen reeds in deze jaren op een totaal aantal inwoners van twee millioen, omstreeks tweemaal honderdduizend Joden telde, viel mij dit niet op. Mijn oog en geest waren nog niet bij machte, de invloed van nieuwe waarden en gedachten, die in de eerste weken hier op mij instormden, zo maar te verwerken. Pas toen de rust langzamerhand terugkeerde en er enige tekening in de chaos begon te komen, keek ik mijn nieuwe wereld eens beter rond en stiet nu ook op het Jodenvraagstuk. Ik wil niet beweren, dat de manier, waarop ik met deze kwestie in aanraking kwam, mij nu bepaald aangenaam aandeed. Nog steeds zag ik in het Jodendom enkel een godsdienstige secte, en stond daarom ook hier scherp afwijzend tegenover de gedachte aan de bestrijding van deze bepaalde religie.
Juist op dit gebied scheen mij een algemene verdraagzaamheid de aangewezen houding. Zo vond ik ook de toon, waarop deze discussie werd gevoerd, en vooral die, welke de Weense antisemitische pers aansloeg, de oude traditionele beschaving van een groot volk onwaardig. De herinnering aan zekere gebeurtenissen in de middeleeuwen, die ik niet gaarne herhaald zou zien, belette mij hierbij, een zuiver oordeel te vormen. Aangezien de bedoelde kranten algemeen voor onbelangrijk doorgingen (hoe dat eigenlijk kwam, wist ik destijds zelf niet precies), zag ik ze meer als de producten van boosaardige afgunst dan als organen, welke een bepaald - juist of onjuist - beginsel aanhingen. Deze opvattingwerd nog versterkt door de, mijns inziens, veel waardiger wijze waarop de werkelijk grote pers op al deze aanvallen antwoordde; wanneer ze ze niet volkomen onvermeld liet en doodzweeg, wat mij nog het meest juiste standpunt toescheen. Ik las ijverig de zogenaamde grote pers ("Neue Presse", "Wiener Tageblatt"), en stond verbaasd over het vele, wat zij de lezers boden en over de objectiviteit, waarmee zij dit deden Ik waardeerde de voorname toon; en het enige wat mij dikwijls niet helemaal bevredigde, of zelfs wel eens onaangenaam aandeed, was de al te pompeuze stijl. Maar dit kon tenslotte ook aan de verheven sfeer van de wereldstad liggen.
Ik zag Wenen destijds inderdaad voor een wereldstad aan, en ik geloof, dat dit feit, wat voor mijzelf later mijn opvattingen uit deze eerste dagen verklaarde, ook als geldige verontschuldiging voor deze blindheid mag gelden. Wat mij echter herhaaldelijk afstootte, was de onwaardige manier, waarop de pers het hof flikflooide. Er kon in het paleis bijna niets, hoe onbelangrijk ook, gebeuren, of de pers vond het nodig, daarvan OF met de uiterste geestvervoering, OF wel met de diepste neerslachtigheid gewag te maken; een gesol, dat, speciaal wanneer het over de "rechtvaardigste monarch aller tijden" zelf ging, nog het meeste leek op de smachtende lokroep van de auerhaan. Dit kwam mij wat al te onwaarachtig voor, en hierdoor boette de liberale democratie in mijn ogen voor het eerst iets in van haar zuiverheid en volmaaktheid. Want een dergelijk minderwaardig geschooi om de gunst van het hof was in strijd met de waardigheid van de natie.
Dit was de eerste schaduw op het ideale beeld, dat ik mij aanvankelijk van de "grote" Weense pers had gevormd. Evenals altijd te voren volgde ik ook in Wenen de gebeurtenissen in Duitsland met de grootste belangstelling, onverschillig of het daarbij politieke dan wel culturele kwesties betrof. Vol bewondering vergeleek ik de opkomst van het Rijk met het wegkwijnen van de Oostenrijkse staat. Maar terwijl de buitenlandse politiek meestal mijn onvermengde vreugde opwekte, gaf het binnenlandse politieke leven mij dikwijls reden tot ernstige bezorgdheid. Ik kon mij destijds ook niet verenigen met de strijd, die men toentertijd tegen Wilhelm II voerde. Ik zag in hem niet alleen de Duitse Keizer, maar in de eerste plaats de man, die Duitsland een vloot had gegeven. Het spreekverbod, dat de Rijksdag meende, de keizer te moeten opleggen, ergerde mij vooral daarom zozeer, omdat het uitging van een instelling, die daartoe wel allerminst het recht had, omdat deze parlementaire ganzen immers in 1 enkele zittingsperiode meer onzin bijeen snaterden dan een gehele dynastie van keizers in eeuwen en eeuwen, de allerzwaksten incluis, ooit zou vermogen.
Ik was verontwaardigd, dat in een staat, waar iedere halve gek niet alleen het recht had, om vrijelijk zijn kritiek te laten horen, en zelfs in de Rijksdag als 'wetgever' op de natie kon worden losgelaten, dat daar de drager van de keizerskroon een 'terchtwijzing' kon krijgen van de oppervlakkigste zwetsers vergadering aller tijden. Mijn verontwaardiging was echter nog veel groter, toen diezelfde Weense pers, die voor het minste paard uit de keizerlijke Habsburgse stallen een diepe, eerbiedige buiging maakte, en in laaiende geestdrift raakte, wanneer het beest toevallig zijn staart bewoog, nu, schijnbaar bezorgd, maar mijns inziens met maar al te slecht verborgen boosaardigheid, haar 'bezwaren' tegen de Duitse keizer liet horen. Niet, dat men zich in de binnenlandse aangelegenheden van het Duitse rijk wilde mengen, nee, verre van daar - maar, door zo op vriendschappelijke wijze de vinger op de wonde plek te leggen, werkte men enerzijds geheel in de geest van het bondgenootschap, terwijl men anderzijds zijn journalistieke plicht, om de waarheid te spreken, vervulde enz.
En nu woelde dan die vinger naar hartelust rond in die wonde. In zulke gevallen steeg mij het bloed naar het hoofd. Dat was de reden, dat ik langzamerhand de grote pers met andere ogen begon te bezien. Ik moet ook erkennen, dat een van de anti-semitische kranten, het "Deutsche Volksblatt", zich bij zulke gelegenheden fatsoenlijker gedroeg. Wat mij ook nog zeer ergerde, was de weerzinwekkende wijze, waarop de grote pers reeds destijds Frankrijk verafgoodde. Wanneer men die zoetelijke lofzangen op de "grote cultuurnatie" onder ogen kreeg, moest men zich gewoonweg schamen Duitser te zijn. Deze ellendige Fransdolheid bracht mij er meer dan eens toe, om een van die 'grote bladen' in een hoek te smijten. Ik greep nu trouwens, ook zonder speciale aanleiding, van tijd tot tijd naar het "Volksblatt", dat weliswaar veel kleiner was, maar dat mij op dit punt iets minder bedorven scheen. Met de scherp antisemitische toon was ik weliswaar niet eens, maar toch las ik ook af en toe motiveringen, die mij tot nadenken brachten. In elk geval leerde ik hierdoor de man en de beweging kennen, die in die tijd het lot van Wenen bepaalde: Dr. Karl Lueger en de Christelijk-sociale partij. Toen ik in Wenen kwam, stond ik vijandig tegenover beiden. De man en de beweging waren mijns inziens 'reactionair'. Maar naar mate ik meer in de gelegenheid kwam, de man en het werk nader te leren kennen, dwong het normale rechtvaardigheidsgevoel mij, om dit oordeel te herzien; en langzamerhand groeide de rechtvaardige beoordeling tot onverholen bewondering.
Nu beschouw ik deze man, meer nog dan vroeger, als verreweg de grootste Duitse burgemeester aller tijden. Hoeveel van mijn vooroordelen werden echter niet omver geworpen door zo'n verandering van mijn standpunt ten opzichte van de Christelijk-sociale beweging! En toen de tijd dan ook langzamerhand mijn gevoelens ten aanzien van het antisemitisme wijzigde, werd daarmee de grootste ommekeer van alle tot stand gebracht. Deze verandering van overtuiging heeft mij veel innerlijke strijd gekost, en eerst na maandenlang worstelen tussen verstand en gevoel, begon het verstand langzamerhand de overhand te krijgen. Twee jaar later was het gevoel het verstand gevolgd en was van die tijd af zijn trouwste wachter en waarschuwer. In de tijd van deze zware strijd van het nuchtere verstand, met de sfeer, waarin ik was opgevoed, had het aanschouwelijk onderwijs in de Weense straten mij onschatbare diensten bewezen. Nu liep ik al spoedig niet meer, gelijk dat in de eerste dagen het geval was geweest, als blind door de machtige stad, maar had, behalve voor de gebouwen, ook een open oog voor de mensen.
Toen ik op zekere dag zo de binnenstad rondzwierf, ontmoette ik plotseling een verschijning in lange kaftan, en met zwarte lokken. Is dit ook een Jood? was mijn eerste gedachte. Zo zagen ze er in Linz waarlijk niet uit. Ik beschouwde de man onopvallend en voorzichtig, maar toen ik langer naar dit vreemde gezicht staarde, en trek voor trek aandachtig naging, nam die eerste vraag langzamerhand een andere gedaante aan. Is dit ook een Duitser? Zoals steeds in zulke gevallen begon ik nu te trachten, om mijn twijfel door middel van boeken op te heffen. Ik kocht destijds voor een luttel bedrag de eerste antisemitische brochures van mijn leven. Helaas veronderstelden al deze werkjes, dat de lezer het Joodse vraagstuk reeds tot op zekere hoogte begreep, of tenminste kende. Tenslotte was het de toon, die zij aansloegen, meestal van zodanige aard, dat er weer twijfel bij mij opkwam, tengevolge van de, soms vrij oppervlakkige en buitengewoon onwetenschappelijke bewijzen voor hun beweringen. Dat bracht mij in mijn ontwikkeling soms weken, eenmaal zelfs maanden achteruit.
De kwestie scheen mij zo buitengewoon belangrijk, de aantijging zo mateloos toe, dat ik, uit vrees onrechtvaardig te oordelen, weer angstig en onzeker werd. Zeker, dat het hier niet om Duitsers van een bijzondere geloofsbelijdenis, maar om een afzonderlijk volk, dat was ook voor mij boven iedere twijfel verheven; want nu ik begonnen was, mij met deze vraag te bemoeien en mijn aandacht eenmaal op de Jood gevestigd was, nu verscheen Wenen mij in een geheel ander licht dan vroeger. Waar ik nu liep, zag ik ook Joden, en hoe meer ik er zag, des te scherper zag ik het verschil tussen hen en de andere mensen. Vooral in de binnenstad en in de buurten ten Noorden van het Donaukanaal wemelde het van mensen, die zelfs uiterlijk niets meer met ons Duitsers gemeen hadden. Maar wanneer dit mij nog niet geheel overtuigd mocht hebben, dan werd deze twijfel voorgoed uitgewist door de houding van vele Joden zelf. Er bestond immers een zeer sterke, ook te Wene vele aanhangers tellende beweging onder hen, welke het feit, dat het Jodendom een apart volk, en zijn bijzonder karakter een volkskarakter was, nogmaals zo nadrukkelijk mogelijk bevestigde: het Zionisme.
Het scheen weliswaar alsof een deel van de Joden deze houding tot de hunne maakte, en alsof de grote meerderheid het met een dergelijk vastleggen van haar houding niet eens was, en in haar hart zelfs scherp afwijzend daartegenover stond. Maar bij nadere beschouwing verdween deze schone schijn door de weinig appetijtelijke aard van de argumenten, die men tegen het Zionisme inbracht; want zo men dit al geen leugens kon noemen, dan toch wel zuiver opportunistische uitvluchtjes. Want de z.g. "liberale Joden" ontkenden immers niet, dat ook de Zionisten Joden waren, maar vonden alleen, dat het Zionisme, dat immers een openlijke erkenning van het bestaan van een Joods volk inhield, onpraktisch en misschien zelfs gevaarlijk was.
Aan hun innerlijke saamhorigheid deed dit alles niets af. Deze schijnbare onenigheid tussen Zionistische en Liberale Joden wekte reeds na korte tijd mijn weerzin door de volkomen onwaarachtigheid en leugenachtigheid ervan, iets wat zeer slecht paste bij de verheven en zuivere moraal van dit volk, waarvan men altijd zo hoog opgaf. De morele en verdere reinheid van dit volk was toch alleen een kwestie op zichzelf. Dat deze lieden niet bepaald dol waren op water, was iets, wat men aan hun uiterlijk helaas reeds kon constateren, dikwijls zelfs met gesloten ogen, later overkwam het mij wel eens, dat ik onpasselijk werd van de lucht, welke deze kaftandragers verspreidden. Daarbij kwam nog de onzindelijke kleding en hun weinig heldhaftig voorkomen. Dit alles tezamen kon al moeilijk aantrekkelijk werken; maar men werd pas afgestoten wanneer men, naast de lichamelijke onzindelijkheid, plotseling ook de morele smetten van het uitverkoren volk ontdekte.
Niets heeft mij in de korte tijd zozeer tot nadenken gebracht als het langzamerhand doorbrekend inzicht in de wijze, waarop de Joden op bepaalde gebieden werkzaam waren. Bestond er eigenlijk wel ergens iets vuils, een schaamteloosheid, in welke vorm ook, vooral op cultureel gebied, waaraan niet minstens één jood had meegewerkt? En wanneer men nu maar voorzichtig in zo'n gezwel sneed, vond men, als de made in rottend hout, een Joodje, dat dikwijls nog met verblinde ogen knipperde in het plotselinge licht. Toen ik de werkzaamheid van het Jodendom op het gebied van kunst, literatuur, film en toneel leerde kennen, begreep ik ook, hoe groot de verantwoordelijkheid was, die het droeg voor de daar heersende toestanden. En dat was een overtuiging, waaraan geen zalvende verzekering "dat toch het tegendeel waar was" meer iets aan kon afdoen. Het was reeds voldoende, om alleen maar een reclamezuil te bekijken, en de namen te bestuderen van degenen, die het afschuwelijke maakwerk voor bioscoop en schouwburg, dat daar aangeprezen werd, op hun geweten hadden, om voor lange tijd hard te worden.
Want datgene waarmee men hier alle waarden van het volk vernietigde, was een pestilentie, een geestelijke pestilentie, met noodlottiger gevolgen dan vroeger de Zwarte Dood had gehad. En in welke hoeveelheid werd dit vergif dan nog voortgebracht en verspreid. Het is niet meer dan natuurlijk, dat met het dalen van het geestelijk en moreel peil van zulke kunstfabrikanten, hun productiviteit evenredig stijgt, tot een dergelijk heerschap tenslotte wel een machine lijkt, die geen andere taak heeft, dan onophoudelijk een regen van vuil op de mensheid te doen neerkomen. En dan moet men nog bedenken, hoe talrijk zij zijn; tenslotte laat de natuur tegen 1 Goethe zeker tienduizend knoeiers en klungels van het bovengenoemde soort op de wereld los en deze tienduizend doen nu dienst als bacillendragers van het ergste soort, en besmetten alom de zielen. Het was ontzettend, maar het viel niet te ontkennen, dat de natuur voor deze schandelijke arbeid vooral Joden in grote getale scheen te hebben uitverkoren. Zou de uitverkorenheid van dit volk op zulke gebieden moeten worden gekocht?
Ik begon destijds zorgvuldig te letten op de namen van al de geestelijke vaders van deze gore producten in het openbare kunstleven. Het resultaat hiervan toonde mij meer en meer de onjuistheid van mijn oorspronkelijke houding ten aanzien van de Joden. En al verzette het gevoel zich daartegen duizendmaal, het verstand moest uit deze constateringen zijn conclusies trekken. Het feit, dat negentig procent van al het vuil op literair-, van het prulwerk op kunst- en van alle onzin op toneelgebied voor rekening komt van een volk, dat nauwelijks een honderdste deel van de totale bevolking uitmaakt, was eenvoudig niet te loochenen, het was nu eenmaal zo. Ik begon nu ook mijn beminde "grote pers" op deze punten te toetsen. Hoe scherper ik hier echter leerde zien, des te minder bleef er van mijn voormalig idool over. De stijl werd steeds onverdraaglijker, de inhoud moest ik als oppervlakkig en banaal afwijzen, de objectiviteit in het weergeven van de feiten scheen mij thans mee een wijdverbreide leugen te zijn dan de eerlijke waarheid; en degenen die er in schreven waren - Joden.
Duizend dingen, die ik vroeger nauwelijks gezien had, bleken mij thans opmerkenswaard, en weer andere, die mij reeds vroeger te denken gaven, leerde ik nu begrijpen en verstaan. De liberale gezindheid van deze pers zag ik nu in een ander licht, haar deftige toon in het beantwoorden van aanvallen, evenals het doodzwijgen ervan ontpopte zich nu voor mij als een even slimme als gemene truc; op haar ophemelend geschreven theater kritieken waren steeds voor de Joodse schrijver, en nimmer trof een afwijzend oordeel iemand anders dan de Duitser. De onophoudelijke steken onder water tegen Willem II toonden door de volharding het systeem, dat hier overal heerste, evenals het aanbevelen van Franse cultuur en civilisatie. Nu drong ook tot mij door dat het dwaze in de korte verhalen in werkelijkheid onzedelijkheid was, en in de taal hoorde ik een stem van een vreemd volk; de zin van het geheel stond zo kennelijk vijandig tegenover het Duitse volk, dat het niets anders dan opzet kon zijn. Wie kon daar echter enig belang bij hebben? Was dit alles slechts toeval? Zodoende werd ik langzamerhand minder zeker van mijn zaak.
Deze ontwikkeling werd echter nog versneld door het inzicht, dat ik kreeg in een reeks andere gebeurtenissen. Dit waren de algemene opvattingen over zeden en moraal, welke een groot deel van het Jodendom huldigde en in praktijk bracht. Dienaangaande gaf de straat weer aanschouwelijk onderwijs, en dat soms wel van een bijzonder immoreel soort. Het aandeel van het Jodendom in de prostitutie en meer nog in de handel in jonge meisjes zelf, kon men in Wenen beter bestuderen dan in enig andere West-Europese stad, afgezien misschien van Zuid-Franse havensteden. Wanneer men 's avonds wat door de straten en stegen van de wijk Leopoldstadt liep, werd men elk ogenblik, of men wilde of niet, getuige van gebeurtenissen, die voor het grootste deel van het Duitse volk verborgen gebleven waren, tot de oorlog de soldaat aan het Oostelijk front gelegenheid bood, of misschien, beter gezegd, dwong om iets in dezelfde trant mede aan te zien. Toen ik voor het eerst had gezien, dat het de Jood was, die dit allerschandelijkste bedrijf van het uitschot van de grote stad leidde, en hoe hij enerzijds ijzig koud bleef, en anderzijds zonder de minste morele scrupules alles deed, om zijn "zaken" te laten floreren, toen liep er mij even een rilling over de rug. Maar dadelijk daarop werd er iets in mij wakker. En terwijl ik vroeger ieder gesprek over het Joodse vraagstuk angstvallig had vermeden, zocht ik dit nu. Toen ik nu echter naar de Jood leerde zoeken op alle gebieden en bij alle uitingen van het culturele en artistieke leven, vond ik hem plotseling op een plaats, waar ik dit het minst had verwacht.
Toen ik zag dat de Jood leider van de Sociaal-democratie was, begonnen mij de schellen van de ogen te vallen. Dit maakte voor mij een einde aan een lange innerlijke strijd. Reeds in de dagelijkse omgang met mijn kameraden viel mij de verbazingwekkende vaardigheid op, waarmee zij, ten opzichte van een en hetzelfde vraagstuk, van mening konden veranderen, soms binnen een tijdsverloop van enkele dagen, dikwijls zelfs van slechts enkele uren. Ik kan moeilijk begrijpen hoe mensen, die, in een gesprek onder vier ogen, altijd nog verstandige opvattingen bleken te bezitten, plotseling ieder gezond verstand verloren, zodra de massa vat op hen kreeg. Het was dikwijls om er wanhopig van te worden. Wanneer ik na urenlang praten reeds overtuigd was, ditmaal eindelijk het ijs gebroken en een onzinnige opvatting weggevaagd te hebben en mij reeds hartelijk verheugde over mijn succes, dan moest ik tot mijn spijt de volgende dag weer van voren af aan beginnen; het was alles tevergeefs geweest.
Bepaalde volkomen krankzinnige denkbeelden schenen met mechanische regelmaat en zekerheid, als de slingers van een klok, terug te komen. Veel van dat alles kon ik begrijpen; dat ze met hun lot ontevreden waren, het noodlot vervloekten, dat hen dikwijls zo hard sloeg; dat ze de ondernemers haatten, die ze voor harteloze voltrekkers van dit noodlot aanzagen; dat ze op de autoriteiten scholden, die huns inziens geen begrip hadden voor hun toestand; dat zij demonstreerden tegen de prijzen van de levensmiddelen en voor hun eisen de straat op gingen, dit alles kon men, rekening houdende met hun verstand, tenminste nog begrijpen. Wat echter ten enenmale onbegrijpelijk bleef, was de grenzeloze haat, die zij tegen hun eigen volk koesterden, de wijze, waarop zij de grootheid daarvan hoonden, zijn geschiedenis besmeurden en zijn grote mannen door het slijk haalden. Deze strijd tegen het eigen volkskarakter, het eigen nest, het eigen geboorteland was even zinloos als onbegrijpelijk. Sterker, het was tegennatuurlijk. Men kon hen wel eens voor korte tijd van deze kwaal genezen, maar nooit voor langer dan enkele dagen, of hoogstens enkele weken. Kwam men nadien de man tegen, die men meende te hebben bekeerd, dan was hij weer de oude geworden. Dan had het tegennatuurlijke zich alweer van hem meester gemaakt.
Dat de sociaal-democratische pers hoofdzakelijk door Joden werd geleid, merkte ik ook langzamerhand; ik hechtte echter aan deze omstandigheid geen al te grote waarde, omdat dit immers bij de andere kranten eveneens het geval was. Of misschien was er in dit verband toch 1 ding merkwaardig: n.l. dat er niet 1 enkel blad bestond, waaraan Joden meewerkten, dat werkelijk nationaal was in die volkse betekenis, welke mijn opvoeding en overtuiging mij aan dat woord hadden leren hechten. Toen ik mijzelf overwon, en trachtte, dit soort marxistische persproducten te lezen, waardoor echter mijn afkeer hiervan op ongekende wijze toenam, probeerde ik ook de fabrikanten van dit gecomprimeerde vergif nader te leren kennen. Het waren, bij de uitgevers te beginnen, uitsluitend Joden. Ik greep naar alle sociaal-democratische brochures, die ik maar enigszins machtig kon worden, om de namen van de schrijvers vast te stellen. Onveranderlijk bleken het Joden te zijn. Ik onthield de namen van alle leiders, het waren voor verreweg het grootste deel eveneens personen behorende tot het "uitverkoren volk", onverschillig of het nu degenen waren, die de partij in de Rijksraad moesten vertegenwoordigen, dan wel de secretarissen van de vakverenigingen, de voorzitters van de organisaties of de agitatoren op straat.
Men zag steeds hetzelfde sombere beeld. De namen Austerlitz, David, Adler, Ellenbogen, enz. zullen eeuwig in mijn herinnering blijven. Een ding was mij duidelijk geworden. De partij waartoe al deze mensen, die nu al sinds maanden mijn heftigste tegenstanders waren, behoorden, werd geheel geleid door een vreemd volk; want van het feit, dat een Jood geen Duitser kon zijn, was ik, tot mijn grote innerlijke voldoening, nu wel overtuigd. Thans echter leerde ik deze bedervers van ons volk pas werkelijk kennen. Een jaar Wenen was voldoende geweest, om mij de overtuiging bij te brengen, dat geen arbeider zo verstokt kon zijn, dat hij niet, wanneer hem alles was uitgelegd, voor juistere argumenten gezwicht zou zijn. Ik was langzamerhand een kenner van hun eigen leer geworden en gebruikte die kennis als wapen in de strijd voor mijn innerlijke overtuiging. Bijna steeds was nu het succes aan mijnkant. De grote massa kon gered worden, al zou dat dan de zwaarste offers aan tijd en geduld kosten. Maar het was onmogelijk om een Jood van zijn opvatting af te brengen. Ik was destijds nog zo kinderlijk, om hun de krankzinnigheid van hun leer te willen aantonen, praatte mij in de kleine kring de tong stuk en de keel hees en meende, dat het mij toch MOEST gelukken, hen te overtuigen van de verderfelijkheid van hun marxistische waanzin; maar dan bereikte ik pas goed het tegendeel.
Het scheen wel, alsof hun vastberadenheid slechts versterkt werd, naarmate zij beter inzagen, hoe verderfelijk de sociaal-democratische ideeën en de uitwerking daarvan moesten zijn. Hoe langer ik zo met hen twistte, des te beter leerde ik hun wijze van disputeren kennen. Eerst speculeren zij op de domheid van hun tegenstanders, om zich daarna, als er geen uitweg meer was, eenvoudig maar dom te houden. Baatte alles niet, dan begrepen zij iets niet goed of sprongen, vastgeraakt, over op een ander terrein, en kwamen nu aandragen met dingen, die vanzelf spraken; gaf men de juistheid hiervan echter toe, dan knoopten ze hieraan onmiddellijk geheel andere conclusies vast, en deden alsof die nu ook aanvaard waren; viel men ze dan weer aan, dan weken ze uit en wisten niets meer precies. Waar men zo'n apostel ook aangreep, het was kwalachtig slijm, wat men pakte; dat glipte tussen de vingers door, om zich het volgend ogenblik alweer aaneen te sluiten. Werd zo iemand echter werkelijk vernietigend verslagen, zodat hij, onder het kritisch oog van de omstanders, niet anders meer kon dan toestemmen, en meende men zodoende tenminste een stap vooruit gekomen te zijn, dan was de volgende dag de verbazing groot.
De Jood bleek zich nu van dat, wat er gebeurd was, niet het minste te herinneren, vertelde zijn oude onzin opnieuw, alsof er helemaal niets was voorgevallen en deed, wanneer men hem ter verantwoording riep, hevig verbaasd, kon zich in de verste verte niets meer herinneren, behalve de reeds de vorige dag bewezen juistheid van zijn eigen beweringen. Ik stond er dikwijls verstomd over. Men wist niet, waarover men zich meer moest verbazen: hun vaardigheid van tong of hun vaardigheid in liegen. Langzaamaan leerde ik hen te haten. Dit alles had nu de goede zijde, dat naarmate ik de eigenlijke dragers of tenminste de verbreiders van de Sociaal-democratie beter leerde kennen, de liefde voor mijn volk moest groeien. Wie kan, wanneer hij de duivelse handigheid van deze verleiders ziet, het rampzalige slachtoffer ook nog vervloeken? Hoeveel moeite kostte het immers mijzelf niet, om de gladde dialectiek van dit ras TOCH te verslaan. Maar hoe weinig baatte zo'n succes bij lieden, in wie hun mond ieder waarheid verdraaid en verwrongen wordt, die het zojuist gesproken woord verloochenen, om er zich de volgende minuut, wanneer dat in hun voordeel is, reeds weer op te beroepen. Nee, hoe beter ik de Jood leerde kennen, des te minder kon ik de arbeiders hun houding nog kwalijk nemen.
Nu kwam ik tot de overtuiging dat niet de arbeider de grootste schuld droeg, maar dat die gezocht moest worden bij al diegenen, die het niet de moeite waard hadden geacht, om zich over hem te ontfermen, om ook de man uit het volk in strikte rechtvaardigheid datgene te geven, wat hem toekomt, en de verleiders en bedervers aan de kaak te stellen. Geprikkeld door de ervaringen van het dagelijks leven, begon ik nu de bronnen van de marxistische leer zelf na te gaan. De wijze waarop zij te werk gingen was mij tot in de finesses duidelijk geworden, het succes vertoonde zich dagelijks voor mijn opmerkzame blik, en met enige verbeelding kon ik mij ook de gevolgen wel voorstellen. De vraag was nu slechts, of de grondleggers van dit systeem het werkelijke eindresultaat van hun schepping voor ogen hadden gehad, of wel, dat ze zelf slachtoffers van hun dwaling waren geworden. Ik had het gevoel, dat de beide mogelijkheden openstonden. In het eerste geval was het de plicht van elk denkend mens, om in de gelederen van deze noodlottige beweging te dringen, om, indien het nog mogelijk was, zo het ergste te verhinderen; in het andere geval echter moesten de oorspronkelijke verwekkers van deze ziekte der volkeren ware duivels zijn geweest; want slechts in het brein van een monster - niet in dat van een mens - kon het plan rijpen voor een organisatie, waarvan het einddoel moest leiden tot een vernietiging van de menselijke cultuur en dat van de wereld een woestenij zou maken.
In dit geval stond er maar 1 reddende weg meer open; die van de strijd, de strijd met alle wapenen, die menselijke geest, verstand en wil kunnen scheppen en hanteren, onverschillig, aan wie het noodlot dan de overwinning schenkt. Daarom begon ik nu, mij met de grondleggers van deze leer vertrouwd te maken, om zodoende de grondslagen van de beweging te bestuderen. Dat ik hier spoediger mijn doel bereikte, dan ik misschien zelf eerst durfde hopen, was uitsluitend te danken aan dat pas gerijpte inzicht in het Jodenvraagstuk, al was dit inzicht ook nog zo jong en nog weinig verdiept. Alleen dit inzicht stelde mij in staat, om de werkelijkheid met de snoevende theorieën van de stichters en apostelen van de sociaal-democratie te vergelijken, omdat het mij de taal van het Joodse volk had leren verstaan, van dat volk, dat spreekt om zijn gedachten te verbergen of om die, op zijn best, te versluieren, wat ook de reden is, dat men de werkelijke bedoelingen niet IN, maar TUSSEN de regels moet lezen.
In die tijd vond in mijn binnenste de grootste omwenteling plaats, die ik ooit beleefd had. Ik was van halfovertuigd wereldburger tot fanatiek antisemiet geworden. Nog eenmaal slechts - het was de laatste maal - kwamen angstige , benauwende gedachten bij mij op. Toen ik zo de invloed naging welke het Joodse volk gedurende vele eeuwen op de menselijke geschiedenis had gehad, kwam plotseling de bange vraag bij mij op, of niet misschien TOCH het ondoorgrondelijk noodlot, om redenen die ons armzalige mensen onbekend zijn, de eindoverwinning van dit kleine volk in zijn eeuwig onveranderlijk besluit had vastgesteld? Zou aan dit volk, dat uitsluitend voor het aardse leeft, deze aarde als beloning zijn toegekend? Hebben wij een objectief recht tot de strijd voor ons zelfbehoud, of is ook dit slechts een subjectieve overtuiging? Terwijl ik mij in de leer van het marxisme verdiepte en zo de invloeden, die van het Joodse volk waren uitgegaan, nuchter en zakelijk onderzocht, gaf het noodlot zelf mij antwoord.
De Joodse leer van het marxisme wijst het aristocratische principe van de natuur af en zet op de plaats van het eeuwige voorrecht van de kracht en van de sterkste, de massa van het getal en haar dood gewicht. Zij ontkent hierdoor in de mens de waarde van de persoonlijkheid, bestrijdt de betekenis van het volk en ras, en onttrekt daarmee aan de mensheid de grondslag van haar bestaan en haar cultuur. Indien deze leer tot het grondprincipe van het heelal werd, dan zou dit het einde betekenen van iedere denkbare orde. En zoals in dit grootste ons bekende organisme een dergelijke wet onvermijdelijk tot de chaos zou leiden, zo zou zij op de aarde niets anders ten gevolge kunnen hebben dan de vernietiging van het leven op deze planeet.
Indien de Jood met zijn marxisme de overwinning behaalt op de volkeren van deze wereld, dan zal een krans, gevlochten uit de lijken van de gehele mensheid, zijn kroon zijn; dan zal deze aarde opnieuw, evenals voor millioenen jaren, van ieder menselijk leven ontdaan, zwijgend haar weg door het heelal gaan. Want de natuur, die eeuwig is, wreekt onverbiddelijk iedere inbreuk op haar geboden. Daarom is het mijn overtuiging, dat ik werk in de geest van de almachtige Schepper: Want door mij te verweren tegen de Jood, strijd ik voor het werk des Heren.
Ik ben tot de overtuiging gekomen, dat een man zich in het algemeen, gevallen van bijzondere begaafdheid uitgezonderd, niet voor zijn dertigste levensjaar openlijk met de politiek moet bemoeien. Hij moet dat daarom niet doen, omdat het algemene platform, dat hem in staat stelt, de verschillende politieke problemen zelfstandig te overzien, en er een eigen definitieve mening over te vormen, pas omstreeks die tijd tot een evenwichtig geheel is uitgegroeid. Pas nadat hij zodoende een stevige basis voor zijn wereldbeschouwing heeft verkregen, en daardoor de zekerheid, dat zijn mening over de vraagstukken van de dag niet meer een wankele, maar besliste principiële zal zijn, pas dan moet of mag hij zich met de politieke leiding van het gemenebest ophouden, omdat hij immers dan pas tot innerlijke rijpheid is gekomen. Heeft hij dit geduld niet, dan loopt hij de kans, om op zekere dag de houding, die hij ten aanzien van essentiële vraagstukken had ingenomen, te moeten herzien, of om tegen beter weten in een mening te blijven verdedigen, welke zijn eigen verstand en zijn eigen overtuiging reeds lang hebben verworpen.
Doet hij het eerste, dan is dat voor hem persoonlijk zeer pijnlijk, omdat hij nu - zelf immers bewust van de onstandvastigheid van zijn mening - niet meer met recht van zijn aanhangers mag verwachten, dat ze de juistheid van zijn zienswijze even onvoorwaardelijk als tevoren zullen aanvaarden; bij diegenen echter, die in hem geloofden, wekt zo'n ommezwaai van de leider radeloosheid en maakt dikwijls, dat ze zich min of meer beschaamd voelen tegenover hen, die zij steeds bestreden. In het tweede geval echter geschiedt iets, dat wij vooral tegenwoordig zo dikwijls zien: naarmate de leider niet meer aan zijn eigen woorden gelooft, wordt zijn verdediging leger, oppervlakkiger, en gemener in de keuze van zijn middelen. Terwijl hijzelf er niet meer aan denkt, om zijn politieke openbaringen in ernst te verdedigen (men sterft niet voor iets waaraan men zelf niet gelooft), worden de eisen, die hij aan zijn aanhangers stelt, steeds groter en onbeschaamder, tot hij tenslotte het laatste, wat hij nog van de leider in zich heeft, opoffert en 'politieker' wordt; dat wil zeggen een leider, wiens enig werkelijk geloof het ongeloof is, dat dan nog met brutale opdringerigheid en een dikwijls werkelijk schaamteloze handigheid in het liegen wordt opgesierd.
Wanner zo'n heerschap dan, zeer ten nadele van het fatsoenlijk deel van de mensheid, ook nog in een parlement komt, dan kan men reeds van tevoren weten, dat voor hem de eigenlijke kern van de politiek enkel nog bestaat in de heldhaftige strijd om het altijddurende bezit van deze baan, die immers voor hem zogoed als voor zijn gezin de grote fles melk is waaruit zij worden gevoed. Hoe meer nu zijn vrouw en kind aan deze fles melk gehecht zijn, des te taaier zal hij voor zijn zetel strijden. Ieder ander, die over politieke instincten beschikt, is alleen reeds daardoor zijn persoonlijke vijand, in iedere nieuwe beweging vermoedt hij instinctief het mogelijke begin van zijn einde, in iedere man, die groter is dan hij zelf, het gevaar, dat hem waarschijnlijk ook van deze zijde weer dreigt. Ik zal dit soort parlementswandluizen nog nader onder de loep nemen.
Ook de dertigjarige zal in de loop van zijn leven nog veel moeten leren, maar dat zal enkel een aanvulling en vervolmaking zijn van het kader, dat gevormd is door de wereldbeschouwing, die uit zijn principes voortkomt. Zijn leren zal meer een bijleren zijn, een aanvullend leren, niet meer een strijd om de fundamenten, waarop het gehele ideologische bouwwerk rust; en zijn aanhangers zullen niet het beklemmende gevoel behoeven te verwerken, dat hij hen tot dusver verkeerd had voorgelicht, integendeel: zij zien hoe de overtuiging van hun leider zich organisch ontwikkelt, en dat zal hen sterken in hun mening, omdat zijn groei immers de verdieping betekent van hun eigen leer. Dit is dan echter in hun ogen weer een bewijs voor de juistheid van de opvattingen, welke zij tot dusver beleden. Voor de leider, die heeft ingezien, dat zijn gehele ideeënwereld op onjuiste grondslagen berust, staat, indien hij een man van eer is, maar 1 weg open: hij moet tegenover zichzelf de begane fouten ten volle erkennen en moet daaruit iedere consequentie trekken.
Het allerminste, wat men van hem eisen kan, is, dat hij zich in het vervolg van iedere politieke actie in het openbaar moet onthouden. Want, nu hij eens gefaald heeft in een belangrijke principiële kwestie, is de mogelijkheid, dat dit een tweede keer gebeurt, niet uitgesloten. In geen geval echter heeft hij nog het recht, om verder een beroep te doen op het vertrouwen van zijn medeburgers, laat staan het te eisen. Dat tegenwoordig zovele leiders op deze wijze tonen, dat zij GEEN mannen van eer zijn, bewijst slechts de algemene minderwaardigheid van het gespuis, dat zicht tegenwoordig geroepen voelt, om aan politiek te "doen". Er is nauwelijks een waarlijk uitverkorene onder hen allen. Ik had mij er indertijd wel voor gewacht ergens in het openbaar op te treden, hoewel ik geloof, dat ik mij meer met politiek bemoeid had dan zovele anderen. Ik sprak alleen in zeer kleine kring over dat, wat mij innerlijk bewoog en aantrok. Dit spreken in kleien kring had een goede zijde: ik kreeg weliswaar minder sprekersroutine, maar leerde de mensen kennen in hun dikwijls zeer simplistische opvattingen en bezwaren tegen andere meningen. Daarbij oefende ik mijzelf, zonder tijd te verliezen voor mijn eigen verdere vorming, zonder door de onvermijdelijke fouten, die ieder maakt bij het leren, mijn eigen mogelijkheden te beperken. De gelegenheid daartoe was zeker nergens in Duitsland destijds zo gunstig als in Wenen.
Het algemene politieke denken in de oude Donaumonarchie was in de eerste plaats naar omvang groter en ruimer dan tezelfdertijd in het Duitse Rijk, afgezien van Hamburg, van de Noordzeekust en van bepaalde streken van Pruisen. Nu versta ik in dit verband onder "Oostenrijk" dat deel van het grote Habsburgse Rijk, dat ten gevolge van het feit, dat zich Duitsers hadden gevestigd, niet alleen in de geschiedenis staatsvormend was opgetreden, maar dat tevens binnen haar grenzen DAT deel van de bevolking huisvestte, hetwelk de geweldige kracht had bezeten die nodig was geweest om dit politieke gedrocht toch zo sterk met een levende cultuur te doordringen, dat het eeuwen en eeuwen kon blijven bestaan. Wanneer men de oude erflanden het hart van het rijk wil noemen, dat steeds weer vers bloed pompte in de slagaderen van het staatkundig en cultureel leven, dan moest men Wenen tegelijk de hersens en de wil noemen. Alleen reeds op grond van haar uiterlijk voorkomen moest men aan deze stad toegeven, dat zij de kracht bezat, om zo'n mengelmoes van volkeren te binden, om als koningin over allen te heersen en om zelfs door de pracht van haar eigen schoonheid de ernstige ouderdomsverschijnselen van het geheel te doen vergeten.
Hoe krampachtig de stuiptrekkingen ook waren, warmee dit rijk regeerde op de voortdurende bloedige onderlinge twisten van zijn volkeren - het buitenland, en vooral Duitsland, zag niets anders dan het lachende gezicht van deze stad. De misleiding was des te groter, omdat Wenen juist nu een periode doormaakte, waarin het de laatste en schoonste bloei scheen te zullen beleven, die het ooit had gekend. Onder het bestuur van een waarlijk geniaal burgemeester ontwaakte deze eerbiedige residentie van de keizers van het oude rijk nog eenmaal tot een wonderbaarlijk jeugdig leven. De laatste grote Duitser, die het kolonistenvolk van de Oostmark uit de rijen voortbracht, werd officieel niet gerekend tot de z.g. "staatslieden", maar omdat deze man, Dr. Lueger, als burgemeester van de residentie en hoofdstad van het rijk, Wenen, de ene geweldige prestatie na de andere leverde, op alle gebieden van economie en cultuur waarover de gemeente te zeggen had, versterkte hij het hart van het gehele rijk, en werd langs deze omweg een groter staatsman dan als de z.g. "diplomaten" van die dagen tezamen.
Het feit, dat deze legkaart van volkeren, die men "Oostenrijk" noemde, niettemin te gronde ging, zegt niet het minste tegen de politieke bekwaamheid van de Duitsers in de oude Oostmark, maar was onvermijdelijk, omdat het nu eenmaal een absolute onmogelijkheid is, om met tien millioen mensen een staat van vijftig millioen zielen bijeen te houden, welke verschillende naties omvat, tenzij dan, dat hier zeer bijzondere omstandigheden gelden. De Duits-Oostenrijker dacht ruimer dan wie ook. Hij was altijd gewend geweest in een groot rijk te leven en had de daaraan verbonden verplichtingen nimmer uit het oog verloren. Hij was de enige in deze staat, die, over de grenzen van het kroonland heen, nog naar de rijksgrenzen keek; ja, toen het noodlot tenslotte dreigde, hem van het gemeenschappelijke vaderland te scheiden, trachtte hij nog steeds zijn al te zware taak te vervullen en datgene, wat de vaderen in eindeloze strijd eenmaal aan het Oosten hadden ontworsteld, voor het Duitse bloed te behouden.
Hierbij moet tevens nog bedacht worden, dat dit slechts met halve kracht gebeuren kon; want het hart en de herinnering van de besten bleven steeds het gemeenschappelijke moederland als het eigenlijke beschouwen, zodat er slechts een restant voor de geboortegrond overbleef. Reeds de algemene gezichtskring van de Duits-Oostenrijker was betrekkelijk ruim. Zijn economische betrekkingen omvatten dikwijls bijna het gehele veelvormige rijk. Bijna alle werkelijk grote ondernemingen bevonden zich in zijn handen, bijna alle leidende posities, of het nu op technisch gebied was, dan wel in het ambtenarencorps, werden door Duits-Oostenrijkers ingenomen. Hij leidde echter ook de buitenlandse handel, voorzover niet het Jodendom op dit eigenste gebied de hand gelegd had. In politiek opzicht was hij de enige, die de staat nog bijeen hield, Zijn diensttijd in het leger bracht hem reeds ver buiten de nauwe grenzen van zijn geboorteland. De Duits-Oostenrijkse rekruut werd misschien wel bij een Duits regiment ingelijfd, maar dat regiment zelf kon even goed garnizoen houden in Herzegowina als in Wenen of in Galicië.
Het officierscorps was nog altijd Duits, de hogere ambtenaren waren overwegend Duits. Duits waren tenslotte ook de kunsten en wetenschappen. Afgezien dan van het prulwerk, waartoe zich de "modernste" kunst ontwikkelde, wat echter een prestatie was, die ieder negervolk ongetwijfeld in gelijke mate had kunnen leveren, was de Duitser de enige, die waarlijk zin voor kunst bezat en verbreidde. Op het gebied van de bouwkunde, de muziek, de beeldhouwkunst en de schilderkunst was Wenen de bron, die in onuitputtelijke rijkdom het gehele rijk voorzag, zonder zelf ooit merkbaar uitgeput te raken. Afgezien van het geringe aantal Hongaren, dat hierbij een rol speelde, was ook de buitenlandse politiek in handen van het Duitse element. Niettemin was iedere poging, om dit rijk in stand te houden, tevergeefs, aangezien daartoe de meest essentiële voorwaarde ontbrak. Voor de Oostenrijkse volkerenstaat bestond er slechts 1 mogelijkheid, om de centrifugale krachten bij de verschillende naties te overwinnen. De staat MOEST door een sterk centraal gezag geregeerd worden, maar dan ook dienovereenkomstig inwendig worden gereorganiseerd, of hij was volkomen ondenkbaar.
Soms, in heldere ogenblikken, zagen ook de "allerhoogste" instanties deze noodzaak wel eens in, doch men vergat maar al te spoedig, of legde het voornemen al te gemakkelijk weer terzijde, omdat men het "zo moeilijk uitvoerbaar" achtte. Iedere poging, om het rijk tot een federalistische vorm te herleiden, moest noodgedwongen mislukken, omdat het meest noodzakelijke ontbrak, een sterk staatsvormende kiemcel, die tevens in een absoluut overheersende machtspositie stond. Daarbij kwam nog, dat de binnenlandse toestanden van de Oostenrijkse staat zo volkomen anders waren dan die in het Duitse rijk, dat Bismarck had gebouwd. In Duitsland hoefde men slechts politieke tradities te overwinnen, omdat de gemeenschappelijke culturele basis steeds aanwezig was. Het belangrijkste deel was echter, dat het Rijk, afgezien van enkele, uiterst minieme gemeenschappen, slechts mensen van EEN volk bevatte.
In Oostenrijk waren de toestanden juist omgekeerd. Hier was van een herinnering aan eigen grootheid bij de verschillende landen, uitgezonderd bij Hongarije, OF in 't geheel geen sprake, OF deze was in de loop van de jaren teniet gegaan, of althans vervaagd of onduidelijk geworden. In plaats daarvan ontwikkelden zich nu, in het tijdperk van het nationaliteiten principe, in verschillende gebieden de volkse krachten, waarvan invloed steeds moeilijker te breken viel, omdat er overal langs de grenzen van de monarchie staten ontstonden, bewoond door volken, welke van hetzelfde ras waren als de verschillende minderheden in Oostenrijk, of minstens rasverwant, en welke uit dien hoofde dus veel sterkere aantrekkingskracht uitoefenden dan waartoe de Duits-Oostenrijkers bij machte waren. Zelfs Wenen kon op den duur deze strijd niet langer volhouden.
En toen Boedapest nu tot grote stad was uitgegroeid, had de hoofdstad voor het eerst een mededingster gekregen, die er niet meer in de eerste plaats op uit was om het gehele rijk bijeen te houden, maar die integendeel enkel nog maar de versterking van 1 van de delen nastreefde. Na korte tijd reeds zou Praag dit voorbeeld volgen, daarna Lemberg, Laibach, enz. Toen deze provinciesteden tot de nationale hoofdsteden van de verschillende gebieden waren geworden, werden zij gelijktijdig tot centra van eigen nationale culturen, die in steeds sterkere mate naar zelfstandigheid streefden. Maar daardoor kregen de volkspolitieke instincten pas hun geestelijke grondslag en verdieping. Zodoende MOEST eens het tijdstip aanbreken, waarop deze middelpuntvliedende krachten van de verschillende volken sterker zouden worden dan de bindende kracht van de gemeenschappelijke belangen, en dan was het met Oostenrijk gedaan. Deze ontwikkeling was sinds de dood van Josef II in haat loop zeer duidelijk te volgen.
Haar snelheid was afhankelijk van een reeks factoren, die voor een deel binnen de staat zelf lagen, voor een ander deel echter het gevolg waren van de positie, welke het rijk in Europa innam. Wilde men de strijd voor het behoud van deze staat in alle ernst opnemen en doorzetten, dan kon alleen een even consequente als standvastige centralisering redding brengen. Dan moesten echter in de eerste plaats door de vaststelling van een eenheidstaal voor de gehele staat de nadruk worden gelegd op de zuiver formele saamhorigheid; dan diende men aan het gouvernement echter het technische hulpmiddel te verschaffen, dat nu eenmaal eerste vereiste is voor de schepping en instandhouding van een eenheidsstaat. Zo kan men ook alleen langs deze weg op den duur door middel van school en onderwijs een patriottische en staatse vaderlandsliefde aankweken. Dit was niet in tien of twintig jaar te bereiken, maar hier moest men in eeuwen denken, zoals in 't algemeen bij alle kolonisatievraagstukken de volharding van heel veel groter betekenis is dan de energie van het ogenblik. Dat dan ook het gouvernement en de politieke leiding in ijzeren hand moeten liggen, spreekt vanzelf.
Het was nu voor mij buitengewoon leerrijk, om vast te stellen, waarom dit niet geschiedde, of beter, waarom men dit niet heeft gedaan. Want hij, die schuldig was aan dit verzuim, was ook alleen en uitsluitend schuldig aan de ineenstorting van het rijk. Het Oude Oostenrijk was meer dan enige andere staat afhankelijk van de bekwaamheid van zijn leiding. Hier ontbrak immers het fundament, dat een volksstaat steeds bezit, die uit de nationale grondslag altijd nog een kracht tot behoud kan putten, hoezeer de leiding ook tekort mag schieten. Een volksstaat kan, tengevolge van de natuurlijke traagheid van zijn inwoners en de daarmee gepaard gaande weerstandskracht, dikwijls verbazend lange perioden van zeer slecht bestuur verdragen, zonder daaraan innerlijk te gronde te gaan. Het schijnt dan dikwijls, alsof er in zo'n lichaam geen leven meer was, alsof het dood was en afgestorven, maar plotseling heft de doodgewaande zich weer op en geeft aan de overige mensheid verbazingwekkende blijken van een onverwoestbare levenskracht.
Geheel anders is het bij een rijk, dat verschillende ongelijke volken omsluit en dus niet door gemeenschap van het bloed gebonden is, maar veeleer door 1 sterke vuist bijeengehouden wordt. Een zwak punt in de leiding van zo'n mengsel van volkeren zal niet, zoals bij een organische staat, tot een soort winterslaap voeren, maar zal onverbiddelijk al de individuele instincten wakker roepen, die steeds in het bloed sluimeren, maar die in tijden waarin een sterke wil ze in toom houdt, zich niet kunnen ontwikkelen. Slechts door eeuwenlange gemeenschappelijke opvoeding, door gemeenschappelijke tradities, gemeenschappelijke belangen enz. kan dit gevaar worden verminderd. Daarom zullen zulke kunstmatige staten des te meer afhangen van de begaafdheid van de leiding naarmate ze jonger zijn, en zelfs, wanneer ze door buitengewoon krachtige figuren en grote geesten zijn gebouwd, toch dikwijls reeds na de dood van de alleenstaande grote stichter weer uiteenvallen.
Maar ook na eeuwen kan dit gevaar niet als overwonnen worden beschouwd, het sluimert slechts, om dikwijls heel plotseling te ontwaken, zodra de zwakte van de gemeenschappelijke leiding, de kracht van de opvoeding en de hoogheid van de oude tradities niet meer voldoende zijn, om de gloed van de eigen levenswil van de verschillende stammen te overwinnen. De schuld van het Huis Habsburg, een misschien tragische schuld, is, dat het deze dingen niet heeft begrepen. Een enkeling onder de vele Habsburgers had nog het voorrecht, de toekomst van zijn land te mogen aanschouwen; het noodlot hield een fakkel boven zijn hoofd en deed hem zien; maar daarna doofde ze voor altijd. Joseph II, Duits Rooms Keizer, zag met ontzettende angst hoe zijn Huis, naar de uiterste grens van het rijk gedrongen, eenmaal in de maalstroom van een chaos van volkeren zou verdwijnen, tenzij te elfder ure het verzuim van de vaderen werd goedgemaakt. Met bovenmenselijke kracht zette deze "mensenvriend", zoals hij genoemd werd, zich schrap tegen de zorgeloosheid van zijn voorvaderen, en trachtte in een tiental jaren in te halen, wat in eeuwen verzuimd was. Waren hem maar 40 jaar gegund geweest voor zijn werk, en hadden nog twee generaties op dezelfde wijze het begonnen werk voortgezet, dan zou het wonder waarschijnlijk gelukt zijn. Toen echter, na een regering van nauwelijks 10 jaar, opgeteerd naar lichaam en geest, stierf, zonk met hem ook zijn werk in het graf, om, niet meer opgewekt, voor eeuwig te ontslapen in de grafkelder van de Kapucijnen.
Zijn opvolgers misten zowel de geest als de wil, om een dergelijke taak te vervullen. Toen nu de eerste revolutionaire bliksemstralen een nieuwe tijd voor Europa aankondigden, toen begon ook Oostenrijk langzamerhand vlam te vatten. Maar toen de brand eindelijk uitbrak, toen werd de gloed minder aangewakkerd door sociale, maatschappelijke of algemeen politieke oorzaken, dan vooral door drijfkrachten van volkse oorsprong.
De revolutie van het jaar 1848 kan overal uit de klassenstrijd zijn voortgekomen, maar in Oostenrijk was zij reeds het begin van een nieuwe rassenstrijd. Toen de Duitser zich destijds in dienst stelde van de revolutionaire beweging - hetzij omdat hij de diepere oorzaken niet zag, die er aan ten grondslag lagen, hetzij omdat hij ze was vergeten - bezegelde hij daarmee zijn eigen lot. Hij hielp mee, de geest van de Westelijke democratie op te wekken, die hem na korte tijd de grondslagen van zijn eigen bestaan ontnam. Met de vorming van een parlementair vertegenwoordigend lichaam, zonder de voorafgaande bepaling en vastlegging van een gemeenschappelijke staatstaal, was het eerste begin van het einde der hegemonie van de Duitsers in de monarchie gekomen. Van dit ogenblik af was daarmee ook de staat zelf verloren. Alles, wat nu nog volgde, was slechts de historisch onvermijdelijke vernietiging van een rijk. Het was even ontzettend als leerrijk, om deze ontbinding op de voet te volgen. In duizenden en nog eens duizenden vormen werd dit vonnis van de geschiedenis aan ieder onderdeeltje van deze staat voltrokken. Dat een groot deel van de mensen blindelings aan de degeneratieverschijnselen voorbijging, bewijst slechts, dat de goden Oostenrijk werkelijk wilden verderven. Ik wil hier niet in details treden, daar dit niet de taak is van dit boek. Ik wil alleen die dingen aan een nader onderzoek onderwerpen, welke door de eeuwen heen het verval van volken en staten hebben veroorzaakt, en dus ook voor onze tijd van belang zijn; ook, omdat zij tenslotte meehielpen de grondslagen van mijn politieke denkwijze vast te leggen
Het parlement, of de Rijksraad, zoals dat in Oostenrijk heette, dus het instituut, waarvan de meeste kracht had behoren uit te gaan, demonstreerde in werkelijkheid duidelijker dan iets anders de verwording van de Oostenrijkse monarchie, ZO duidelijk zelfs, dat het ook de kleine bourgeoisie opviel, die overigens toch niet bekend staat om zijn scherpe blik. Dit lichaam was kennelijk gevormd naar Engels model, omdat Engeland immers het klassieke land van de "democratie" was. Men had deze gehele verrukkelijke instelling daar opgeraapt, en praktisch onveranderd overgebracht naar Wenen. In het Lager- en Hogerhuis herleefde het Engelse twee kamersysteem. Maar de "Huizen" zelf waren iets anders. Toen Barry eens zijn parlementsgebouw uit de wateren van de Theems liet opstijgen, greep hij terug in de geschiedenis van het Britse Wereldrijk en haalde daaruit de stof, waarmee hij de 1200 nissen, consoles en zuilen van zijn prachtig gebouw versierde. Zo maakten beeldhouwers en schilders van dit gebouw, waar de Lords en het volk beiden vergaderden, een tempel voor de roem van de natie.
Hier kwam de eerste moeilijkheid voor Wenen. Want toen de Deen Hansen de laatste gevel van het marmeren huis van de volksvertegenwoordiging had opgetrokken, toen was hij wel gedwongen, om de ontwerpen voor zijn versieringen ook in de oudheid te zoeken. Romeinse en Griekse staatslieden en filosofen versierden nu dit theater van de "Westerse democratie" en in symbolische ironie trekken de vierspannen boven beide huizen naar de vier hemelstreken uiteen, en drukken zo op de meest welsprekende manier uit, hoe ideaal de verschillende krachten in deze staat samenwerkten.
De "nationaliteiten" hadden het als een belediging en een provocatie beschouwd en waren er daarom tegen opgekomen, dat de geschiedenis van Oostenrijk hier zou worden verheerlijkt, zoals men immers in het Duitse rijk zelf ook eerst in de dreun van de veldslagen van de wereldoorlog de moed vond, om op het Rijksdaggebouw van Wallot de inscriptie "dem deutschen Volke", aan te brengen. Toen ik voor de eerste maal het prachtgebouw aan de Franzensring betrad - ik was toen nog geen twintig jaar oud - om als toeschouwer en toehoorder een zitting van het Huis van afgevaardigden bij te wonen, kwamen er tegenstrijdige gevoelens in mij op. Ik had reeds van het begin af het parlement gehaat, echter geenszins de instelling op zichzelf. Integendeel, omdat ik de vrijheid liefhad, kon ik mij een andere mogelijkheid van regeren helemaal niet indenken, want alleen al de gedachte aan de een of andere vorm van dictatuur zou ik in verband met mijn standpunt tegenover het huis Habsburg, voor een misdaad tegen de vrijheid en tegen het gezond verstand hebben gehouden.
Iets, wat in grote mate tot een dergelijke opvatting had bijgedragen, was wel het feit, dat mij als jonge man door de vele kranten die ik had gelezen, zonder dat ik het zelf vermoedde, een zekere bewondering voor het Engelse Parlement was bijgebracht, die ik niet zo gemakkelijk weer kwijt wist te raken. De waardige wijze, waarop ook vooral het Engelse Lagerhuis zich van zijn plichten kweet (zoals onze pers zo mooi wist te schilderen), maakte diepe indruk op mij. Was er eigenlijk wel een verhevener wijze mogelijk, waarop een volk zichzelf kan regeren? Maar juist daarom was ik een vijand van het Oostenrijkse parlement. Ik vond, dat zijn gehele wijze van optreden het grote voorbeeld onwaardig was. Nu kwam daar echter nog het volgende bij. Het lot van het Duitse element in de Oostenrijkse staat was afhankelijk van zijn positie in de rijksraad. Tot aan de invoering van het algemeen en geheim kiesrecht was er nog een, zij het ook zeer geringe Duitse meerderheid in het parlement geweest. Deze toestand was trouwens eigenlijk al onhoudbaar, omdat bij vraagstukken van nationale aard op de sociaal-democratie maar weinig staat was te maken.
Deze partij wilde immers vooral haar aanhangers onder de vreemde volkeren niet afstoten en handelde daarom, wanneer het om levensbelangen van het Duitse volk ging, altijd anti-nationaal. De sociaal-democratie kon reeds destijds niet als een Duitse partij worden beschouwd. Met de invoering van het algemeen kiesrecht hield echter het Duitse overwicht ook zuiver numeriek op. Nu stond aan het streven om dit land zijn Duitse karakter geheel te ontnemen, geen hindernis meer in de weg. De drang naar nationaal zelfbehoud maakte, dat ik om die reden reeds destijds weinig op had met een volksvertegenwoordiging, waarin het Duitse element nooit werkelijk vertegenwoordigt, maar altijd verraden werd. Maar dit waren gebreken, die, evenals vele andere, niet de schuld waren van de instelling zelf, maar van de Oostenrijkse staat. Ik meende vroeger nog, dat, indien men de Duitse meerderheid herstelde, er geen aanleiding meer was, om principieel tegen vertegenwoordigende lichamen gekant te zijn, omdat de oude staat immers toch op zijn laatste benen liep. Die overtuiging was ik toegedaan, toen ik voor de eerste maal deze even geheiligde als veelomstreden zalen betrad. Voor mij lag die heiligheid echter alleen in de verheven schoonheid van het prachtige gebouw. Een Helleens wonderwerk op Duitse grond.
Hoe spoedig echter had mijn bewondering plaats gemaakt voor diepe verontwaardiging over het jammerlijk schouwspel, dat zich nu voor mijn ogen afspeelde. Er waren enige honderden van deze volksvertegenwoordigers bijeen, die juist hun houding moesten bepalen ten opzichte van een belangrijke economische kwestie. Deze eerste dag was reeds voldoende om mij wekenlang stof tot nadenken te geven. Het geestelijk peil van het gesprokene was werkelijk tamelijk beschamend, voor zover men het dan nog kon verstaan; want sommige van de heren drukten zich niet in het Duits uit, maar in hun Slavische moedertalen, of beter dialecten. Wat ik tot dusver alleen nog maar uit couranten wist, kon ik nu met eigen oren horen. Een gesticulerende, wild bewogen massa, die in alle toonaarden door elkaar schreeuwde en gepresideerd werd door een goedaardige, oude oom, die in het zweet zijns aanschijns moeite deed, om de waardigheid van de vergadering weer uit de doden te wekken.. Nu eens luidde hij, met veel misbaar, een bel, dan weer sprak hij de heren kalmerend of vaderlijk vermanend toe, maar het baatte weinig. Ik moest er om lachen.
Enige weken later woonde ik opnieuw een zitting bij. Het beeld was een volkomen ander. De zaal geheel en al leeg. Men sliep daar beneden. Enige afgevaardigden zaten op hun plaatsen elkaar aan te geeuwen, EEN "hield een redevoering". Een vice-voorzitter van de Kamer was aanwezig en keek, zichtbaar verveeld, de zaal in. De eerste bezwaren kwamen bij mij op. Nu ging ik, als mijn tijd het maar enigszins toeliet, er telkens weer heen, aanschouwde stil en aandachtig het beeld, dat zich in mij die dag bood, hoorde de redevoeringen aan, voor zover ze te verstaan waren, bestudeerde de meer of mindere intelligente gezichten van deze uitverkorenen van de natie van deze miserabele staat - en begon er langzamerhand het mijn van te denken. Een jaar lang sloeg ik dit alles zo kalmweg gade, en dit was voldoende, om mijn vroegere mening over het karakter van deze instelling in het tegendeel te doen verkeren, of beter, om mij die geheel te ontnemen. Want eigenlijk had ik geen mening meer over de misvormde gedaante, die deze gedachte in Oostenrijk aangenomen had; nee, nu kon ik het parlement als zodanig niet meer erkennen.
Tot dusver had ik gemeend, dat het ongeluk van het Oostenrijkse parlement lag in het ontbreken van een Duitse meerderheid; nu echter zag ik dat de gehele aard en het wezen van deze inrichting het maakte tot wat het was. En nu kwam er een gehele reeks vragen bij mij op. Ik begon mij vertrouwd te maken met het democratische principe, dat de meerderheid beslist; wat immers de grondslag van deze gehele inrichting is, maar schonk ook niet minder aandacht aan de geestelijke en morele waarde van de heren, die als uitverkorenen van de naties hier waren, om de stem van de meerderheid te laten horen. Zo leerde ik gelijkertijd de instelling en haar dragers kennen. In de loop van enige jaren leerde ik dat symbool van het hoogste waardigheid in onze tijd, het parlementslid, door en door te kennen en begrijpen. Het beeld, dat ik mij al dadelijk van hem vormde, was zodanig, dat ik er later nooit enige werkelijke verandering in heb behoeven aan te brengen.
Ook ditmaal had het aanschouwelijk onderwijs van de praktijk voorkomen, dat ik vastliep in een theorie, die weliswaar velen op het eerste gezicht verleidelijk schijnt, maar die in werkelijkheid tot de degeneratieverschijnselen van de mensheid behoort. De huidige Westerse democratie is de voorloopster van het marxisme, dat zonder haar eenvoudig niet denkbaar zou zijn. Zij levert de voedingsbodem, waarop zich deze wereldpest dan later kan uitbreiden. De uiterlijke vorm die ze aannam, werd tot een "miskraam van vuil en vuur", waarvan helaas op 't ogenblik het vuur nog uitgebrand schijnt. Ik moet het noodlot meer dan dankbaar zijn, dat het mij ook deze vraag nog in Wenen voorlegde, want ik vrees, dat ik mij in Duitsland het antwoord destijds te gemakkelijk zou hebben gemaakt. Indien ik de belachelijkheid van deze inrichting, parlement genaamd, het eerst in Berlijn had ervaren, dan zou ik misschien in het tegendeel vervallen zijn en mij, schijnbaar met reden, bij hen hebben aangesloten die meenden dat het heil van volk en rijk enkel te dienen was door de positie van de keizer in de staat te versterken, en die daardoor vreemd en blind tegelijk stonden tegenover de tijd en de mensen.
In Oostenrijk was dit onmogelijk. Hier kon men niet zo gemakkelijk van de enen fout in de andere vervallen. Het parlement mocht dan niet deugen, maar de Habsburgers deugden nog veel minder - in geen geval MEER. Met de verwerping van het "parlementarisme" alleen was het hier nog niet afgelopen; want dan bleef altijd nog de vraag: wat dan WEL? De verwerping en opheffing van de Rijksraad zou immers al enige regeringsinstantie het huis Habsburg hebben overgelaten, iets wat vooral voor mij een ondraaglijke gedachte was. De moeilijkheid van dit bijzondere geval bracht mij ertoe, dit probleem zelf grondiger te bestuderen dan ik anders op zo jeugdige leeftijd wel zou hebben gedaan. Wat mij het allereerst en allermeest te denken gaf, was de overweging, dat er kennelijk niemand verantwoordelijk was. Het parlement neemt het een of ander besluit, en hoe funest de gevolgen daarvan ook mogen zijn, er is toch niemand, die daarvoor enige verantwoordelijkheid draagt en niemand behoeft daarover ooit rekenschap af te leggen.
Of wil men bijgeval beweren, dat een regering, die aftreedt wanneer haar politiek tot een weergaloos echec heeft geleid, daarmee de verantwoording voor haar daden op zich neemt? Of wanneer de coalitie veranderd of zelfs het parlement ontbonden wordt? Is het eigenlijk wel mogelijk, dat een veranderlijke meerderheid van mensen ooit verantwoordelijk gesteld wordt? Is niet iedere gedachte aan verantwoordelijkheid juist aan een persoon gebonden?
Kan men echter praktisch de persoon van het hoofd van de regering aansprakelijk stellen voor handelingen, welke hun ontstaan en hun uitvoering uitsluitend te danken hebben aan de wil en de neigingen van een veelvoud van mensen? Of is het soms niet ZO gesteld, dat de staatsman, die de leiding heeft, niet zozeer zijn taak moet zien in het voortbrengen van vruchtbare ideeën en plannen, maar vooral in het aanleren van de kunst, hoe hij het geniale van zijn plannen het best kan laten doordringen tot een kudde leeghoofden, waardoor hij dan hun goedgunstige toestemming kan afsmeken? Is dit soms het kenteken van een staatsman, dat hij de kunst van de overreding in even hoge mate bezit als de staatsmanswijsheid, waardoor hij grote richtlijnen kan ontwerpen en belangrijke besluiten kan nemen? Is de bekwaamheid van een leider soms daardoor bewezen, dat hij er niet in slaagt, voor een bepaalde idee de meerderheid te winnen van een menigte, die door allerlei meer of minder nobele toevalligheden bijeengeraapt is? Heeft deze menigte eigenlijk ooit wel een idee begrepen voordat het succes daarvan haar grootheid verkondigde? Is niet elke geniale daad op deze wereld het zichtbare protest van het genie tegen de traagheid van de massa? Wat moet echter een staatsman doen, die er niet in slaagt, om likkend en vleiend de goedkeuring van deze menigte te verkrijgen? Moet hij ze kopen? Of moet hij, gezien de domheid van zijn medeburgers, dan maar aftreden en er in berusten, dat de maatregelen, welke naar zijn vaste overtuiging levensnoodzakelijk zijn voor de natie, onuitgevoerd blijven? Of moet hij toch maar aanblijven?
Moet in een werkelijk man van karakter in zo'n geval niet een onoplosbaar conflict opkomen tussen inzicht enerzijds, en fatsoen, of beter eerlijkheid, anderzijds? Waar ligt hier de grens, die de plicht tegenover het algemeen welzijn scheidt van de verplichting tegenover de eigen eer? Moet een ware leider niet beslist weigeren, om op die wijze te worden gedegradeerd tot politiek beursjobber? En moet niet omgekeerd iedere zwendelaar zich nu geroepen voelen, aan politiek te "doen", omdat de werkelijke verantwoordelijkheid immers nooit op zijn schouders alleen ligt, maar altijd op die van de een of andere ongrijpbare menigte? Moet ons parlementair meerderheidsgevoel niet noodzakelijkerwijze leiden tot afbraak van het leidersbeginsel in ieder opzicht? Of gelooft men soms werkelijk, dat het de hersenen van meerderheden zijn geweest, en niet die van de enkelingen, die deze wereld hebben vooruitgeholpen? Of meent men misschien, dat men in de toekomst dit beginsel, dat de eerste voorwaarde is voor iedere menselijke cultuur, kan ontberen? Schijnt zij, integendeel, niet noodzakelijker te zijn dan ooit?
Doordat het parlementaire meerderheidsprincipe de autoriteit van de persoon verwerpt en vervangt door het toevallige aantal individuen, waaruit de toevallige menigte bestaat, zondigt het tegen het aristocratische grondbeginsel van de natuur, wat nu echter helemaal niet wil zeggen, dat de opvatting welke de natuur heeft van aristocratie, in onze hedendaagse decadente upper-ten belichaamd zou zijn. Welke verwoestingen dit uitvloeisel van de moderne democratische parlementheerschappij aanricht, zal de lezer van Joodse dagbladen zich ongetwijfeld moeilijk kunne voorstellen, voor zover hij niet geleerd heeft, om zelfstandig en kritisch te denken. Dit principe in de eerste plaats is de oorzaak, dat het gehele politieke leven van onze dagen op zo onwaarschijnlijke wijze overstroomd is met de minderwaardigste sujetten. Want evenzeer als de ware leider zich verre zal houden van een politieke werkzaamheid, die voor het grootste gedeelte bestaat uit sjacheren en marchanderen om de gunst van de meerderheid en allerminst de gelegenheid biedt tot werkelijk vruchtbare arbeid en prestatie, evenzeer zal dit juist de lager staanden aantrekken, omdat dit geheel in zijn lijn ligt. En hoe armzaliger zo'n grutter vandaag de dag aan geest en talenten is, en hoe beter hij zich van zijn eigen nietigheid bewust is, des te luider zal zijn loflied klinken op een systeem, dat van hem in het geheel geen bijzondere kracht of begaafdheid vraagt, maar alk tevreden is, wanneer hij maar de leegheid van een dorpsschout bezit en dat zelfs een "wijsheid" van dergelijk soort liever ziet dan die van een Pericles.
Daarbij hoeft zo'n bloed zich nimmer zorgen te maken voor de eventuele verantwoordelijkheid, die hij voor zijn daden zou moeten dragen. Hij is voor deze zorgen volkomen gevrijwaard, alleen al, omdat hij heel goed weet dat zijn toekomst, hoe de resultaten van zijn gepruts als "staatsman" ook mogen zijn, toch reeds volkomen vastligt; hij zal mettertijd zijn plaats moeten ruimen voor een andere figuur van hetzelfde formaat. Want het is typerend voor zo'n verval, dat het aantal van de grote staatslieden toeneemt, naarmate de maatstaf, die men de enkeling aanlegt, krimpt. Dit aantal zal echter, naarmate de staatsman afhankelijker wordt van parlementaire meerderheden, steeds kleiner moeten worden, aangezien enerzijds de grote mannen zullen weigeren om de loopjongens van domme nietskunners en kletsers te zijn, terwijl anderzijds de vertegenwoordigers van de meerderheid, dat is dus de domheid, niets intensiever haten dan een werkelijk groot man. Het is altijd een troostrijk gevoel voor zo'n vergadering van "Kamper raadsleden" om te weten, dat de wijsheid van de voorzitter op hetzelfde peil staat als die van alle aanwezigen; zo heeft immers ieder het genoegen, van tijd tot tijd ook eens zijn "esprit" te kunnen laten blinken - maar bovenal, omdat Piet toch zeker ook best de baas kan zijn, wanneer Jan het kan!
Deze democratische uitvinding ligt echter nog op de meest roerende wijze in de lijn van een eigenschap, die de laatste tijd tot een ware nationale schande is uitgegroeid, nl. de lafhartigheid van een groot deel van onze zogenaamde leiders. Hoe comfortabel is het niet, om zich bij iedere beslissing van enige werkelijke betekenis opnieuw te kunnen verbergen achter de jaspanden van een z.g. meerderheid. Men lette nu eens goed op met hoeveel zorg zo'n politieke struikrover bij alles wat hij doet de toestemming van de meerderheid afbedelt, om zich zodoende te voorzien van de nodige medeplichtigen, waardoor hij te alle tijde de verantwoordelijkheid van zich kan afwentelen. Dit is echter juist een van de belangrijkste redenen, waarom een dergelijke politieke werkzaamheid iedere man, die in zijn hart fatsoenlijk is, tegen de borst stuit en zijn haat opwekt, terwijl het alle beroerde karakters - en wie niet voor zijn daden durft te staan, maar zich achter anderen tracht te dekken is een laffe ploert - aantrekt.
Zodra echter de leiders van een natie uit zulke treurige kerels zijn gerekruteerd, zal zich zulks reeds na korte tijd bitter wreken. Dan zal geen van allen meer de moed hebben om vastberaden op te treden, dan zal men iedere ontering, hoe smadelijk ook, liever aanvaarden, dan zich tot een besluit te vermannen; er is immers niemand meer aanwezig, die vrijwillig bereid is zichzelf in te zetten voor de doorvoering van een onwrikbaar besluit. Want 1 ding moet en mag men nooit vergeten: de meerderheid kan ook hier nimmer de man vervangen. Zij is niet alleen altijd de vertegenwoordigster van de domheid, maar ook van de lafheid. En zo min als honderd leeghoofden samen evenveel waard als 1 wijze, evenmin komt er uit honderd lafaards een heldhaftig besluit. Hoe geringer echter de verantwoordelijkheid van de leiders is, des te meer zal het aantal van diegenen zijn, zelfs onder de allerminderwaardigsten, die zich geroepen voelen om eveneens hun onsterfelijke kracht ter beschikking van de natie te stellen.
Ja, zij zullen het ogenblik eenvoudig niet meer kunnen afwachten, dat het HUN tijd is, om eindelijk ook eens aan de beurt te komen; zij staan in een lange rij en tellen spijtig het aantal wachtenden, dat nog voor hen staat en rekenen bijna het uur uit, dat ZIJ naar menselijke berekening aan de beurt zullen zijn. Daarom verlangen zij naar iedere wisseling in het door hen begeerde ambt en zijn dankbaar voor ieder schandaal, dat de rij VOOR hen dunt. Wil echter soms iemand de eenmaal bezette plaats niet weer afstaan, dan gevoelen zij dit bijna als het verbreken van gemeenschappelijke solidariteit. Dan worden zij kwaad en rusten niet, VOOR de onbeschaamde ten val is gebracht en zijn warme plaats weer ter beschikkingstaat van het algemeen.
De "boosdoener" zal daardoor niet zo spoedig weer op deze plaats terugkeren. Want zodra 1 van deze knechtzielen gedwongen is, zijn post te verlaten, zal hij trachten, zich dadelijk weer in de lange rij van de wachtenden te schuiven, voorzover het losbarstend geschreeuw en gescheld van de anderen hem daarvan tenminste niet weerhoudt. Het gevolg van dat alles is, dat in zo'n staat de belangrijkste plaatsen en ambten telken door anderen worden bekleed, welke anderen elkaar in een benauwend tempo opvolgen, een resultaat, dat altijd ongunstig, dikwijls echter bijna catastrofaal werkt. Want nu zal immers niet slechts de domkop en onbekwame dit lot ondergaan; maar, belangrijker: ook de werkelijke leider, indien het noodlot het nog ooit klaar speelt, zo iemand op deze plaats te brengen. Zodra men dit echter bemerkt heeft, zal men dadelijk een eensgezind afweerfront vormen, voorla wanneer zulk een groot man NIET uit hun rijen is voortgekomen, en zich tot verstout, dit verheven gezelschap binnen te dringen. Men duldt principieel geen lieden, die niet in het eigen kringetje thuis horen, en haat met een gemeenschappelijke haat iedere man van betekenis, die onder de nullen misschien een "1" zou kunnen worden.
En hier is het instinct des te fijngevoeliger, hoezeer het ook in ieder ander opzicht moge falen. Het gevolg hiervan moet dus wel zijn, dat de geestelijke armoede onder de eersten in de staat steeds nijpender wordt. Wat er tenslotte in zo'n geval van de natie en de staat terecht komt, kan iedereen, die niet zelf tot dit soort "leiders" behoort, wel begrijpen. Het oude Oostenrijk bezat de parlementaire regering reeds "in rein-cultuur". Wel werden telkens de ministerpresidenten door de koning-keizer benoemd, maar deze benoeming was niets anders dan de voltrekking van de wil van het parlement. Het sjacheren en handelen om de verschillende ministerszetels was reeds Westerse democratie van het zuiverste water. De resultaten waren volkomen in overeenstemming met de principes, waarvan men was uitgegaan. In dezelfde mate echter schrompelde de grootte van de telkens optredende "staatslieden" ineen, tot eindelijk enkel nog dat type van kleine parlementaire beursjobbertjes overbleef, van wie de waarde als staatsman slechts gemeten en erkend werd naar de waardigheid, waarmee het hun gelukte, telkens de op dat ogenblik gewenste coalities aaneen te plakken, dus die onbetekenende zaken te doen, die voor deze volksvertegenwoordigers de enige mogelijkheid zijn om hun geschiktheid voor praktische arbeid aan te tonen.
Zodoende was Wenen een school, die vooral op dit gebied de allerbeste en allerduidelijkste lessen gaf. Wat niet minder mijn belangstelling trok, was de vergelijking tussen de kennis en capaciteiten van deze volksvertegenwoordigers met de taak, die ze op zich hadden genomen. Daartoe moest men dan echter - of men wilde of niet - ook de geestelijke horizon van deze uitverkorenen van de volken zelf van meer nabij bezien, waarbij het dan weer volkomen onvermijdelijk was, om ook de nodige aandacht te schenken aan de gebeurtenissen, die tot de ontdekking van deze prachtverschijningen in ons openbaar leven hadden geleid. De manier, waarop het werkelijke kunnen van deze heren in de dienst van het vaderland gesteld en benut werd, dus de technische zijde van hun activiteit, mocht zeker OOK wel eens grondig en kritisch worden onderzocht. Hoe dieper men in deze interne aangelegenheden durfde door te dringen, om de personen en toestanden, die aan het geheel ten grondslag lagen, met onvoorwaardelijke objectiviteit onder de loupe te nemen, des te droeviger werd het totale beeld van het parlementaire leven. Overigens was dit wel de aangewezen weg bij een instelling, die het nodig vindt, om door haar dragers telkens weer de nadruk te doen leggen op de "objectiviteit" als de enige rechtvaardige grondslag voor ieder onderzoek en voor iedere houding ten aanzien van enig vraagstuk. Men onderzoeke de heren zelf maar eens en tevens de wetten van hun moeilijk bestaan en men zal zich over het resultaat verbazen.
Er bestaat letterlijk geen enkel beginsel, dat, objectief bezien, zo onjuist is als juist het parlementarisme. Men mag daarbij nog gerust afzien van de wijze, waarop de verkiezing van de heren afgevaardigden plaats vindt, hoe zij eigenlijk aan hun ambt en aan hun nieuwe waardigheid komen. Dat het hierbij slechts voor een uiterst klein gedeelte gaat om de vervulling van een algemene wens, om van de voorziening in een algemene behoefte nog maar niet te spreken, zal iedereen direct duidelijk zijn, die weet, dat het politieke begrip van de grote massa helemaal niet zodanig ontwikkeld is, dat zij bij machte zou zijn om uit zichzelf tot bepaalde algemeen politieke beschouwingen te komen en ook zeker niet, om de personen uit te zoeken, die daarvoor in aanmerking zouden komen. Datgene, wat wij altijd aanduiden met het woord "openbare mening" bestaat voor een zeer klein gedeelte uit zelf opgedane ervaringen of inzichten van bepaalde mensen, maar voor verreweg het grootste deel uit de voorstelling, die gewekt wordt door een dikwijls grenzeloos opdringerige en aanhoudende methode van "voorlichting".
Zoals de godsdienstige richting het gevolg is van de opvoeding en slechts de religieuze behoefte zelf in het binnenste van de mens sluimert, zo is ook de politieke mening van de massa het eindresultaat van een menigmaal ongelooflijk taaie en grondige bewerking van ziel en verstand. Het leeuwendeel van de politieke "opvoeding:, die men in dit geval met het woord propaganda zeer juist aanduidt, komt voor rekening van de pers. Zij is het in de eerste plaats, die deze voorlichtingsdienst verzorgt, en daardoor een soort school voor volwassenen vormt; alleen, dit onderwijs ligt niet in handen van de staat, maar in de klauwen van ten dele uiterst minderwaardige krachten. Ik had juist in Wenen, en dat reeds op jeugdige leeftijd, de allerbeste gelegenheid om de eigenaars en geestelijke vaders van deze massa-opvoedingsmachine door en door te leren kennen. Aanvankelijk stond ik stomverbaasd, hoe snel deze gevaarlijke grote macht binnen de staat er in slaagde, om een bepaalde mening te doen ontstaan, ook wanneer het daarbij ging om een volledige verdraaiing van ongetwijfeld aanwezige innerlijke wensen en opvattingen van het publiek. In enkele dagen had men iets belachelijks tot een belangrijk optreden van de staat gemaakt, terwijl anderzijds tegelijkertijd belangrijke levensproblemen aan de algehele vergetelheid werden prijsgegeven, of, beter gezegd, eenvoudig uit de gedachte en de herinnering van de massa gestolen.
Zo slaagde men er in om, na verloop van luttele weken, namen uit het niets tevoorschijn te toveren, te maken, dat de grote massa het ongelooflijke daarvan verwachtte, ja, dat zij een zo grote populariteit verwierven, als de man van werkelijke betekenis in zijn gehele leven niet ten deel valt; namen, waar bovendien een maand tevoren nog letterlijk niemand van had horen spreken, terwijl tegelijkertijd oude, beproefde figuren uit staat of maatschappij, hoewel zij volkomen gezond waren, voor de medewereld eenvoudig afstierven of met zo'n verschrikkelijke smaad werden overstelpt, dat hun naam in korte tijd het symbool dreigde te worden van een bepaalde gemeenheid en schurkachtigheid.
Het is een uiterst perfide Joodse manier, om opeens en als bij toverslag van meer dan honderd zijden tegelijk, lage lastering en eerrovende beweringen, bij vuilnisemmers vol, over het onschuldige hoofd van eerlijke mensen uit te gieten, en men moet dit hebben gadegeslagen en bestudeerd, om het gehele gevaar, dat deze persploerten opleveren, op zijn volle waarde te kunnen schatten. En dan bestaat er niets, waarvan zo'n geestelijk roofridder geen gebruik zou maken om zijn minderwaardig doel te bereiken. Dan zal hij tot in de geheimste familieaangelegenheden snuffelen en niet rusten, eer hij, met zijn instinct voor alles wat vuil en rot is, de een of andere gebeurtenis heeft opgeschommeld, die uitgebuit zal worden om het ongelukkige slachtoffer naar de maan te helpen. Is echter noch in het private leven, noch in het openbare, zelfs bij de allergrondigst onderzoek, ook maar het allerminste te vinden, dan grijpt zo'n heerschap eenvoudig naar de laster, in de vaste overtuiging, dat er niet alleen, zelfs al wordt het duizendmaal tegengesproken, toch altijd wel iets zal blijven hangen, maar ook, dat het voor het slachtoffer toch meestal volkomen zinloos is, om tegen deze eerroof, die immers onmiddellijk door al de medeplichtigen van dat persheerschap honderdvoudig wordt herhaald, de strijd op te nemen; waarbij nog komt, dat de motieven, welke dit rapaille bewegen, nooit die zijn, welke voor andere mensen bepalend of tenminste verklaarbaar zouden zijn. Verre vandaar!
Wanneer zo'n spitsboef zijn geliefde medemens op de schurkachtigste manier aanvalt, hult hij zich als een inktvis in een ware wolk van burgerlijk fatsoen en zalvende frasen, kletst over "journalistieke plicht" en andere leugenachtige bombast, ja, heeft zelfs nog de brutaliteit, om op vergaderingen en congressen, dus bij gelegenheden waar deze plaag in de meest geconcentreerde vorm aanwezig is, te wauwelen over "journalistieke eer", die het verzamelde janhagel elkaar dan wederkerig toekent. Dit gespuis echter fabriceert voor meer dan tweederde gedeelte de "openbare mening", uit welk schuim dan de parlementaire 'Aphrodite' opstijgt. Men zou boekdelen nodig hebben om deze manier van doen juist weer te geven en in haar hele leugenachtige onwaarachtigheid te schetsen. Maar ook wanneer men daarvan helemaal afziet en slechts het product, zoals het daar voor ons ligt, benevens zijn werkzaamheid, bekijkt, dan moet dit er, mijn inziens, toe leiden, dat ook hij, die altijd alles wat de pers zegt voetstoots gelooft, de volkomen objectieve waanzin van deze instelling ziet doorschemeren.
Men zal deze even dwaze als gevaarlijke menselijke dwaling het eerst en ook het gemakkelijkst doorzien, wanneer men het democratisch parlementarisme gaat vergelijken met een werkelijke Germaanse democratie. Het kenmerkende van het eerste ligt daarin, dat er, laat ons zegge, een vijfhonderd mannen, of in de laatste tijd ook vrouwen, gekozen worden welke nu de taak hebben, om over alles en nog wat de definitieve beslissingen te nemen. Alleen zij vormen de regering. Want ook indien door hen een kabinet wordt gekozen, dat dan naar buiten de leiding van de staatszaken in handen heeft, blijft deze gehele autoriteit toch maar schijn. In werkelijkheid kan deze zogenaamde regering geen voet verzetten, zonder eerst tevoren de toestemming van de algemene vergadering te hebben verworven. Zij kan echter daardoor voor geen enkele regeringsdaad verantwoordelijk worden gesteld, dar de eindbeslissing immers nooit bij haar ligt, maar altijd alleen bij de meerderheid van het parlement. Zij is, wat zij ook doet, nooit iets anders dan de uitvoerster van de wil van de meerderheid.
Men zou haar politieke bekwaamheid eigenlijk alleen kunnen beoordelen naar de vaardigheid, om OF zich aan te passen, OF om die meerderheid naar haar zijde over te halen. Zij daalt evenwel daarmee van de rang van een werkelijke regering af tot die van een bedelares tegenover de toevallig die dag aanwezige meerderheid. En haar belangrijkste taak kan nu enkel nog daarin bestaan, dat zij OF zich bij ieder geval opnieuw verzekert van de gunst van de bestaande meerderheid, OF wel een nieuwe meerderheid tracht te vormen, die haar meer genegen is. Gelukt haar dit, dan mag zij weer een klein poosje verder "regeren"; gelukt het haar niet, dan kan ze vertrekken. De meerdere of mindere juistheid van haar plannen doet hier absoluut niets ter zake. Daarbij wordt praktisch iedere verantwoordelijkheid uitgeschakeld. Wat hiervan de gevolgen moeten zijn, blijkt reeds bij een zeer simpele en weinig diepgaande nadere beschouwing. Indien men nl. nagaat, hoe deze volksvertegenwoordiging is samengesteld, en dan wel in het bijzonder, wat deze vijfhonderd mensen stuk voor stuk in hun beroep betekenen, en over welke capaciteiten zij beschikken, dan ontstaat er een zeer onevenwichtig en meestal ook zeer bedroevend beeld.
Want er zal toch zeker niemand in ernst kunnen nemen dat deze vijfhonderd in geestelijk of in verstandelijk opzicht uitverkorenen zullen zijn? Men zal toch, naar ik hoop, niet veronderstellen, dat uit de stembiljetten van een toch allesbehalve begaafd kiezerskorps de staatslieden maar bij honderden tegelijk opschieten. Er zijn eenvoudig geen termen te vinden, scherp genoeg, om de waanzinnige mening, dat door het algemeen kiesrecht genieën naar voren zouden komen, te kwalificeren. Ten eerste staat er in een natie slechts zeer, zeer zelden een werkelijk staatsman op, en dan nog niet zomaar honderd of meers ineens, en ten tweede heeft de massa een bijna instinctieve afkeer van alles, wat werkelijk geniaal is. Eer gaat een kameel door het oog van een naald, dan een groot man door een verkiezing ontdekt wordt. Wat werkelijk boven het normale alledaagse gemiddelde uitsteekt, pleegt zich in de wereldgeschiedenis meestal uit zichzelf wel aan te melden.
Zo echter stemmen vijfhonderd mensen van zeer bescheiden kwaliteiten over de gewichtigste belangen van de natie. Stellen regeringen aan, die dan weer verplicht zijn om in ieder afzonderlijk geval en bij iedere bijzondere kwestie de toestemming van de doorluchte vergadering te veroveren, en dus wordt zodoende feitelijk de politiek door vijfhonderd verschillende mensen gefabriceerd. En dat is er dan ook meestal zeer goed aam te zien. Maar zelfs geheel afgezien van de genialiteit van deze volksvertegenwoordigers, men zal toch moeten bedenken, van hoe verschillende aard de problemen zijn, die afgedaan moeten worden; en hoe uiteenlopend de gebieden, waarop beslissingen getroffen en waar oplossingen gevonden moeten worden, en hoe juist daarom een regeringsstelsel moet zijn, dat de definitieve beslissing laat afhangen van het oordeel van een massavergadering, waar altijd slechts een uiterst gering percentage van de leden kennis en ervaring bezit van de behandelde materie.
De belangrijkste economische maatregelen worden zodoende onderworpen aan het oordeel van een forum, waarvan slechts een tiende van de leden kan bogen op enige economische opleiding. Dat betekent toch eenvoudig, dat men de eigenlijke beslissing overlaat aan lieden die hiertoe te enenmale ongeschikt zijn. Zo gaat het echter met ieder ander vraagstuk eveneens. Altijd zal een meerderheid van lieden zonder kennis of capaciteiten de doorslag geven, daar de samenstelling van dit college immers onveranderd blijft, terwijl het feit, dat de te behandelen problemen zich uitstrekken over bijna alle gebieden van het openbare leven, juist een voortdurende wisseling van de afgevaardigden, die daarover moeten oordelen en beslissen, wenselijk zou maken. Het is toch een onmogelijkheid, om dezelfde mensen EN over de verkeersaangelegenheden, EN b.v. over een belangrijk vraagstuk van buitenlandse politiek te laten beslissen. Tenzij natuurlijk, dat het allemaal universele genieën waren, zoals er nauwelijks eenmaal in eeuwen wordt geboren.
Helaas gaat het hier geenszins om "knappe koppen", maar om dilettanten, die even bekrompen als ingebeeld en opgeblazen zijn, een geestelijke "demi-monde" van het ergste soort. Vandaar dan ook de dikwijls onbegrijpelijke lichtzinnigheid, waarmee deze heerschappen praten en beslissingen nemen over dingen, welke zelfs de grootste geesten niet dan met ernstig overleg zouden behandelen. En deze lieden beslissen over maatregelen, die van het grootste gewicht zijn voor de toekomst van de gehele staat, meer nog, van de gehele natie, op en manier alsof er sprake was van een spelletje kaart, wat heel zeker meer in hun lijn had gelegen, en alsof het lot van hun ras er niet mee gemoeid was. Nu zou het zeker onrechtvaardig zijn, te denken dat ieder van de afgevaardigden van zo'n parlement van huis uit reeds zo weinig verantwoordelijkheidsgevoel zou hebben bezeten. Dat is dan ook geenszins het geval. Maar, doordat dit systeem de enkeling dwingt zijn standpunt te bepalen ten opzichte van hem geheel onbekende zaken, bederft het langzamerhand zijn karakter. Niemand zal de moed hebben om te verklaren: "Mijne Heren, ik geloof, dat wij van deze aangelegenheid niets begrijpen. Ik persoonlijk begrijp er althans niet het minste van". (Overigens zou dit slechts weinig verandering brengen, want zeker zou zo'n oprechtheid niet alleen in het geheel geen begrip vinden, maar men zou zo'n eerlijke ezel zeker niet de kans geven, om het prachtige spelletje in de war te sturen).
Wie de mensen kent, zal begrijpen, dat in zo'n illuster gezelschap niemand graag de domste zou willen zijn, en in zekere kringen is eerlijkheid altijd identiek met domheid. Zodoende komt ook de volksvertegenwoordiger, die het aanvankelijk eerlijk meent, onvermijdelijk op de weg van algemene leugenachtigheid en bedriegerij terecht. Juist de overtuiging, dat het aan de zaak zelf niets zou veranderen, of hij alleen er al dan niet aan meedeed, smoort elke eerlijke opwelling, die bij de een of ander nog zou kunnen opkomen. Hij zal zich tenslotte nog zelf wijsmaken dat hij persoonlijk nog niet de slechtste is van het hele stel, en door zijn meedoen misschien nog erger kan voorkomen. Nu zal men mij wel tegenwerpen, dat weliswaar iedere afgevaardigde afzonderlijk in al deze kwesties al geen bijzonder inzicht moge hebben, maar dat zijn partij, die immers de politiek van dit heer bepaalt, hem een bepaalde gedragslijn in deze aanraadt, en dat die partij toch haar bijzondere commissies heeft, die door deskundigen bovendien meer dan voldoende worden ingelicht.
Op het eerste gezicht schijnt dit te kloppen. Maar dan blijft toch de vraag: waarom kiest men er vijfhonderd, als er toch maar enkelen de nodige wijsheid bezitten, om in de belangrijkste kwesties een oordeel te vellen. En dat is het nu juist, waar alles om draait. Onze huidige parlementaire democratie heeft niet ten doel om een vergadering van wijzen samen te stellen; veeleer om een schare geestelijk afhankelijke nullen bijeen te garen, die des te gemakkelijker volgens bepaalde richtlijnen te leiden zijn, naarmate de bekrompenheid van ieder afzonderlijk groter is. Alleen hierdoor kan men partijpolitiek bedrijven in de huidige slechte zin van het woord. Maar alleen hierdoor is het echter ook mogelijk, dat de eigenlijke drijvende krachten altijd veilig op de achtergrond blijven, zonder dat men ze ooit persoonlijk ter verantwoording kan roepen. Want nu zal geen enkel besluit, hoe schadelijk ook voor het volksbelang, openlijk op naam en rekening komen van enige bepaalde schoften, maar een gehele fractie zal deze verantwoording te dragen krijgen. Daarmee blijft er echter van enige werkelijke verantwoordelijkheid niets over, want verantwoordelijkheid kan alleen door een enkel persoon gedragen worden, en niet door een parlementaire kletsclub.
En alleen de allerleugenachtigste gluiperts, die het daglicht hevig schuwen, kunnen deze instelling liefhebben en waarderen; maar iedere eerlijke rechtschapen kerel, die bereid is zelf voor zijn daden te staan, moet haar haten. Daarom is dit soort van democratie ook het instrument geworden van dat ras, dat om zijn eigenlijke doelstellingen het daglicht moet schuwen, thans en in alle tijden. Alleen de Jood kan een inrichting prijzen, die vuil en onwaar is als hijzelf.
Hiertegenover staat de waarachtige Germaanse democratie, waarbij de leider gekozen wordt, en dan de verplichting heeft om de volle verantwoordelijkheid van zijn doen en laten op zich te nemen. Daar stemt geen meerderheid over de verschillende vraagstukken, daar beslist 1 man, die dan met al wat hij is en al wat hij bezit verantwoordelijk is voor de genomen besluiten. Indien men de tegenwerping zou willen maken, dat er onder zulke voorwaarden bezwaarlijk iemand bereid gevonden zal worden, om een zo riskante zaak op zich te nemen, dan kan het antwoord alleen luiden:
Goddank! - Want daarin ligt juist de zin van de Germaanse democratie, dat niet ieder willekeurig onwaardig, maar eerzuchtig individu, dat niet iedere morele deserteur het langs kronkelende paden zover kan brengen, dat hij de macht over zijn volksgenoten uitoefent, maar dat zwakkelingen en prullen alleen reeds door de zwaarte van de verantwoordelijkheid, die aan deze taak verbonden is, worden afgeschrikt. Mocht het echter toch iemand van een dergelijk kaliber proberen, om naar binnen te sluipen, dan kan men hem gemakkelijker vinden en meedogenloos toesnauwen: Ga weg, laffe ploert! Zet je voetstappen niet op deze treden, want je bevuilt ze. De trappen voor de poorten van het heiligdom van onze geschiedenis zijn niet gebouwd voor reptielen, maar alleen voor helden!
Ik had twee jaar lang regelmatig de parlementszittingen in Wenen bijgewoond. Deze overtuiging was de vrucht van wat zich daar aan mij had vertoond. Nadien ging ik er niet meer heen. De zwakte van de oude Habsburgse staat, die van jaar tot jaar erger werd, was mede voor een belangrijk gedeelte het werk van de parlementaire regeringsvorm. En naar mate de invloed van het parlement groeide, werd de positie van het Duitse element zwakker, en verviel men meer en meer in een systeem, dat berustte op het uitspelen van de ene nationaliteit tegen de andere. In de rijksraad ging dit altijd ten koste van de Duitsers, en daardoor uiteindelijk altijd ten koste van het rijk; want omstreeks 1900 moest ook de allersimpelste geest wel inzien, dat de bindende krachten van de monarchie niet meer in staat waren, om aan het separatisme van de landen weerstand te bieden. Integendeel.
Hoe minderwaardiger de middelen werden die de staat moest aanwenden om intact te blijven, des te meer daalde hij in de algemene achting. Niet alleen in Hongarije, maar ook in de verschillende Slavische provincies was het gevoel van lotsverbondenheid met het geheel van de monarchie zozeer afgestorven, dat men haar zwakte geenszins meer als een eigen schande voelde. Men verheugde zich veeleer over zulke tekenen van intreden van ouderdom; men verlangde immers meer naar de dood dan naar de genezing van het rijk. In het parlement werd de volkomen chaos nog voorkomen door een onwaardig spel van steeds maar toegeven, waarbij men steeds het kind van de rekening werd; en in het land zelf, door de verschillende volken zo handig mogelijk tegen elkaar uit te spelen. Maar de algemene lijn van de ontwikkeling ging toch in anti-Duitse richting. Vooral sedert Franz Ferdinand door zijn rechten op de troon een zekere invloed begon te krijgen, kwam er systeem in de van boven naar beneden uitgeoefende "ver-tsjeching". Met alle mogelijke middelen trachtte deze toekomstige heerser van Oostenrijk-Hongarije de afbrokkeling van het Duitse karakter van deze staat in de hand te werken, of het tempo kunstmatig te versnellen, en zocht dit overal en altijd met zijn persoon te dekken.
Zuiver Duitse plaatsen werden zodoende door mutaties in het ambtenarenkorps langzaam, maar heel zeker in de gevaarlijke tweetalige zone geschoven. Zelfs in Neder-Oostenrijk begon dit proces steeds sneller voortgang te vinden en vele Tsjechen beschouwden Wenen reeds als hun grootste stad. Het leidende beginsel van deze nieuwe Habsburger, wiens gezin geen andere taal meer sprak dan Tsjechisch (de prins was door een morganatisch huwelijk verbonden met een Tsjechische gravin, en deze stamde uit kringen, waar anti-Duitse opvattingen traditie waren) was, om in midden-Europa geleidelijk een Slavische staat op te richten, die, als tegenwicht tegen het Grieks-Katholieke Rusland, op streng Roomse grondslag moest worden opgebouwd. Daarmee werd, zoals reeds meermalen bij de Habsburgers, de godsdienst weer eens in dienst gesteld van een zuiver politieke idee, die bovendien nog - van Duits standpunt beschouwd - funeste gevolgen moest hebben. Het gevolg was meer dan treurig in velerlei opzicht.
Maar noch het huis Habsburg, noch de Katholieke kerk kregen het loon dat ze verwacht hadden. Habsburg verloor de troon, Rome een grote staat. Want, doordat de kroon ook godsdienstige krachten in dienst stelde van haar politieke ideeën, riep zij een geest op van zodanige aard, als zij zelf zeker niet gedroomd had, dat mogelijk zou zijn. Op het streven, om met alle middelen het Duitse element in het oude Oostenrijk uit te roeien, ontstond als antwoord de Al-Duitse beweging in Oostenrijk. In de tachtiger jaren had het Manchesterse liberalisme met zijn Joodse grondslagen ook in de monarchie zijn hoogtepunt bereikt, zo niet reeds overschreden. De reactie daartegen kwam echter, zoals steeds in het oude Oostenrijk, niet in de eerste plaats uit sociale overwegingen, maar uit nationale. De drang tot zelfbehoud dwong het Duitse element tot een uiterst scherp verweer. Eerst in de tweede plaats begonnen langzamerhand ook economische overwegingen een belangrijk woord mee te spreken. Zo ontstonden er tenslotte twee partijformaties uit de algemene politieke verwarring, de ene meer nationaal, de andere meer sociaal van aard, maar beiden buitengewoon interessant en leerrijk voor de toekomst.
Na de slechte afloop van de oorlog van 1866 droomde het huis Habsburg van een revancheoorlog. Alleen de ongelukkige afloop van het Mexicaanse avontuur, waarin men hoofdzakelijk de hand van Napoleon III zag, en dat Keizer Maximilliaan tenslotte het leven kostte toen de Fransen hem in de steek lieten, voorkwam een nauwer samengaan met Frankrijk. Daartoe was de verontwaardiging over deze daad van de Fransen te groot en had ook het Franse prestige te zeer geleden. Toch lag Habsburg destijds op de loer. Indien de oorlog van 1870-1871 niet tot zo'n onvergetelijke zegetocht was geworden, dan zou het Weense hof het bloedige spel om wraak voor Sadowa nog wel gewaagd hebben. Toen echter de eerste berichten over het heldendom op de slagvelden binnenkwamen, die wonderbaarlijk waren en moeilijk te geloven, maar niettemin waar, toen erkende de "wijste" aller monarchen, dat het ogenblik toch nog niet rijp geacht kon worden, en speelde zo goed mogelijk mooi weer. De heldenstrijd in deze beide jaren had echter nog een veel grootser wonder volbracht; want bij de Habsburgers kwam deze veranderde houding geenszins uit de innerlijke drang, maar alleen uit de noodzaak van de omstandigheden.
Het Duitse volk in de oude Oostmark echter werd door de roes van de overwinning van het Rijk meegesleurd en zag met diepe ontroering, hoe de droom van de vaderen weer tot heerlijke werkelijkheid werd. Want men vergisse zich niet: de waarlijk Duitsgezinde Oostenrijker had van het uur van de afscheiding af terugverlangd, en had ook de slag bij Königgratz niet anders meer kunnen beschouwen dan als een weliswaar op zichzelf tragisch gebeuren, maar dat toch een noodzakelijke voorwaarde was voor de wederopstanding van een Rijk, dat niet meer de machteloosheid en de rotheid zou kennen waaraan de vroegere Duitse bond ten prooi was geweest; en daarvoor bleef het ook gespaard. Vooral ondervond hij hier aan eigen lijf, dat de historische taak van het huis Habsburg eindelijk afgelopen was, en dat het nieuwe Rijk niemand anders tot keizer mocht kiezen dan een man, die door zijn grote heldhaftigheid waardig is "de kroon van de Rijn" te dragen. Hoeveel meer echter diende men nog het noodlot te prijzen, dat het deze keizerskroon op het hoofd zette van de zoon van een geslacht, dat reeds eenmaal, lang geleden, een schitterend symbool aan de Duitse natie had geschonken, een symbool zo machtig, dat het te allen tijde de harten zal sterken: Frederik de Grote.
Toen het huis Habsburg echter na die grote oorlog met uiterste vastberadenheid begon het gevaarlijke Duitse element in Oostenrijk-Hongarije (dat immers geen twijfel liet aangaande zijn sympathieën en antipathieën) langzaam maar onverbiddelijk uit te roeien - want hierop moest deze Slaviseringspolitiek tenslotte uitlopen - toen vlamde de weerstand van het ter dood veroordeelde volk omhoog op een wijze, als de nieuwe Duitse geschiedenis nog nooit gezien had. Voor de eerste maal werden nationaal en patriottisch gezinde mannen tot rebellen. Niet tegen de natie rebelleerden zij en ook niet tegen de staat zelf, maar tegen de wijze van regeren, die, naar hun overtuiging, tot de ondergang van hun volk moest leiden. Voor de eerste maal in de Duitse geschiedenis van de laatste tijd scheidde zich de gebruikelijke trouw aan staat en vorstenhuis van de werkelijke nationale liefde voor vaderland en volk. Het is de verdienste geweest van de Al-Duitse beweging in het Duits-Oostenrijk van de negentiger jaren, dat ze op heldere en ondubbelzinnige wijze heeft vastgesteld, dat een staatsgezag alleen dan geëerbiedigd en beschermd moet worden, wanneer dit de belangen van het volk behartigt of tenminste geen schade berokkent.
Het gezag van de staat mag nooit doel, maar moet altijd middel zijn, omdat anders immers iedere tirannie op deze wereld onaantastbaar en heilig zou zijn. Wanneer door de hulpmiddelen van een regeringsmacht een volk naar de ondergang wordt geleid, dan heeft ieder die deel uitmaakt van dit volk niet alleen het recht, maar ook de plicht, te rebelleren. Het antwoord op deze vraag wanneer zo'n geval aanwezig is, wordt echter niet bepaald door theoretische verhandelingen, maar door het geweld en - door het succes. Daar iedere regering vanzelfsprekend het staatsgezag voor zich opeist, ook al is zij nog zo slecht en al heeft zij de belangen van het volk ook duizendmaal verraden, daarom zal de volkse levenswil, wanneer hij zo'n volksvijandige macht moet neerslaan, ter verovering van zijn vrijheid en onafhankelijkheid dezelfde wapens dienen te gebruiken als die, waarmee de tegenstander zich tracht te handhaven. De strijd zal daarom precies zolang met "legale" middelen worden gestreden, als ook de macht, die men ten val wil brengen, zich van zulke middelen bedient; wanneer de onderdrukker echter illegale middelen gaat gebruiken, zal ook het volk in opstand er niet voor terugschrikken, deze ter hand te nemen.
In het algemeen mag men echter nooit vergeten, dat niet in het behoud van een staat of van een regering de hoogste reden van bestaan voor de mens gelegen is, maar in de handhaving van zijn volk en zijn volkseigenheden. Wanneer deze volkseigenheden echter zelf eenmaal gevaar lopen, onderdrukt of zelfs vernietigd worden, dan is de kwestie van de legaliteit nog maar van ondergeschikt belang. En dan mag de heersende macht zich duizendmaal van zogenaamde "legale" middelen bedienen, maar dan blijft de levenswil van de onderdrukten toch steeds de verhevendste rechtvaardiging van hun strijd met alle wapenen.
Dat zo dikwijls in de loop van de geschiedenis een volk zich op zo ontzagwekkende wijze verweerde tegen de binnen- of buitenlandse dwingeland die het onder zijn juk had weten te brengen, is enkel een gevolg van het feit, dat het de juistheid van deze stelling inzag. Mensenrecht breekt staatsrecht. Bezwijkt echter een volk in de strijd om de rechten van de mens, dan is dit eenvoudig het teken, dat het door het noodlot gewogen is en te licht bevonden om nog langer op het geluk van een voortbestaan op deze aarde aanspraak te kunnen maken. Want ieder, die niet bereid is, of niet in staat is, om voor het bestaan te vechten, is reeds door de eeuwig rechtvaardige Voorzienigheid ter dood veroordeeld. Voor lafhartige volken is deze wereld niet geschapen.
Hoe makkelijk het echter voor een tirannie is, om zich een aureool van zogenaamde "legaliteit" te bezorgen, daarvan gaf Oostenrijk weer het duidelijkste en treffendste voorbeeld. De legale staatsmacht steunde destijds enerzijds op het anti-Duitse parlement met zijn niet-Duitse meerderheden - en anderzijds op het evenzeer anti-Duitse vorstenhuis. In deze beide factoren was het gehele staatsgezag belichaamd. Het was dwaasheid om het lot van het Duits-Oostenrijkse volk met behulp of door middel van dit gezag te willen veranderen. Uit dit feit had men nu, naar het oordeel van het staatsgezag zelf en naar dat van de lieden, die geen andere weg dan de legale zagen, de conclusie moeten trekken, dat iedere tegenstand nu ook achterwege zou moeten blijven, omdat er immers met legale middelen niets te bereiken viel. Dit zou echter onvermijdelijk het einde - en wel het spoedige einde van het Duitse bloed in deze staat hebben betekend. Het Duitse element is hiervoor dan ook alleen gespaard gebleven door het ineenstorten van deze staat. De bebrilde theoreticus zou namelijk altijd nog liever voor zijn doctrine dan voor zijn volk willen sterven. Hij meent, dat de mensen, omdat ze eerst zelf wetten hebben gemaakt, daardoor later alleen voor die wetten bestaan.
Het is de verdienste van de toenmalige Al-Duitse beweging in Oostenrijk geweest, dat ze, tot ontsteltenis van alle fanatici voor papieren principes, en van alle andere staatsfetischisten, voorgoed een einde heeft gemaakt aan deze dwaasheid. Terwijl de Habsburgers met alle middelen het Duitse element trachtten te bestrijden, viel deze partij het "verheven" heersershuis aan, en dat wel op meedogenloze wijze. Zij heeft voor de eerste keer de eigenlijke ziekte van deze reeds volkomen verrotte staat blootgelegd en aan honderdduizenden de ogen geopend. Het is haar verdienste, dat zij het prachtige begrip vaderlandsliefde heeft losgemaakt uit de omknelling van deze miserabele dynastie. Haar aanhang was in de eerste tijd van haar optreden zeer groot, ja, scheen letterlijk tot een lawine te zullen worden. Maar het succes was niet van blijvende aard.
Toen ik in Wenen kwam, was de beweging reeds lang overvleugeld door de Christelijk-sociale partij, die intussen aan de macht was gekomen; ja, deze laatste had haar bijna iedere betekenis ontnomen. Deze gehele gebeurtenis: de opkomst en de ondergang van de Al-Duitse beweging enerzijds en van de ongehoorde opkomst van de Christelijk-sociale partij anderzijds zou als klassiek studieobject voor mij van de grootste betekenis worden. Toen ik naar Wenen kwam, stonden mijn sympathieën geheel en al aan de zijde van de Al-Duitsers. Dat men de moed bleek te hebben om in het parlement "Leve Hohenzollern" te roepen, imponeerde mij evenzeer als het mij verheugde dat men zich nog altijd beschouwde als een deel van het Duitse Rijk, dat slechts tijdelijk van het moederland gescheiden was; en dat men geen enkele gelegenheid liet voorbijgaan, om in het openbaar van zijn trouw te getuigen, gaf mij geloof in de toekomst; dat men in alle kwesties, waar de Duitse aard in het geding kwam, onvoorwaardelijk kleur bekende en voor geen compromissen te vinden was, wekte mijn volle instemming, omdat ik hierin de enige mogelijkheid zag om ons volk te redden; dat echter de beweging na zo'n opkomst nu zozeer terugzakte, kon ik niet begrijpen.
Nog minder begreep ik echter, waarom de Christelijk-sociale partij juist in dezelfde tijd in zo'n geweldige macht vermocht te geraken. Zij had destijds juist het toppunt van haar glorie bereikt. Toen ik beide bewegingen begon te vergelijken, gaf mij ook hier het noodlot (en door mijn overigens vrij treurige omstandigheden vroeger dan anders) het beste onderwijs, waardoor ik de oorzaken van dit raadsel kon begrijpen. Ik begin mijn vergelijking met de beide mannen, die als leiders en stichters van de beide partijen beschouwd moeten worden: Georg van Schönerer en Dr. Karl Lueger. Zuiver menselijk gezien, steekt zowel de een als de ander ver uit boven het formaat van de zogenaamde parlementaire figuren. In het moeras van de algemene politieke corruptie bleef hun gehele leven rein en onaantastbaar. Toch voelde ik aanvankelijk alleen sympathie voor de Al-Duitser Schönerer, en pas langzamerhand begon ik ook voor de Christelijk-sociale leider te voelen. Wat hun kwaliteiten betrof, scheen Schörner mij reeds destijds een beter en grondiger denker toe in principiële vraagstukken. Hij heeft het onvermijdelijke einde van de Oostenrijkse staat juister en helderder voorzien dan enig ander.
Indien men vooral in het Rijk meer oor had gehad voor zijn waarschuwingen tegen de Habsburgse monarchie, dan had de ramp van een wereldoorlog, waar Duitsland tegen geheel Europa stond, voorkomen kunnen worden. Schörner mocht dan al in staat zijn, om de grote vraagstukken in hun ware gedaante te zien, maar in de mensen vergiste hij zich keer op keer. Hier lag nu juist de grote kracht van Dr. Lueger. Lueger was een buitengewoon mensenkenner, die er zich vooral voor hoedde, de mensen voor beter aan te zien, dan zij nu eenmaal zijn. Daarom hield hij ook meer rekening met de werkelijke mogelijkheden van het leven, terwijl Schörner daarvoor maar weinig begrip had. Alles wat de Al-Duitser dacht, was principieel juist, maar omdat hij de massa te weinig begreep en hem ook de kracht ontbrak om zijn theoretisch inzicht aan de massa mede te delen, dus om zijn kennis in zo'n vorm te gieten, dat die bevattelijk werd voor de grote massa, welke nu eenmaal zeer langzaam van begrip is en blijft, bleef zijn inzicht gelijk aan de wijsheid van een ziener, welke toch nooit praktische werkelijkheid kan worden. Dit ontbreken van werkelijke mensenkennis leidde echter tenslotte tot een onjuist oordeel over de kracht van gehele bewegingen en oeroude instellingen.
Later heeft Schörner weliswaar ingezien dat het hier uiteindelijk een wereldbeschouwing betreft, maar hij heeft nooit begrepen, dat zulke bijna religieuze overtuigingen altijd in de eerste plaats door de grote massa's van een volk gedragen moeten worden. Hij zag helaas lang niet scherp genoeg, hoe buitengewoon gering de strijdlust van de zogenaamde "burgerlijke" kringen is, alleen reeds uithoofde van hun economische positie, die de enkeling in een voortdurende angst laat leven, dat hij te veel zou kunnen verliezen, wat dus ook al maakt, dat hij zich meer afzijdig houdt. En toch zal in 't algemeen een wereldbeschouwing alleen dan kans op de overwinning hebben, indien de grote massa bereid blijkt als draagster van de nieuwe leer de noodzakelijke strijdt op zich te nemen. Uit dit gebrek aan begrip voor de betekenis van de onderste volkslagen kwam echter ook de absoluut onvoldoende opvatting over de sociale kwestie voort.
Op al deze punten was Dr. Lueger het tegendeel van Schörner. Zijn gedegen mensenkennis maakte, dat hij enerzijds de mogelijk aanwezige krachten zeer juist wist te beoordelen, terwijl hij anderzijds evenzeer bewaard bleef voor een onderschatting van bepaalde instellingen, en misschien juist om die reden leerde, ze aan zijn doeleinden dienstbaar te maken. Hij begreep ook maar al te goed, dat de politieke strijdkracht van de gezeten burgerij in de tegenwoordige tijd te gering was en niet voldoende om voor een nieuwe grote beweging de zege te bevechten. Daarom concentreerde hij zijn politieke werkzaamheid hoofdzakelijk op die groepen van de bevolking, van wie het bestaan bedreigd werd, en trachtte vooral hen voor zich te winnen, wat de strijdlust van zijn organisatie dus eerder aanwakkerde dan verminderde. Eveneens was hij bereid zich van alle bestaande machtsmiddelen te bedienen en de genegenheid te verwerven van bestaande machtige instituten, om uit zulke oude krachtbronnen voor zijn beweging het grootst mogelijke voordeel te kunnen putten.
Dientengevolge richtte hij de actie van zijn nieuwe partij in de eerste plaats op de met ondergang bedreigde middenstand en bezorgde zich daardoor een zeer standvastige schare van aanhangers, evenzeer van betekenis door hun grote offervaardigheid als door hun taaie strijdkracht. Zijn buitengewoon verstandige houding tegenover de katholieke kerk echter maakte, dat hij in korte tijd de jonge geestelijkheid op zijn hand kreeg, en dat wel in zo'n getale, dat de oude klerikale partij OF gedwongen was om het veld te ruimen, OF, nog verstandiger, zich bij de nieuwe partij aansloot, om zodoende langzaam de ene stelling na de andere terug te winnen. Indien men echter zou menen, dat men de man hiermee volledig had getekend, dan zou men hem zwaar onrecht doen. Want, behalve dat hij een goed tacticus was, bezat hij ook de eigenschappen van een waarlijk groot en geniaal hervormer. Maar ook hier was zijn kunnen beperkt door een nauwkeurige kennis van de nu eenmaal aanwezige mogelijkheden en ook van zijn eigen capaciteiten.
Het was een buitengewoon praktisch doel dat deze waarlijk belangrijke man nastreefde. Hij wilde Wenen veroveren. Wenen was het hart van de monarchie, van hieruit ging nog de laatste levensstroom naar het ziekelijke en oud geworden lichaam van het stervende rijk. Hoe gezonder het hart werd, des te meer moest ook het overige lichaam opleven. Deze gedachte was principieel juist, maar kon, wanneer ze aan een bepaalde beperkte periode gebonden was, in de praktijk slechts weinig betekenen. En dit was de zwakke zijde van deze man. Wat hij als burgemeester van de stad Wenen gepresteerd heeft, is onsterfelijk in de beste zin van het woord. De monarchie kon hij daarmee echter niet meer redden; het was te laat. Zijn tegenstander, Schörner, had dit juister gezien. Wat Dr. Lueger aan praktische vraagstukken ter hand nam, slaagde op wonderlijke wijze; maar de gevolgen, welke hij daarvan had verwacht, bleven uit. Wat Schörner wilde, gelukte hem niet, wat hij vreesde, voltrok zich helaas op vreselijke wijze.
Zodoende heeft geen van de beide mannen zijn eigenlijk doel bereikt. Lueger kon Oostenrijk niet meer redden en Schörner het Duitse volk niet meer voor de ondergang bewaren. Het in oneindig leerrijk voor onze tegenwoordige tijd, om de oorzaken voor het falen van deze beide partijen na te gaan. Dit heeft vooral zin voor mijn vrienden, omdat de toenmalige omstandigheden veel overeenkomst vertonen met de huidige, waardoor fouten vermeden kunnen worden welke reeds eerder aan een beweging het leven hebben gekost, en welke een andere tot vruchteloosheid doemden. De ineenstorting van de Al-Duitse beweging in Oostenrijk had, mijns inziens, drie oorzaken. De eerste was, dat men de betekenis van het sociale vraagstuk juist voor een nieuwe, in wezen revolutionaire partij, veel te weinig gezag. Daar Schörner en zijn groep zich in de eerste plaats wendden tot de burgerlijke kringen, moest het resultaat wel zeer zwak en tam zijn.. De Duitse bourgeoisie is, vooral in zijn hogere lagen, hoewel haar leden, stuk voor stuk, dat niet vermoeden, waar het gaat om interne aangelegenheden van natie of staat, zo pacifistisch, dat het aan letterlijke zelfverloochening grenst.
In goede tijden, dat wil in dit geval dus zeggen in tijden van een goede regering, is zo'n mentaliteit de reden, dat deze groepen van buitengewone waarde voor de staat zijn; wanneer er echter een slechte regering aan het roer is, gaat er een bijna funeste werking van deze kringen uit. Alleen om maar de mogelijkheid te scheppen tot het voeren van een werkelijk ernstige strijd, was het reeds een eerste vereiste geweest, dat de Al-Duitse beweging al het mogelijke had gedaan om vat te krijgen op de grote massa's. Dat zij dit niet deed, beroofde haar reeds van te voren van de bezieling die zo'n vloedgolf nu eenmaal nodig heeft, wil zij niet reeds na korte tijd terug vloeien. Indien men echter dit axioma niet van de beginne af voor ogen houdt, en er niet met alle kracht aan vasthoudt, dan verliest de nieuwe partij iedere mogelijkheid om het verzuimde later weer in te halen. Want door het opnemen van een al te groot aantal gematigd-burgerlijke elementen zal de innerlijke tendens van de beweging altijd door deze groep worden bepaald, en zodoende iedere verdere kans om noemenswaardige krachten uit de grote massa te winnen, teniet doen. Daardoor zal zo'n beweging echter niet verder komen dan enkel tot wat mopperen en kritiseren.
Het bijna religieuze geloof, verbonden met een offervaardigheid in dezelfde trant, zal nimmer meer te vinden zijn; in plaats daarvan zal men er echter naar gaan streven, om door 'positieve' medewerking - dat wil in dit geval zeggen, door de bestaande toestand in feite te erkennen - de scherpe kantjes van de strijd geleidelijk af te slijpen, en komt tenslotte tot een wormstekige vrede met het bestaande systeem. Zo ging het ook met de Al-Duitse beweging, omdat zij zich niet van het begin af noodzakelijk had toegelegd op de verovering van de massa. Zij werd burgerlijk, deftig, gematigd, "radicaal" (radicaal in de zin van radicaal-socialistisch = liberaal) . Uit deze fout groeide echter de tweede oorzaak van haar snelle ondergang. De strijdpositie van het Duitse element in Oostenrijk was al wanhopig in de tijd, dat de Al-Duitse beweging optrad. Van jaar tot jaar was het parlement meer en instelling tot langzame vernietiging van het Duitse volk geworden. Iedere poging, om het te elfder ure nog te redden, zou alleen dan enige, zij het ook geringe kans op succes bieden, wanneer men er in zou slagen, het parlement te doen verdwijnen.
Daarmee kreeg de beweging een vraag van principiële betekenis te beantwoorden: Moest men, om het parlement te vernietigen, daarin plaats nemen, om het, zoals men zich pleegde uit te drukken, "van binnen uit te ondergraven" , of moest men die strijd van buitenaf voeren door een aanval op deze instelling zelf? Men ging naar binnen en kwam er verslagen weer uit. Er zat inderdaad niets anders op dan naar binnen te gaan. De strijd tegen zo'n macht van buitenaf doorvoeren, wil zeggen, zich te laden met een onwrikbare moed, maar ook bereid te zijn tot eindeloze offers. Men pakt daarmee de stier bij de horens beet en zal zware stoten te verduren krijgen, zal menigmaal op de grond storten, zal mogelijk eens niet dan met gebroken ledematen weer op kunnen staan, en pas na een uiterst zware worsteling zal de zege bij de stoutmoedige aanvaller zijn. Alleen de grootste van de gebrachte offers zal nieuwe strijders voor de zaak winnen, tot de volharding tenslotte met succes bekroond zal worden. Daartoe echter heeft men de grote massa van het volk nodig.
Deze alleen bezit voldoende vastberadenheid en taaiheid, om deze strijd tot het bloedig einde vol te houden. Op deze grote massa echter had de Al-Duitse beweging nu juist geen vat; daarom bleef haar dan ook niets anders over dan in het parlement te gaan. Het ware onjuist, te menen, dat men een lange, innerlijke tweestrijd had gevoerd, of zelfs maar lang had gewikt en gewogen; integendeel, men had er in het geheel niet over nagedacht. De reden, dat men toch deelnam aan deze waanzin, was deze, dat men niet helder en duidelijk inzag wat de betekenis en de gevolgen zouden zijn van een eigen deelneming aan zo'n instituut, waarvan men zelf immers principieel de onjuistheid reeds had ingezien. In het algemeen verwachtte men wel, dat men de grote massa's gemakkelijker zou kunnen voorlichten; men kreeg nu immers de gelegenheid om te spreken voor het "forum van de gehele natie".
Ook scheen het vanzelfsprekend te zijn, dat een aanval op de wortel van het kwaad meer succes moest opleveren dan een bestorming van buitenaf. Men meende, dat de parlementaire onschendbaarheid de voorvechters een grotere veiligheid zou verzekeren, waardoor dan de kracht van de aanval slechts kon worden verhoogd. In werkelijkheid evenwel kwam het heel anders uit. Het forum, waarvoor de Al-Duitse afgevaardigden spraken, was niet groter, maar eerder kleiner geworden; want ieder spreekt slechts voor de kring, die in staat is en de wil heeft om te horen, of die door de berichten in de pers een verslag van het gesprokene krijgt. Het grootste rechtstreekse forum van toehoorders levert echter niet de zittingzaal van het parlement, maar de grote openbare vergadering. Want daar zijn de duizenden mensen, die alleen gekomen zijn om te horen wat de spreker hun te zeggen heeft, terwijl er in de zittingzaal van de Kamer maar een paar honderd zijn, die dan meestal nog alleen aanwezig zijn om het presentiegeld te kunnen opstrijken, en wel in de allerlaatste plaats om de wijsheid van de een of andere "mijnheer de volksvertegenwoordiger" in hun ontvankelijk gemoed te laten doordringen.
Het belangrijkste bezwaar is echter, dat het immers steeds hetzelfde publiek is, waarvoor men spreekt, dat nooit meer iets zal leren, omdat het niet alleen te weinig verstand bezit, maar ook zelfs het allerbescheidenste beetje wil tot leren ten enenmale mist. Nooit zal een van deze volksvertegenwoordigers uit zichzelf toegeven dat de ander gelijk heeft, en zich daarna ook in dienst van de waarheid stellen. Nee, dat zal geen enkele doen, tenzij dan, dat hij reden heeft om te hopen, dat zo'n ommekeer zijn zetel voor een volgende periode nog zou kunnen redden. Dus eerst, wanneer het er naar uitziet, dat zijn tegenwoordige partij bij een aanstaande verkiezing klappen zal krijgen, zullen deze sieraden van manhaftigheid zich opmaken om te kijken OF, en, zo ja, HOE zij zich kunnen aansluiten bij een andere partij of richting, die er vermoedelijk beter af zal komen, waarbij deze koerswisseling natuurlijk altijd met een wolkbreuk van morele redenen gepaard gaat.
Daarom zal altijd, wanneer een bestaande partij zich zozeer de antipathie van het volk op de hals heeft gehaald, dat zij een vernietigende nederlaag kan verwachten, een soort van Grote Trek beginnen: de parlementaire ratten verlaten het partijschip. Met beter weten of beter willen heeft dit echter niets te maken, dit is niets anders dan een soort helderziendheid, die zo'n parlementswandluis nog juist bijtijds waarschuwt en hem zodoende steeds weer een ander warm partijbedje bezorgt. Om voor zo'n "forum" te spreken, betekent wel in de meest letterlijke zin des woords: paarlen voor de bekende dieren werpen. Dit is waarlijk niet de moeite waard. Het resultaat kan hier niet anders dan nihil zijn. En dat bleek ook. De Al-Duitse afgevaardigden konden praten tot ze schor waren, maar ieder nuttig effect bleef uit. De pers ging als volgt te werk: OF ze zweeg de redevoeringen door, OF wel ze gaf enkele uit het verband gerukte brokken, waardoor de betekenis verdraaid werd, of zelfs geheel verloren ging, wat maakte, dat de openbare mening niet anders dan een slechte indruk van de bedoelingen van de nieuwe beweging kon krijgen. Wat de heren zeiden, deed er niet het minste toe; maar dat, wat men van hen te lezen kreeg, was een uittreksel van hun redevoeringen, dat in zijn onsamenhangendheid alleen maar een dwaze uitwerking kon hebben - wat ook de bedoeling was.
Bovendien bestond het enige forum, waarvoor ze nu in werkelijkheid spraken, uit nauwelijks vijfhonderd parlementariërs, en dit zegt genoeg. De Al-Duitse beweging kon alleen dan op succes rekenen, indien zij van de eerste dag af begreep, dat het hier niet mocht gaan om een nieuwe partij, maar vooral om een geheel nieuwe wereldbeschouwing, daar alleen zo'n geheel nieuwe levensbasis de innerlijke kracht zou kunnen ontwikkelen, om deze titanenstrijd ten einde te strijden. Hier zijn echter de allerbeste en allermoedigste kerels maar net goed genoeg, om als voormannen dienst te doen. Indien de strijd voor een wereldbeschouwing niet wordt gevoerd door helden die tot iedere opoffering bereid zijn, dan zullen er ook na korte tijd geen strijders meer te vinden zijn, die hun leven voor de idee willen wagen. Wie op zo'n plaats voor zijn eigen bestaan strijdt, kan voor de gemeenschap niet veel meer over hebben. Om echter aan deze voorwaarde te kunnen blijven voldoen, is het noodzakelijk, dat ieder weet, dat de nieuwe beweging eer en roem kan brengen voor de nakomelingschap, maar niets kan en niets wil geven aan haar strijders van heden.
Hoe meer postjes en baantjes een beweging te vergeven heeft, des te groter zal de toeloop van minderwaardigen zijn, totdat deze politieke gelegenheidsarbeiders een partij, die oorspronkelijk succes had, tenslotte dermate overwoekeren, dat de oude rechtschapen strijder zijn beweging niet meer terugkent, en de nieuw aangekomenen beslist geen prijs meer stellen op zijn aanwezigheid, omdat zij hem lastig en "ongeschikt" achten. Dan is het echter met de "roeping" van zo'n beweging volkomen gedaan. Zodra de Al-Duitse beweging zich aan het parlement verkocht, kreeg zij ook "parlementariërs" in haar rijen en geen voormannen en strijders meer. Zij zakte daarmee af tot het peil van een gewone, allerdaagse politieke partij en verloor de kracht, om een rampzalig noodlot met de harde wil tot het martelaarschap tegemoet te treden. In plaats van te vechten, leerde men nu ook "praten" en "onderhandelen".
De nieuwe parlementariër echter gevoelde het reeds na korte tijd als een prettiger plicht (wegens het mindere risico), de nieuwe wereldbeschouwing te verdedigen met de "geestelijke" wapenen van parlementaire welbespraaktheid, dan zich, zonodig met inzet van eigen leven, in een strijd te werpoen, waarvan de uitslag onzeker was, en die in ieder geval hem persoonlijk niets kon opleveren. Toen men nu eenmaal in het parlement zat, begonnen de aanhangers buiten te hopen en te wachten op wonderen, die natuurlijk niet gebeurden en ook niet gebeuren konden. Men werd daarom reeds na korte tijd ongeduldig, want ook dat, wat men zoal van de eigen afgevaardigden te horen kreeg, kwam in geen enkel opzicht overeen met de verwachtingen van de kiezers. Dit was zeer verklaarbaar, omdat de vijandelijke pers er zich wel voor hoedde, om het publiek een juist beeld te geven van het streven en de werkzaamheid van de Al-Duitse vertegenwoordigers.
Hoe meer echter de nieuwe afgevaardigden de smaak van de nog al wat zoetere en zachtere aard van de "revolutionaire" strijd in het parlement en in de provinciale raadscolleges beet hadden, des te minder waren zij bereid om de, zoveel gevaarlijker, propaganda onder de grote massa van het volk op zich te nemen. De massavergadering, de enige mogelijkheid om door persoonlijk en daardoor succesvol contact grote volksdelen te beïnvloeden en te winnen, raakte daardoor steeds meer op de achtergrond. Zodra het spreektafeltje van de vergaderzaal voorgoed verwisseld was voor de tribune van het parlement, en men in het vervolg van dit spreekgestoelte de redevoeringen hield, en ze ook niet meer in de eerste plaats in het hart van het volk, maar vooral in de hoofden van de zogenaamde uitverkorenen wilde gieten, hield de Al-Duitse beweging ook op, een volksbeweging te zijn en schrompelde na korte tijd ineen tot een meer of minder belangrijke club tot het houden van academische uiteenzettingen.
De door de pers verwekte slechte indruk werd dientengevolge op geen enkele wijze meer door persoonlijke vergaderingarbeid van de verschillende heren gerectificeerd, zodat het woord "Al-Duits" tenslotte een zeer slechte klank kreeg in de oren van het volk. Want dit mogen alle veelschrijvende fatten en pennenlikkers zich voor gezegd houden: de grootste omwentelingen op deze wereld hebben nimmer plaats gevonden onder de leiding van een ganzenpen! Nee, het werk van de pen bleef steeds beperkt tot de theoretische motivering ervan. De macht echter, die de grote historische lawines van godsdienstige en politieke aard aan het rollen bracht, is, door alle eeuwen heen, alleen de toverkracht van het gesproken woord geweest. Vooral de grote massa van het volk wordt altijd alleen meegesleept door de macht van de redevoering. Maar alle grote bewegingen zijn volksbewegingen, zijn vulkanische uitbarstingen van menselijke hartstochten en gevoelens, die OF door de wrede godin van de nood, OF door het woord, dat als een fakkel onder de massa werd geworpen, werden ontketend; het zijn geen limonadeachtige ontboezemingen van geleerden en salonhelden.
In het leven van een volk kan alleen een storm van gloeiende hartstocht een ommekeer brengen, en alleen hij kan hartstocht opwekken, die dat vuur zelf in het hart draagt. Die hartstocht is het alleen, die dan aan de daarmee begiftigde de woorden ingeeft, die als hamerslagen de poorten naar het hart van een volk weten open te breken. De man echter, die de hartstocht niet kent, zal stom blijven en geen sterke woorden vinden; de hemel heeft hem niet uitverkoren tot verkondiger van de wil van de Voorzienigheid. Daarom moet iedere schrijver bij zijn inktpot blijven, om theoretisch werkzaam te zijn, indien hem voldoende verstand en capaciteiten gegeven zijn; voor leider is hij noch geboren, noch geroepen. Een beweging met grote doelstellingen moet daarom angstvallig zorg dragen, dat ze het contact met de grote massa niet verliest. Zij dient elke kwestie in de eerste plaats uit dit oogpunt te bekijken en haar beslissing hiervan afhankelijk te maken. Zij moet verder alles vermijden wat haar vat op de massa zou kunnen verminderen, of ook maar verzwakken, niet, om maar iets te noemen, om "demagogische" redenen, maar eenvoudig vanwege het inzicht, dat zonder de geweldige kracht van de massa geen grote idee, hoe groots en verheven zij ook moge zijn, verwerkelijkt kan worden.
De harde werkelijkheid alleen moet de weg naar het doel bepalen. Wanneer men onaangename wegen niet wenst te bewandelen, dan zal men op deze wereld maar al te dikwijls van het doel moeten afzien, of dit nu de bedoeling was of niet. Zodra de Al-Duitse beweging door haar intrede in het parlement het hoofdgewicht van haar werkzaamheid verplaatste van het volk naar het parlement, verloor zij haar toekomst en won daarvoor een reeks goedkope succesjes-van-het-ogenblik. Zij koos de gemakkelijkste strijd, maar was daardoor niet meer waardig, de eindoverwinning te behalen. Ik heb deze vraagstukken reeds in Wenen diepgaand overdacht en heb het feit, dat men het inzicht miste, beschouwd als een van de belangrijkste oorzaken, dat een beweging, die in mijn ogen destijds geroepen was de leiding van het Duitse element in handen te nemen, toch ineenstortte. De beide eerste fouten, die de Al-Duitse beweging schipbreuk deden lijden, waren met elkander verwant. Het gebrek aan kennis omtrent de inwendige drijfkrachten van grote omwentelingen maakte, dat men de betekenis van de brede volksmassa's onderschatte; daaruit echter kwam weer de geringe belangstelling voor het sociale vraagstuk voort; vandaar ook, dat men zo gebrekkig en in volkomen onvoldoende mate propaganda voerde onder de onderste lagen van de natie; vandaar tenslotte ook het standpunt ten opzichte van het parlement, dat op zijn beurt de werfkracht van de partij onder de grote massa weer verzwakte.
Indien men had ingezien, welk een geweldige machtsfactor als draagster van de revolutionaire weerstand te allen tijde betekent, dan zou men in sociaal en in propagandistisch opzicht heel anders gehandeld hebben. Dan zou men zijn krachten ook niet hoofdzakelijk hebben geconcentreerd op het parlement, maar op de werkplaats en de straat. Maar ook de derde fout is een gevolg van die blindheid voor de betekenis van de massa, die - wanneer ze eenmaal door groteren en beteren in beweging is gezet - dan echter ook, gelijk een vliegwiel, de aanval massief en duurzaam doet zijn. De zware strijd, die de Al-Duitse beweging met de katholieke kerk uitvocht, is alleen te verklaren uit het feit, dat men veel te weinig inzicht had in de grondslagen van het volkskarakter. De oorzaken van de heftige aanval tegen Rome waren de volgende.
Zodra het huis van Habsburg definitief had besloten, Oostenrijk in een Slavische staat te veranderen, vatte het ieder middel aan, dat ook maar enigszins dienstbaar kon zijn aan dit doel. Ook godsdienstige krachten werden door dit meest gewetenloze aller vorstenhuizen zonder scrupules in de dienst van de nieuwe "staatsidee" gesteld. Het benutten van Tsjechische parochies en hun zielenherders was maar een van de vele middelen om dit doel, een Slavisch Oostenrijk, te bereiken. Men ging daarbij ongeveer als volgt te werk: In zuiver Duitse gemeenten werden Tsjechische pastoors aangesteld, die langzaam maar zeker de belangen van het Tsjechische volk boven die van de Kerk begonnen te stellen en tot cellen van de anti-Duitse strijd werden. De Duitse geestelijkheid schoot tegenover zo'n optreden ten enenmale tekort. Niet alleen, dat zij zelf voor een soortgelijke strijd in Duitse zin volkomen onbruikbaar was, maar zij was ook niet bij machte om de aanvallen van de anderen met de nodige kracht af te weren. Zodoende werd de Duitse cultuur, langs de omweg van misbruik van Godsdienst enerzijds, en door onvoldoende afweer anderzijds, langzaam maar onophoudelijk teruggedrongen.
In het klein gebeurde dit, zoals hierboven beschreven - en in het groot ging het helaas al weinig anders. Ook hier ontmoetten de anti-Duitse strevingen van de Habsburgers, vooral door toedoen van de hogere clerus, niet de noodzakelijke tegenstand, terwijl de behartiging van de Duitse belangen zelf geheel en al op de achtergrond raakte. De algemene indruk kon niet anders zijn, dan dat men hier te doen had met een grove krenking van de rechten van de Duitsers door de katholieke geestelijkheid als zodanig. Daardoor scheen het echter, dat de Kerk niet met het Duitse volk meevoelde, maar zich op onrechtvaardige wijze aan de zijde van Duitslands vijanden schaarde. De wortel van dit kwaad echter, naar men - en vooral Schönerer - meende, in het feit, dat de leiding van de katholieke Kerk niet in Duitsland gevestigd was, en dat dat alleen reeds een vijandige houding tegenover de belangen van ons volksleven ten gevolge moest hebben.
De zogenaamde culturele vraagstukken geraakten daarbij, zoals destijds bijna altijd in Oostenrijk, geheel op de achtergrond. Beslissend voor de houding van de Al-Duitse beweging ten opzichte van de katholieke kerk was niet zozeer het standpunt, dat deze laatste bijvoorbeeld tegenover de wetenschap, enz. innam, maar vooral het feit, dat ze oog noch oor had voor de Duitse rechten en integendeel steeds de grootse ijver aan de dag legde, wanneer het er om ging, aan de aanmatiging en de hebzucht van het Slavendom tegemoet te komen. Georg Schönerer was er echter de man niet naar, om iets half te doen. Hij nam de strijd tegen de kerk op in de overtuiging, dat alleen daardoor het Duitse volk nog te redden was. De opbouw van deze beweging, die "Los van Rome" in haar vanen had geschreven, scheen het machtigste, maar ook het moeilijkste aanvalswapen tegen de macht van de vijand. Wanneer deze aanval met succes bekroond werd, dan zou ook de noodlottige kerkelijke verdeeldheid in Duitsland overwonnen zijn, en de inwendige kracht van het Rijk en van de Duitse natie kon door zo'n zege buitengewoon stijgen.
Maar noch de principes, waarvan men uitging, noch de conclusies, welke men meende te moeten trekken, waren juist. Zonder twijfel was de nationale weerstandskracht van de Duitse clerus in alle kwesties, waar het om de strijd voor het Duitse volkseigen ging, geringer dan die van haar niet-Duitse, vooral Tsjechische ambtsbroeders. Evenzo kon alleen een idioot blind zijn voor het feit, dat het niet dan uiterst zelden voorkwam, dat de Duitse geestelijkheid er ook maar aan dacht, om in actieve zin voor de Duitse belangen op te treden. Maar evenzeer moest ieder, die niet blind was, toegeven, dat dit in de eerste plaats een uitvloeisel is van een omstandigheid, waaronder wij Duitsers allemaal zozwaar te lijden hebben, n.l. het feit, dat wij tegenover ons volk en volkseigen even objectief staan als tegenover iedere willekeurige andere zaak.
En terwijl de Tsjechische geestelijke subjectief stond tegenover zijn volk en slechts objectief tegenover de kerk, was de Duitse pastoor subjectief aan zijn kerk verknocht en bleef objectief tegenover de natie. Een verschijnsel, dat wij helaas nog in duizend andere vormen kunnen constateren. Dit is geenszins een bijzondere erfenis van het katholicisme, maar een algemene mentaliteit, die dermate in ons volkskarakter verankerd ligt, dat er haast niets kan bestaan - en vooral geen ideologie of staatsinstelling - of ze krijgt na korte tijd de lasten van deze kwaal te dragen. Men vergelijke b.v. eens de houding, die ons ambtenarencorps aanneemt tegenover het streven naar nationale wedergeboorte, met die, welke in zo'n geval de ambtenaren van een ander volk zouden innemen. Of meent men bijgeval, dat het officierscorps van enig ander land ter wereld op een dergelijke wijze de belangen van de natie voor een theoretisch "staatsgezag" zou hebben vergeten, als bij ons sedert vijf jaren natuurlijk, ja zelfs nog bijzonder verdienstelijk wordt geacht?
Nemen bijgeval niet beide kerkgenootschappen ten aanzien van het Joodse vraagstuk tegenwoordig een standpunt in, dat met de belangen van de natie al evenmin strookt, als met de werkelijke behoeften van de religie? Men vergelijke toch eens de houding van een Joodse rabbijn ten aanzien van alle kwesties, die van enige betekenis zijn voor het Joodse ras, met het standpunt dat verreweg het grootste gedeelte van onze geestelijkheid, en maar liefst van beide confessies, in zulk een geval ten aanzien van Duitse belangen inneemt. Dit verschijnsel doet zich bij ons overal voor, waar het gaat om de verdediging van een abstracte idee als zodanig. "Staatsgezag", "democratie", "pacifisme", "internationale solidariteit", enz. zijn allemaal begrippen, die bij ons bijna steeds tot zo starre, zuiver doctrinaire voorstellingen ontaarden, dat vraagstukken, die van algemeen levensbelang zijn voor onze natie, enkel nog van zulk een standpunt uit beschouwd worden.
Dit funeste systeem, om alle belangen alleen te beschouwen in het licht van een bepaalde vooropgezette mening, ontneemt iedere mogelijkheid, om zich subjectief te verplaatsen in een aangelegenheid, die objectief in tegenspraak is met de eigen doctrine en heeft tenslotte tot gevolg, dat men middel en doel volkomen verwisselt. Men zal zich verzetten tegen elke poging tot een nationale herstelrevolutie, wanneer men, om deze tot stand te brengen, eerst een slechte en schadelijke regering zou moeten verjagen, omdat dit een inbreuk zou zijn op het "staatsgezag" en omdat deze objectiviteitfanatici in het "staatsgezag" niet een middel zien, maar een doel, zo verheven, dat zij er hun gehele schamele leven mee kunnen vullen. Zo geredeneerd, zou men zich b.v. met verontwaardiging verzetten tegen iedere poging om een dictatuur te vestigen, zelfs indien haar drager een Frederik de Groote was, en de lieden, die deel uitmaakten van de parlementaire meerderheid van het ogenblik slechts miserabele nietsnutten of zelfs minderwaardige knechten waren, omdat voor zulk een man, die het leven vergeet om de principes, de wet van de democratie belangrijker en heiliger is dan de welvaart van de natie.
De een zal dus de slechtste dwingelandij, die zijn volk te gronde richt, beschermen, daar het "staatsgezag" op dat ogenblik in die dwingelandij belichaamd is, terwijl de ander zelfs de zegenrijkste regering afwijst, wanneer die niet overeenkomt met zijn opvatting van "democratie". Evenzo zal een Duitse pacifist zwijgen bij iedere onderdrukking van de natie, hoe bloedig ook, zelfs wanneer ze van de meest verfoeilijke militaire instituties uitgaat , indien een verandering van dit lot alleen te bereiken was door actieve weerstand, dus geweld, want dit zou immers in strijd zijn met de geest van zijn vredesvereniging. De internationalistische Duitse socialist echter mag de rest van de wereld solidair worden uitgeplunderd, hij zal dit steeds met broederlijke genegenheid blijven beantwoorden, en denkt niet aan vergelding of zelfs maar aan protest, omdat hij nu eenmaal een Duitser is. Dit moge te betreuren zijn, maar wanneer men een toestand wil wijzigen, moet men die eerst in zijn ware gedaante kunnen zien.
En ten aanzien van de slappe wijze waarop een deel van de clerus de Duitse belangen behartigde, kon ditzelfde worden gezegd. Dat is noch eigenlijke kwaadwilligheid, noch een gevolg van, laten wij zeggen, bevelen van "hogerhand", maar men moet zulk een gebrek aan nationale bewustzijn slechts zien als het gevolg van een opvoeding, die zich er enerzijds veel te weinig op toelegde, om van het kind een bewust Duitser te maken, terwijl ze anderzijds alles deed, om het onvoorwaardelijk te onderwerpen aan een idee, die tot een afgodsbeeld verstard was. De opvoeding tot democratie, tot internationalistisch socialisme, tot pacifisme, enz. is een zo starre, absolute (dus van hun standpunt zuiver subjectieve), dat daardoor ook de algemene wereldbeschouwing de invloed van deze dogmata ondergaat, terwijl de houding ten opzichte van hun volk immers van hun kinderjaren af zeer objectief was.
Zodoende zal de pacifist, terwijl hij zich geheel subjectief aan zijn idee geeft, bij ieder gevaar dat zijn volk bedreigt, hoe onverdiend en ernstig ook - maar dit natuurlijk alleen voor het geval hij een Duits pacifist is - altijd eerst gaan uitpluizen wie nu eigenlijk objectief gelijk heeft, en zal nimmer zijn eigen plaats in zijn eigen kudde innemen, om uit zuiver instinctieve drang tot zelfbehoud mee te vechten. Hoezeer dit ook voor de verschillende confessies opgaat, moge nog uit het volgende blijken. Het protestantisme behartigt uit zichzelf de Duitse belangen beter, voorzover dit tenminste in overeenstemming is met zijn ontstaan en met zijn later gegroeide traditie; het blijft echter in gebreke op het ogenblik, dat deze verdediging van nationale belangen zou moeten plaats hebben op een gebied, dat zijn wereldbeschouwing en zijn denksysteem en traditionele ontwikkeling hetzij ontbreekt, hetzij misschien om de een of andere reden wordt verworpen.
Zo zal het protestantisme steeds voor alles wat Duits is op de bres staan zolang het gaat om innerlijke reinheid of nationale verdieping, om de verdediging van de Duitse aard, de Duitse taal of de Duitse vrijheid, daar dit alles immers stevig in het protestantisme gegrondvest ligt; het bestrijdt echter dadelijk en met al zijn kracht iedere poging om de natie te redden uit de dodelijke omhelzing van haar ergste vijand, omdat de protestantse houding tegenover het Jodendom nu eenmaal tamelijk stevig in zijn dogmata is vastgelegd. Nu gaat het hier echter om een kwestie die van zo bijzonder groot belang is, dat alle pogingen om langs een andere weg een Duitse wedergeboorte of een verheffing te bereiken, volkomen zinloos en onmogelijk zijn en blijven. Ik bezat tijdens mijn verblijf in Wenen tijd en gelegenheid genoeg, om ook dit vraagstuk onbevooroordeeld te onderzoeken en kon daarbij nog in de dagelijkse omgang de juistheid van mijn opvatting duizendmaal vaststellen.
Hier, waar de meest uiteenlopende nationaliteiten vertegenwoordigd waren, bleek onmiddellijk ten duidelijkste, dat juist alleen de Duitse pacifist de belangen van de eigen natie steeds objectief tracht te zien, maar dat de Jood bijvoorbeeld nimmer die van het Joodse volk objectief beschouwt; dat alleen de Duitse socialist internationaal is in die zin, dat zijn principe hem verbiedt, om op andere wijze dan door klagen en janken voor zijn eigen volk gerechtigheid af te smeken bij zijn internationale kameraden, maar dat een Tsjech of een Pool zich nimmer tot een dergelijk standpunt zal laten verleiden; kortom, ik zag reeds destijds in, dat deze noodlottige toestand slechts voor een deel aan die doctrines zelf te wijten was, en dat de andere reden voor deze gang van zaken gezocht moest worden in de opvoeding, die ten enenmale te kort schiet in haar taak, waar het de bewustwording van het geloof in, en dus de toewijding aan het eigen volk betreft. Daarmee werd aan de Al-Duitse beweging het belangrijkste zuiver theoretische wapen in de strijd tegen het katholicisme uit de hand geslagen.
Wanneer de opvoeding van het Duitse volk er eenmaal op gericht zal zijn, om de staatsburger reeds van zijn prilste jaren af, uitsluitend de rechten van het eigen volk bij te brengen, om te voorkomen, dat reeds de harten van de kinderen, OOK wanneer het de handhaving van ons eigen ik betreft, door onze "objectiviteit" worden aangetast en bedorven, dan zal reeds na korte tijd blijken, dat, in Ierland, Polen en Frankrijk, ook in Duitsland de katholiek steeds Duitser zal zijn. Eerste voorwaarde is dan echter een radicaal nationalistische regering.
Het geweldigste bewijs hiervoor is echter geleverd door de jaren 1914 tot 1918, toen ons volk opnieuw was aangetreden voor de rechterstoel van de geschiedenis om op leven en dood voor zijn bestaan te vechten. De gehele tijd, dat destijds de leiding van bovenaf functioneerde, heeft het volk zijn plicht op overweldigende wijze vervuld. Het is voor een belangrijk gedeelte aan de zielenherders van beide kerkgenootschappen te danken, dat wij onze weerstandskracht zo lang ongebroken behielden, en dat niet alleen aan het front, maar ook achter de vuurlijn. In deze jaren en vooral bij het eerste oplaaien, bestond er werkelijk in beide kampen niets dan een heilig Duits Rijk, en voor het bestaan en de toekomst van dat rijk smeekte ieder op zijn eigen wijze de genade van de Hemel af. Een vraag had de Al-Duitse beweging in Oostenrijk zich ter beantwoording moeten voorleggen: Is het mogelijk of niet, dat het Duitse volk in Oostenrijk onder een katholiek geloof Duits blijft? Zo ja, dan mocht de politieke partij zich niet bekommeren om godsdienstige of confessionele vraagstukken; was het antwoord echter "nee", dan moest men een godsdienstige reformatie ontketenen en zeker nooit een politieke partij opzetten.
Wie meent, dat hij langs de omweg van een politieke organisatie tot een godsdienstige reformatie kan komen, levert daarmee het bewijs, dat hem zelfs het allergeringste inzicht in het ontstaan van godsdienstige voorstellingen of zelfs van geloofsleren en hun kerkelijke belichaming ten enenmale ontbreekt. Men kan hier werkelijk geen twee heren dienen. Waarbij ik dan toch de stichting of vernietiging van een godsdienst aanmerkelijk belangrijker acht dan de stichting of vernietiging van een staat, laat dus nog staan van een partij. Laat men nu niet komen met de bewering, dat de genoemde aanvallen slechts afweermaatregelen waren tegen aanvallen van de andere zijde! Ongetwijfeld zijn er te allen tijde gewetenloze kerels geweest, die er niet voor terugdeinsden, om ook de godsdienst aan hun politieke koehandel (want daar gat het bij zulke heerschappen bijna steeds en uitsluitend om) dienstbaar te maken; maar even zeker is het onjuist om de godsdienst of ook maar de confessie verantwoordelijk te stellen voor de daden van een aantal schoften, die hem ten bate van hun slechte instincten evenzeer misbruikten, als ze ook met alle mogelijke lagere en mindere dingen hadden gedaan.
Er is niets in zo'n parlementaire deugniet en dagdief meer welkom, dan dat men hem zodoende de gelegenheid geeft, om tenminste achteraf nog de rechtvaardiging te krijgen voor zijn politieke knoeierij. Want zodra men de godsdienst of de confessie verantwoordelijk stelt voor zijn persoonlijke slechtheid en ze daarom aanvalt, zet de leugenachtige kerel dadelijk een geweldige keel op en roept de hele wereld tot getuige om te zien, hoe gerechtvaardigd zijn optreden tot dusver was, en hoe de redding van godsdienst en kerk alleen te danken is aan hem en zijn welbespraaktheid. De even domme als vergeetachtige wereld wordt nu alleen door het hevige spektakel misleid, en herkent meestal de ware aanstoker van de strijd niet, of weet zich hem niet meer te herinneren, en de schavuit heeft daarmee dus eigenlijk zijn doel bereikt. Dat dit met godsdienst helemaal niets heeft uit te staan, dat weet zo'n sluwe vos heel goed; hij zal dus des te meer in zijn vuistje lachen, terwijl zijn eerlijke, maar onhandige tegenspeler het spel verliest, en zich tenslotte uit alles zal terugtrekken, met een hart vol twijfel aan de trouw en het geloof in de mensen.
Het zou echter ook in een ander opzicht zeer onrechtvaardig zijn, om de godsdienst als zodanig of zelfs de kerk verantwoordelijk te stellen voor de fouten van enkelingen. Indien men de grootheid van de uiterlijke organisatie in het licht van de algemeen menselijke onvolkomenheid beziet, dan zal men moeten toegeven, dat de verhouding van goed tot kwaad daarbij wel gunstiger is dan ergens anders. Ongetwijfeld zijn er ook onder de priesters zelf lieden te vinden, die hun heilig ambt slechts beschouwen als een middel om hun politieke eerzucht te bevredigen, en die in de politieke strijd op dikwijls meer dan treurige wijze vergeten, dat zij dan toch de hoeders van een hogere waarheid moesten zijn en niet de dragers van leugen en laster - maar tegen een zulk een onwaardige vinden wij toch ook weer duizend en meer zielenherders die hun zending niet hebben vergeten, die zich met trouw en toewijding aan hun werk geven en die als kleine eilandjes zijn in het algemene moeras van onze tijd, waar het AL leugen en verwording is, wat men ziet.
Evenmin als ik de kerk als zodanig veroordeel of mag veroordelen, wanneer al eens een minderwaardig sujet in priesterkleed op vuile wijze de wetten van de zedelijkheid overtreedt, evenmin kan ik of mag ik zulks doen, wanneer weer een ander van die duizenden zijn volk besmeurt en verraadt, en dat des te minder in een tijdperk, waar dit in het burgerlijk leven schering en inslag is. Vooral tegenwoordig moge men dan niet vergeten, dat tegenover een zo'n Ephialtes ook weer duizenden staan, die met bloedend hart het ongeluk van hun volk meevoelen en met de besten van onze natie snakken naar het uur, waarin de hemel ook ons weer eens zal toelachen, Wie echter hierop antwoordt, dat het hier niet gaat om kleine alledaagse problemen, maar dat het hier de kwestie is, of de principiële waarachtigheid of de dogmatische inhoud al dan niet aanwezig zijn, die kan men slechts het juiste antwoord geven door een andere vraag.
Gelooft u dat het noodlot u heeft uitverkoren, om hier de waarheid te verkondigen, doe dat dan; maar heb dan ook de moed, dit niet te willen doen langs de omweg van een politieke partij - want ook dit is oneerlijk en knoeierij - maar vorm dan in plaats van dat, wat u in het heden verafschuwt, het andere, wat u aan beters voor de toekomst draagt. Ontbreekt het u hiertoe aan moed, of is dat betere uzelf niet helemaal duidelijk, blijf er dan met uw handen af; probeer echter in ieder geval nooit, om langs de kronkelende paden van een politiek streven tersluiks datgene te bereiken, wat u niet met open vizier durft.
Politieke partijen hebben met godsdienstige problemen niets te maken, zolang deze niet van volksvreemde aard zijn, en als zodanig de zeden en de moraal van het eigen ras aantasten, terwijl anderzijds de godsdienst evenmin mag worden betrokken in partijgedoe. Indien kerkelijke waardigheidsbekleders zich bedienen van godsdienstige instellingen of leerstellingen om hun volk te schaden, dan mag men hen op deze weg nimmer volgen en hen nimmer met gelijke wapens bestrijden. Voor een politieke leider moeten godsdienstige leerstellingen en inrichtingen van zijn volk steeds onaantastbaar zijn, anders mag hij geen politicus zijn, maar moet reformator worden, indien hij daartoe de capaciteiten heeft. Een andere houding zou, vooral voor Duitsland, een ramp betekenen.
Bij de bestudering van de Al-Duitse beweging en haar strijd tegen Rome ben ik destijds en vooral in de loop van de latere jaren tot de volgende overtuiging gekomen: Het gebrek aan inzicht in de betekenis van het sociale vraagstuk, dat bij deze beweging bleek te bestaan, kostte haar de waarlijk strijdvaardige massa van het volk, haar parlementaire actie ontnam haar haar geweldige elan en belastte haar met al de zwakheden van deze instelling; de strijd tegen de katholieke kerk maakte haar bij vele middenstanders en kleine luiden onmogelijk en beroofde haar daarmee van een groot deel van de beste elementen, waarop de natie kon bogen. Het praktische resultaat van de Oostenrijkse "Kulturkampf" was bijna nihil. Wel slaagde men er in, om de kerk om en bij de 100.000 leden te ontrukken, maar zonder dat deze door dit verlies ook maar enige noemenswaardige schade ondervond. Zij behoefde over de verloren "schaapjes" werkelijk geen tranen te plengen, want zij verloor slechts wat reeds lang innerlijk niet meer bij haar behoorde. Dit was het verschil tussen de nieuwe reformatie en de vroegere: dat vroeger velen van de besten van de kerk zich van haar afkeerden uit innerlijke godsdienstige overtuiging, terwijl thans alleen diegenen, toe toch al lauw waren, haar verlieten, en dat wel uit "overwegingen" van politieke aard.
Maar juist politiek gezien was het bereikte resultaat even bespottelijk als diep treurig. Weer was een goede politieke beweging, die kans van slagenscheen te hebben gehad, voor de Duitse natie verloren gegaan, omdat zij niet geleid was met de nodige onvoorwaardelijke nuchterheid, maar zich op terreinen begaf, die eenvoudig tot versnippering moesten leiden. Want een ding staat vast: de Al-Duitse beweging zou deze fout nooit hebben begaan, wanneer zij ook maar het minste begrip had bezeten voor de ziel van de grote massa. Indien haar leiders hadden geweten, dat men om alleen maar de mogelijkheid te hebben om successen te boeken, reeds uit zuiver psychologische overwegingen de menigte nimmer twee of meer vijanden tegelijk mag wijzen, daar dit anders tot een volkomen versnippering van de strijdkrachten leidt, dan zou reeds om die reden de stootkracht van de Al-Duitse beweging slechts op een tegenstander gericht zijn. Niets is gevaarlijker voor een politieke partij, dan wanneer zij zich bij haar besluiten laat leiden door die bemoeiallen, die alles willen, zonder ooit maar het geringste te kunnen bereiken. Ook indien op de verschillende confessies werkelijk nog zoveel aan te merken ware, dan zou de politieke partij toch geen ogenblik uit het oog mogen verliezen, dat het in de loop van de gehele geschiedenis nog nimmer aan een zuivere politieke partij in een soortgelijke positie gelukt is, een godsdienstige hervorming tot stand te brengen.
Men bestudeert echter de geschiedenis niet, om op het ogenblik, dat men er werkelijk gebruik van zal kunnen gaan maken, haar lessen vergeten te zijn, of te menen, dat de toestanden anders zouden zijn, en dat dus de eeuwige waarheden hun waarde zouden hebben verloren; nee, men leert juist geschiedenis, om de lessen en ervaringen van het verleden te leren kennen, opdat men uit de hiertoe geschikte gebeurtenissen lering voor het heden kan trekken. Wie hiertoe niet bij machte is, moet zich niet inbeelden, dat hij een politiek leider is, hij is in waarheid een oppervlakkige, en meestal ook verwaande sukkel, en al zijn goede wil kan het feit, dat hij in de praktijk waardeloos is, niet verontschuldigen. De kunst van alle waarlijk grote volksleiders bestaat toch altijd vooral ook daarin, dat zij de aandacht van een volk niet verdelen, maar integendeel altijd op een enkele tegenstander concentreren. Hoe eendrachtiger hier de dragende strijdbaarheid van een volk is, des te groter zal de magnetische aantrekkingskracht van zijn beweging zijn en des te geweldiger de kracht van de stoot. Een waarlijk groot en geniaal leider zal dan ook steeds er op uit zijn om zelfs tegenstanders, die weinig of niets met elkaar gemeen hebben, als strijders in 1 front voor te stellen, omdat het bewustzijn, dat er verschillende vijanden zijn, bij zwakke en wankelmoedige karakters maar al te gemakkelijk leidt tot een begin van twijfel aan de rechtvaardigheid van de eigen zaak.
Zodra de steeds veranderlijke massa al te veel vijanden tegenover zich ziet, dan zal onmiddellijk de objectiviteit wakker worden en de vraag opwerpen, of het recht dan werkelijk alleen bij het eigen volk of de eigen beweging is. Daaruit ontstaat echter ook reeds de eerste verlamming van de eigen kracht. Daarom moet een veelvoud van innerlijk verschillende tegenstanders altijd samengevat worden, zodat het gros van de eigen aanhangers de indruk krijgt, alsof de strijd slechts tegen 1 vijand wordt gevoerd. Dit versterkt het geloof aan het eigen recht en verhoogt de verbittering tegen degene, die dat recht aantast. Dat de Al-Duitse beweging van die dagen dit niet begreep, kostte haar het succes. Haar doel was juist gezien, haar streven zuiver, de ingeslagen weg echter was fout, zij geleek op een bergbeklimmer, die de top welke hij wil bereiken, wel in het oog houdt, en zich ook met grote vastberadenheid en kracht op weg begeeft, maar aan die weg zelf geen aandacht schenkt, en, terwijl hij steeds de blik op het doel gericht houdt, de hoedanigheid van de helling niet ziet en niet onderzoekt, en daardoor tenslotte toch nog faalt. Bij haar grote mededingster, de Christelijk-sociale partij, scheen de toestand wel een geheel andere te zijn. De weg die zij insloeg, was verstandig en juist gekozen, maar wat haar ontbrak was de werkelijke doelbewustheid.
Bijna op alle punten, waar de Al-Duitse beweging tekortschoot, was het optreden van de Christelijk-sociale partij juist en oordeelkundig. Zij besefte voldoende de betekenis van de massa en verzekerde zich tenminste van een deel daarvan, door van de eerste dag af openlijk de nadruk te leggen op haar sociaal karakter. Doordat zij er zich metterdaad op toelegde, om de kleine en kleinste midden- en handwerkerstand op haar hand te krijgen, verwierf zij een even volhardende als offervaardige volgelingen. Zij vermeed iedere strijd tegen godsdienstige inrichtingen en verzekerde zich daardoor van de steun van een zo machtige organisatie, als de kerk nu eenmaal is. Zij bezat dientengevolge ook maan 1 enkele waarlijk grote tegenstander. Zij zag de waarde van een groots opgezette propaganda zeer goed in en wist op waarlijk virtuoze wijze de instincten en gevoelens van het gros van haar aanhangers te bespelen. Dat niettemin ook zij het verlangde doel, de redding van Oostenrijk, niet wist te bereiken, lag aan twee fouten in haar methode en in de vaagheid van haar doel zelf.
Het antisemitisme van deze nieuwe beweging was niet gebaseerd op enig inzicht in de rassenkwestie, maar zocht zijn grondslagen op godsdienstig terrein. De reden, waarom deze fout was ingeslopen, was dezelfde, die ook de tweede dwaling veroorzaakte. Wanneer de Christelijk-sociale partij Oostenrijk wilde redden, dan mocht zij, naar de mening van haar stichters, geen racistisch standpunt innemen, omdat dit anders binnen korte tijd de volkomen ontbinding van de staat ten gevolge zou hebben moeten nemen. Vooral echter de toestand in Wenen zelf vereiste, naar de leiders van de partij meenden, dat men alles wat scheidde zoveel mogelijk wegwerkte, om op alles wat verenigde beter de nadruk te kunnen leggen. Wenen telde in deze tijd reeds zoveel vreemdelingen, vooral Tsjechen, onder haar inwoners, dat alleen de grootste verdraagzaamheid met betrekking tot alle rassenkwesties in staat zou kunnen zijn om al deze groepen binnen een niet absoluut anti-Duits partijverband te houden.
Wilde men Oostenrijk redden, dan mocht men geen afstand doen van deze staatsburgers. Daarom trachtte men vooral de zeer talrijke Tsjechische ambachtslieden in Wenen te winnen door de strijd tegen het Manchesterse Liberalisme, en meende daarnaast, dat de strijd op godsdienstige grondslagen tegen het Jodendom een leus was, sterk genoeg om al de verschillen tussen de diverse volkeren van oostenrijk te overbruggen. Dat een bestrijding op zo'n basis de Joden slechts betrekkelijk geringe zorg baarde, ligt voor de hand. In het uiterste geval kon een scheut doopwater immers nog altijd en de negotie en het Jodendom redden. Die oppervlakkige motivering was natuurlijk ook reden, dat het nimmer tot een ernstige wetenschappelijke behandeling van het gehele probleem kwam, en dat men daardoor maar al te velen moest afstoten, voor wie dit antisemitisme onbegrijpelijk was. Hierdoor oefende de idee eigenlijk alleen aantrekkingskracht uit op de kringen van de eenvoudigen, en natuurlijk op de enkeling, die langs de weg van een zuiver instinctieve drang tot werkelijk inzicht wilde komen.
Het intellect stond er principieel afwijzend tegenover. Zodoende begon het er meer en meer naar uit te zien, alsof het hier uitsluitend ging om een nieuwe poging tot bekering van Joden of zelfs om een vorm van concurrentie. Daarmee echter verloor de strijd het kenteken van een innerlijke en hogere wijding en scheen velen - waarlijk niet de slechtste - immoreel en verwerpelijk toe. De overtuiging ontbrak, dat het hier ging om een levenskwestie voor de gehele mensheid, om een kwestie, die zo belangrijk was, dat het lot van alle niet-joodse volkeren afhankelijk was van de oplossing, die er voor werd gevonden. Door deze halfslachtigheid verloor de antisemitische houding van de Christelijk-sociale partij haar waarde. Het was schijnantisemitisme, dat bijna erger was dan helemaal geen; want hierdoor waande men zich veilig, denkend, dat men de vijand stevig te pakken had, terwijl men in werkelijkheid zelf bij de neus genomen werd.
De Jood had zich echter reeds na korte tijd ook aan dit soort antisemitisme zo aangepast, dat het verdwijnen ervan hem meer benadeeld zou hebben, dan het bestaan ervan hem hinderde. Was men hier reeds gedwongen, om ter wille van de nationaliteitenstaat zijn principe geweld aan te doen, dit was nog veel meer het geval, waar het 't Duitse bewustzijn en de uiting daarvan betrof. Men kon niet meer "nationalistisch" zijn, wanneer men niet in Wenen zelf de grond onder de voeten wilde verliezen. Men hoopte, door conciliant en voorzichtigjes om deze kwestie heen te draaien, de staat van de Habsburgers nog te kunnen redden en zag niet , dat men hem juist daardoor in het verderf stortte. Op die manier verspeelde de beweging echter die geweldige bron van krachten, die tenslotte als enige in staat is om een politieke partij met innerlijke stuwkracht te laden. De Christelijk-sociale beweging werd juist daardoor tot een partij als alle andere.
Ik heb beide bewegingen destijds van zeer nabij gevolgd, de ene, omdat haar hart klopte als het mijne, de andere uit diepe bewondering voor de buitengewone man, die ik reeds destijds zag als een bitter symbool van de gehele Duitse strijd in Oostenrijk. Toen de geweldige lijkstoet van de dode burgemeester wegbracht van het raadhuis in de richting van de Ringstrasse, bevond ook ik mij onder de vele honderdduizenden, die het treurspel gadesloegen. Mijn gevoel zei mij reeds destijds - en dit weten ontroerde mij diep - dat ook het werk van deze man vergeefs moest zijn door de noodlottige samenloop van omstandigheden, die deze staat onbetwistbaar naar de ondergang zou leiden. Indien Dr. Karl Lueger in Duitsland had geleefd, dan zou hij een plaats hebben ingenomen onder de grootsten van ons volk.
Toen hij stierf, lekten op de Balkan de vlammetjes reeds van maand tot maand gretiger op, zodat het noodlot, toen het hem het leven ontnam, eigenlijk alleen zo genadig was, om hem de aanblik te besparen van datgene, wat hij steeds nog had gemeend, te kunnen voorkomen. Ik echter trachtte de oorzaken voor het tekortschieten van de ene beweging en het mislukken van de andere op te sporen; en dit bracht mij tot de vaste overtuiging, dat, geheel afgezien van het feit, dat het onmogelijk was, om in het oude Oostenrijk nog een versteviging van de staat te bereiken - de fouten van de beide partijen de volgende waren.
De Al-Duitse beweging had een juiste principiële kijk op het doel van de Duitse vernieuwing; zij was echter ongelukkig in de keuze van haar middelen. Zij was nationalistisch, maar helaas niet sociaal genoeg om de massa te winnen. Haar antisemitisme echter berustte op het juiste inzicht in de betekenis van het rassenvraagstuk en niet op godsdienstige denkbeelden. Ze beging echter met haar bestrijding van een bepaald kerkgenootschap een grote en tactische fout. De Christelijk-sociale beweging bezat slechts vage begrippen omtrent het doel van een Duitse wedergeboorte, maar had geluk en gebruikte haar verstand bij het zoeken van haar weg als partij. Zij begreep de betekenis van de sociale kwestie, maar dwaalde in haar strijd tegen het Jodendom en had niet het minste idee van de kracht van de nationale gedachte. Indien de Christelijk-sociale partij naast haar scherpzinnige psychologie van de grote massa, nog een juist begrip had bezeten van de betekenis van het rassenprobleem, zoals de Al-Duitse beweging gegeven was, en indien zij tenslotte zelf nationalistisch geweest zou zijn, of indien de Al-Duitse beweging bij haar juiste inzicht in het doel van het Joodse vraagstuk en de betekenis van de nationale gedachte nog de knappe strategie van de Christelijk-sociale partij overgenomen had, vooral echter haar standpunt ten opzichte van het socialisme, dan zou daaruit die beweging gegroeid zijn, die mijns inziens reeds destijds met succes in het Duitse noodlot had kunnen ingrijpen.
Dat dit niet gebeurde, lag echter voor verreweg het grootste gedeelte aan het karakter van de Oostenrijkse staat. Omdat ik mijn overtuiging in geen enkele andere partij belichaamd zag, kon ik er ook later niet toe besluiten lid te worden van een van de bestaande organisaties of zelfs om mee te strijden. Ik achtte reeds destijds alle politieke bewegingen principieel uit den boze en meende, dat ze zeker niet in staat zouden zijn, om de nationale wedergeboorte van het Duitse volk over de gehele linie en zowel uiterlijk als innerlijk tot stand te brengen. Mijn diepe afkeer van de Habsburgse staat echter groeide in deze tijd steeds meer. Hoe meer ik mij vooral ook ging bezighouden met de vraagstukken van de buitenlandse politiek, des te meer won de overtuiging bij mij veld, dat dit staatsgebouw eenvoudig noodlottig moest zijn voor het Duitse volk. En tenslotte zag ik ook steeds duidelijker in, dat het lot van de Duitse natie niet meer van hieruit zou worden beslecht, maar in het Rijk zelf.
Dit gold echter niet alleen voor algemeen politieke vraagstukken, maar eveneens voor alle facetten van het gehele culturele leven, van welke aard deze ook mochten zijn. De Oostenrijkse staat vertoonde ook hier op zuiver cultureel of artistiek gebied alle tekenen van verslapping, of gaf op zijn minst blijk, dat hij ook hierin waardeloos was voor de Duitse natie. Dit gold wel in het bijzonder voor de architectuur. De nieuwe bouwkunst kon reeds daarom in Oostenrijk niet tot bijzondere grote successen leiden, omdat de opdrachten na de voltooiing van de Ringstrasse tenminste in Wenen slechts nog van onbeduidende aard waren in vergelijking met de in Duitsland opkomende plannen. Zo begon ik steeds mee een dubbel leven te leiden; mijn verstand en de werkelijkheid dwongen mij in Oostenrijk een even bittere als nuttige school te doorlopen; maan mijn hart was elders. Toen ik meer en meer de dolheid van deze staat had leren kennen, en tevens had ingezien, dat het onmogelijk was om hem nog te redden, terwijl ik daarnaast met onwrikbare stelligheid wist, dat hij nooit en nergens meer iets anders dan een ramp voor het Duitse volk kon betekenen, had er zich een drukkende benauwing van mij meester gemaakt.
Ik was overtuigd, dat deze staat enerzijds iedere waarlijk grote Duitser evenzeer moest benauwen en hinderen, als hij anderzijds iedere niet-Duitse figuur ten dienste zou staan. Dit mengelmoes van rassen, dat het dagelijks gezicht van de hoofdstad van het Rijk vertoonde, stuitte mij tegen de borst, en evenzeer deze gehele lappendeken van volkeren met zijn Tsjechen, Polen, Hongaren, Roethenen, Serven, Kroaten, enz., en midden daartussen natuurlijk als de eeuwige splijtzwam der mensheid - Joden en nog eens Joden. Mij scheen deze reuzenstad de belichaming van de bloedschande te zijn. Het Duits van mijn jeugd was het dialect, dat men ook in Neder-Beieren spreekt; ik kon het niet weer vergeten, noch het Weense jargon aanleren. Hoe langer ik in deze stad vertoefde, des te meer groeide mijn haat tegen dat vreemde volkerenmengsel, dat dit oudste heiligdom van de Duitse cultuur begon aan te tasten en te vernietigen. De gedachte echter, dat deze staat voor langer tijd behouden zou zijn. Leek mij gewoonweg belachelijk.
Oostenrijk leek destijds veel op een oud mozaïek, waarvan de lijm, die de verschillende deeltjes bijeenhoudt, oud en korrelig geworden is, zolang het kunstwerk niet wordt aangeraakt, kan het nog langer de schijn wekken alsof het inderdaad nog een sterk geheel vormt; zodra het echter een stoot krijgt, valt het in duizend scherven uiteen. De vraag was dus alleen maar, wanneer die stoot zou komen.
Daar mijn hart nimmer klopte voor een Oostenrijkse monarchie, maar altijd alleen voor een Duits rijk, kon ik het ogenblik, dat deze staat ineenstortte, niet anders zien dan het begin van de verlossing van de Duitse natie. Door al deze redenen werd mijn verlangen steeds sterker, om eindelijk eens naar het land te gaan, dat mij steeds van mijn vroegste kinderjaren had aangetrokken - iets, waarvan mijn geheime wensen en mijn verzwegen liefde konden getuigen. Ik hoopte eenmaal als bouwmeester naam te maken en als zodanig de kleine of de grote taak, die het lot mij zou toebedelen, naar mijn beste krachten te volbrengen, en zo dienstbaar te zijn aan mijn natie. Tenslotte echter wilde ik het geluk deelachtig worden, om daar te mogen wonen en werken, van waaruit een stoot zou komen, waardoor ook mijn innigste hartenwens in vervulling zou gaan: de aansluiting van mijn geliefd geboorteland bij het gemeenschappelijk vaderland, het Duitse Rijk.
Velen zullen de grootte van zo'n verlangen ook heden nog niet kunnen begrijpen, maar ik wend mij tot allen, die niet in een eigen vaderland leven - zij het, dat het lot hun totnogtoe dit geluk heeft geweigerd, zij het, dat het in zijn bittere wreedheid hun dit weer ontroofde; ik wend mij tot al degenen, die, buiten hun vaderland, zelf voor het heilige goed van de taal moeten vechten, die wegens hun trouw aan het vaderland vervolgd en gepijnigd worden, en die nu met smartelijke ontroering naar het uur verlangen, waarop zij weer in de armen van hun dierbare moeder kunnen terugkeren. Ik wend mij tot al deze en weet, dat zij mij zullen begrijpen! Alleen hij, die zelf aan eigen hart en ziel ondervindt wat het zeggen wil, Duitser te zijn en toch buiten zijn geliefde vaderland te moeten wonen, is in staat, de diepte van dit verlangen te peilen, dat te allen tijde brandt in het hart van de kinderen die gescheiden zijn van het moederland. Dat verlangen blijft al diegenen martelen, die het eens hebben voelen schrijnen, en het weigert hun zolang iedere tevredenheid en ieder geluk, tot de poorten van het vaderland opengaan en in het gemeenschappelijke rijk het gemeenschappelijke bloed wederom vrede vindt en rust.
Wenen was en bleef echter voor mij de moeilijkste, zij het dan ook de beste school van mijn leven. Toen ik deze stad voor het eerst betrad, was ik nog half een jongen; toen ik haar verliet, was ik een zwijgend en ernstig man. Hier waren voor mij de grondslagen gelegd van een wereldbeschouwing voor het grotere en een politieke zienswijze voor het meer simpele leven, welke ik later alleen nog in enkele onderdelen moest aanvullen; maar in hoofdzaak zijn die grondslagen van toen, mijn grondslagen van heden. Ik ben uit de aard van de zaak eerst heden ten dage bij machte, om de leerjaren, welke ik toen doormaakte, op hun juiste waarde te schatten. Daarom heb ik deze tijd wat uitvoeriger behandeld, omdat hij mij juist het eerste aanschouwelijk onderwijs gaf, en daarmee het antwoord op die vraagstukken, die mede de reden van bestaan en de basis zijn voor de partij, die zo klein is begonnen, en die in de loop van nauwelijks vijf jaren begonnen is zich tot een massabeweging te ontwikkelen.
Ik weet niet, hoe mijn houding ten opzichte van Jodendom, sociaal-democratie - of beter gezegd, het gehele marxisme - van de sociale kwestie, enz. heden zou zijn, indien er niet reeds op zo jeugdige leeftijd een fundament van persoonlijke meningen gevormd was, onder de dwang van het noodlot en door eigen studie. Want al kan het ongeluk van ons vaderland ook duizenden en nog eens duizenden tot nadenken brengen over de innerlijke oorzaken van deze ineenstorting, toch kan dit nimmer leiden tot die grondigheid en dat dieper inzicht, welke het deel zijn van hem die zelf eerst na jarenlang worstelen meester werd over zijn eigen lot.
In de lente van het jaar 1912 kwam ik voorgoed naar München. De stad zelf was mij reeds zo goed bekend, alsof ik al jarenlang binnen haar muren had vertoefd. Dit kwam door mijn studie, die mij immers op elke bladzijde sprak over deze stad, waar het hart van de Duitse kunst klopte. Men heeft niet alleen Duitsland niet gezien, als men München niet kent, nee, men kent vooral de Duitse kunst niet, als men nimmer München zag. In elk geval was deze tijd voor de oorlog ('14-'18) de gelukkigste en verreweg de rustigste van mijn leven. En al waren mijn verdiensten nog altijd zeer karig, dat was niet erg, ik leefde immers niet, om te kunnen schilderen, maar ik schilderde alleen, om daardoor te kunnen leven, beter gezegd, om mij verdere studie te kunnen veroorloven. Ik was overtuigd, dat ik het gestelde doel toch eenmaal zou bereiken, en dit alleen maakte al, dat ik alle kleinere dagelijkse zorgen en beslommeringen gemakkelijk en onbekommerd kon verdragen.
Daarbij kwam echter nog mijn grote liefde voor deze stad - een liefde, groter dan voor enig andere plaats, mij bekend - die mij reeds dadelijk, van het heerste ogenblik van mijn verblijf daar ter stede, vervulde. Een Duitse stad! Welk een verschil met Wenen! Ik voelde walging in mij opkomen, wanneer ik ook maar even terugdacht aan deze Babylonische rassenverwarring. Daarbij kwam, dat het Münchener dialect veel op het mijne leek, en mij, vooral in de omgang met Neder-Beieren, dikwijls aan mijn jeugd herinnerde. Er waren hier wel duizend en meer dingen, die mij van harte lief en dierbaar waren of werden. Wat mij echter het meeste trof, was de wonderbaarlijke wijze, waarop een sterke oerkracht zich hier paarde aan een fijne kunstzinnige sfeer, en hoe de vruchten van deze schone verbintenis zich in een ononderbroken lijn van het Hofbräuhaus tot het Odeon en van het Oktoberfest tot de Pinakothek vertoonden. Dat ik heden zo gehecht ben aan deze stad, meer dan aan enige andere plek ter wereld, is wel mede, omdat zij met de ontwikkeling van mijn eigen leven zozeer samengegroeid is en blijft.
Dat ik echter reeds toentertijd het geluk van een waarlijk innerlijke tevredenheid smaakte, had ik alleen te danken aan de bekoring, die de prachtige residentie van het Wittelsbacher koningshuis moet uitoefenen op ieder mens, die niet enkel een berekenend verstand, maar ook een ontvankelijk gemoed gegeven is. Wat mij buiten mijn dagelijkse werk het meest aantrok, waren ook hier weer de politieke gebeurtenissen van de dag, en wel in het bijzonder die, welke de buitenlandse politiek betroffen. Ik was op dit gebied opmerkzaam gemaakt door de Duitse bondgenootschappolitiek, welke ik sinds mijn Oostenrijkse tijd absoluut onjuist had geacht. Maar toch was het in Wenen nog niet geheel tot mij doorgedrongen, hoezeer het Rijk hier zichzelf bedroog. Ik was destijds geneigd, om te veronderstellen - misschien ook gebruikte ik die mening enkel als verontschuldiging voor mijzelf - dat men misschien in Berlijn wel heel goed wist, hoe zwak en onbetrouwbaar de bondgenoot in werkelijkheid zou blijken te zijn, maar dat men om meer of minder geheimzinnige reden dit inzicht verzweeg, teneinde een bondgenootschappolitiek te kunnen handhaven, die Bismarck zelf immers was begonnen en welke natuurlijk niet plotseling mocht worden afgebroken, alleen reeds om het buitenland, dat steeds op de loer lag, niet op te schrikken, of de kleine burgerman binnen de eigen grenzen te verontrusten.
Maar naarmate ik de mensen, en vooral de man uit het volk, meer van nabij leerde kennen, moest ik tot mijn ontzetting al spoedig inzien, dat deze veronderstelling onjuist was. Tot mijn verbazing moest ik overal constateren, dat zelfs kringen, die overigens goed waren ingelicht, niet het minste idee hadden van de ware toestand van het rijk van de Habsburgers. Juist onder het volk verkeerde men algemeen in de waan, dat deze bondgenoot een werkelijk grote mogendheid was, die iets betekende, en die in die tijd van nood ongetwijfeld dadelijk haar man zou staan. De grote massa zag de monarchie nog steeds voor een "Duitse" staat aan, en meende daarop dan ook te kunnen bouwen. Men was van mening, dat ook hier de kracht naar het aantal millioenen, vergeleken met het aantal inwoners van Duitsland zelf, kon worden berekend, en vergat helemaal, dat ten eerste Oostenrijk reeds lang had opgehouden een Duits staatslichaam te zijn, dat echter ten tweede de inwendige verhoudingen dagelijks de integriteit van dit rijk meer aantastten.
Ik had destijds deze kunstmatige staat beter doorzien dan ze zogenaamde officiële "diplomatie", die, zoals bijna altijd, met gesloten ogen in het ongeluk liep; want de mening van het volk was altijd slechts een uitvloeisel van hetgeen men van bovenaf aan de publieke opinie oplegde. Van bovenaf verafgoodde men de bondgenoot echter als het gouden kalf. Men dacht blijkbaar door beminnelijkheid goed te kunnen maken, wat aan oprechtheid ontbrak, en telde daarbij ieder minzaam woord voor een ernstige en belangrijke daad. Reeds in Wenen steeg mij van woede het bloed naar het hoofd, wanneer ik het contrast zag, dat er van tijd tot tijd tussen de redevoeringen van de officiële staatslieden en de inhoud van de Weense pers zichtbaar werd. Daarbij was Wenen echter toch nog een Duitse stad, in schijn althans. Maar het zag er nog heel wat donkerder uit, wanneer men van Wenen, of beter van Duits-Oostenrijk uit, in de Slavische provinciën van het rijk kwam. Men behoefde slechts een Praagse krant op te slaan, om te weten te komen, hoe de gehele verheven acrobatiek van het Drievoudig Verbond - tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië - aldaar beoordeeld werd. Daar had men voor dit "meesterwerk van staatsmanskunst" niets meer over dan bijtende spot en hoon. Men maakte in volle vredestijd, juist op het ogenblik dat de beide keizers elkaar vriendschapskussen op het voorhoofd drukten, er geen geheim van, dat dit bondgenootschap afgelopen zou zijn op dezelfde dag, waarop men zou proberen, om het uit zijn romantisch waas van Nibelungenideaal over te brengen in de praktische werkelijkheid.
Wat heeft men zich een paar jaren later niet opgewonden, toen eindelijk het uur geslagen had, dat de bondgenootschappen op de proef werden gesteld en Italië de Drievoudig Verbond aan zijn laars lapte en zijn beide bondgenootschappen in de steek liet, ja tenslotte de wapens tegen hen opnam. Dat men vroeger ook maar een minuut had kunnen geloven, dat Italië gemeenschappelijk met Oostenrijk in de strijd zou gaan, moest iedereen, die niet volkomen met diplomatieke blindheid geslagen was, totaal onbegrijpelijk voorkomen. Maar met Oostenrijk zelf ging het immers precies net zo. De enigen, die in Oostenrijk het bondgenootschap sterkten en het levend hielden, waren de Habsburgers en de Duitsers. De Habsburgers uit berekening en noodzaak, de Duitsers uit goedgelovigheid en politieke domheid. Uit goedgelovigheid, omdat zij meenden, door het Drievoudig Verbond aan het Duitse Rijk zelf een grote dienst te bewijzen en hierdoor het Rijk te helpen versterken en beveiligen; uit politieke domheid echter, omdat enerzijds het eerste, wat zij wilden bereiken, in het geheel niet gebeurde, maar zij integendeel door dit verbond meehielpen, het Rijk vast te ketenen aan een staatkundig lijk, dat beiden in de afgrond moest sleuren; anderzijds vooral echter, omdat zij immers zelf door dit bondgenootschap steeds meer hun eigen Duitse volkskarakter dreigden te verliezen.
Want doordat de Habsburgers, en helaas terecht, meenden, dat hun bondgenootschap met het Rijk hen vrijwaarde voor een inmenging van die zijde, wisten zij hun binnenlandse politiek, die de langzame terugdringing van het Duitse element ten doel had, reeds aanmerkelijk gemakkelijker en met minder risico door te voeren. Niet alleen, dat men door de bekende "objectiviteit" een protest van de kant van de Duitse regering in het geheel niet behoefde te vrezen, maar men kon ook het Duits-Oostenrijkse volk onmiddellijk tot zwijgen brengen door iedere keer, dat het eventueel tegen een al te schurkachtige manier van Slavisering zou willen protesteren, eenvoudig op het bondgenootschap te wijzen. Wat kon de Duitser in Oostenrijk dan nog doen, wanneer de Duitsers in het Rijk zelf aan de regering van de Habsburgers hun waardering en vertrouwen betuigden? Moest hij tegenstand bieden, en in het oog van de gehele Duitse openbare mening als verrader aan zijn eigen volk worden gebrandmerkt? En dat juist hij, die al tientallen van jaren lang de zwaarste en moeilijkste offers voor dat volk had gebracht!
Welke waarde kon dit bondgenootschap echter nog hebben, wanneer het Duitse karakter van de Habsburgse monarchie afgebroken en vernietigd zou zijn? Was de waarde van het Drievoudig Verbond voor Duitsland niet juist gelegen in het behoud van een Duits overwicht in Oostenrijk? Of meende men werkelijk, dat ook een Slavisch Habsburgs rijk nog als bondgenoot te aanvaarden was? Het standpunt van de officiële Duitse diplomatie, evenals dat van de gehele openbare mening ten opzichte van het Oostenrijkse binnenlandse nationaliteitenprobleem, was al niet meer dom, maar eenvoudigweg waanzinnig. Men bouwde op een bondgenootschap, baseerde daarop de toekomst en de veiligheid van een volk van 70 millioen zielen, en keek rustig toe, hoe de enige grondslag, die dit verbond aan de andere zijde bezat, van jaar tot jaar stelselmatig en heel zeker vernietigd werd. Op zekere dag moest er dan een "verdrag" met de Weense diplomatie overblijven, maar de hulp van de bondgenoot zelf zou verloren zijn. Bij Italië was dit reeds dadelijk van de aanvang af het geval. Indien men in Duitsland maar wat beter de geschiedenis had bestudeerd, en wat aan de volkerenpsychologie had gedaan, dan zou men wel geen heel uur hebben kunnen geloven, dat het Quirinaal en de Weense Hofburg ooit in een gemeenschappelijk strijdfront zouden staan.
Italië zou immers eerder tot een vulkaan zijn geworden, dan dat een regering het had durven wagen, om aan de zo fanatiek gehate staat van de Habsburgers ook maar een enkele Italiaan op het slagveld ter beschikking te stellen, behalve dan als vijand. Ik heb te Wenen meer dan eens de hartstochtelijke verachting en de bodemloze haat, welke de Italiaan voor de Oostenrijkse staat voelde, zien uitbarsten. Het huis Habsburg had zich in de loop van de eeuwen te zeer aan de Italiaanse vrijheid en onafhankelijkheid vergrepen, dan dat dit uit het geheugen weggeveegd had kunnen worden, ook indien de wil daartoe zou hebben voorgezeten. Die wil was echter helemaal niet aanwezig, noch in het volk, noch bij de Italiaanse regering. Voor Italië bestonden er dan ook maar twee mogelijkheden om met Oostenrijk samen te leven: of een bondgenootschap, of oorlog. Men koos het eerste en kon zich daardoor rustig op het tweede voorbereiden.
Vooral sinds de verhouding van Oostenrijk tot Rusland kennelijk steeds meer op een gewelddadige oplossing aanstuurde, was de Duitse bondgenootschappolitiek even zinloos als gevaarlijk geworden. Dit was een klassiek geval, waaraan met het ontbreken van iedere grote en juiste lijn in het denken duidelijk kan aantonen. Waarom sloot men dan eigenlijk een verbond? Toch zeker alleen om de toekomst van het Rijk beter te kunnen waarborgen dan zonder hulp van buiten het geval zou zijn geweest?! Deze toekomst van het Rijk echter was toch niets anders dan het vraagstuk, hoe de levensmogelijkheden van het Duitse volk het best in stand gehouden kunnen worden. Zodoende kon de vraag dan ook alleen maar luiden: hoe moet het leven van de Duitse natie zich in de nabije toekomst ontwikkelen. En hoe kan men dan de benodigde grondslagen en de vereiste veiligheid voor deze ontwikkelingen waarborgen binnen het kader van de algemene Europese machtsverhoudingen? Wanneer men nu de noodzakelijke richtlijnen voor de Duitse buitenlandse politiek scherp en onbevooroordeeld bezag, dan moest men tot de volgende overtuiging komen: Duitsland heeft een jaarlijkse bevolkingsaanwas van bijna 900.000 zielen. De moeilijkheid, om dit leger van nieuwe staatsburgers te voeden, moet van jaar tot jaar groter worden en zal tenslotte op een catastrofe moeten uitlopen, zo men geen middelen weet te vinden, om bijtijds het gevaar van een algehele verkommeren door de honger te voorkomen.
Er waren vier mogelijkheden, om aan zo'n ontzettende toekomstige ontwikkeling te ontkomen.
Men kon, naar Frans voorbeeld, de toename van de geboorten kunstmatig beperken en zodoende de overbevolking tegengaan. De natuur zelf pleegt immers in tijden van grote nood of bij een zeer slecht klimaat, en ook bij karige bodemopbrengst, over te gaan tot beperking van de bevolkingstoename van bepaalde landen of rassen; dan wel op een even wijze als meedogenloze manier. Zij belemmert niet de vruchtbaarheid zelf, wel echter het voortbestaan van het verwekte, doordat zij dit aan zo zware beproevingen en ontberingen onderwerpt, dat alles, wat minder sterk en minder gezond is, gedwongen wordt, weer in de schoot van het eeuwig onbekende terug te keren. Wat zij dan niettemin de hardheden van het bestaan laat overleven, is duizendvoudig beproefd, gehard en goed geschikt om weer verder voort te telen, opdat de grondige selectie weer van voren af aan kan beginnen. Doordat zij zodoende hardhandig te werk gaat tegenover de enkeling en hem ogenblikkelijk weer tot zich roept, zodra hij tegen de storm des levens niet opgewassen blijkt, houdt zij het ras en de soort krachtig, ja voert die kracht op tot de hoogste prestaties.
Daardoor vormt echter de vermindering van het aantal een versterking van ieder individu afzonderlijk, en dus tenslotte een versterking van de soort. Anders wordt het, wanneer de mens zelf tracht, een beperking van zijn aantal teweeg te brengen. Hij is niet uit hetzelfde hout gesneden als de natuur, hij is "humaan". Hij weet het beter dan deze wrede koningin van alle wijsheid. Hij beperkt niet het voortbestaan van de enkeling, maar juist de voorplanting zelf. Dit schijnt hem, die immers altijd alleen zichzelf en nooit zijn ras ziet, menselijker en rechtvaardiger, dan de andere weg. Maar helaas zijn ook de gevolgen anders. Terwijl de natuur, doordat zij de voortplanting vrijlaat, maar het voortbestaan aan een zeer zware proef onderwerpt, uit een zeer groot aantal individuen de besten uitzoekt als waardig om te blijven leven, deze dus alleen behoudt en zodoende maakt, dat het voortbestaan van de soort in hun handen ligt, beperkt de mens de voorplanting, zorgt er echter krampachtig voor, dat ieder wezen, dat nu eenmaal geboren is, tot iedere prijs ook in leven blijft. Deze correctie op de goddelijke wil schijnt hem even wijs als humaan te zijn, en hij verheugd zich, dat hij weer een kans heeft gezien de natuur te overtroeven, en haar onvolmaaktheid te bewijzen.
Dat in werkelijkheid het aantal is verkleind, maar daardoor ook de waarde van de enkeling verminderd werd, dat wil de grote wijze mens, die de Alvader na-aapt, liever maar niet zier of horen. Want zodra de voortplanting als zodanig eenmaal beperkt en het aantal geboorten verminderd wordt, zal men zien, dat de natuurlijke strijdt om het bestaan, die alleen de allersterkste en allergezondste in leven laat, wordt vervangen door de vanzelfsprekende wens, om ook het zwakste en ziekelijkste tot iedere prijs te "redden", waarmee de grondslag wordt gelegd voor een nakomelingschap, die steeds erbarmelijker moet worden narmate deze bespotting van de natuur en van haar wil aanhoudt. Het zal er tenslotte op uitlopen, dat op zekere dag aan zulk een volk het bestaan op deze aarde ontnomen zal worden; want de mens kan wel een zekere tijd lang de eeuwige wetten van de bestaanswil trotseren, maar dit wreekt zich vroeger of later toch. Een sterker geslacht zal de zwakken verjagen, omdat de levensdrang uiteindelijk al die bespottelijke schuttinkjes en hekjes en heilige huisjes van een z.g. humaniteit-van-de-enkeling steeds weer zal stukbreken, om die te vervangen door de humaniteit van de natuur, welke het zwakke vernietigt om de vrijgekomen plaats aan de sterke te schenken. Wie dus het voortbestaan van het Duitse volk wil waarborgen door het zelf zijn vermeerdering te laten beperken, berooft het van zijn toekomst.
Een tweede weg zou die zijn , welke wij ook tegenwoordig weer zeer dikwijls horen voorstellen en aanprijzen: de binnenlandse kolonisatie. Dit is een voorstel, dat velen zeer goed bedoelen, en gewoonlijk door de meesten even slecht begrepen wordt, wat maakt, dat het de grootste schade aanricht, die men zich maar kan voorstellen. Ongetwijfeld kan de vruchtbaarheid van de bodem tot een zekere grens worden opgevoerd. Maar juist slechts tot een bepaalde grens en niet eindeloos verder. Gedurende een zekere tijd zal men dus zonder gevaar voor hongersnood de vermeerdering van het Duitse volk door een opbrengstverhoging van onze bodem kunnen goedmaken. Maar daar staat tegenover, dat de levenseisen in het algemeen zelfs sneller stijgen dan de bevolking aangroeit. De eisen van de mensen met betrekking tot voeding en kleding worden jaar voor jaar hoger, en staan nu al bijvoorbeeld in geen verhouding meer tot de behoefte van onze vaderen voor ongeveer 100 jaren. Het is onjuist te menen, dat ieder verhoging van de productie een vermeerdering van de bevolking mogelijk zou maken; nee, dit gaat slechts gedeeltelijk op, aangezien minstens een deel van de meerdere productie moet dienen tot bevrediging van de gestegen behoeften.
Maar zelfs bij de grootste versobering enerzijds en de grootste vlijt anderzijds, zal ook hier eens een grens komen, die dan door de bodem zelf getrokken wordt. Eenmaal zal het, hoe vlijtig men ook is, niet meer gelukken, meer uit de bodem te halen, en dan verschijnt, zij het ook na enige tijd, de dreigende ramp wederom aan de horizon. De honger zal zich aanvankelijk slechts van tijd tot tijd, bij misoogsten enz., vertonen. Dit zal steeds vaker voorkomen, naarmate het aantal inwoners toeneemt, zodat er tenslotte alleen bij bijzonder rijke oogsten geen nood zal zijn. En voortgaande, komt men dan tenslotte zover, dat ook die bijzonder rijke oogsten de nood niet meer kunnen verdrijven, en de honger voor altijd de metgezel van zo'n volk is geworden. Nu moet de natuur weer ingrijpen en de door haar voor het leven uitverkoren opnieuw selecteren; tenzij dan dat de mens weer zichzelf helpt: dat wil zeggen, dat hij zijn vermenigvuldiging weer kunstmatig tegengaat, met al de reeds vermelde ernstige gevolgen van dien voor zijn ras en zijn soort.
Men zal nog kunnen tegenwerpen, dat dit lot toch immers voor de gehele mensheid is weggelegd, en dat daarom ook het eigen volk dit lot natuurlijk niet zal kunnen ontgaan. Ogenschijnlijk is dit volkomen juist. Niettemin moet men echter hierbij het volgende bedenken: Ongetwijfeld zal op een gegeven tijdstip, wanneer het volkomen onmogelijk zal blijken om de opbrengst van de bodem nog langer evenredig met het reeds stijgende bevolkingscijfer te doen toenemen, de gehele mensheid zich genoodzaakt zien, om aan deze vermeerdering van het menselijk geslacht een halt toe te roepen, zij het, doordat men de natuur hier weer laat beslissen, dan wel, dat men zo mogelijk zelf weer ingrijpt - maar dat dan wel op een betere, juistere wijze dan nu - en tracht, hier een evenwicht te bereiken. Maar dit lot zal dan alle volkeren gelijkelijk treffen, terwijl thans alleen die rassen onder deze nood gebukt gaan, welke niet de kracht bezitten om zich het nodige grondgebied te verschaffen. Want het is toch een onweersprekelijk feit, dat er heden ten dage nog altijd onbenut grondgebied in geweldige overvloed is, dat enkel ligt te wachten om in cultuur te worden gebracht. Even onweersprekelijk is het echter, dat dit land door de natuur zelf niet bewaard werd als reservegebied voor een bepaalde natie of een bepaald ras, maar dat het aan dat volk toekomt, dat de kracht bezit om het te veroveren en de vlijt, om het te bebouwen.
De natuur kent geen politieke grenzen. Zij zet de levende wezens voorlopig op deze aarde neer en kijkt dan toe op het vrije spel van de krachten. Degene die de grootste moed en vlijt blijkt te bezitten, begenadigt zij dan met het herenrecht op bestaan. Indien een volk zich beperkt tot inwendige kolonisatie, terwijl andere rassen zich vastklampen aan steeds grotere gebieden van deze aarde, zal het eerste reeds tot zelfbeperking gedwongen zijn in een tijd, waarin de overige volken zich nog voortdurend vermeerderen. Eenmaal echter zal ieder volk dit tijdstip bereiken, en wel des te eerder, naarmate de levensruimte waarover het beschikt, kleiner is. Dar echter in het algemeen helaas maar al te dikwijls de beste naties, of, nog juister, de enige cultureel waarlijk hoogstaande rassen, de dragers van alle menselijke vooruitgang, in hun pacifistische verblinding besluiten, van het verwerven van nieuwe grond af te zien en zich tevreden te stellen met "binnenlandse" kolonisatie, terwijl dikwijls juist de minderwaardige naties de kunst verstaan, zich van enorme uitgestrektheden land meester te maken, zou dit op den duur tot het volgend resultaat moeten leiden.
De rassen, die cultureel hoger staan, maar meer moraal en meer scrupules kennen, zouden tengevolge van de kleinheid van hun grondgebied, hun vermeerdering reeds moeten beperken in een tijd, dat de cultureel lagerstaande, maar van nature brutere volken nog in de gelegenheid zouden zijn, zich in hun grotere levensruimte onbelemmerd voort te planten. Met andere woorden: de wereld zal daardoor mettertijd in handen komen van de cultureel minderwaardige, maar meer energieke mensheid.
In de toekomst - al is het misschien in een zeer verre - zullen er maar twee mogelijkheden bestaan: of de wereld wordt geregeerd volgens de ideeën van onze moderne democratie, dan zullen bij iedere beslissing de numeriek sterkere rassen de doorslag geven, of de wereld wordt beheerst volgens de wetten van de orde van de natuurlijke krachten, dan overwinnen de volken, die de meest brute wil tot leven hebben en daardoor juist weer niet de natie, welke zichzelf beperkte. Dat deze wereld echter nog eens de verwoedste gevechten om het bestaan van de mensheid zal moeten aanschouwen, daarover kan onmogelijk enige twijfel bestaan. Tenslotte is het altijd alleen de drang tot zelfbehoud die overwint. Voor haar smelt de z.g. humaniteit, die enkel de uitdrukking is van een mengsel van domheid, lafheid en ingebeeld beter weten, als sneeuw voor de maartse zon. In eeuwige strijd is de mensheid groot geworden - en aan eeuwige vrede gaat zij ten onder.
Voor ons Duitsers echter zou die z.g. binnenlandse kolonisatie reeds daarom noodlottig zijn, daar het bij ons dadelijk de mening zou versterken, dat het middel, dat het mogelijk maakt om geheel in pacifistische geest in een kalm sluimerend leven het bestaan "door arbeid te kunnen veroveren", gevonden zou zijn. Indien deze leer bij ons ooit in ernst aanvaard zal worden, dan zal dat betekenen, dat zij afzien van iedere inspanning om ons op deze wereld op de plaats die ons toekomt, te handhaven. En indien ooit de grote massa van de Duitsers tot de overtuiging kwam, dat zij ook zo zeker zouden kunnen zijn van hun leven en hun toekomst dan zou iedere poging om de levensnoodzakelijke eisen van het Duitse volk actief - d.w.z. op de enig vruchtbare wijze - te behartigen, hebben afgestaan. Indien er zich inderdaad een dergelijke mentaliteit van de natie meester zou maken, dan zou dat betekenen, dat iedere niet volkomen steriele en zinloze buitenlandse politiek en daarmee de toekomst van het gehele Duitse volk als begraven beschouwd zou moeten worden. Het is dan ook geen toeval, dat het vooral altijd de Jood is, die, deze gevolgen doorziend, zich inspant, om zulke levensgevaarlijke ideeën in ons volk opgang te doen maken, en daarin ook maar al te dikwijls slaagt.
Hij kent zijn Pappenheimers maar al te goed, en weet dat zij gaarne geloof schenken aan iedere Spaanse schatgraver, die hun weet wijs te maken, dat het middel zou zijn gevonden om de natuur door list te overmeesteren, om de harde, onverbiddelijke strijd om het bestaan overbodig te maken, en in plaats daarvan, nu eens door arbeid, dikwijls ook door platweg niets te doen, al naar het "uitkomt" op te klimmen tot heerser van deze planeet. Er kan niet genoeg de nadruk op worden gelegd, dat iedere binnenlandse kolonisatie in Duistland in de eerste plaats gericht moet zijn op het opheffen van de sociale missstanden en dat voor alles iedere speculatie met de grond onmogelijk gemaakt moet worden, maar dat die kolonisatie, zo ons grondgebied niet wordt uitgebreid, toch nimmer voldoende kan zijn om te zorgen, dat er een toekomst zal zijn voor onze natie. Handelen wij anders, dan zullen wij in korte tijd niet alleen de grens van de productiviteit van onze bodem, maar ook het einde van onze kracht bereikt hebben.
Tenslotte dient het volgende te worden vastgesteld. Deze binnenlandse kolonisatie, die een beperking tot een bepaald klein grondgebied met zich brengt, en ook de kunstmatige beknotting van de voortplanting, welke dezelfde gevolgen heeft, plaatsen de betrokken natie in militair opzicht in een buitengewoon ongunstige positie. De grootte van het gebied, dat een volk bewoont, is alleen reeds een belangrijke factor ter bepaling van zijn veiligheid. Hoe groter de ruimte is waarover een volk kan beschikken, des te groter is ook zijn natuurlijke beveiliging, want nog altijd konden militaire expedities tegen volken die op een klein grondgebied waren samengedrongen, sneller, daarom ook gemakkelijker maar vooral effectiever en meer volkomen hun doel bereiken dan dit ooit mogelijk kon zijn tegen staten met een meer uitgestrekt territorium. Een uitgestrekt staatsgebied biedt daardoor altijd nog een zekere beveiliging tegen lichtvaardige aanvallen, omdat in die gevallen een succes niet dan na langdurige zware strijd te bereiken is, waardoor dus het risico van een overmoedige overval te groot zal blijken, tenzij dan, dar er zeer abnormale omstandigheden in het spel zijn. Daarom ligt enkel in de territoriale grootheid van een staat reeds een garantie voor het behoud van de vrijheid en onafhankelijkheid van het volk, terwijl omgekeerd de kleinheid van een staat als het ware tot overweldiging prikkelt.
Nu werden, in de zogenaamd nationale kringen in het Rijk, de beide eerste mogelijkheden om tussen het stijgende aantal inwoners en de gelijkblijvende voedingsbodem een evenwicht te bereiken, ook verworpen. De reden voor deze houding waren echter geheel andere dan de bovengenoemde. Ten opzichte van de geboortebeperking stond men vooral uit een zeker moreel oogpunt afwijzend; de binnenlandse kolonisatie wees men met verontwaardiging af, daar men in haar een aanval meende te moeten zien tegen het grootgrondbezit en daarin weer een begin zag van een algemene strijd tegen het persoonlijk bezit zelf. Gezien de vorm, waarin de laatstgenoemde heilsleer werd aanbevolen, moest een dergelijke veronderstelling ook volkomen juist worden genoemd. In het algemeen was dit afwijzende standpunt niet erg handig gekozen tegenover de grote massa en raakte ook geenszins de kern van het probleem. Zodoende bleven nog maar twee wegen open, om het stijgende aantal volksgenoten van arbeid en brood te voorzien.
Men kon trachten, zijn grondgebied uit te breiden, om jaarlijks de overtollige millioenen daarheen te lozen, en de natie zodoende ook verder op de grondslag van de zelfvoorziening te doen voortleven, of men kon er toe overgaan, om,
door industrie en handel in buitenlandse behoeften te voorzien, en om van de opbrengst daarvan te leven. Dus: of bodempolitiek, of kolonisatie en handelspolitiek. Beide wegen werden van verschillende zijden belicht, onderzocht, aanbevolen en bestreden, totdat tenslotte de laatste definitief werd ingeslagen. De gezondste weg van deze twee zou echter de eerste zijn geweest. Het verwerven van nieuw grondgebied, om daarheen de stroom van volksgenoten, waarvoor geen ruimte is, te kunnen doen afvloeien, bezit oneindig veel voordelen, vooral als men niet het heden, maar de toekomst in het oog houdt. Reeds de mogelijkheid van het behoud van een gezonde boerenstand als fundament van de gehele natie kan nimmer hoog genoeg gewaardeerd worden. Veel van ons tegenwoordige lijden is alleen het gevolg van de ongezonde verhouding tussen land- en stadsvolk.
Een sterke en talrijke stand van kleine en middelmatig grote boeren bleek nog steeds de beste bescherming tegen de vele sociale ziekten waaraan wij tegenwoordig lijden. Dit is echter ook de enige oplossing die in staat is om te maken, dat de nationale economie het dagelijks brood van ons volk kan voortbrengen. Industrie en handel moeten hun leidende plaats, welke zij ten koste van het algemeen welzijn innemen, afstaan, en herkrijgen hun normale plaats binnen het algemene bestek van een nationale economie, die de voorziening in de behoeften en het scheppen van evenwicht in de handels- en betalingsbalans tot taak heeft. Daardoor zijn handel en industrie niet meer de grondslagen voor de voeding van de natie, maar een hulpmiddel ervan. Doordat zij voortaan nog slechts tot taak hebben om zorg te dragen, dat de nationale consumptie op alle gebieden overeenkomt, maken zij de gehele voeding, kleding en dekking, de gehele voedselvoorziening van het volk in meerdere of mindere mate onafhankelijk van het buitenland, helpen dus mede, de vrijheid van de staat en de onafhankelijkheid van de natie, vooral in moeilijke tijden, te verzekeren.
Zeker, zo'n bodempolitiek kan bijvoorbeeld in Kameroen niet worden toegepast, maar heden ten dage bijna uitsluitend nog maar in Europa. Men moet zich daarbij kalm en nuchter op het standpunt plaatsen, dat het zeker niet de bedoeling van de hemel kan zijn, om aan het ene volk vijftigmaal zoveel grondgebied op deze wereld te geven als aan het andere. Men mag zich in dit geval niet uit eerbied voor politieke grenzen er toe laten brengen om de grenzen van het eeuwig recht te overschrijden. Indien er op deze aarde inderdaad voor iedereen ruimte is om te leven, dan dient men dus ook het grondgebied te geven, dat wij nodig hebben om te kunnen leven. Nu zal men dat natuurlijk, wanneer het in goedheid gevraagd wordt, niet gaarne doen. Dan echter treedt het recht tot zelfbehoud in werking; en wat geweigerd wordt, zal dan door de vuist moeten worden veroverd. Indien onze voorvaderen indertijd hun beslissingen afhankelijk gemaakt hadden van dezelfde pacifistische onzin als de heren van vandaag de dag, dan zou ons land maar nauwelijks een derde deel van zijn huidige oppervlakte beslaan; het Duitse volk, dat dan bestond, zou maar nauwelijks meer in staat zijn om de belangstelling, laat staan de bezorgdheid van Europa op te wekken.
Nee, aan de natuurlijke wil tot de strijd voor het eigen bestaan hebben wij de beide Oostmarken van het Rijk te danken, en daarmee die hevige kracht en grootheid van ons rijks- en volksgebied, die alleen maakten, dat wij tot heden konden bestaan. Ook nog om een andere reden zou deze derde oplossing de beste zijn geweest. Vele Europese staten lijken heden omgekeerde piramiden. Hun Europese bodemoppervlakte is bespottelijk klein vergeleken met wat ze aan koloniën, buitenlandse handel enz. te dragen hebben. Men kan gerust zeggen, dat de punt in Europa en de basis in de gehele wereld ligt; in tegenstelling met de Verenigde Staten, die haar basis nog in het eigen continent bezit en alleen met de punt de overige aarde aanraakt. Dit verklaart echter ook de buitengewone innerlijke kracht van deze staat en de zwakte van de meeste koloniale machten in Europa. Ook Engeland kan niet als tegenargument worden aangehaald, aangezien men maar al te gemakkelijk, door het oog te vestigen op het Britse imperium, de Angelsaksische wereld als zodanig vergeet. De positie van Engeland kan, alleen reeds tengevolge van zijn taal en cultuurgemeenschap met de Verenigde Staten, met geen enkele andere staat in Europa worden vergeleken.
Voor Duitsland lag dientengevolge de enige mogelijkheid tot doorvoering van een gezonde bodempolitiek nog slechts in het verwerven van nieuw land in Europa zelf. Koloniën kunnen voor dit doel niet dienstig zijn zolang zij niet in staat blijken, om werkelijk enorme aantallen blanke kolonisten op te nemen. Langs vreedzame weg waren echter zulke koloniale gebieden in de negentiende eeuw niet meer te verkrijgen. Zo'n koloniale politiek zou dus alleen ten koste van zeer zware strijd te voeren geweest zijn, die dan echter doelmatiger niet voor buiten-Europese gebieden uitgevochten kon worden, maar voor land op het Europese continent zelf. Zo'n besluit eist dan echter onvoorwaardelijk ernst en toewijding. Het gaat niet aan, om met halve middelen of ook maar aarzelend aan een taak te beginnen waarvan de doorvoering alleen mogelijk schijnt, wanneer werkelijk ook de laatste uiterste energie wordt ingespannen, Maar dan moest ook de gehele politieke leiding van het Rijk uitsluitend dit doel voor ogen houden; nimmer mocht een stap worden ondernomen, welke om andere reden geschiedde, dan om die, welke aan deze taak direct of indirect dienstbaar waren.
Men diende er zich rekenschap van te geven, dat dit doel niet dan door strijd te bereiken was, en moest de strijd met de wapenen dan ook rustig en kalm onder de ogen zien. Dan zouden ook alle bondgenootschappen uitsluitend aan dit standpunt getoetst moeten worden, en op hun bruikbaarheid, om daartoe te kunnen meewerken. Wenste men in Europa uitbreiding van grondgebied, dan kon dit in 't algemeen alleen ten koste van Rusland plaats hebben; dan moest het nieuwe Rijk weer de heirwegen van de oude orderidders begaan, om door middel van het Duitse zwaard aan de Duitse ploeg de aarde te geven, en daardoor aan de Duitse natie het dagelijks brood. Voor een zodanige politiek bestond in Europa nu echter maar een enkele bondgenoot: Engeland. Met Engeland als bondgenoot, om in de rug gedekt te zijn, kon men een nieuwe Germaanse kruistocht beginnen. Het recht daartoe zou niet geringer geweest zijn, dan het recht van onze voorvaderen. Geen enkele van onze pacifisten weigert om het brood te eten, dat uit het Oosten komt, hoewel daar de eerste ploeg "zwaard" heette. Om Engelands genegenheid te winnen, mocht dan echter geen enkel offer te groot zijn.
Men moest van koloniën en zeemacht afstand doen en de Britse industrie niet beconcurreren. Alleen een onvoorwaardelijk duidelijke houding kon tot een dergelijk doel leiden, afstand van wereldhandel en koloniën; afzien van een Duitse wereldvloot; concentratie van de totale machtsmiddelen van de staat op het landleger. Weliswaar zou het eerste gevolg een machtsbeknotting zijn geweest, maar tegenover dit tijdelijke nadeel stond de zekerheid van een grote en machtige toekomst. Er is een tijd geweest, waarin Engeland tot onderhandelingen in deze geest bereid was, omdat het zeer goed had begrepen, dat Duitsland tengevolge van zijn bevolkingstoename naar de een of andere uitweg moest zoeken, en deze of met Engeland in Europa, of zonder Engeland in de wereld zou moeten vinden. Het was waarschijnlijk wel in de eerste plaats door zulk een vermoeden, dat omstreeks het begin van de nieuwe eeuw van Londen zelf uit getracht werd, met Duitsland in nadere aanraking te komen. Voor de eerste maal werd daarbij iets zichtbaar, dat wij in de laatste jaren in waarlijk verschrikkelijke graad moesten constateren.
Men was nl. onaangenaam getroffen door de gedachte, voor Engeland de kastanjes uit het vuur te moeten halen; alsof er ook maar enig bondgenootschap kon bestaan op een ander grondslag dan die van wederzijds geven en nemen. Met Engeland echter was zo'n ruilhandel heel goed mogelijk. De Britse diplomatie was altijd nog verstandig genoeg om te weten, dat men geen prestatie mocht verwachten zonder tegenprestatie. Men stelt zich het echter eens voor, dat een verstandige Duitse buitenlandse politiek een de rol overgenomen had van Japan in 1904; men kan zich nauwelijks voorstellen, welke gevolgen dit voor Duitsland zou hebben gehad. Het zou nooit tot een "wereldoorlog" zijn gekomen. Het bloed van dit jaar 1904 zou het tienvoudige wat in de jaren 1914-1918 vergoten werd , hebben bespaard. Welke positie zou Duitsland dan echter thans innemen in de wereld! Het verbond met Oostenrijk was dan ongetwijfeld een zinloosheid en zinledigheid. Want deze gemummificeerde staat verbond zich niet met Duitsland, om een oorlog uit te vechten, maar om de eeuwige vrede te bewaren, die dan op sluwe wijze kon worden benut om het Duitse element in de monarchie langzaam maar zeker uit te roeien.
Dit bondgenootschap was echter ook daarom onmogelijk. Omdat men toch van een staat, die niet eens de kracht en de vastberadenheid bezat om een einde te maken aan een openlijke poging, vlak aan zijn grenzen, om Duits bloed, Duitse tal en Duitse cultuur te verdelgen, niet mocht verwachten, dat hij in staat zou zijn de Duitse belangen offensief te verdedigen. Als Duitsland niet voldoende nationaal besef en harde doelbewustheid bezat, om het lot van tien millioen stamgenoten te ontrukken aan de klauwen van de tegennatuurlijke staat van de Habsburgers, dan mocht men inderdaad niet verwachten, dat het zich ooit tot zo vooruitziende en vermetele plannen zou laten overhalen. Aan de houding, welke het oude Rijk tegenover de Oostenrijkse kwestie innam, kon men als het ware reeds zien, hoe het zich in de strijd van de gehele natie met het noodlot zou gedragen. In elk geval mocht men niet lijdelijk toezien, hoe het Duitse element jaar op jaar weer werd verdrukt en verdrongen, omdat Oostenrijks waarde als bondgenoot immers alleen en uitsluitend van dat deel van zijn bevolking afhing. Maar men ging deze weg immers helemaal niet.
Men vreesde niets zozeer als de strijd, maar liet er zich tenslotte toch, en wel op het aller ongelegenste ogenblik, toe dwingen. Men wilde zijn noodlot ontlopen, maar werd er door achterhaald. Men verbeeldde zich, de wereldvrede te kunnen behouden, en belandde bij de wereldoorlog. En dit was de voornaamste reden, waarom men deze derde manier om een toekomst te scheppen voor het Duitse volk, zelfs geen blik waardig keurde. Men wist, dat nieuw grondgebied alleen in het Oosten te krijgen was, zag de strijd die daartoe nodig was geweest en wilde toch de vrede tot elke prijs; want het parool van de Duitse buitenlandse politiek was allang niet meer: handhaving van de Duitse natie op alle manieren, maar integendeel: behoud van de wereldvrede met alle middelen. Hoe men hierin slaagde, is bekend. Ik zal hierop nog nader terugkomen. Zodoende stond alleen nog de vierde mogelijkheid open: industrie en wereldhandel, zeemacht en koloniën. Een zodanige ontwikkeling was inderdaad in de eerste plaats gemakkelijker en waarschijnlijk ook vlugger te bereiken. De kolonisatie van een gebied is een langzaam proces, dat dikwijls eeuwen duurt; de innerlijke kracht is juist gelegen in het feit, dat het hier niet gaat om een plotseling opvlammen, maar om een groei die langzaam maar zeker en onophoudelijk is, in tegenstelling met een industriële ontwikkeling, die in een kort aantal jaren een grote hoogte kan bereiken, maar dan echter ook meer van een zeepbel heeft dan van iets, dat werkelijk sterk is.
Er is weliswaar minder tijd nodig om een vloot te bouwen, dan om in hardnekkige strijd en volharding boerenhofsteden te bouwen en met boerengezinnen te bezetten, maar die vloot is ook wel gemakkelijk te vernietigen dan dit laatste werk. Indien Duitsland toch deze weg betrad, dan had men tenminste moeten inzien, dat ook deze ontwikkeling eens op een oorlog zou uitlopen. Alleen kinderen kunnen menen dat ze, door altijd maar vriendelijk en oppassend te zijn, en door maar steeds de nadruk te leggen op hun vredelievende bedoelingen, zonder ooit naar de wapenen te hoeven grijpen, tenslotte wel alles zullen krijgen wat ze nodig hebben, in een "vreedzame wedstrijd van de volkeren" zoals men zo schoon en zo zalvend wist te bazelen. Nee, indien die weg betreden werd, dan moest op zekere dag Engeland onze vijand worden. Het was meer dan dwaas - maar het was wel echt iets voor onze Duitse onnozelheid - om er verontwaardigd over te zijn, dat Engeland op zekere dag zo vrij was, om met egoïstische bruutheid tegen onze vreedzame activiteit op te treden. Wij zouden dit zeker nimmer hebben gedaan. Wanneer het enerzijds een feit was, dat de politiek, welke er op gericht was, om in Europa gebiedsuitbreiding te verkrijgen, alleen tegen Rusland kon worden gevoerd, met Engeland als bondgenoot, dan moest anderzijds worden vastgesteld, dat koloniale- en wereldhandelspolitiek slechts denkbaar was met Rusland tegen Engeland.
Dan moest men echter ook hier onvoorwaardelijk de consequenties trekken - en in de eerste plaats Oostenrijk zo spoedig mogelijk loslaten. Reeds omstreeks het begin van onze eeuw was dit verbond met Oostenrijk, hoe men het ook bekeek, klinkklare waanzin geworden. Men dacht er immers ook helemaal niet aan, om met Rusland een verbond tegen Engeland te sluiten, evenmin met Engeland tegen Rusland, want in beide gevallen zou het op oorlog zijn uitgelopen, en de belangrijkste reden waarom men zich op deze handels- en industriepolitiek wierp, was immers, dat men iedere oorlog wilde vermijden. Men bezat nu immer in de "vreedzame economische" verovering van de wereld een gebruiksaanwijzing, die de wereldpolitiek, welke tot dusver gevoerd was, eens en voor altijd de nek zou omdraaien. Zo nu en dan was men toch weer niet helemaal zeker van zijn zaak, vooral, wanneer Engeland van tijd tot tijd volkomen onbegrijpelijke dreigementen liet horen; daarom besloot men nu ook, een vloot te bouwen, maar ook weer geen aanvalswapen om Engeland te kunnen vernietigen, doch een verdedigingswapen, om de reeds gekwalificeerde "wereldvrede" en de pacifieke penetratie te beschermen. Daarom hield men haar dan ook in alle opzichten ietwat aan de bescheiden kant, niet alleen wat het aantal eenheden, maar ook wat de tonnage en de bewapening betrof, om ook hierdoor weer het bewijs te leveren, dat ook dit wapen toch eigenlijk alleen "vreedzaam" was bedoeld.
Dat gebazel over de pacifieke penetratie was wel het meest onzinnige principe, dat ooit door een staat tot inleidend beginsel van zijn politiek werd gemaakt. Deze waanzin werd nog groter door het feit, dat men er niet tegen opzag om Engeland als kroongetuige op te roepen, dat zo'n prestatie inderdaad binnen de grenzen van het mogelijke lag. Het deel van de schuld, dat hierbij op rekening van onze professorale geschiedvorsing en geschiedenisbeschouwing komt, is zo groot, dat het nauwelijks ooit weer goedgemaakt kan worden, en toont alleen weer eens overduidelijk aan, hoe vele mensen geschiedenis leren, zonder ze te verstaan of zelfs maar te begrijpen. Juist in Engeland had men deze theorie volkomen moeten weerleggen; geen enkel volk immers heeft zijn economische veroveringen bruter en berekender met het zwaard voorbereid of later zo volkomen onvoorwaardelijk verdedigd, als juist het Engelse. Dat is immers bijna het meest kenmerkende van de Britse staatsmanskunst, dat zij uit politieke kracht economische winsten weet te halen en iedere economische versterking dadelijk weer in politieke kracht weet om te zetten.
En hoe deerlijk vergist men zich, wanneer men meent, dat Engeland soms persoonlijk te laf zou zijn, om voor zijn economische politiek ook zijn eigen bloed te wagen. Dat het Engelse volk geen "volksleger" bezat, is geen bewijs daarvoor, want het gaat er hier niet om, welke toevallige vorm de organisatie van de weermacht heeft aan genomen, maar om de wil en de vastberadenheid, om alle beschikbare macht in te zetten. Engeland bezat altijd het militaire instrument, dat het nodig had. Het streed altijd met die wapens, welke het nodig had om succes te kunnen behalen. Het vocht met huurtroepen, zolang huurtroepen voldoende waren; het eiste ook een zware cijns van het kostbare bloed van de gehele natie, wanneer dat, om de overwinning te behalen, noodzakelijk was; maar de strijd bleef altijd dezelfde, en ieder gevecht werd even hardnekkig en onverbiddelijk uitgevochten. In Duitsland kweekte men echter langzamerhand, door middel van de school, de pers en de humoristische bladen, van het karakter van de Engelsman en in haast nog sterkere mate van zijn rijk een beeld, dat tot zeer ernstig zelfbedrog moest leiden; want langzamerhand begon men algemeen geloof te hechten aan deze onzin, en het gevolg ervan was, dat men die vijand onderschatte, iets, dat zich later bitter zou wreken. Dat onjuiste beeld werd zo algemeen aanvaard, dat men de vaste overtuiging had, een zeer sluw maar persoonlijk buitengewoon lafhartig kruidenier tegenover zich te zien.
Onze verheven professorale wetenschap zag helaas niet in, dat het een absolute onmogelijkheid is om een wereldrijk als het Engelse alleen door kruipen en zwendelen bijeen te krijgen. De enkele waarschuwende stemmen werden niet gehoord of werden doodgezwegen. Ik weet nog heel goed, hoe stomverbaasd de gezichten van mijn kameraden waren, toen wij in Vlaanderen zelf de "Tommies" tegenover ons kregen. Ongetwijfeld begon al na de allereerste dagen van strijd in ieder breien het besef op te komen, dat deze Schotten niet bepaald veel gemeen hadden met die, welke men had gemeend ons in de humoristische blaadjes en de berichten van de nieuwsbureaus te moeten afschilderen. Toen heb ik voor het eerst eens dieper nagedacht over de doelmatigheid van de verschillende vormen van propaganda. Deze verdraaiing van de feiten had echter toch voor de verspreiders van deze berichten haar goede zijde; men kon door dit voorbeeld - al was het dan ook onjuist - immers de juistheid aantonen van een politiek, welke op vreedzame economische verovering van de wereld uit was.
Wat een Engelsman kon, moest ook ons lukken, dacht men en argumenteerde dan, dat onze aanmerkelijke grotere "eerlijkheid", en het feit, dat wij die typisch Engelse "perfiditeit" niet kenden, onze kansen in deze toch nog zeer moesten vergroten. Men hoopte namelijk, daardoor zowel de genegenheid van de kleine naties en het vertrouwen van de groten des te gemakkelijker te verwerven. Dat onze eerlijkheid de anderen een doorn in 't oog was, begrepen wij niet, alleen al niet, omdat wij zelf woord voor woord van wat wij zeiden, meenden en geloofden, terwijl de overige mensheid zo'n houding aanzag voor een bijzondere listige truc, terwijl die rest van de wereld ongetwijfeld bij onze revolutie met stomme verbazing moest constateren, dat wij inderdaad zo grenzeloos dom waren geweest - en dat onze oprechtheid geen truc, maar werkelijkheid was. Maar, wanneer men eenmaal de onzinnigheid van zo'n "pacifieke penetratie" had ingezien, dan moest men alleen daaruit reeds het logische en duidelijke conclusie trekken, dat ook het "Drievoudig Verbond" volslagen waanzin was. Maar bestond er dan eigenlijk nog wel een andere staat, waarmee men een bondgenootschap had kunnen aangaan? Met Oostenrijk-Hongarije kon men inderdaad nooit, zelfs niet in Europa, een veroveringsoorlog beginnen.
Een Bismarck wist zich ook met zo'n gebrekkig instrument wel te redden, maar daarmee was nog lang niet gezegd, dat iedere krukkige opvolger dat ook kon, en zeker niet in een tijd, dat de eigelijke omstandigheden, waarop Bismarcks bondgenootschap gegrondvest was geweest, reeds lang niet meer aanwezig waren; want Bismarck kon nog menen, in Oostenrijk een Duitse staat voor zich te hebben. Maar toen langzamerhand het algemeen kiesrecht was ingevoerd, was dit landgezonken tot een parlementair geregeerde on-Duitse chaos. Nu was het bondgenootschap met Oostenrijk, ook van volks standpunt gezien, eenvoudig noodlottig. Men liet immers toe, dat er aan de grenzen van het rijk een nieuwe Slavische grote mogendheid ontstond, die vroeger of later nog een geheel andere politiek ten opzichte van Duitsland zou moeten voeren dan b.v. Rusland. Bovendien moest het verbond zelf wel van jaar tot jaar holler en zwakker worden, naarmate de enige bevolkingsgroep, die de idee van het bondgenootschap levend hield, aan invloed inboette en uit de belangrijkste posities werd verdongen.
Reeds omstreeks 1900 was het bondgenootschap met Oostenrijk in precies hetzelfde stadium gekomen als dat van Oostenrijk met Italië. Ook hier waren er maar twee mogelijkheden: of het Rijk was de bondgenoot van de Habsburgse monarchie, of het mengde zich in de Oostenrijkse binnenlandse aangelegenheden, en verzette zich tegen de onderdrukking van het Duitse element. Wanneer men echter met zoiets begint, loopt het meestal op openlijke oorlog uit. Ook de psychologische betekenis van het Drievoudig Verbond was maar betrekkelijk gering, omdat de hechtheid van een bondgenootschap afneemt, naarmate het zich meer beperkt tot de handhaving van de bestaande toestand; omgekeerd zal het des te sterker zijn, dat zij hierdoor bepaalde concrete expansieve doeleinden zal kunnen bereiken. Zoals altijd en overal, ligt ook hier de kracht niet in de verdediging, maar in de aanval. Dit werd destijds ook reeds van verschillende zijden ingezien, maar helaas niet alleen door de "bevoegde instanties".
Vooral Ludendorff, die destijds als kolonel bij de grote generale staf werkzaam was, legde in zijn open brief van het jaar 1912 de vinger op deze wondplek. Natuurlijk achtte geen van de heren "staatslieden" het nodig, om hieraan enig gewicht te hechten; het is immers reeds zo vaak gebleken, dat gezond verstand een artikel is, dat alleen bij gewone stervelingen zijn nut kan hebben, doch voor diplomaten ten ene male uit de boze moet worden geacht. Het was voor Duitsland maar gelukkig , dat de oorlog in het jaar 1914 door een Oostenrijks conflict losbarstte, en de Habsburgers dus wel gedwongen waren, mee te doen; ware het namelijk omgekeerd geschied, dan zou Duitsland alleen hebben gestaan. De staat van de Habsburgers zou nimmer de kracht of ook maar de wil hebben bezeten om deel te nemen aan een strijd, die door Duitsland was ontstaan. Datgene, wat men later Italië zo kwalijk nam, zou dan reeds vroeger door Oostenrijk zijn gedaan: men zou "neutraal" zijn gebleven, om zodoende de staat tenminste voor een revolutie in de eerste oorlogsdagen te redden. De Slaven in Oostenrijk hadden liever de monarchie reeds in het jaar 1914 kapot geslagen, dan toegestaan, dat Duitsland geholpen werd.
Hoe groot de gevaren en moeilijkheden, die het verbond met Oostenrijk-Hongarije met zich bracht eigenlijk wel waren, dat zagen destijds nog slechts zeer weinigen in. Ten eerste bezat Oostenrijk vele vijanden, die hoopten, mettertijd van de halfvergane staat te erven, zodat er noodzakelijkerwijze na enige tijd een zeker gevoel van haat tegen Duitsland moest ontstaan, omdat men Duitsland nu eenmaal beschouwde als de oorzaak, waardoor de volkomen ontbinding van de monarchie, waarop men reeds zolang gehoopt had, nog maar steeds uitbleef. Men kwam tot de overtuiging, dat Wenen tenslotte alleen langs de omweg over Berlijn te bereiken was. In de tweede plaats zag Duitsland zich hierdoor weer zijn beste en gunstigste kansen, om elders een bondgenoot te vinden, ontnomen. Ja, men raakte integendeel met Rusland en zelfs met Italië steeds meer op gespannen voet. En dat, terwijl de openbare mening te Rome evenzeer pro-Duits als fel anti-Oostenrijks was. Omdat men nu eenmaal zijn heil had gezocht in een politiek van handel en industrie, bestond er ook niet meer de minste reden voor een strijd tegen Rusland. Zoiets zouden alleen de vijanden van de beide naties kunne toejuichen. En het waren dan ook voornamelijk Joden en marxisten, die hier met alle middelen hitsten en stookten, om een oorlog tussen deze twee staten te bewerkstelligen.
In de derde en laatste plaats moest echter dit verbond voor Duitsland wel een groot gevaar betekenen, omdat het onder deze omstandigheden voor een grote mogendheid, die werkelijk bewust vijandig tegenover het Rijk van Bismarck, kinderspel moest zijn, om een hele reeks kleine staten tegen Duitsland in het harnas te jagen, omdat men hun allen immers gebiedsuitbreiding kon beloven. Tegen de Donaumonarchie kon men geheel Oost-Europa, en vooral Rusland en Italië in het geweer roepen. De wereldcoalitie, waarvoor Koning Edward de grondslag had gelegd, zou nimmer tot stand zijn gekomen wanneer Oostenrijk als bondgenoot van Duitsland niet zo'n verleidelijke erfenis was geweest. Dit alleen maakte het mogelijk, dat staten, welker belangen en wensen overigens zo ver uiteenliepen, samen in een aanvallend verbond gebundeld konden worden. Ieder van de bondgenoten mocht hopen, dat ook hij ten koste van Oostenrijk tegen Duitsland oprukte. Het feit, dat ook Turkije als stille vennoot tot dit ongeluksverbond scheen te behoren, maakte dit gevaar nog veel groter.
Het internationale Joodse grootkapitaal had deze lokmiddelen echter nodig, teneinde het reeds zo lang gekoesterde plan tot verdelging van Duitsland - dat maar niet wilde berusten in de algemene internationale controle op de financiën en de economie - ten uitvoer te kunnen brengen. Alleen door zo'n buitengewoon lokaas kon men een coalitie samensmeden, welke, alleen al gesterkt en moedig door het besef van het aantal soldaten, dat nu marcheerde, bereid was om Siegfried de onkwetsbare dan eindelijk te lijf te gaan. Het verbond van het rijk van de Hasburgers, dat mij reeds in mijn Oostenrijkse tijd bitter gestemd had, maakte, dat ik mijn standpunt nogmaals zo diepgaand mogelijk onderzocht, met het resultaat, dat ik nog zeer gesterkt werd in mijn oorspronkelijke mening. Ik maakte reeds destijds, in de kleine kring van mensen waarmee ik omging, geen geheim van mijn overtuiging, dat dit rampzalige verdrag met een staat, die ten dode was opgeschreven, ook van Duitsland een ruïne zou maken, wanneer men er tenminste niet in slaagde, om zich nog te rechter tijd uit die omklemming los te maken.
Ook toen de orkaan van de wereldoorlog tenslotte ieder kritisch vermogen scheen te hebben uitgeschakeld, toen zelfs die instanties, welke eigenlijk met niets anders rekening mochten houden dan met de meest nuchtere werkelijkheid, ook in een roes van geestdrift leefden, is deze rotsvaste overtuiging toch geen ogenblik geschokt. Ook in de tijd, toen ik zelf aan het front stond, kwam ik steeds, wanneer deze problemen ter sprake kwamen, openlijk uit voor mijn mening, dat de Duitse natie beter nog vandaag dan morgen een eind kon maken aan dit bondgenootschap, en dat het prijsgeven van de Donaumonarchie daarvoor in het geheel geen offer was, wanneer Duitsland daardoor een beperking van het aantal van zijn tegenstanders zou kunnen bereiken; want het was niet ter wille van een gedegenereerd vorstenhuis, dat al die millioenen de stalen helm van de soldaat hadden opgezet, maar alleen om de Duitse natie te redden. Voor de oorlog scheen het nog een paar malen, alsof er tenminste onder een groep mensen enige twijfel rees ten aanzien van de gevoerde bondgenootschappolitiek. Van Duits-conservatieve zijde werden van tijd tot tijd waarschuwende stemmen gehoord, welke aanraadden, niet al te veel en niet al te blind op de bondgenoot te vertrouwen, maar ook dit werd, zoals iedere uiting van gezond verstand, in de wind geslagen.
Men was vast overtuigd, dat men, op deze wijze voortgaand, inderdaad de wereld zou kunnen veroveren, en dat wel zo, dat het succes onmetelijk zou zijn, terwijl er geen offers gevraagd zouden worden. Voor de bekende "onbevoegden" echter bleef er weer eens niets anders over, dan zwijgend toe te zien waarom en hoe de "bevoegden" rechtstreeks in het verderf liepen, waarbij ze het brave maar domme volk meesleepten, als eens de rattenvanger van Hamelen de kinderen. De diepere oorzaak, waardoor het mogelijk werd dat ons volk die waanzinnige idee van een "economische verovering" als praktisch politiek richtsnoer, en het behoud van de wereldvrede als doel van onze politiek kreeg voortgezet, en zelfs aanvaardde, was gelegen in de algemene ziektetoestand van ons gehele politieke denken. En naarmate de zegetocht van de Duitse techniek en industrie steeds schitterender paden beschreed, en de Duitse handel steeds grotere successen boekte, was men steeds minder geneigd en ook steeds minder bij machte om in te zien, dat dit alles alleen mogelijk was onder een sterke staat. Integendeel, in vele kringen ging men reeds zover om de stelling te verdedigen, dat de staat zelf zijn bestaan aan deze verschijnselen te danken had, dat die staat zelf voornamelijk uit de economische noodzaak geboren was, en dus ook in overeenstemming met de economische belangen bestuurd moest worden, en dat dientengevolge ook zijn bestaan van de economie afhankelijk was, een toestand, welke dan als de allergezondste en allernatuurlijkste werd voorgesteld en geprezen.
De staat als zodanig heeft echter niets uitstaande met enig economisch systeem of met enige economische ontwikkelingsgang. De staat is niet een geheel van economische contractanten, die binnen een bepaald begrensd woongebied aan verschillende economische eisen moeten voldoen - maar hij is de organisatie van een gemeenschap van levende wezens, welke zowel lichamelijk als geestelijk sterke overeenkomst bezitten, en deze organisatie moet er op zijn gericht, om de gunstigste voorwaarden voor het voortbestaan van de soort te scheppen, en om het doel, dat de Voorzienigheid aan deze soort heeft gesteld, te bereiken. Dit en niets anders is het doel en de betekenis van de staat. De economie is daarbij slechts een van de hulpmiddelen, die nu eenmaal noodzakelijk zijn om dit doel te kunnen bereiken. Zij is echter nimmer de oorzaak of het doel van de staat, wanneer deze althans niet opzettelijk op zo'n onjuiste, want tegennatuurlijke grondslag is geconstrueerd. Alleen hierdoor is het verklaarbaar, dat het zelfs niet eens een onmisbare voorwaarde voor een staat is, dat hij territoriaal begrensd is. Dit zal alleen een vereiste zijn voor volkeren, die zelf voor de voeding van hun soortgenoten willen zorgen, en dus bereid zijn om door eigen arbeid de strijd om het bestaan uit te vechten. Volkeren daarentegen, welke de kunst verstaan om in andere volkeren binnen te dringen, zoals hommels door het stukbijten van de kroonbladeren in bloemen weten te komen, kunnen zelfs zonder enig eigen bepaald woongebied staten vormen.
Dit geldt vooral voor het volk, dat in het bijzonder heden ten dage zozeer parasiteert, dat de gehele eerlijke mensheid er onder te lijden heeft: het Jodendom. De Joodse staat was, wat zijn grondgebied betreft, nooit begrensd, hij was wereldomvattend en grenzeloos, omdat hij immers niet betrekking had op een bepaalde oppervlakte, maar op alle individuen, welke tot een bepaald ras behoorden. Overal waar deze waren, was de Joodse staat. Het is een van de geniaalste trucs, die er ooit uitgevonden zijn, om deze staat voor een "religie" te laten doorgaan, en hem daardoor onder de beschermende hoede te stellen van de verdraagzaamheid, welke de Ariër altijd voor iedere geloofsbelijdenis over heeft. Want feitelijk is de Mozaïsche religie niets anders dan een leer tot instandhouding van het Joodse ras. Zij omvat daarom ook nagenoeg alle terreinen van sociologische, politieke en economische wetenschap, welke maar even dienstig kunnen zijn aan dit doel. De wil tot voortbestaan van de soorten is de eerste oorzaak, waardoor er menselijke gemeenschappen worden gevormd. Daardoor is de staat echter een volks organisme, en niet een economische organisatie. Een onderscheid, dat werkelijk zeer groot is, maar waardoor de "staatslieden", die heden aan het bewind zijn, natuurlijk volkomen blind blijven. Daarom menen deze heren dan ook, dat ze de staat wetenschappelijk kunnen construeren, terwijl hi in werkelijkheid nooit iets anders kan zijn dan de resultante van de krachten, welke uit de wil tot behoud van soort en ras zijn voortgekomen.
Dat zijn echter altijd heldhaftige deugden en het gehele gruttersegoïsme valt heel zeker buiten de kring van deze eigenschappen, omdat de handhaving van de soort immers uitgaat van de offervaardigheid van de enkeling, en offervaardigheid, die ook voor het leven van die enkeling geen halt maakt. Dat is immers juist de diepere zin van het woord van de dichter: "Zo gij uw leven niet waagt - zo zult gij het niet behouden" ("Und setzt ihr nicht das Leben ein, nie wird euch das Leben gewonnen sein"), dat het bestaan van de enkeling ten offer moet worden gebracht om het behoud van de soort te verzekeren. Daaruit volgt dan echter ook de dwingende gevolgtrekking, dat de eerste voorwaarde voor het ontstaan en voortbestaan van een staat gelegen is in een algemeen saamhorigheidsgevoel, dat alle onderdanen eigen is, op grond van hun eenheid van soort en eenheid van karakter en uit de algemene wil om voor dit volksbestaan met al wat men is, en al wat men bezit, in te staan. Dit zal bij volken, welke op eigen grondgebied wonen, heldhaftige deugden aankweken, bij parasieten huichelarij en geniepige wreedheid, voorzover deze eigenschappen niet al te kennelijk eerste bestaansvoorwaarden voor deze zo geheel anders gevormde staat waren. Maar steeds zal het volk, dat over dergelijke kwaliteiten beschikt, alleen reeds op grond daarvan een staat, of althans de kiem van een staat vormen; en de strijd om het bestaan zal dan hierdoor beslecht worden, dat een van beide partijen de nederlaag lijdt, en wel die, welke of het minst was begiftigd met heldhaftige eigenschappen, of tegen de sluwe listen van de vijandige parasieten niet bleek opgewassen.
Een nederlaag betekent in deze strijd: slavernij en uiteindelijk: uitroeiing. Maar ook in dit laatste geval is dat bijna altijd niet zozeer het gevolg van een gebrek aan doorzicht, als wel van een gebrek aan vastberadenheid en moed, dat zich onder het dekmanteltje van een humanistische mentaliteit tracht te verbergen. Hoe weinig de staatsvormende en staatsbehoudende eigenschappen echter met de economie uitstaande hebben, blijkt wel het duidelijkst uit het feit, dat het slechts uiterst zelden gebeurt, dat de staat tegelijk en innerlijk hecht en stevig is, en een periode van z.g. economische bloei doormaakt, maar dat integendeel het feit van zulk een bloeiperiode in oneindig vele gevallen op het naderend einde van de staat schijnt te wijzen. Indien nu echter de vorming van menselijke gemeenschappen in de eerste plaats toe te schrijven zou zijn aan economische krachten of prikkels, dan zou de hoogste economische ontplooiing ook tegelijkertijd de grootste kracht van de staat moeten betekenen, en niet omgekeerd. Het geloof aan de staatsvormende en staatsbehoudende kracht van de economie lijkt des te onbegrijpelijker, wanneer het een land betreft, dat overal duidelijk en onmisbaar in zijn geschiedenis het tegendeel aantoont. Juist Pruisen bewijst met bewonderenswaardige duidelijkheid, dat het niet de materiele eigenschappen, maar de ideële deugden alleen zijn, die de kracht leveren tot de vorming van een staat. Eerst onder de bescherming van die deugden weet dan ook de economie tot bloei te geraken, totdat, met het afsterven van de eigenlijke staatsvormende eigenschappen, ook de economie weer ineenstort, een proces, dat wij juist nu weer zo bitter duidelijk kunnen waarnemen.
De materiele belangen van de mensen kunnen altijd het beste gedijen, wanneer ze in de schaduw van de heldhaftige deugden blijven; zodra zij echter trachten, zelf een eerste plaats in te nemen in het bestaan van de mensen, dan vernietigen ze zelf de grondslagen voor hun eigen bestaan. Steeds, wanneer Duitslands macht sterk toenam, begon ook de economie op te komen; altijd echter, wanneer de economie de enige levensinhoud van ons volk werd, en de ideële deugden daaronder verstikten, stortte de staat weer ineen en sleurde na korte tijd de economie mee. Als men zich nu echter afvraagt, wat dan eigenlijk de staatsvormende of staatsbehoudende krachten zijn, dan blijkt men ze in een enkele aanduiding te kunnen samenvatten: offervaardigheid, en de wil van de enkeling om voor de gemeenschap offers te brengen. Dat deze deugden met economie ook niet het geringste uitstaande hebben, blijkt wel duidelijk uit het simpele feit, dat men zich immers voor de laatste niet opoffert, of met andere woorden: men sterft niet voor een negotie, maar alleen voor idealen.
Niets bewees duidelijker, dat de Engelsman een meester is in de psychologie van het volk, dan de wijze, waarop hij zijn deelname aan de oorlog motiveerde. Terwijl wij voor ons dagelijks brood vochten, streed Engeland voor de "vrijheid", en niet eens voor zijn eigen vrijheid, nee, voor die van de kleine naties. In Duitsland lachte men om deze brutaliteit, of ergerde zich er aan, en bewees met beide houdingen, hoe gedachteloos en dom die zogenaamde staatsmanskunst in Duitsland al voor de oorlog was. Men had ook niet meer het allergeringste begrip van het ware karakter van die kracht, welke in staat is om mannen uit eigen vrije wil in de dood te doen gaan. Zolang het Duitse volk in 1914 nog voor idealen meende te vechten, hield het stand; nauwelijks echter maakte men het dagelijks brood tot doel van de strijd, of het liet de moed zakken. Onze alwijze "staatslieden" echter stonden verstomd over deze veranderde stemming. Het drong nimmer tot hen door, dat een mens, van het ogenblik af dat hij moet vechten voor een economisch belang, de dood zoveel mogelijk uit de weg zal gaan, omdat die hem immers juist voor altijd berooft van het genot van datgene, waarvoor hij strijdt. Wanneer het er om gaat, haar eigen kind te redden, dan wordt ook de zwakste moeder een heldin, en het was steeds opnieuw de wil om voor het behoud van de soort en voor de beschuttende haard of staat te strijden, die de mannen in de speren van de vijand joeg.
Men kan de volgende, eeuwig ware stelling formuleren: Nog nimmer werd een staat gesticht door de werking van vreedzame economische krachten, maar altijd alleen door de instinctieve wil tot voortbestaan van de soort, onverschillig of deze wil tot voortbestaan van de soort, onverschillig of deze wil nu in heldhaftigheid, dan wel in sluwe list zijn uitdrukking vindt. Het gevolg is dan alleen, dat uit het ene een Arische arbeid- en cultuurstaat groeit, en uit het andere een kolonie van Joodse parasieten. Zodra echter bij een volk of in een staat de economische belangen als zodanig groter invloed beginnen uit te oefenen dan deze instincten, dan zal dit als het ware een uitnodiging aan de vijanden zijn om dit volk, deze staat te willen overweldigen en te onderdrukken. De mening, welke men voor de oorlog huldigde, als zou het mogelijk zijn, om alleen door middel van handels- en koloniale politiek, en dus zonder strijd, de wereld voor het Duitse volk te ontsluiten, was een klassiek symptoom, dat de werkelijk staatsvormende en staatsbehoudende krachten verloren waren gegaan, en met hen alle daaruit volgende inzicht, wilskracht en dadendrang; de natuur echter, die zich niet laat verwaarlozen, vergold dat door de wereldoorlog, met al de gevolgen van dien. oor iemand, die niet dieper nadenkt, moest deze houding van de Duitse natie - want zij was inderdaad zo goed als algemeen - een onoplosbaar raadsel zijn. Juist Duitsland was immers een prachtig voorbeeld van een rijk, dat alleen door het zwaard was ontstaan. Pruisen, de kiemcel van het Rijk, ontstond door grote heldenmoed en niet door financiële of zakelijke transacties, en het Rijk zelf was de kostelijke oogst, die was gegroeid uit een sterke leiding en de doodsverachting van vele, vele soldaten.
Hoe was het dan mogelijk, dat juist bij dat Duitse volk het politieke instinct zo doodziek was? Want hier ging het niet om een enkel verschijnsel, maar om symptomen van verval, die zich nu eens in benauwend aantal als dwaallichten vertoonden en dan van alle punten van het volkslichaam hun sombere boodschap brachten, en dan weer als giftige gezwellen de natie op velerlei punten aantastten. Het scheen wel, alsof mysterieuze machten een onophoudelijke stroom van gift stuwden tot in de uiterste bloedvaten van dit lichaam, dat eens het lichaam van een held was geweest, om zo het gezond verstand en de simpele levensdrang steeds meer te verlammen. Toen ik al deze vraagstukken, welke ik nodig had om de bondgenootschappolitiek en de economische politiek van het Rijk in de jaren 1912-1914 te kunnen beoordelen, telkens opnieuw nauwkeurig had onderzocht, bleef als oplossing van het raadsel altijd enkel die macht over, welke ik reeds tevoren te Wenen uit een geheel ander gezichtspunt had leren kennen: de marxistische leer en de wereldbeschouwing en tevens de invloed, die zij door haar organisatie uitoefende. Ten tweede male in mijn leven drong ik door in deze leer van de vernietiging, maar ditmaal niet meer geleid door indrukken en invloeden uit mijn dagelijks leven, maar gedreven door de waarneming van algemene gebeurtenissen in het politieke leven.
Ik verdiepte me opnieuw in de theoretische literatuur van deze nieuwe wereld, en trachtte me de mogelijke uitwerkingen daarvan duidelijk voor te stellen, vergeleek deze dan met de werkelijke verschijnselen en gebeurtenissen, waardoor haar werkzaamheid in het politieke, culturele en economische leven zich kenmerkte. Voor de eerste maal echter vestigde ik mijn aandacht nu ook op de verschillende pogingen, om deze internationale pest klein te krijgen. Ik bestudeerde nu de opzet, de strijd en het resultaat van Bismarcks socialistenwetten. Langzamerhand kwam mijn overtuiging daardoor op granieten grondslagen te rusten, zodat ik sindsdien nimmer meer gedwongen was om enige verandering aan te brengen in mijn opvatting over deze kwesties. De onderlinge verhouding van marxisme tot Jodendom onderwierp ik eveneens opnieuw aan een grondig onderzoek. Maar wanneer ik vroeger in Wenen, Duitsland meer nog dan iedere andere staat voor een onkwetsbare kolos had aangezien, thans kwam er toch telkens weer een zekere angst en onrust in mij op. Ik kwam innerlijk, en ook in de kleine kring van mijn kennissen, in verzet tegen de Duitse buitenlandse politiek, en eveneens tegen de, mijns inziens ongelooflijk lichtvaardige, manier, waarop men het allerbelangrijkste probleem, dat er destijds feitelijk voor Duitsland bestond, het marxisme, behandelde.
Ik kon werkelijk niet begrijpen, hoe men zich zo volkomen blind in het ongeluk kon storten, terwijl men wist, dat de gevolgen daarvan, zoals het marxisme immers wilde, ontzettend zouden moeten zijn. Ik heb reeds destijds in mijn kleine kring, evenals heden in het groot, gewaarschuwd tegen die redenering, waarachter al die treurige lafaards zich verscholen: "ons kan niets gebeuren!" Reeds eerder was een reusachtig rijk te gronde gegaan door zo'n funeste mentaliteit. En zouden de wetten, die voor alle andere menselijke gemeenschappen golden, dan alleen voor Duitsland niet opgaan? In de jaren 1913 en 1914 heb ik dan ook voor de eerste maal in verschillende kringen, welke heden voor een deel goed nationaal-socialistisch zijn, de overtuiging uitgesproken, dat de toekomst van de Duitse natie afhankelijk was van de vernietiging van het marxisme. In die rampzalige Duitse bondgenootschappolitiek kon ik niets dan een gevolg zien van de ontbindende werking van deze leer; want het vreselijke was immers juist, dat dit gif bijna onmerkbaar alle grondslagen van een gezonde opvatting over staat en maatschappij ondermijnde, zonder dat het slachtoffer ook maar in de verste verte vermoedde, hoezeer zijn wil en zijn daden reeds waren bepaald door die levensbeschouwing, welke hij overigens zo beslist mogelijk afwees.
De innerlijke degeneratie van het Duitse volk was destijds reeds lang begonnen, zonder dat de mensen hadden begrepen, wie het was, die hun bestaan verwoestte; iets, dat men overigens in dit leven wel vaker moet constateren. Soms dokterde men nog een beetje aan de ziekte, maar zag dan steeds de gevolgen voor de oorzaak aan. Daar men deze oorzaak niet kende, of niet wilde kennen, had de strijd tegen het marxisme echter ook geen grotere waarde dan de eerste de beste kwakzalverij.
Toen ik nog een jonge wildebras was, had mij niets zozeer dwars gezeten als het feit, dat ik nu juist in een tijd was geboren, waarin zo kennelijk enkel nog voor grote grutters of rijksambtenaren monumenten werden opgericht. De golven van de historische gebeurtenissen schenen reeds zozeer tot kalmte te zijn gekomen, dat het wel leek, alsof de gehele toekomst werkelijk niets anders meer bood, dan die befaamde "vreedzame wedstrijd der volkeren", wat dus wilde zeggen een eeuwigdurende kalme, bezadigde, wederkerige begapperij, waarbij het alleen tot de spelregels behoorde, om zich onder geen voorwendsel met geweld te verdedigen. De staten begonnen steeds meer te gelijken op ondernemers, die elkaar wederzijds het gras voor de voeten wegmaaiden, elkaar de klanten en de opdrachten afsnoepten, en trachtten, zich op alle manieren ten koste van de anderen te bevoordelen, en dat alles dan begeleid door een even luid als onbetekenend geschreeuw. Deze ontwikkelingsgang scheen echter niet alleen blijvend te moeten zijn, maar was( op algemeen verzoek) voorbestemd, om eens de gehele wereld om te knutselen tot een enkel groot warenhuis, met een voorportaal vol borstbeelden, waarin de nagedachtenis van de meest doortrapte zwendelaars en van de onnozelste administrateurs voor het nageslacht bewaard zou blijven.
De Engelsen zouden dan de kooplieden kunnen leveren, de Duitsers de Administrateurs, terwijl de Joden zich wel zouden moeten opofferen en als eigenaars fungeerden, daar zij immers, naar hun eigen getuigenis, toch nooit iets verdienen, doch altijd enkel maar betalen, betalen - en bovendien ook nog het grootste aantal talen spreken. Waarom had ik toch niet een honderd jaar eerder geboren kunnen zijn? Bijvoorbeeld in de tijd van de vrijheidsoorlogen (1813-1815), toen een man werkelijk ook zonder "negotie" nog iets waard was?! Zo had ik me al vaak geërgerd over mijn leven, dat mijns inziens veel te laat was begonnen, en had de tijd van "rust en orde", die mij wachtte, steeds als een onverdiende gemene streek van het noodlot tegen mij persoonlijk beschouwd. Ik was immers ook als jongen geen "pacifist", en alle pogingen om mij daartoe op te voeden, mislukten jammerlijk. De boerenoorlog was voor mij een even grote verrassing als een bliksemstraal bij heldere hemel geweest zou zijn. Ik loerde iedere dag op de kranten, verslond te telegrammen en berichten, en voelde me al gelukkig, omdat ik tenminste op een afstand getuige kon zijn van deze heldenstrijd.
Toen de Russisch-Japanse oorlog uitbrak, was ik reeds veel rijper, maar ook aandachtiger. Ik had daarbij reeds, om meer nationale redenen, partij gekozen, en mij destijds, bij de eerste gedachtewisseling over dit onderwerp, dadelijk aan de zijde van Japan geschaard. Ik zag in de nederlaag van de Russen ook een nederlaag van de Slaven in Oostenrijk. Sindsdien waren er vele jaren verlopen, en wat mij eens, als jongen, een ellendige ziektetoestand scheen, dat voelde ik nu als een stilte voor de storm. Reeds gedurende mijn Weense tijd hing er boven de Balkan zo'n loodgrauwe zwoelte, die meestal een orkaan aankondigt, en reeds vlamde ook van tijd tot tijd een lichter schijnsel op, dat echter spoedig weer in de dreigende donkerte verdween. Toe echter kwam de Balkanoorlog en daarmee joeg ook als eerste windstoot over het zenuwachtig geworden Europa. De tijd, die nu kwam, drukte als een zware nachtmerrie op de mensen, broeide als een koortsige tropensfeer, zodat uit de onophoudelijke bezorgdheid voor de ramp tenslotte het verlangen groeide, dat het dan eindelijk maar mocht losbarsten, wanneer het dan toch niet meer tegen te houden was. En daar schoot ook al de eerste geweldige bliksemstraal op de aarde neer; het onweer brak los en in de donder mengde zich het dreunen van de batterijen van de wereldoorlog.
Toen het bericht van de moord op Aartshertog Franz Ferdinand te München bekend werd (ik was juist thuis, en hoorde maar ten naastenbij, hoe alles zich had afgespeeld), maakte zich eerst grote angst van mij meester, dat de kogels misschien afkomstig waren uit pistolen van Duitse studenten, die verontwaardigd waren over de anti-Duitse en pro-Slavische actie van de troonopvolger, en het Duitse volk wilden bevrijden van deze binnenlandse vijand. Men kon zich maar al te gemakkelijk indenken, wat daarvan het gevolg zou zijn geweest: een nieuwe stroom van vervolgingen, welke de gehele wereld nu "gerechtvaardigd" en "redelijk" zou achten. Toen ik echter, dadelijk nadien, reeds de namen van de vermoedelijke daders hoorde, en bovendien, dat ze als Serven waren geïdentificeerd, liep er mij toch even een rilling over de rug over de wraak van het onberekenbare noodlot. De grootste vriend van de Slaven viel onder de kogels van Slavische fanatici. Wie in de laatste jaren de gelegenheid had gehad, om de verhouding van Oostenrijk tot Servië voordurend gade te slaan, die kon er moeilijk lang aan twijfelen, dat de steen nu was beginnen te rollen, en dat er geen ophouden aan was.
Men zou de Weense regering onrecht doen, wanneer men haar nu met verwijten overstelpt wat de vorm en de inhoud van haar ultimatum betreft. Geen macht ter wereld had, in haar positie en onder dezelfde omstandigheden, anders kunnen handelen. Oostenrijk bezat aam zijn Zuid-Oostgrens een onverbiddelijke doodsvijand, die de monarchie met steeds korter tussenposen uittartte, en die daar ongetwijfeld nooit mee zou zijn opgehouden, voordat tenslotte inderdaad het gunstigste ogenblik, om het rijk te vernietigen, zou zijn aangebroken. Men had reden om te vrezen, dat deze situatie uiterlijk bij de dood van de oude keizer zou zijn aangebroken; maar niemand kon zeggen, of de monarchie op dat ogenblik nog wel tot enig ernstig verweer in staat zou zijn. De gehele staat werd in de laatste jaren reeds zo uitsluitend nog door de persoon van Franz Joseph bijeengehouden, dat de grote massa reeds van tevoren het gevoel had, dat de dood van deze oeroude personificatie van het rijk tegelijkertijd het einde van het rijk zou betekenen. Ja het was een van de sluwste trucs, waarvan zich bij voorkeur de Slavische politici bedienden, om de indruk te wekken, als had de Oostenrijkse staat zijn voortbestaan enkel en alleen nog te danken aan de buitengewone, onovertrefbare staatsmanskunst van deze monarch; een vleierij, die het hof des te aangenamer aandeed, omdat dit zo absoluut niet tot de werkelijke kwaliteiten van de keizer behoorden.
De adder, die hier onder het gras school, wist men niet te ontdekken. Men zag niet - of misschien wilde men ook niet meer zien - dat, naarmate de monarchie meer uitsluitend afhankelijk was van de "ongeëvenaarde staatsmanskunst van deze wijste monarch van alle tijden", zoals men zich placht uit te drukken, de toestand bij Franz Josephs dood ook des te funester zou worden. Maar was het oude Oostenrijk eigenlijk nog wel denkbaar zonder zijn oude keizer? Zou de tragedie, die een Maria Theresia getroffen had, zich niet onmiddellijk hebben herhaald? Nee, men doet de Weense regeringskringen werkelijk onrecht, wanneer men hun verwijt, dat zij nu tot een niet onvermijdelijke oorlog aanzetten. Want het was onjuist te beweren, dat die oorlog nog te vermijden was geweest; op zijn best had hij nog een of twee jaar uitgesteld kunnen worden. Maar dit was immers juist de vloek, die op de Duitse en Oostenrijkse diplomatie rustte, dat zij altijd getracht hadden om de onontkoombare afrekening uit te stellen, tot zij eindelijk op een uiterst ongunstig tijdstip er toe gedwongen werden. Men kan ervan overtuigd zijn, dat een poging om de vrede nogmaals te redden, indien zij geslaagd was, de oorlog op een voor ons nog veel minder gelegen ogenblik had doen uitbarsten.
Nee, indien men deze oorlog had willen vermijden, dan had men ook de moed moeten hebben, om de consequenties van zo'n besluit te aanvaarden. Dan was echter de opoffering van Oostenrijk de enig mogelijke uitweg geweest. De oorlog zou ook dan niet vermeden zijn, maar het zou niet een strijd van allen tegen ons zijn geweest, doch enkel een uiteenscheuren van de Donau-monarchie. En dan moesten wij zelf maar weten wat wij wilden: meedoen, of maar toezien, waardoor we met lege handen het noodlot op zijn beloop zouden laten. Maar juist diegenen, die heden het luidste vloeken over het begin van de oorlog, en er met de diepste wijsheid en deskundigheid over weten te oordelen, zijn dezelfde, die op de noodlottigste wijze meehielpen om op die oorlog aan te sturen. De sociaal-democratie had sinds tientallen van jaren op de meest misdadige manier tot oorlog tegen Rusland gehitst: het Zentrum (het politieke katholicisme in Duitsland) had er, om godsdienstige redenen, het meest toe bijgedragen om de Oostenrijkse staat tot de belangrijkste hoeksteen van de gehele Duitse politiek te maken.
Nu moest men dan de gevolgen van deze waanzinnige politiek dragen. Wat kwam, moest komen, was op geen enkele wijze meer te vermijden. De schuld van de Duitse regering was daarbij, dat zij, om toch maar vooral voor de vrede te bewaren, telkens weer het gunstige ogenblik om te beginnen verzuimde, zich in haar bewegingsvrijheid liet belemmeren door het verbond tot behoud van de vrede, en daardoor tenslotte het slachtoffer werd van een wereldcoalitie, welke, tegenover het streven om de wereldvrede te bewaren, de vaste wil tot de wereldoorlog stelde. Indien de Oostenrijkse regering nu een andere welwillender vorm had gegeven aan haar ultimatum, dan zou dit toch aan de toestand absoluut niets meer veranderd hebben, tenzij misschien dit ene ding, dat zijzelf door de verontwaardiging van het volk gedwongen zou zijn geweest af te treden. Want in de ogen van de grote massa was de toon van het ultimatum nog veel te welwillend, en zeer bepaald niet te veeleisend of te ruw. Wie dit nu tracht te loochenen is of een leeghoofd zonder geheugen, of een bewuste leugenaar.
De oorlog van 1914 werd de massa's waarlijk niet opgedrongen, maar was iets, waarnaar het gehele volk verlangde. Men wilde niet langer onder het juk van de algemene onzekerheid gebukt gaan. Hieruit alleen is het te verklaren, dat er voor deze titanenstrijd meer dan twee millioen Duitse mannen en jongens opstonden, en zich om de vlag schaarden, bereid, om die tot de laatste druppel bloed te verdedigen. Voor mij betekenden die uren de verlossing uit de benauwde ban van die "ordelijke en vreedzame toekomst", welke mijn jeugd had vergald. Ik schaam mij ook heden niet om te zeggen dat ik, ten prooi aan overweldigende geestdrift, op mijn knieën ben gevallen om de hemel uit de diepte van mijn overvol hart te danken, dat mij het geluk was toebedeeld, in deze tijd te mogen leven. Er was een vrijheidsstrijd begonnen, zo geweldig als de aarde nog niet had aanschouwd, want de strijd was nog maar nauwelijks begonnen of het drong reeds tot de grote massa door, dat het deze keer niet ging om het lot van Servië, of zelfs om dat van Oostenrijk, maar dat het bestaan van de gehele Duitse natie op het spoel stond. Voor de laatste maal in vele jaren was het volk helderziend geworden aangaande zijn eigen toekomst. Zodoende klonk al dadelijk bij het begin van deze geweldige worsteling, in de roes van de allesoverheersende geestdrift, de nodige ernstige ondertoon door; want dit diepe inzicht in de ernst van de toestand maakte juist, dat deze nationale wedergeboorte meer werd dan een gewoon strovuurtje.
Men hoopte tegen de winter weer thuis te kunnen zijn, om dan opnieuw door vreedzame arbeid zijn brood te verdienen. De mens hoopt en gelooft nu eenmaal altijd datgene wat hij graag wil. De overgrote meerderheid van de natie was die altijd dreigende toestand reeds lang moe; en daardoor was het ook maar al te begrijpelijk, dat men in het geheel niet meer geloofde aan de mogelijkheid, dat het geschil tussen Oostenrijk en Servië nog kon worden bijgelegd, maar hoopte dat het nu tot een definitieve oplossing zou komen. Ook ik bevond mij onder de millioenen, die dit hoopten. Nauwelijks was het bericht van de aanslag te München bekend geworden, of er schoten mij dadelijk twee gedachten door het hoofd: ten eerste, dat de oorlog nu dan eindelijk onvermijdelijk voor de deur stond, en daarnaast, dat de Habsburgse staat nu wel gedwongen zou zijn, zijn plichten als bondgenoot ook waar te nemen; want wat ik altijd het meest gevreesd had, was de mogelijkheid, dat Duitsland zelf op zekere dag, misschien juist door dit verbond, in een conflict verwikkeld had kunnen raken, zonder dat Oostenrijk daartoe de directe aanleiding had geschapen, en dat de Oostenrijkse staat dan, om binnenlandse politieke redenen, niet de moed zou blijken te bezitten om zijn bondgenoot bij te springen.
De Slavische meerderheid van het rijk zou onmiddellijk begonnen zijn om zo'n plan, dat niet uit Oostenrijks eigen vrije wil was voortgekomen, te saboteren, en had nog veel liever de gehele staat aan puin geslagen, dan de bondgenoot de gevraagde hulp te verlenen. Dit gevaar was nu van de baan. De oude staat moest vechten, of hij wilde of niet. Voor mij bestond er nu ook niet meer de allerminste twijfel over het standpunt, dat ik ten opzichte van dit conflict moest innemen; voor mij was het niet Oostenrijk, dat ter wille van het een of ander eerherstel door Servië in de oorlog ging, maar vocht de Duitse natie om haar bestaan, om haar vrijheid en haar toekomst. Bismarcks meesterstuk moest thans laten zien, wat het waard was; het jonge Duitsland moest op zijn beurt tonen, dat het datgene waardig was, wat de vaderen in vele veldslagen, van Weissenburg tot Sedan en Parijs, hadden verworven en met hun heldenbloed hadden betaald. Indien het jonge Rijk echter als overwinnaar uit dit strijdperk was gekomen, dan zou ons volk ook weer zijn plaats hebben ingenomen in de rij van die naties, die ook groot zijn aan uiterlijke macht. Dan kon het Duitse volk pas weer een sterke vredesmacht zijn, zonder dat het zich, om der wille van die vrede, genoodzaakt zou zien, op het brood van zijn kinderen te beknibbelen.
Als jongen, en later als jongeman, had ik zo dikwijls gewenst nog eens in de gelegenheid gesteld te worden om door daden te bewijzen, dat mijn nationale geestdrift geen holle frase was. Dikwijls scheen het mij bijna een zonde toe, hoera te roepen, zonder daartoe ook maar het morele recht te bezitten; want wie mocht dit woord uitspreken, zonder tenminste eenmaal de sterkte van zijn eigen hart te hebben beproefd op de plaats, waar alle spel voorbij is en de onverbiddelijke godin van het noodlot de eerlijkheid en vastheid van overtuiging van mensen en volkeren onderzoekt? Zo gloeide mijn hart, evenals dat van millioenen anderen, van trots geluk, dat ik me nu eindelijk van dat drukkende gevoel, tekort te zijn geschoten, zou kunnen verlossen. Ik had zo dikwijls "Deutschland über alles" gezongen en uit volle borst: Heil! Geroepen, dat het mij bijna achteraf verleende genade scheen, dat ik thans bij dit grote oordeel van de eeuwige rechter zou mogen komen getuigen van de waarachtigheid van dit geloof.
Want het stond voor mij van het eerste ogenblik af vast, dat ik, voor het geval de oorlog uitbrak - en ik was overtuigd dat dit zou gebeuren - mijn boeken onmiddellijk in een hoek zou gooien. En even vast wist ik, dat mijn plaats alleen daar kon zijn, waarheen mijn innerlijke stem me beval te gaan. Het was hoofdzakelijk om politieke redenen geweest, dat ik Oostenrijk had verlaten; en dat was dan vanzelfsprekender, dat ik thans, nu de strijd begon, pas werkelijk rekening moest gaan houden met deze gezindheid. Ik wilde niet voor de Habsburgse staat vechten, maar was te allen tijde bereid mijn leven te geven voor mijn volk en voor het Rijk; waarin dit volk belichaamd was. De 3e augustus zond ik een rechtstreeks verzoekschrift aan Zijne Majesteit Koning Ludwig III, waarin ik vroeg om in een Beiers regiment dienst te mogen nemen. De kanselarij van het kabinet had ongetwijfeld haar handen meer dan vol in deze dagen; des te groter was mijn vreugde, toen ik reeds de volgende dag de beschikking op mijn verzoek ontving. Toen ik met bevende handen het schrijven geopend had en de inwilliging van mijn verzoek las, met de uitnodiging, mij in een Beiers regiment aan te melden, kende mijn vreugde en dankbaarheid geen grenzen.
Enkele dagen nadien droeg ik dan de uniform, welke ik pas een zestal jaren later weer zou uittrekken. Zo begon nu ook voor mij, als zeker voor iedere andere Duitser, de onvergetelijkste en grootste tijd van mijn bestaan op aarde. Naast het duizendvoudig vergrote leven in deze geweldige worsteling, zonk alles wat er vroeger geweest was volomen in het niet. Het noodlot was zo genadig, mij ook deze eerste weken van de heldenstrijd van ons volk te doen beleven - en vooral nu in deze dagen dat geweldige gebeuren ten tiende male verjaart, denk ik er dikwijls met trotse weemoed aan terug. Het is me, alsof het pas gisteren gebeurde, zo scherp trekt beeld na beeld mij voorbij; ik zie weer, hoe ik met mijn trouwe kameraden in de uniform werd gestoken; dan, hoe wij het eerst uitrukten, exerceerden enz., tot eindelijk de dag van het vertrek aanbrak. In deze tijd kwelde mij, en vele anderen met mij, slechts een angst, n.l. die, dat wij te laat aan het front zouden komen. Dit alleen was dikwijls oorzaak, dat ik geen rust kon vinden. Daarom klonk er voor mij in ieder overwinningsgejuich over nieuwe heldendaden een bittere bijklank, omdat immers met iedere nieuwe zege het gevaar, dat wij te laat zouden komen, groter werd.
En zo kwam dan eindelijk de dag, waarop wij München verlieten, ter vervulling van onze plicht. Voor het eerst zag ik de Rijn, toen wij langs zijn rustige golven naar het Westen reisden, om die vader van de Duitse stromen te beschermen tegen de hebzucht van de oude vijand. Toen wij door de tere sluier van de ochtendnevel heen, in het licht van de eerste milde zonnestralen, hoog boven ons het Niederwaldmonument zagen opblanken, toen barstte uit de honderden harten in die eindeloos lange transporttrein de oude "Wacht am Rhein" in de frisse morgenlucht, en het was me, alsof mijn borst te nauw was voor zoveel ontroering. En daarna moet ik denken aan de vochtige koude nacht in Vlaanderen, waar wij zwijgend door het donker marcheerden, en wanneer de dag dan uit de nevelen begint op te staan, sist er opeens een ijzeren groet boven onze hoofden, ons tegemoet, en jaagt met een scherpe knal de kleine kogels in onze rijen, dat het slijk van de drassige bodem overal hoog opspat; maar voor het wolkje nog is opgetrokken, dreunt reeds uit tweehonderd kelen het eerste hoera als antwoord. Daarna echter begon het te knetteren en te dreunen, te fluiten en te loeien, en een ieder voelde nu, met koortsige ogen, hoe het hem naar voren trok, steeds sneller, totdat plotseling over knollenvelden en heggen de strijd begon, de strijd van man tegen man.
Uit de verte echter vingen onze oren de klanken van een lied op, die steeds dichterbij kwamen, die van de ene compagnie op de andere oversprongen; en toen, juist op het ogenblik dat de dood met beide handen in onze rijen tastte, bereikte dat lied ons, en ook wij gaven het nu verder door: "Deutschland, Deutschland, über alles, über alles in der Welt!" Na vier dagen keerden wij terug. Zelfs onze pas was anders geworden. Deze zeventienjarige jongens zagen er nu uit als mannen. De vrijwilligers van het regiment List hadden misschien niet zo goed geleerd te vechten; maar hoe te sterven, dat wisten ze, alsof ze oude soldaten waren. Dat was het begin. Zo ging het nu verder, jaar op jaar; de romantiek van de veldslagen had plaats moeten maken voor de ontzetting. De geestdrift bekoelde langzamerhand, en de al te grote vreugde werd verstikt door de doodsangst. Er kwam een tijd, dat ieder een innerlijke strijd te voeren had tussen de drang tot zelfbehoud en het bevel van de plicht. Ook mij bleef deze strijd niet bespaard. Steeds, als de dood op jacht was, trachtte iets vreemds, iets onzegbaars, in verzet te komen, deed dan al zijn best, om het zwakke lichaam ervan te overtuigen, dat hier het verstand sprak, terwijl het in werkelijkheid niets anders was dan de lafheid, die onder zulke vermommingen de enkeling trachtte te misleiden.
Dan begon een moeilijk lokken en waarschuwen, en dikwijls had men geheel zijn geweten nodig, om in deze strijd de baas te blijven. Hoe meer deze stem, die tot voorzichtigheid maande, zich echter inspande, hoe luider en dringender zij lokte, des te sterker werd ook de weerstand, tot eindelijk, na lange strijd, het plichtsbesef de overwinning behaalde. Reeds in de lange winter van 1915 en 1916 was bij mij deze strijd beslist. De wil was tenslotte volkomen de baas gebleven. Ik had in de eerste dagen jubelend en lachend kunnen meestormen - maar nu was ik rustig en vastberaden. En dit was het blijvende. Nu eerst kon het noodlot tot de uiterste beproeving overgaan, zonder dat mijn zenuwen me in de steek zouden laten, of dat het verstand het moest opgeven. De jonge oorlogsvrijwilliger was een oud soldaat geworden. Deze ommekeer had zich echter bij het gehele leger voltrokken. Het was door de smidse van die onophoudelijke gevechten gegaan, en er oud en gehard uit tevoorschijn gekomen; en alles, wat niet in staat was gebleken al die beproevingen te doorstaan, was er door vernietigd. Maar nu kon men dit leger pas beoordelen. Nu, na twee of drie jaren, waarin het van de ene veldslag in de andere geworpen werd, steeds vechtend tegen een overmacht van mensen en materiaal, dikwijls hongerend, en dikwijl het noodzakelijkste ontberend - nu was het ogenblik gekomen om de waarde van dit leger te meten.
Er mogen duizenden jaren voorbijgaan, maar nooit zal iemand meer het woord "heldendom" in de mond kunnen nemen, zonder het Duitse leger uit de wereldoorlog te gedenken. Dan zal uit de schemering van het verleden het ijzeren front van de grauwe stalen helm opstaan, dat niet wankelde en niet week, en dat ons steeds zijn onsterfelijke daden zal doen gedenken. Zolang er Duitsers leven, zullen zij weten, dat ook deze eenmaal zonen waren van hun volk. Ik was destijds soldaat, en wilde daarom niet aan politiek doen. Het was er ook waarlijk de tijd niet voor. Ik ben heden nog vast overtuigd, dat de minste voermansknecht het vaderland nog groter diensten heeft bewezen dan het allerbeste parlementslid. Ik heb deze kletsmajoors nooit zozeer gehaat als juist in de tijd, dat iedere werkelijke kerel, die iets te zeggen had, dit de vijand in het gezicht schreeuwde, of anders zo verstandig was zijn mond thuis te laten en zwijgend zijn plicht te doen. Ja, ik haatte destijds al deze "politiekelingen", en, wanneer het van mij had afgehangen, dan zou er dadelijk een schoppenbataljon gevormd zijn, geheel bestaande uit parlementsleden; dan zouden zij onder elkaar naar hartelust kunnen kletsen, zonder fatsoenlijke en eerlijke mensen te kunnen ergeren of benadelen.
Ik wilde dus toentertijd niets met politiek te maken hebben, maar was wel gedwongen, mijn standpunt te bepalen ten aanzien van zekere verschijnselen, die nu eenmaal de gehele natie raakten, maar die wel vooral ons soldaten aangingen. Er waren destijds twee dingen, die mij bijzonder ergerden, en die mijns inziens zeer verkeerd waren. Reeds na de eerste overwinningsberichten begon een zeker deel van de pers langzaam, en misschien aanvankelijk voor velen nog onmerkbaar, enige droppels valeriaan te laten vallen in de algemene geestdrift. Dit gebeurde zogenaamd, omdat men zo welwillend was, en het zo goed bedoelde - en zelfs zo bezorgd was. Men opperde bezwaren tegen een al te uitbundig vieren van de overwinningen. Men vreesde, dat dit in deze vorm een grote natie onwaardig was, en dat ons volk zich daarom ook van een dergelijk vreugdebetoon diende te onthouden. De dapperheid en de heldenmoed van de Duitse soldaten was immers iets volkomen vanzelfsprekends, zodat men daarover niet in zo'n buitengewone vreugde hoefde los te barsten, alleen al vanwege het buitenland, dat veel meer onder de indruk kwam van een stille en waardige vorm van vreugde, dan van uitbundig gejuich, enz. Tenslotte mochten wij Duitsers ook nooit uit het oog verliezen, dat wij het niet waren geweest, die de oorlog hadden gewild, en dat wij ons dus ook niet behoefden te schamen om openlijk en ruiterlijk toe te geven, dat wij te allen tijde bereid zouden zijn om ons aandeel bij te dragen tot een verzoening van de mensheid.
Daarom zou het nu echter niet verstandig zijn, om de smetteloze daden van het leger te bevlekken door een al te luid geschreeuw, omdat de rest van de wereld zo'n houding niet zou kunnen rechtvaardigen. Niets zou daar meer bewonderd worden dan de bescheidenheid, waarmee een ware held zijn daden zwijgend en kalm zou vergeten ..., want daarop kwam het hele betoog eigenlijk neer. Nu ging men zo'n heerschap niet bij zijn lange oren pakken om hem naar een hoge paal te slepen, en aan een strop op te trekken, teneinde zo te zorgen, dat de feestvierende natie het esthetisch gevoel van deze penneridder niet meer zou kunnen beledigen. O, nee, integendeel; men begon inderdaad tegen de "ongepaste" wijze van feestvieren op te treden. Men begreep blijkbaar absoluut niet, dat men, wanneer men de geestdrift eenmaal kunstmatig bekoeld heeft, een zo spontaan gevoel niet meer willekeurig naar behoefte kan opwekken. De geestdrift is een roes en moet als zodanig in stand worden gehouden. Hoe zou men echter ooit een strijd kunnen doorstaan, die naar menselijke berekening de allerzwaarste eisen zou stellen aan de zielskracht van de natie, wanneer men niet over dat kostbare wapen van de geestdrift beschikte?
Ik kende de geestesgesteldheid van de grote massa te goed, om niet te weten, dat men hier met esthetisch verheven gedoe het vuur nooit weer zou aanwakkeren, dat nodig was, om het ijzer heet te houden. Het was mijns inziens krankzinnig, dat men niets deed om de kookhitte van de hartstocht nog op te voeren; maar dat men dat, wat er gelukkig was, ook nog trachtte te kalmeren, dat was iets waar ik niet bij kon. Het tweede wat mij ergerde, was de houding, welke men meende, tegenover het marxisme te moeten innemen. Men bewees daardoor, mijns inziens, niets anders dan dat men nog niet het flauwste benul had van de betekenis van deze pestilentie. Men scheen werkelijk in volle ernst te menen, dat het woord van de Keizer, dat hij in het vervolg geen partijen meer kende, ook het marxisme tot inkeer en zelfbeperking had gebracht. Dat het hier in het geheel niet gaat om een partij, zoals al de andere, maar om een leer, die tot vernietiging van de gehele mensheid moet voeren, dat was iets, wat men des te minder begreep, omdat dit immers op de - volkomen Joodse - universiteiten niet onderwezen werd, en omdat overigens veel te veel mensen, vooral onder onze hogere ambtenaren, het immers uit notabene nog aangeleerde, domme verwaandheid, niet de moeite waard vinden eens een boek ter hand te nemen en iets te leren wat nu eens niet op het program van hun hogeschool genoemd wordt.
Zelfs de geweldigste omwenteling maakt geen indruk op deze "kopstukken", wat mede een van de redenen is, waarom staatsinstellingen meestal zo'n eind achter de particuliere inrichtingen komen aansukkelen. Voor hen geldt waarlijk nog het meest het oude spreekwoord: Wat de boer niet kent, dat lust hij niet. De zeldzame uitzonderingen doen ook hier niets anders dan de regel bevestigen. Het was een krankzinnigheid zonder weerga, om in de Augustusdagen van 1914 de Duitse arbeider te identificeren met het marxisme. De Duitse arbeider had zich juist in die uren verlost van die gevaarlijke pest, omdat hij anders immers nooit ook maar bij machte was geweest om voor de strijd aan te treden. Men was echter dom genoeg om te menen, dat het marxisme nu misschien wel "nationaal" was geworden, een werkelijk zeer lumineus idee, dat alleen maar bewijst, dat niemand van deze hogere ambtenaren het in al die jaren ook maar de moeite waard had geacht om het karakter van deze leer te bestuderen, omdat men anders toch onmogelijk tot een dergelijke krankzinnige veronderstelling had kunnen komen.
Het marxisme, dat uiteindelijk er naar streeft, om alle niet Joodse nationale staten te verdelgen, en dat doel nooit loslaat, moest tot zijn ontzetting zien, dat in de Julidagen van het jaar 1914 de Duitse arbeiders, die reeds voorgoed in zijn web verstrikt schenen, ontwaakten, en zich van uur tot uur in groter aantal in dienst van het vaderland gingen stellen. In een paar dagen slechts was de gehele invloed en duivelse macht van dit schandelijke volksbedrog gebroken, en stond het Joodse leidersgespuis eenzaam en verlaten, alsof van al die waanzin en al dat valse geloof, dat ze nu al sinds zestig jaar in de hersens van de massa hadden gegoten, geen spoor meer restte. Het was een zwarte dag voor de bedriegers van de Duitse arbeiders. Zodra de leiders echter het, hun bedreigende, gevaar herkenden, trokken zij ten spoedigste de "tarnkap" (legendarische muts, die de drager onzichtbaar maakt) van de leugen over de oren en speelden een zeer brutaal stukje komedie, door net te doen, alsof ook zij door de nationale opstanding in geestdrift waren ontstoken. Dit was nu echter het aangewezen ogenblik geweest om tegen deze gehele bedrieglijke troep van Joodse volksvergiftigers op te treden.
Nu had men korte metten met hen moeten maken, zonder ook maar de minste aandacht te schenken aan het geschreeuw en gejammer, dat ze misschien zouden aanheffen. In Augustus 1914 was al het Joodse gepraat over internationale solidariteit met een slag verdwenen uit de hoofden van de Duitse arbeiders, en reeds een paar weken later begonnen de Amerikaanse granaatkartetsen de zegeningen van een nieuwe vorm van broederschap, in plaats van de oude, over de helmen van de marcherende colonnes uit te gieten. Een verantwoordelijke regering zou het als haar plicht hebben beschouwd om nu, op het ogenblik, dat de Duitse arbeider de weg naar zijn volk had teruggevonden, de lieden, die hem voordien hadden opgehitst, onverbiddelijk uit te roeien. Wanneer het al nodig was, dat aan het front de besten vielen, dan kon men achter het front tenminste het ongedierte verdelgen. Maar inplaats van zo krachtig op te treden, stak Zijne Majesteit de Keizer zelf de oude misdadigers de hand toe, en schonk zo de sluwe sluipmoordenaars van de natie vergiffenis, en de mogelijkheid om in stilte weer op hun verhaal te komen.
Nu kon het gif dus weer verder kruipen, voorzichtiger dan vroeger, maar daardoor slechts des te gevaarlijker. Terwijl de eerlijken droomden van landvrede, organiseerden de meinedige misdadigers de revolutie. Dat men destijds tot zulk een verschrikkelijk halfslachtige maatregel zijn toevlucht kon nemen, was iets, wat mij steeds ontevredener maakte; dat het uiteindelijke resultaat daarvan echter zo ontzettend zou zijn, dat had ook ik destijds niet voor mogelijk gehouden. Maar wat had men nu moeten doen? De leiders van de gehele beweging achter slot en grendel zetten, hen strafrechtelijk laten vervolgen, en van de natie van hun aanwezigheid verlossen. Men had onvoorwaardelijk de totale machtsmiddelen moeten aanwenden, om deze pestilentie uit te roeien. De partijen moesten worden ontbonden en de Rijksdag, zo nodig met de bajonet, tot rede worden gebracht; het best echter kon men deze instelling meteen opdoeken. Evenals de republiek zich tegenwoordig het recht heeft toegekend, partijen te ontbinden, evenzeer had het oude Rijk dat moeten doen, en ze had er waarlijk heel wat meer reden toe gehad. Het ging immers om het bestaan van het gehele volk! Dan bleef er weliswaar nog een vraag onbeantwoord: Is het eigenlijk wel mogelijk, ideeën met het zwaard uit te roeien? Kan men wereldbeschouwingen met bruut geweld bestrijden?
Ik heb reeds in die tijd dikwijls naar een antwoord op deze vraag gezocht. Bij het overdenken van soortgelijke gevallen, waarvan er vooral op godsdienstig gebied in de geschiedenis verschillende te vinden zijn, komt men in principe ongeveer tot de volgende conclusie: Denkbeelden en ideeën, en ook bewegingen met een bepaalde ideologische basis, onverschillig of deze al dan niet juist zijn, kunnen, van een zeker punt in hun groeiperiode af, alleen nog door zulke technische machtsmiddelen vernietigd worden, welke tegelijkertijd de dragers zijn van een nieuwe brandende gedachte, idee of wereldbeschouwing.
Het gebruik van geweld alleen, zonder de motor van een geestelijke grondslag, kan nimmer leiden tot de vernietiging van een idee, en is al evenmin in staat, volkomen een eind te maken aan de verspreiding daarvan, tenzij dan, dat men er in zou slagen om alle aanhangers van die idee, tot de laatste sympathisant toe, uit te roeien, en tevens de laatste overlevering ervan te doen vergeten. Een zodanig optreden heeft echter meestal ten gevolge, dat zulk een staat dikwijls voor zeer lange tijd, soms zelfs voorgoed, een zeer belangrijk deel van zijn betekenis inboet. De ondervinding heeft immers geleerd, dat een dergelijk zwaar bloedoffer steeds ten koste van het beste deel van het volk gaat, omdat iedere vervolging, die tegen een bepaalde nieuwe idee is gericht, als een immorele daad wordt aangevoeld, en als zodanig het protest van de waardevolste krachten van het volk uitlokt, wat dan weer ten gevolge heeft, dat deze beste krachten een deel van de ideeën van de onrechtvaardig vervolgden tot de hunne maken. Bij zeer velen gebeurt dit enkel uit een gevoel van innerlijk verzet tegen de poging, om een idee door middel van bruut geweld neer te knuppelen.
Daardoor echter groeit echter het aantal van diegenen, welke het bestreden beginsel zijn toegedaan, naarmate de vervolgingen in hevigheid toenemen. Daarom zal de totale vernietiging van de nieuwe leer alleen door te voeren zijn langs de weg van de genadeloze uitroeiing, welke dan echter zodanige - en nog steeds groeiende - afmetingen aanneemt, dat tenslotte al het waarlijk waardevolle bloed verloren gaat. Dit wreekt zich echter, doordat nu wel de z.g. "inwendige reiniging" kan plaatsvinden, maar alleen tegen de prijs van algehele machteloosheid. Steeds echter zal zulk een optreden van de aanvang af reeds tot vruchteloosheid zijn gedoemd, wanneer de te bestrijden leer in meer dan een bepaalde beperkte kring bekendheid heeft verworven. Daarom biedt ook hier, zoals bij alles wat groeit, de eerste kindertijd nog de beste kansen tot vernietiging, terwijl met het klimmen van de jaren de weerstand toeneemt, om eerst bij het naderen van de ouderdomszwakte, en dan zonder kunstmatige middelen, plaats te maken voor een nieuwe jeugd, al zal deze dan ook een andere vorm en andere grondslag bezitten. In de praktijk echter lijden bijna alle pogingen om door geweld zonder geestelijke wapenen een leer en haar organisatie uit te roeien, schipbreuk en lopen zelfs vaak juist op het tegendeel uit van datgene, wat men wilde bereiken; en dat wel om de volgende redenen:
De allereerste voorwaarde voor een strijd met het wapen van het brute geweld alleen, is en blijft de volharding. Dat betekent, dat de enige mogelijkheid om het gestelde doel te bereiken, gelegen is in een voortdurend gelijkmatige toepassing van de methoden tot onderdrukking van de leer en haar nevenformaties. Zodra hier echter ook maar een enkele, nog zo geringe en aarzelende kentering komt van genadeloos geweld naar iets grotere toegeeflijkheid, dan zal de leer, die men wil verpletteren, niet alleen telkens weer de kop opsteken, maar zal zelfs in de gelegenheid zijn om uit iedere vervolging opnieuw munt te slaan, doordat na het afnemen van zulk een golf van onderdrukkingen de verontwaardiging over het ondervonden leed en onrecht nieuwe aanhangers wint voor de oude leer, terwijl de oude leden haar met nog grotere hardnekkigheid en diepere haat dan vroeger zullen aanhangen; en zelfs mensen, die reeds lang geleden afvallig werden, zullen, wanneer het ergste gevaar weer ge weken is, trachten, weer in contact te komen met de oude beweging.
De allereerste voorwaarde voor het succes is hier de constante ononderbroken toepassing van geweld. Zulk een bestendigheid is echter alleen mogelijk bij de gratie van een bepaald geestelijk fundament. Ontbreekt dit, dan zal het geweld slechts weifelend en onzeker optreden. Het mist dan immers de stabiliteit, welke alleen een fanatiek geloof kan schenken. Nu dankt het telkens zijn bestaan enkel aan de energie en de brute vastberadenheid van een enkeling; dit zal dus ook veranderen, zo gauw deze man plaats maakt voor een ander; en de kracht en het karakter van het geweld zullen steeds van geheel andere aard zijn. Daar komt echter nog iets anders bij. Iedere wereldbeschouwing, of ze nu van meer religieuze, dan wel van meer politieke aard is - dikwijls is de grens hier zeer moeilijk te trekken - streeft niet zozeer naar de vernietiging van de ideeënwereld van haar tegenstanders, als wel naar de overwinning van haar eigen ideologie.
Dat betekent dus, dat haar strijd altijd meer aanval dan verdediging zal zijn. Daarbij heeft zij reeds dit grote voordeel, dat zij zelf haar doel kan bepalen, omdat dit doel immers bestaat in de overwinning van haar eigen idee, terwijl het in het omgekeerde geval niet dan zeer moeilijk is vast te stellen, wanneer dat negatieve doel werkelijk geheel en al is bereikt, m.a.w., wanneer die vijandelijke leer inderdaad totaal is uitgeroeid. Daarom alleen al zal de aanval van een wereldbeschouwing systematischer en ook krachtiger zijn dan de verdediging ervan; trouwens ook hier, zoals overal, is het de aanval, die de strijd beslist, en niet de verdediging. De strijd tegen een geestelijke macht met de middelen van het geweld houdt echter pas op verdediging te zijn op het ogenblik, dat het zwaard zelf tot drager en verkondiger van een nieuwe leer wordt. In het kort kan men dus het volgende vaststellen: Iedere poging om een wereldbeschouwing met gewelddadige middelen te bestrijden, zal tenslotte schipbreuk lijden, zolang de strijd niet de vorm aanneemt van een aanval ter wille van een nieuwe overtuiging. Alleen waar twee wereldbeschouwingen met elkaar worstelen, kan het brute geweld, onverbiddelijk en bij voortduring toegepast, de doorslag geven ten voordele van de door dat wapen ondersteunde zijde.
Daarop was echter totnogtoe de bestrijding van het marxisme nog altijd gestrand. Dat was de reden, waarom ook Bismarcks socialistenwetten tenslotte, ondanks alles, tekortschoten, en tekort moesten schieten. Want ook hier ontbrak het platform van een nieuwe wereldbeschouwing, welke een positief strijddoel had kunnen zijn. Want dat het gebazel over z.g. "staatsgezag" of over "rust en orde" in staat zou zijn om de nodige bezieling te geven voor een strijd op leven en dood, dat is een mening, welke alleen lieden die met een zo spreekwoordelijke wijsheid begaafd zijn als hoge ambtenaren aan ministeries, kunnen huldigen. Omdat echter een werkelijk dragende idee in deze strijd ten enenmale ontbrak, moest Bismarck de toepassing van zijn socialistenwetten ook overlaten aan de bevattelijkheid en van de goede wil van die inrichting, die zelf een misproduct van marxistisch denken was. Doordat de ijzeren kanselier de uitslag van zijn strijd tegen het marxisme liet afhangen van de goede wil van de burgerlijke democratie, liet hij als het ware de vos op de ganzen passen. Dit alles was echter eigenlijk enkel het noodzakelijk gevolg van het feit, dat het allernodigste, een nieuwe principieel anti-marxistische wereldbeschouwing, mankeerde.
Daardoor leidde Bismarcks strijd ook enkel tot een zeer grote teleurstelling. Maar zag het er, wat dit punt betreft, tijdens de wereldoorlog of bij het begin daarvan dan eigenlijk beter uit? Helaas, nee! Hoe meer ik me destijds bezighield met de noodzakelijke wijziging die er moest komen in de houding van de regering ten opzichte van de sociaal-democratie, als de huidige vorm van het marxisme, des te pijnlijker voelde ik het gemis van een bruikbare plaatsvervanger voor deze leer. Stel, dat men er nu eens in zou slagen om de sociaal-democratie te vernietigen; wat wilde men de massa's geven om de leegte te vullen, welke dat verdwenen ideaal had achtergelaten? Er bestond niet een beweging, waarvan men mocht verwachten, dat het haar zou gelukken om de grote scharen van arbeiders, die nu min of meer zoekend en zonder leiders ronddoolden, tot zich te trekken. Het is dwaas en meer dan dom om te veronderstellen, dat de man, die altijd een fanatiek internationalist is geweest, en die zijn klassepartij verlaat, zich nu onmiddellijk tot een burgerlijke partij, dus tot een nieuwe, andere, hem vreemde klassepartij zou wenden.
Want, hoe onaangenaam dit ook voor verschillende van deze organisaties moge klinken, toch valt niet te ontkennen, dat zeer vele burgerlijke politici de indeling in klassen als een vanzelfsprekend iets beschouwen, zolang deze verdeeldheid onder ons volk zich niet in politiek opzicht tot hun nadeel begint te ontwikkelen. Wanneer men dit feit ontkent, bewijst men daarmee alleen hoe brutaal, dom en leugenachtig men is. Laat men toch vooral oppassen, dat men de grote massa niet voor dommer houdt dan zij is. In politieke aangelegenheden beslist niet zelden het gevoel juister dan het verstand. De opvatting echter, dat het domme internationalisme van de massa toch voldoende zou bewijzen, dat haar gevoel haar op dwaalwegen leidt, kan dadelijk zeer grondig worden weerlegd door er eenvoudig op te wijzen, dat de pacifistische democratie niets minder krankzinnig is, hoewel zij haar aanhangers nog wel bijna uitsluitend uit burger kringen rekruteert. Zolang millioenen burgers nog iedere morgen hun Joodse democratische pers aanbidden, past het deze heren wel allerminst om grappen te maken over de sociaal-democratische "kameraad", die per slot van rekening hetzelfde vuil slikt als zij, al is dan de toebereiding ook enigszins anders.
Het is een en dezelfde Jood, die de beide maaltijden heeft samengesteld. Men mag er dus wel goed om denken, dat men geen onloochenbare feiten gaat ontkennen. Het feit, dat het bij het klassenvraagstuk zeer stellig niet alleen gaat om ideële problemen, zoals men ons vooral voor verkiezingen steeds graag wil wijsmaken, kan niet worden ontkend. Het feit, dat een groot deel van ons volk zich verbeeldt iets te zijn op grond van de "stand" waartoe het behoort, is, evenals de algemene geringschatting voor de handarbeider, iets, dat helaas niet aan het koortsige brein van een maanzieke is ontsproten, doch dat maar al te bittere werkelijkheid is. Geheel afgezien daarvan, bewijst het echter ook hoe gering het denkvermogen van onze z.g. "intellectuelen" wel is, dat juist in deze kringen niet wordt begrepen, dat een toestand, welke niet in staat was om te voorkomen dat een pest als het marxisme zich overal verspreidde, nu natuurlijk helemaal niet bij machte zal zijn om het verloren terrein weer terug te winnen.
De burgerlijke partijen, zoals zij zichzelf noemen, zullen er nooit meer in slagen om de proletarische massa's voor hun idealen te vangen, omdat hier twee werelden tegenover elkaar staan, welke gedeeltelijk natuurlijk, gedeeltelijk kunstmatig gescheiden zijn, zodat er tussen hen alleen strijd mogelijk is. De jongste van beide - en dat zou dan het marxisme zijn - zal als overwinnaar uit deze strijd tevoorschijn komen. Inderdaad was een succesvolle strijd tegen de sociaal-democratie in het jaar 1914 wel denkbaar, maar was het de vraag, hoe lang een dergelijke mogelijkheid zou blijven bestaan, gezien immers het volkomen gemis aan een ander ideaal, dat de sociaal-democratie zou kunnen opvolgen. Hier gaapte een grote leemte. Ik was reeds lang voor de oorlog deze mening toegedaan, en kon dan ook niet besluiten, lid te worden van een van de bestaande partijen. In de loop van de oorlog werd ik in mijn overtuiging nog versterkt, doordat maar al te duidelijk bleek, dat het kennelijk onbegonnen werk was om de strijd op leven en dood tegen de sociaal-democratie aan te binden, omdat juist een van de allernoodzakelijkste voorwaarden ontbrak: een beweging die meer was dan platweg een "parlementaire" partij.
Ik heb mij tegenover mijn beste kameraden dienaangaande openhartig uitgelaten. Overigens dacht ik nu voor het eerst ook eens aan de mogelijkheid, om me later toch zelf eens met de politiek te gaan bezighouden. Dit werd nu ook juist aanleiding voor mij, om meermalen aan de kleine kring van mijn vrienden te verzekeren, dat ik, na de oorlog, niet alleen mijn beroep zou hervatten, maar ook als redenaar zou optreden. En ik geloof, dat het mij daarbij heilige ernst was.
Door mijn grote belangstelling voor alle politieke gebeurtenissen had ik altijd bijzonder belang gesteld in de werking van de propaganda. Ik beschouwde deze als een instrument, waarvan vooral de socialistische en marxistische organisaties zich met meesterlijke vaardigheid wisten te bedienen. Ik leerde hierbij al vroeg inzien, dat een juist gebruik van de propaganda en ware kunst was, waarvan de burgerlijke partijen nagenoeg niets afwisten. Alleen de Christelijk-sociale beweging, en dat wel vooral in Luegers tijd, wist ook op dit instrument een zekere virtuositeit te bereiken, en had daaraan ook zeer veel van haar successen te danken. In de oorlog kon men echter pas zien, welke geweldige resultaten een goed gehanteerde propaganda weet te bereiken. Helaas moest echter weer alles aan de andere zijde bestudeerd worden, want onze eigen activiteit op dit gebied bleef ver beneden peil. Maar juist het feit, dat de gehele voorlichting aan de Duitse zijde zo volkomen in haar taak tekort schoot - iets, dat vooral iedere soldaat wel ontstellend duidelijk moest zien - werd voor mij een reden te meer om die propagandakwestie zo diepgaand mogelijk te onderzoeken. Wij hadden dikwijls meer dan genoeg tijd tot nadenken; en praktijkervaring kregen wij helaas in voldoende mate van de vijand. Wat wij tekort kwamen, haalde de tegenstander in met de buitengewone virtuositeit en de waarlijk geniale scherpzinnigheid van zijn propaganda. Van die vijandelijke propaganda heb ik ook oneindig veel geleerd.
De lieden echter, die in de allereerste plaats hieruit lering hadden moeten trekken, bleven blind en doof voor dat alles; enerzijds achtte men zichzelf veel te wijs, dan dat men nog iets van anderen had kunnen opsteken, anderzijds ontbrak ook de goede wil daartoe. Maar werd er dan bij ons eigenlijk wel propaganda gevoed? Helaas kan mijn antwoord op deze vraag niet anders dan "Nee" luiden. Alles, wat er in dit opzicht nog werd gedaan, was dermate onvoldoende en zo principieel onjuist, dat deze propaganda in het gunstigste geval niets baatte, en soms zelfs bijna rechtstreeks schadelijk werkte. Wanneer men de Duitse propaganda tijdens de oorlog nauwlettend onderzocht, dan moest men wel tot de conclusie komen, dat ze van vorm onvoldoende en absoluut fout van psychologische opzet was. Men schijnt het reeds niet geheel met zichzelf eens te zijn geweest over het belangrijkste vraagstuk: namelijk, of de propaganda middel dan wel doel is. Ze is een middel, en moet dientengevolge, wanneer men haar beoordeelt, steeds het doel in het oog houden. Haar vorm zal dus zodanig moeten zijn, dat zij het nagestreefde doel op de meest effectieve wijze dient.
Het is ook duidelijk, dat het doel ten opzichte van de algemene noden en behoeften van meer of minder grote betekenis kan zijn, en dat ook de innerlijke waarde van de propaganda volkomen daarvan afhankelijk is. Het doel echter, waarvoor in deze oorlog gestreden werd, was het verhevenste en geweldigste, dat men voor mensen kan bedenken: het was de vrijheid en onafhankelijkheid van ons volk, de zekerheid, dat wij in de toekomst alle Duitsers in het Rijk zouden kunnen voeden, en - de eer der natie; iets dat niettegenstaande alle huidige afwijkende meningen, toch leeft, of, liever gezegd, behoorde te leven, omdat het een oude beproefde waarheid is, dat volkeren zonder eer hun vrijheid en onafhankelijkheid vroeger of later altijd verliezen; wat overigens niets anders dan volkomen rechtvaardig kan worden genoemd, want generaties, welke niets anders weten voort te brengen dan eerloze schooiers, zijn geen vrijheid waard. Wie een laffe knecht wil zijn, die mag en kan geen vrijheid bezitten, omdat anders de eer zelf al spoedig aan de algemene minachting zou zijn prijsgegeven.
Het Duitse volk streed voor een menswaardig bestaan, en de oorlogspropaganda had nu de ondersteuning van deze strijd ten doel moeten hebben. Wanneer volkeren echter strijden voor hun bestaan op deze planeet, en het voor hen dus gaat om het zijn-of-niet-zijn, dan vallen alle humanitaire of atheïstische overwegingen volkomen weg; want al deze denkbeelden zijn geen kosmische realiteiten, maar voortbrengselen van de menselijke fantasie, en bestaan dus ook alleen bij de gratie van die mens. En wanneer hij van de aardbodem verdwijnt, dan lossen ook deze beelden weer op in het niets, want de natuur, in de wijdere betekenis van het woord, kent hen niet. Maar ook onder de mensen zijn het slechts bepaalde volkeren - of beter, bepaalde rassen - welke tot overwegingen van deze aard in staat zijn, en dat wel in meer of mindere mate naar gelang die tendensen overeenkomen met hun sentimenten. Maar ook op een door mensen bewoonde wereld zouden deze begrippen teloor gaan zodra de wereld die rassen zou verliezen, welke de scheppers en dragers van deze begrippen zijn.
Daardoor echter zijn al deze begrippen bij de strijd van een volk om zijn bestaan op aarde slechts van ondergeschikt belang; en men mag zelfs in het geheel niet meer met hen rekening houden bij het bepalen van de norm van de strijd, zodra door hun invloed de kracht tot zelfbehoud van een strijdend volk verzwakt zou kunnen worden. In de praktijk is dat echter steeds het enige zichtbare resultaat. Wat nu de kwestie van de humaniteit betreft, zou ik Moltke willen aanhalen. Deze heeft dienaangaande opgemerkt, dat in de oorlog het kortste proces altijd het humaanste is, dat dus de meest genadeloze strijdwijze, humanistisch gezien, de voorkeur verdient. Wanneer echter iemand zou willen proberen, om ook bij dergelijke vraagstukken esthetisch en soortgelijk gezemel mee te laten spreken, dan kan men zo'n een man maar een antwoord geven: vraagstukken, welke zo belangrijk zijn, dat het bestaan van een volk ervan afhangt, moeten niet in de eerste plaats op mooie wijze, maar vooral op goede en doelmatige wijze worden opgelost. Het lelijkste, dat er in het leven van de mensen kan bestaan, is en blijft het juk van de slavernij. Of bevredigt het tegenwoordige lot van de Duitse natie bijgeval het esthetische gevoel van deze artiestenkroegdecadentie? Met de Joden, de moderne uitvinders van dit cultuurplatform, behoeft men waarlijk niet te gaan disputeren over dit onderwerp. Zij zijn absoluut niets anders dan vleesgeworden protesten tegen iedere esthetische eis, welke men aan het evenbeeld des Heren zou kunnen stellen.
Wanneer humaniteit en schoonheid als bepalende factoren echter eenmaal zijn weggevallen, dan kunnen ze ook niet meer als maatstaf bij de propaganda gelden. De propaganda was in de oorlog een middel tot het doel, maar dit doel was de strijd om het bestaan van het Duitse volk, en daarom was de doelmatigheid van de maatregelen het enige, wat bij deze propagandakwesties de doorslag mocht geven. De wreedste wapens waren humaan, wanneer zij de overwinning sneller tot stand konden brengen, en mooi waren alleen die methoden, welke de natie hielpen, de waardigheid van de vrijheid te handhaven. Dit was de enige houding, welke men bij zo'n strijd op leven en dood kon innemen ten aanzien van oorlogspropagandakwesties. Indien men zich in de z.g. toonaangevende kringen daarvan goed rekenschap had gegeven, dan had men nooit zo in het onzekere behoeven te verkeren over de vorm en het gebruik van dit wapen; want ook dit is slechts een wapen, al is het dan ook een ontzettend wapen in de hand van wie het weet te hanteren.
De tweede vraag van bijna beslissende betekenis was de volgende: tot wie moet de propaganda zich richten? Tot de wetenschappelijk geschoolde intellectuelen, of tot de minder ontwikkelde massa? Zij moet zich altijd enkel en alleen tot de massa richten! Voor de intellectuelen, of voor datgene, wat zich tegenwoordig helaas dikwijls zo noemt, is er de wetenschappelijke voorlichting, en niet de propaganda. De inhoud van de propaganda is echter al evenmin wetenschap als bijvoorbeeld datgene, wat op een reclamebiljet is afgebeeld, kunst is. De kunst van een reclamebiljet is gelegen in de bekwaamheid waarmee de ontwerper kans heeft gezien, oom door vorm en kleur de aandacht van de massa te trekken. Het biljet voor een kunsttentoonstelling moet enkel wijzen op de kunst van de tentoonstelling; hoe beter hem dit gelukt, des te groter is dan de kunst van het biljet zelf. Het aanplakbiljet moet zelf aan de menigte een idee geven van de betekenis van de tentoonstelling, maar dient wel allerminst een surrogaat van de daar geëxposeerde kunst te zijn. Wie zich daarom met de kunst zelf wil bezighouden, moet heel wat meer bestuderen dan alleen het aanplakbiljet, en hij mag zich ook niet tevreden stellen met een eenvoudigweg maar eens "door de tentoonstelling wandelen".
Van hem mag worden verwacht, dat hij ieder werk afzonderlijk op zich laat inwerken, en daarna geleidelijk tot een gefundeerd oordeel komt. En zo staat het ook met datgene, wat wij tegenwoordig met het woord propaganda aanduiden. Het is niet de taak van de propaganda, om de enkeling een wetenschappelijke vorming te geven, maar om de massa te wijzen op bepaalde feiten, gebeurtenissen, noodzakelijkheden, enz., waarvan de betekenis dan eerst door de werking van deze biljetten binnen de gezichtskring van de massa wordt getrokken. De kunst van het reclamebiljet bestaat nu uitsluitend hierin, om dit op zo voortreffelijke wijze te doen, dat men algemeen overtuigd wordt van de realiteit van een bepaald feit, van de noodzakelijkheid van een gebeurtenis, van de juistheid van een noodzakelijk optreden, enz. Maar omdat de propaganda niet noodzakelijk kan zijn om der wille van zichzelf, omdat zij immers, evenals het aanplakbiljet, tot taak heeft om de aandacht van de massa te trekken, en niet om hen, die al enige wetenschappelijke scholing achter de rug hebben, of die naar ontwikkeling en inzicht streven, verder te helpen, daarom moet haar uitwerking ook altijd meer op het gevoel zijn gericht. En niet dan bij uitzondering op het z.g. "verstand".
Iedere propaganda moet populair zijn, en haar intellectueel peil instellen op het begripsvermogen van de meest achterlijke onder diegene, tot wie zij zich wenst te richten. Daarom moet haar peil, zuiver intellectueel gezien, des te lager worden gehouden, naarmate de te bereiken massa groter is. Is het echter de bedoeling, om een geheel volk te beïnvloeden, zoals bij de propaganda om in een oorlog tot het laatste toe vol te houden, dan kan men in het geheel niet te voorzichtig zijn bij het vermijden van denkbeelden, welke al te hoge intellectuele eisen stellen aan het publiek. Hoe geringer dan haar wetenschappelijke ballast is, en hoe meer zij uitsluitend berekend is op het gevoel van de menigte, des te groter en intenser zal het succes zijn. Maar dit succes is de enige maatstaf voor de juistheid of onjuistheid van een propaganda, en niet de kwestie, of men er in geslaagd is om de goedkeuring van een paar geleerden of een paar esthetische jongelingen weg te dragen.
De kunst van de propaganda ligt juist daarin, dat zij de gevoelswereld van de grote massa kent, en nu de psychologische juiste vorm vindt om de aandacht en daardoor het hart van de grote massa te bereiken. Dat onze onverbeterlijke betweters dit niet inzien, bewijst slechts, hoezeer ze aan verwaandheid of geestelijke luiheid lijden. Wanneer men echter de noodzakelijkheid, om de werfkracht van de propaganda op de grote massa in te stellen, inziet, dan volgt alleen daaruit reeds de volgende leer: Het is fout, om aan de propaganda een veelzijdigheid te geven zoals bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderwijs bezit. Het bevattelijkheidsvermogen van de grote massa is maar zeer beperkt, het begrip gering, de vergeetachtigheid daarentegen is groot. Deze feiten brengen mee, dat iedere propaganda, die doeltreffend wil zijn, zich tot enkele, zeer weinige punten dient te beperken, om deze punten in de vorm van leuzen overal en op alle manieren te benutten, tot men de zekerheid heeft, dat ook de laatste man en de laatste vrouw aan zo'n leus, aan zo'n idee de betekenis hecht, welke men er aan gehecht wil zien. Zodra men dit principe loslaat, en veelzijdig wil worden, zal men de werking van de propaganda verzwakken, omdat de massa enerzijds niet bij machte zal zijn om het behandelde te begrijpen en het haar anderzijds ook niet bijblijft. Daardoor zal men het succes echter verminderen, totdat het tenslotte geheel zal uitblijven.
Voorts dient haar tactiek psychologisch des te juister te zijn, naarmate haar onderwerp zich meer tot de allerbelangrijkste hoofdzaken beperkt. Het was bijvoorbeeld fundamenteel fout om de tegenstander belachelijk te maken, zoals de Oostenrijkse en Duitse propaganda dit deed in de humoristische bladen. Het was daarom zo verkeerd, omdat de eerste kennismaking van de soldaat met de vijand hem noodzakelijkerwijze reeds een andere overtuiging moest bijbrengen, iets, dat zich dan op vreselijke wijze wreekte; want nu kreeg de Duitse soldaat, onder de directe invloed van de weerstand die de vijand bood, het gevoel, dat de lieden, die hem totnogtoe hadden "voorgelicht", hem platweg hadden bedrogen, en in plaats dat zijn strijdlust aangewakkerd werd, of zijn standvastigheid vergroot, geschiedde het tegendeel. De man begon te twijfelen. De oorlogspropaganda van de Engelsen en Amerikanen daarentegen was psychologisch juist. Terwijl deze propaganda aan het eigen volk inprentte, dat de Duitsers barbaren en Hunnen waren, bereidde men iedere soldaat reeds voor op de verschrikkingen van de oorlog, en hielp zodoende om hem voor teleurstellingen te bewaren.
En nu kon men de vreselijkste wapens tegen hem gebruiken, hij zou ze alleen beschouwen als een bevestiging van dat, wat hem verteld was, en zoiets zou dus alleen zijn geloof aan de juistheid van de beweringen van zijn regering versterken, terwijl het anderzijds zijn moed en haat tegen een zo verdierlijkte vijand zou doen groeien. Want de ontzettende uitwerking van de wapens, die de vijand nu ook tegen hem hanteerde, gaven hem langzamerhand de zekerheid, dat die vijand inderdaad een barbaar was, en over een Hunnenmentaliteit beschikte, terwijl geen ogenblik de gedachte bij hem opkwam, dat zijn eigen wapens misschien, en zelfs waarschijnlijk, een nog ontzettender uitwerking zouden kunnen hebben. Daarom kon vooral de Engelse soldaat nooit menen, dat hij van huis uit onjuist was voorgelicht, wat helaas aan Duitse zijde zozeer schering en inslag was, dat onze soldaten tenslotte letterlijk alles wat uit deze bron kwam, als "onzin" en "geklets" verwierpen. En dit kwam alleen, omdat men had gemeend, dat de eerste de beste ezel ( of zelfs iemand die "overigens" wel over een gezond verstand beschikte) nog altijd goed genoeg was voor de propaganda, in plaats van te begrijpen, dat de allergeniaalste psychologen nog maar net goed genoeg zijn voor dit werk.
Zodoende bood de Duitse oorlogspropaganda, door haar volkomen gemis aan juist psychologisch inzicht, een onvergelijkelijk voorbeeld, waarvan men kon leren, hoe een propaganda niet moet worden gevoerd. Van de tegenstander viel echter oneindig veel te leren voor de man, die met open ogen en een levend, ontvankelijk gemoed de vierenhalf jaar durende stortvloed van vijandelijke propaganda voor zichzelf ontleedde en verwerkte. Het allerminste begrip toonde men echter voor die allereerste voorwaarde voor iedere propagandistische activiteit: dat de propaganda namelijk absoluut subjectief moet staan tegenover het behandelde vraagstuk. In dat opzicht werd - nog wel bij het begin van de oorlog, en van bovenaf - op een dergelijke wijze gezondigd, dat men wel alle reden had om te twijfelen, of zoveel waanzinnigheden werkelijk alleen uit domheid voortkwamen. Wat zou men b.v. zeggen van een reclamebiljet, dat een nieuw merk zeep moest aanprijzen, en daarbij ook andere merken als "goed" aanduidde?
Men zou alleen maar het hoofd schudden over zoiets. Met de politieke reclame is het echter precies net zo gesteld. Het ligt bijvoorbeeld niet op de weg van de propaganda om het eigen recht tegen dat van de andere partij af te wegen; zij moet uitsluitend en alleen de nadruk leggen op haar eigen recht. Zij moet al evenmin objectief de waarheid opsporen, onverschillig of die in haar voordeel dan wel in dat van de ander zou spreken, om dan het resultaat in doctrinaire oprechtheid aan de massa te vertonen. Zij moet onafgebroken en voortdurend alleen haar eigen deel van de waarheid dienen. Het was principieel onjuist, om bij de bespreking van het vraagstuk, wie nu eigenlijk schuldig was aan het uitbreken van de oorlog, uit te gaan van het standpunt, dat het Duitsland niet alleen was, dat voor het uitbreken van deze ramp verantwoordelijk kon worden gesteld. Men had het integendeel juist moeten doen voorkomen, alsof de schuld in deze alleen bij de tegenstander lag, zelfs wanneer dit niet zo met de feiten in overeenstemming geweest zou zijn als nu het geval was. Wat was echter het gevolg van deze halfslachtigheid? De grote massa van het volk bestaat nu eenmaal niet uit diplomaten of uit leraren in volkenrecht, en zelfs niet uit louter verstandige lieden, die tot oordelen bevoegd zijn, maar uit gewone mensenkinderen, die dikwijls aarzelen, en die spoedig tot twijfel en onzekerheid geneigd zijn. En wanneer de eigen propaganda ook maar de allerminste aanleiding geeft om te denken, dat ook aan de andere zijde enig recht is, dan is de grondslag voor twijfel aan het eigen gelijk hebben reeds gelegd.
De massa is nu niet in staat om te onderscheiden, waar het vreemde ongelijk eindigt, en het eigen ongelijk begint. Zij wordt in zulk een geval onzeker en wantrouwend, vooral, wanneer de tegenstander niet diezelfde grove fout maakt, maar van zijn kant alle schuld onvoorwaardelijk zijn vijand werpt. En dan is het tenslotte ook al niet meer dan verklaarbaar, dat het eigen volk aan de vijandelijke propaganda, die meer uniform en positiever optreedt, meer geloof zal gaan hechten dan aan de eigene. En dat wel heel zeker bij een volk als het Duitse, dat toch al zozeer behept is met de idee-fixe, niet objectief genoeg te zijn. Want bij dat volk zal ieder er nu naar streven, om toch vooral de vijand geen onrecht te doen, zelfs op het gevaar af daardoor eigen volk en staat in ernstige moeilijkheden te brengen, en met vernietiging te bedreigen. Dat de bevoegde instanties dit natuurlijk niet hebben bedoeld, dringt in het geheel niet tot het bewustzijn van de massa door. Het gros van het volk is zozeer vrouwelijk ingesteld, dat zijn daden en gedachten eigenlijk veel meer door het gevoel dan wel door nuchter overleg worden bepaald.
Dit gevoelsleven is echter niet gecompliceerd, maar integendeel zeer simplistisch. Hierbij bestaan niet veel scharkeringen, maar enkel een positieve en een negatieve kant, liefde of haat, recht of onrecht, waarheid of leugen, maar nooit half zus-en-half-zo, of gedeeltelijk dit en gedeeltelijk dat, enz. Dit alles heeft vooral de Engelse propaganda op waarlijk geniale wijze ingezien - en toegepast. Daar zorgde men wel dat men geen halfslachtigheden verspreidde, die tot twijfel aan het goed recht van de eigen zaak aanleiding hadden kunnen geven. Het bewijs, dat men inderdaad uitnemend op de hoogte was van de primitiviteit van de sentimenten van de grote massa, werd wel geleverd door de gruwelpropaganda, die volkomen op deze primitiviteit was ingesteld, en die op een even onverbiddelijke als meesterlijke wijze zorgde, dat het front stand hield, zelfs bij de grootste werkelijke nederlagen; daarvan getuigde overigens ook het feit, dat men de Duitsers volkomen wist te brandmerken tot de enige schuldigen aan het uitbreken van de oorlog, een leugen, die alleen door de volstrekte brutale eenzijdige hardnekkigheid, waarmee zij verkondigd werd, berekend was op de instinctieve en altijd tot uitersten geneigde houding van de grote massa, en daarom geloofd werd.
Hoe werkzaam dit soort propaganda was, bleek wel duidelijk uit het feit, dat zij niet alleen nog na vier jaren bij het publiek aan de eigen zijde grif geloof vond, maar zelfs op ons eigen volk vat begon te krijgen. Dat onze propaganda dergelijke successen niet oogstte, hoefde waarlijk niemand te verwonderen. In haar innerlijke tweeslachtigheid lag de kiem van haar onrecht reeds besloten. Tenslotte maakte haar inhoud het reeds weinig waarschijnlijk, dat zij de nodige indruk op de massa's zou maken. Te hopen, dat men er in zou kunnen slagen om door dit flauwe pacifistische spoelwater mensen met doodsverachting te bezielen, was iets, waartoe alleen onze leeghoofdige "staatslieden" bij machte waren. Zodoende had dit miserabele product geen gunstige, maar alleen een schadelijke uitwerking. Maar hoe geniaal de propaganda in technisch oogpunt mag zijn, zij zal geen enkel resultaat opleveren, wanneer ze niet altijd met een principe rekening houdt: dat ze namelijk haar activiteit tot een uiterst gering aantal onderwerpen beperkt, en dit luttele aantal uit den treure herhaalt.
De volharding is hier, zoals bij zovele dingen op de wereld, de eerste en belangrijkste voorwaarde voor het succes. Juist op het gebied van de propaganda mag men nooit afgaan op het oordeel van esthetici of geblaseerde heren: op het oordeel van de eerste niet, omdat de propaganda anders reeds na zeer korte tijd, zowel wat de vorm als wat de inhoud aan