HOME

Mein Kampf (Dutch / Nederlands - 1e deel)

Adolf Hitler

Nederlandse editie, aangevuld met een introductie, commentaren, inhoudsopgave, en het begin van het tweede deel.

Materialen ontleend aan http://www.stormfront.org/forum/showthread.php?t=93204

Het 1e deel van MK dat u in deze draad aantreft is de vertaling door Steven Barends, uitgegeven door de Uitgeversmaatschappij De Amsterdamse Keurkamer te Amsterdam, en telt dit eerste deel in boekvorm 430 pagina's die door mij in een tijdsperiode van 1 jaar in 'word' is gezet. Mocht u in dit gedigitaliseerde bestand een zetfout tegenkomen, dan is die van mijn hand. - Brama

In HTML vorm gegoten door Runemaster / Draumar.


Inhoud


Achtergrond

Een introductie door "Brama"

Hogepriesters

Boeken als 'Mein Kampf', Das Kapital, en de Bijbel in het bijzonder en in het algemeen over (Nationaal-) Socialisme, het Fascisme, het Stalinisme, het Communisme, Maoisme, alsook over geloofsovertuigingen en richtingen, zoals het katholicisme, hindoeïsme, ja, eigenlijk alles wat de wereld in beweging heeft gezet, verbrand, verpulverd en daardoor gevormd heeft moet voor ieder individu vrij beschikbaar en ter inzage zijn. Vrij om te lezen, te beoordelen, en als het zonodig gewenst is moet vanuit verschillende gezichtshoeken en belevingen daar een aanvullende en/of verklarende bijlage voor kunnen worden geraadpleegd. Een zichzelf respecterende en zich democratisch noemende samenleving is dit naar zijn burgers toe verplicht. Het mag niet zo zijn dat alleen politiek onverdachte hogepriesters die behoren tot het 'uitverkoren en onbesproken volk' toegang hebben tot informatie die de wereldgeschiedenis hebben bepaald en gevormd en dat 'mindere goden' als inferieure, tweedehands burgers worden beschouwd, onwaardig om beschikbare kennis over hun eigen wereldgeschiedenis te kennen of te onderzoeken.

Is "Mein Kampf" een geheimzinnig boek vol toverformules, vol krachtige (on-)waarheden of beestachtige leugens, hoort het thuis in de categorie "In de ban van de Ring", of het geheim van "De steen der Wijzen"? Wat is de waarde van de - absoluut niet waterdichte - banvloek die over dit boekwerk is uitgesproken. De geschiedenis leert niet anders dan dat uitsluiting niet anders betekend dan censuur. WAT is het toch wat de Nederlandse burger niet mag lezen in dit ondertussen erg gedateerde boek. Is deze burger niet bij machte om zich zelf te beschermen tegen de occulte krachten die uit dit magische boekwerk opstijgen, om zelf te oordelen? Moeten rechters met behulp van wurgende wetten een manuscript verbieden en demoniseren? Wat verbergt dit manuscript? Verbergt het misschien... niets??? Is het een handige doctrinetruc? Is het in feite niets anders dan de gedachten van een oud front-soldaat met politiek-maatschappelijke kanttekeningen???? Is het misschien een los draadeindje dat mensen in staat stelt veel grotere vuiligheden los te weken en inzicht te krijgen in machtsintriges die mogelijk tot op de dag van vandaag nog steeds voortduren?? Is het een achterhaald wereldbeeld van een waanzinnige??

Was het niet in 1811 dat de (overigens Joodse) Duitse dichter Heinrich Heine in Jena de volgende woorden opschreef:

"Waar men boeken verbrandt, eindigt men met mensen te verbranden"

Met het boek Mein Kampf gebeurt eigenlijk hetzelfde als verbranden, namelijk verbannen. Met het verbranden van een boek wordt het onmogelijk gemaakt om kennis te nemen van de inhoud. De in een boek opgenomen gedachten, neergeschreven theorieën, op schrift gestelde meningen zijn definitief niet meer raadpleegbaar. Een boek verbranden of verbannen is in beide gevallen gelijk aan het onbereikbaar maken van de inhoud, het is een verbanning en waar eindigt het, waar en wanneer gaat het branden? Elk moet kennis kunnen nemen van ieder geschrift, en is dat voor mij één van de drijfveren geweest om het hier digitaal beschikbaar te maken, in een proces dat 1 jaar in beslag genomen heeft, letter voor letter overgezet in de computer. Een waardeoordeel geef ik niet, vanuit historisch oogpunt vind ik het een interessant boek, gelijk alle publicaties die te maken hebben Europese- en Wereldgeschiedenis van de afgelopen 200 jaar.

-- Brama

De schrijvers

Oorspronkelijke was de titel van dit veel besproken boek: "Vier en een half jaar strijd tegen leugens, domheid en lafheid", een onuitsprekelijke en absoluut niet pakkende titel die door de uitgever Max Amman werd vervangen door het beter aansprekende Mein Kampf. De officiële geschiedschrijving wil ons leren dat Adolf Hitler dit boekwerk grotendeels eigenhandig en deels met ondersteuning van zijn secretaris Rudolf Hess heeft geschreven, iets wat maar ten dele waarheid is. Voor de meeste mensen zal het een nieuw gegeven zijn dat een veel groter aantal betrokkenen verantwoordelijk is voor dit manuscript. Mein Kampf is slechts deels door Hitler gedicteerd en deels aangevuld door anderen met hun eigen denkbeelden die in het ideologisch verlengde lagen en zijn grote delen herschreven en taalkundig bijgeschaafd.

Hitler zat van 11 november 1923 t/m 20 december 1924 in de gevangenis in Landsberg voor zijn aandeel in de mislukte putsch van 1923. Ongeveer vanaf juli 1924 tot het voorjaar van 1925 is gewerkt aan het eerste deel en verscheen het voor het eerst op de markt in juli 1925. In krap 14 maanden tijd werd dus een ruim 400 pagina's tellend boekwerk geschreven, gecorrigeerd, gezet en gedrukt. Een beetje journalist, schrijver of graficus weet uit ervaring wat voor een gigantische hoeveelheid werk dit is en zeker als we de grafische productiemogelijkheden van de 20er jaren bekijken, is alleen daardoor al duidelijk te maken dat het voor een enkeling een vrijwel onmogelijke taak is om zo'n omvangrijk boekwerk het licht te laten zien.

Hitler werd ondermeer bijgestaan door enkele medegevangenen, zoals Emil Maurice, zijn oppasser en chauffeur en Rudolf Hess die de rol van secretaris op zich nam. Ook partijgenoot Ernst ("Putzi") Hanfstaengl werd betrokken bij het manuscript en samen met de hyronymietenpater Bernhard Stempfle nam deze de redactie ter hand en werden hele delen van het manuscript door hen herschreven en bijgevijld. Ook Hitler's lievelingsnicht Geli Raubal heeft een actieve rol gespeelt in de totstandkoming van het boek. Minder bekend is de grote en directe invloed van Dr. Karl Haushofer, de befaamde Duitse Geopoliticus. Veel van zijn denkbeelden staan woordelijk vermeld in het boek en ook de denkbeelden van de Amerikaanse autofabrikant Henri Ford zijn soms letterlijk verwoord in Mein Kampf en hebben Max Amman en Dietrich Eckart een grote redigerende rol gespeeld.

Het boek op zich zal voor veel mensen een teleurstelling blijken en menigeen die kans gezien heeft het boek soms tegen hoge kosten aan te schaffen via de seculiere markt zal na een tiental pagina's het boek teleurgesteld aan de kant leggen. De schrijfwijze is sterk gedateerd, de schrijfstijl en taalbeleving verraad duidelijk zijn laat negentiende-eeuwse oorsprong en zonder diepgaande achtergrond informatie is het een gortdroog en saai boekwerk. Is dit nu het vermaledijde en verboden boek?

Om op zijn minst de achtergronden een beetje te kunnen begrijpen is het nodig om de tijd waarin het boek geschreven is een beetje aan te voelen. Het is de tijd waarin Duitsland gebukt gaat onder het dictaat van "Versailles" en waardoor vele miljoenen Duitsers te lijden hebben onder de opgelegde bepalingen en vele miljoenen pure honger lijden.

Samenvatting van de belangrijkste punten van het Verdrag van Versailles, 1919

Het Verdrag van Versailles omvat 440 artikelen. De voornaamste punten zijn:

Duitsland moet:

Elzas-Lotheringen aan Frankrijk afstaan, de kolenmijnen in het Saargebied aan Frankrijk afstaan, Moresnet, Eupen, Malmédy en St. Vith aan België afstaan, het grootste deel van West-Pruisen en bijna de gehele provincie Posen aan de nieuwe staat Polen afstaan, alle koloniën afstaan: Togo en Kameroen, de gebieden in Oost- en Zuidwest-Afrika, enkele eilanden in de Stille Oceaan en bezittingen in China. Alle Duitse goederen en bezittingen in het buitenland worden verbeurd verklaard, alle oorlogsmateriaal aan de geallieerden afstaan.

De algemene dienstplicht in Duitsland wordt afgeschaft en de generale legerstaf wordt opgeheven, mag het geen tanks, vliegtuigen, onderzeeboten, grote oorlogsschepen en gifgas meer hebben. Mag het gedurende 15 jaar geen troepen stationeren op de linker Rijnoever en in een strook van 50 km op de rechter Rijnoever.

De totale omvang van het Duitse landleger mag niet groter zijn dan 100.000 man. De Duitse marine mag niet meer dan 15.000 manschappen hebben, mag niet meer dan 4.000 officieren hebben. Duitsland mag geen deel uitmaken van de te vormen Volkenbond.

Oostenrijk moet Zuid-Tirol aan Italië afstaan. Duitsland moet alle handelsschepen met een laadvermogen boven 1600 Brt aan de geallieerden afstaan, plus de helft van alle handelsschepen van 1000 tot 1600 Brt. Bovendien moet éénvierde deel van de visserijvloot en tweevijfde deel van de binnenvaartschepen worden afgestaan. Duitsland dient verder af te staan grote aantallen machines en bouwmaterialen, treinen en vrachtauto's. Duitsland dient jarenlang bepaalde hoeveelheden kolen en chemicaliën, verfstoffen en brandstoffen te leveren. Alle Duitse onderzeese telegraafkabels worden verbeurd verklaard.

Duitsland dient 20 miljard goudmark te betalen, wat tot betalingsverplichtingen leidt tot ver in de jaren 80 en door inflatie tot ver in onze huidige jaartelling.

Engeland krijgt Irak, Palestina en Trans-Jordanië; Frankrijk krijgt Syrië en Libanon.

Op 21 juni 1919, een week voor de ondertekening van het verdrag, schreef de Nederlandse (socialistische) krant Het Volk:

Een diepe en bittere teleurstelling, een ontgoocheling die men voelt als een ramp is deze vrede voor allen, die tijdens den oorlog de leuzen der Entente (de geallieerden) als levende idealen hebben liefgehad. Het vredestraktaat legt het statuut vast van het verval van Europa, van zijn teruggang tot een lagere beschavingsgraad. Het grootste volk van het vasteland wordt geketend en tot dwangarbeid gedreven. Vernedering en verbittering vallen Duitsland ten deel. Wraakzucht hier, overmoed, machtsbegeerte, roekeloosheid daar, zijn de nieuwe 'beschavingselementen' door het vredestraktaat gewekt.

Droge kost

Zoals gezegd is het "Toverboek" een vrij saai stuk leesvoer. Met veel enthousiasme wordt er aan begonnen, maar al na een paar pagina's zakt bij de meesten het elan al snel naar ongekende diepten. Om het een en ander helemaal tot het eind te kunnen lezen, of op zijn minst tot de helft ervan is enige achtergrondkennis onontbeerlijk. Heeft u al enig speur en zoekwerk verricht over de mensen die hun naam genoemd weten in de eerste paar alinea's die in de eerste bijdrage genoemd zijn? De Neurenbergse boekhandelaar Johannes Palm, of Leo Schlageter? Weet u al wat hun rol is in de Duitse geschiedenis en waarom zij genoemd zijn? Al iets opgezocht over de achtergronden van de Duits-Franse oorlog van 1870 - 1871, waarom aangevangen?

U bent niet de enige die nou niet echt staat te trappelen om deze droge (ondertussen erg gedateerde) kost tot zich te nemen. Wilhelmina, onze 'Keunegin' gedurende de donkere dagen in de veertiger jaren van de vorige eeuw, verordonneerde haar ministers om Mein Kampf te lezen, zoals blijkt uit het navolgende citaat:

"... het regime dat in Duitsland de macht gegrepen had, verfoeide zij hartgrondig. Zelf had zij niet de tijd of de lust om de ter zake doende literatuur over het Nationaal-Socialisme te bestuderen, maar zij liet zich wel door een adjudant of door haar lectrice informeren. De lectuur van Hitlers Mein Kampf vond zij voor haar ministers van Buitenlandse Zaken noodzakelijk. Toen haar in 1937 bleek dat minister J.A.N. Patijn het boek niet kende, kreeg hij daarover heel wat te horen....."

(Pagina 85, uit het boek Wilhelmina, Krijgshaftig in vormeloze jas van Cees Fasseur, Uitgeverij Balans, februari 2001.)

Kanttekeningen

Persoonlijk vind ik het voorstel van onze staatsrechtdeskundige, Dhr. Erik Jurgens niet eens zo heel beroerd. Eigenlijk zou ik het toejuichen om het boek stap voor stap pagina voor pagina uitvoerig te voorzien van kanttekeningen en toelichtingen, alleen op die wijze zal de burger zich pas goed een voorstelling kunnen maken van het tijdvak waarin het boek geschreven is. Ik neem bij deze alvast een voorschot en probeer een zo'n beknopt mogelijke inleiding te geven naar de van oorsprong zuiver technisch gezien Engels - Duitse oorlog die later geëscaleerd is tot WOII.

Het oude Keizerrijk Duitsland was na het einde van de Great War feitelijk overgeleverd aan de goedwillendheid en genade van de overwinnende machten, met name Engeland, Frankrijk en Amerika. De overwinnaars waren bepaald niet mild in hun oordeel en behandeling en meenden het verslagen Duitse Rijk economisch zeer zwaar te moeten straffen. Een meerdere generaties overstijgende astronomische 'erfschuld' werd het Duitse volk opgelegd, en leende Amerika tegen geldende rente het geld voor de rente en aflossing hiervan aan de verslagen vijand. Tegelijkertijd werd Duitsland alle mogelijke bronnen van inkomsten ontnomen. Industriegebieden van levensbelang voor de Duitse natie werden onteigend en toegevoegd aan het grondgebied van de overwinnaars en hun bondgenoten, haar export werd door stringente beperkingen lamgelegd, de complete infrastructuur van het land werd ontmanteld en als krijgsbuit gevorderd. Kortom, het werd de Duitse bevolking nagenoeg onmogelijk gemaakt zich ook maar fractie te herstellen van die bloederige en verschrikkelijke oorlog.

Het gevolg was bittere armoede, constante hongersnood, faillissementen volgden elkaar in ongekend tempo op, fabrieken lagen stil, ontelbare zelfmoorden, heel het land was gebroken en verkeerde in een staat van apathie. De Duitsers waren en voelden zich door de opgelegde vredesbepalingen van 1919 'Ehrlos, Wehrlos und Herlos ' - zonder eer, weerloos en zonder verdediging. De Duitse natie werd in die tijd dan ook uitgebeeld als Duitse maagd die gekneveld overgeleverd was aan de genade van de overwinnaars. Winston Churchill sprak toen al de profetische woorden dat de opgelegde vrede van Versailles slechts als een gevechtspauze beschouwd diende te worden en onherroepelijk en binnen afzienbare tijd zou leiden tot voortzetting van de gevechtshandelingen. Nadat de Duitsland zich met heel kleine en moeizame stapjes zo goed en zo kwaad als het kon herstelde van de economische verwurging, brak de grote depressie van de 20-er jaren aan

De Depressie

Onderstaand citeer ik een gedeelte uit hoofdstuk 6, pagina's 190 en 191 van het boek: Wie financierde Hitler, van James en Suzanne Pool:

In het voorjaar van 1929 ondergingen de prijzen van de Duitse landbouwproducten een drastische verlaging waardoor zowel de boeren als de grootgrondbezitters zwaar werden getroffen. Onder de landbouwbevolking begon gebrek te heersen; veel boeren konden het niet meer bolwerken en werden verdreven uit hun boerderijen en woningen, waar zij de pacht, huur en hypotheekaflossingen niet meer konden opbrengen. Dit was een van de eerste symptomen van de naderende grote economische wereldcrisis. Naarmate de economische rampspoed zich verder over het land ging verbreiden kwam de tijd nabij dat Hitler, die 'profeet van het noodlot', gelijk ging krijgen.

In oktober 1929 kwam het tot een ineenstorting van de koersen op de Newyorkse effectenbeurs. Dat was het begin van de Grote Depressie, die zich binnen enkele maanden over alle werelddelen zou verspreiden. De krach aan de beurs in Wall Street betekende het eind van de Amerikaanse leningen aan Duitsland en dat was tevens het eind van de toevloed aan vreemde valuta, waarmee Duitsland zijn schulden had kunnen betalen. Tegen het eind van dat jaar ging de economische crisis zich in alle sectoren van de Duitse samenleving doen voelen. Overigens was er reeds in de herfst van 1928 reden tot bezorgdheid over de Duitse economie geweest. Maar ofschoon de situatie in de loop van het jaar 1929 voortdurend benarder was geworden kwamen de meeste mensen eerst in 1930 tot het besef dat het land opnieuw aan de rand van een afgrond stond.

Een van de beste maatstaven voor de sociale gevolgen van de depressie is de ontwikkeling van de werkloosheid. Het aantal geregistreerde werklozen in Duitsland bedroeg in september 1929 meer dan een miljoen, namelijk 1.320.000 en bleef daarna voortdurend stijgen, eerst tot drie miljoen in september 1930 en vervolgens tot recordaantallen, die in september 1931 tot 4.350.000 waren geklommen en in september 1932 zelfs tot 5.102.000. In de eerste twee maanden van 1932 en opnieuw in de loop van 1933 overschreden de werkeloosheidscijfers zelfs de grens van zes miljoen. (Het feitelijke aantal werkelozen lag overigens veel hoger dan de cijfers van de 'geregistreerde' werklozen aangaven omdat daarbij niet degenen waren meegeteld die zich om de een of andere reden niet hadden laten registreren of die bijvoorbeeld halve dagen werkten.)

Allan Bullock heeft daarover in zijn biografie van Hitler opgemerkt dat men voor een goed begrip de bovengenoemde aantallen moet vertalen in termen van op straathoeken staande, tot nietsdoen gedoemde arbeiders, van huizen zonder voedsel en verwarming, van schoolverlatende kinderen zonder enige kans op werk, om aldus iets te verstaan van de diepe menselijke angst en verbittering, die in die dagen gingen heersen bij miljoenen Duitse werkende mannen en vrouwen.

Diverse reacties

Herbert Blankesteijn

Duidelijk is wel dat Hitler beter schreef dan Marx, aldus journalist Herbert Blankesteijn. Hij schreef 4 jaar geleden (21-10-1999) in Intermediair een bijdrage naar aanleiding van het feit dat Mein Kampf gewoon te koop bleek te zijn bij het Duitse Internetboekhandel Bertelsmann.

Herbert Blankesteijn:

"Ik verbaasde me er vooral over dat je voor Mein Kampf zou moeten betalen. Zulke oude boeken zijn doorgaans rechtenvrij en worden altijd wel door iemand gescand en gratis op het Web gezet. Dus heb ik in een zoekmachine de titel ingetikt en ja hoor, een rechtsradicale site bood het hele boek aan, naar keuze in het Duits of in een Engelse vertaling.

Ronald Plasterk heeft er als columnist van Intermediair meermalen zijn verbazing en boosheid over uitgesproken dat MK in Nederland niet mag worden verkocht. Ik ben het hartgrondig met hem eens. Dit boek bevat het gedachtegoed van een van de grootste misdadigers van de eeuw. Het is het behang van de Tweede Wereldoorlog. Als je de geschiedenis wilt begrijpen moet je MK gelezen hebben, net zo goed als je de Bijbel en Das Kapital gelezen moet hebben. Het verbod op verkoop is hiervoor een belemmering, en het vergroot de kans dat de geschiedenis zich herhaalt.

Mijn nieuwsgierigheid was dus groot. Wat schrijft Hitler? Hoe schrijft hij? Ik had het nooit mogen weten, en nu had ik opeens de complete tekst.

MK zit vol verrassingen. De grootste was voor mij wel dat Adolf Hitler aanvankelijk geen antisemiet was: op grond van de 'menselijke verdraagzaamheid' was hij tegen vervolging op grond van godsdienst. De toon van de antisemitische Weense pers vond hij 'het culturele erfgoed van een groot volk onwaardig', schrijft hij. Mich bedrückte die Erinnerung an gewisse Vorgänge des Mittelalters, die ich nicht gerne wiederholt sehen wollte.

En, zeer opmerkelijk en actueel: 'Ik werd in deze mening gesterkt door oneindig veel waardiger wijze waarop de werkelijk grote pers op al deze aanvallen antwoordde, of, wat me nog prijzenswaardiger leek, er zelfs niet op reageerde, maar ze eenvoudig doodzweeg.' Zo moet de pers extreem-rechts dus aanpakken; Hitler zegt het zelf. En zo verkondigt hij wel meer verstandige meningen, bijvoorbeeld over het gedrag en het niveau van politici in een democratie en over de persoonlijke verantwoordelijkheid (of het gebrek daaraan) van ambtenaren.

Hoe werd Hitler dan toch antisemiet? De uitleg daarover valt tegen. Het komt erop neer dat, toen hij goed keek, de Joden overal bleken te zitten, vooral onder de door hem verachte sociaaldemocraten. En dat is symptomatisch: MK schiet als het om logica gaat ernstig tekort. Doordat het in de ik-vorm is geschreven leest het makkelijker dan bijvoorbeeld Das Kapital, maar het zou een lachwekkend boek zijn geweest, categorie Wachttoren, als de schrijver niet zo opvallend carrière had gemaakt.

Het verbod op verkoop van Mein Kampf is nu op slag een dode letter. Het laatste vervelende gevolg is dat we, om het boek te downloaden, naar de neofascistische site www.crusader.net moeten. Dus als Simon Wiesenthal, Oorlogsdocumentatie of de Anne Frank Stichting verstandig zijn, maken ze de tekst snel op hun eigen site beschikbaar."

Volkskrant

In de discussie op het forum van de Volkskrant zijn de volgende reacties te lezen:

Sander van Leeuwen:

Ik ben het er niet mee eens dat de geschriften uit het heden voldoende zijn om alle lessen uit het verleden te leren. De geschriften over die geschiedenis, die recent geschreven zijn, zijn geschreven door de overwinnaars. De tegenstanders van Hitler. Ze zijn een interpretatie van feiten door die mensen.

Ik denk dat het verbod op dit boek een onderdeel is van een stukje ontkenning. De ontkenning dat Hitler naast een monsterlijk megalomaan en psychopaat, ook een zeer intelligent mens was. En dat hij zeer eloquent was in het verwoorden van een gevoel van onvrede en een gevoel van onmacht onder zijn volk wist aan te spreken.

Als hij dat allemaal niet was geweest, had hij het Duitse volk niet achter zich gekregen. Dan hadden we geen tweede wereldoorlog en geen massale jodenvervolging en moord gehad. Juist daarom, denk ik, is het goed om eens te lezen wat hij schreef, eens goed te luisteren naar zijn toespraken en te kijken hoe het heeft kunnen gebeuren. Begrijpen hoe zijn boodschap het volk zo heeft kunnen aanspreken.

We zien nu namelijk een tendens in Europa naar een steeds hatelijkere houding tegenover de "fundamentele islamisten" en meer van dat soort termen, die toch altijd richten op moslims. En langzaam zien we een veralgemenisering ontstaan waar alles waar moslim of islam uit klinkt, gelinkt wordt aan terrorisme en haat.

Als we niet kunnen lezen en horen wat Hitler destijds heeft gezegd en geschreven om tot jodenhaat en ultra-nationalisme aan te zetten, hoe kunnen we dan zeker weten dat wat nu gezegd en geschreven wordt in veel kringen in het westen, tegen de moslim staten en indirect tegen moslims in het algemeen?

Als we echt willen leren uit de geschiedenis moeten we ophouden met ontkennen dat wat Hitler gedaan heeft, en wat hij zijn volk heeft kunnen laten doen, in andere context weer kan gebeuren. Met weer mensen die mooie woorden spreken die slechts aanzetten tot haat en uiteindelijk oorlog.

Misschien zijn we al te laat. Net als de wereld destijds ook te laat was met inzien hoe gevaarlijk de situatie al was. Omdat ze in ontkenning zaten en dachten dat het wel los zou lopen en de vrede bewaard kon worden.

Marcel Stoop:

Is "Het rode Boekje" van Mao of "Das Kapital" van Marx ook verboden? Zo veel ik weet niet.

Een ieder weet wat voor een onheil die beide geschriften voor miljoenen mensen gebracht hebben.

Het verbieden van "mein Kampf" ruikt naar eenzijdigheid: Rechtsdictatoriale boeken verbieden, Linksdictatoriale Boeken dulden.

G. Groothedde:

Heel toevallig heb ik Mein Kampf net drie weken geleden ontvangen, nadat ik hem heel eenvoudig via het internet uit de VS had besteld. Het verbod op dit boek is dus al even zinloos als ridicuul: een ieder die het wenst te hebben kan er doodeenvoudig aan komen. Daarnaast is het ronduit belachelijk dat het boek ooit verboden is, ik maak namelijk zelf wel uit wat ik wens te lezen, dat hoeft de overheid niet voor mij te doen.

Ik moet trouwens zeggen dat het een buitengewoon interessant boek is om te lezen. De lezer kan door het lezen van dit boek zelf zijn conclusies trekken en zijn mening vormen over de denkwereld van de persoon Adolf Hitler en is nu niet meer afhankelijk van politiek correcte 'deskundigen' die voor deze personen de conclusies trekken.

Mein Kampf is een onmisbare historische bron die vrij voor iedereen te verkrijgen zou moeten zijn.

Rejo

Van http://rejo.zenger.nl/misc/mein-kampf.php

Mein Kampf für Mein Kampf

Verboden boeken kennen we in Nederland gelukkig niet. Ook Mein Kampf is niet verboden, maar de Nederlandse Staat meent er het auteursrecht op te hebben en heeft daarmee het herdrukken van het boek tot nu toe verboden. De verkoop van het boek, ook tweedehands, is eveneens verboden. Een exemplaar van het boek bezitten of uitlenen is echter geen enkel punt. Dat vermeende verbod op het boek zorgt er echter voor dat de discussie over Mein Kampf vrijwel altijd over de juridische status van het boek gaat in plaats van daar waar de discussie eigenlijk over zou moeten gaan: de inhoud van Mein Kampf en de daar aan gerelateerde onderwerpen. Om de discussie daar terug te brengen zou het verbod op herpublicatie moeten worden herzien.

De angst dat een herpublicatie tot hernieuwde interesse in Hitlers gedachtegoed zou opleveren lijkt ongegrond te zijn. Die mensen die geïnteresseerd zijn in het boek, hebben zich hoogstwaarschijnlijk al lang legaal toegang verschaft tot het boek. In Amerika kan het boek vrij worden verkocht omdat men daar blijkbaar een andere waarde aan de persvrijheid hecht dan in Nederland. Via online winkels als Amazon is het dan ook mogelijk om in die landen waar het boek verboden is, een Engelstalige editie ervan aan te schaffen. Om diezelfde reden kunnen diverse websites, die vanuit bijvoorbeeld Amerika opereren, zoals het nationalistisch georiënteerde Stormfront, zonder meer een elektronische kopie ervan aanbieden. Maar ook in Nederland is het boek zonder problemen beschikbaar. Behalve dat het bezit en uitlenen ervan geen probleem is, kan men in iedere grotere bibliotheek terecht. De bibliotheken met exemplaren, zoals de Openbare Bibliotheek in Rotterdam, lenen deze exemplaren niet uit maar bieden ze wel ter inzage aan. Alleen het verveelvoudigen en verkopen van Mein Kampf is niet toegestaan.

Het opheffen van het verbod op herpublicatie brengt de discussie terug op het eigenlijke onderwerp. Het zou kunnen bijdragen in een beter begrip van wat er destijds in Duitsland gebeurde en het voorkomen van een herhaling ervan. De inhoud van het boek en het boek zelf kunnen uitstekend dienen om te leren van de geschiedenis. De logica is bij vlagen ver te zoeken in Mein Kampf. Dat is iets wat nog steeds aan de orde van de dag is bij enkele hedendaagse politici. Het houdt ons een spiegel voor op die momenten dat we dreigen te vallen voor de holle retoriek van een welbespraakt politicus of zijn boeken.

Daarnaast zou een publicatie het gemakkelijker maken de mythevorming rond het boek te ontkrachten. Het boek wordt vaak als gevaarlijk aangezien omdat iedereen het erover heeft, maar vrijwel niemand het boek ook alleen maar heeft ingezien. Diegenen die een eenvoudig verteerbaar boek met een makkelijk te behappen theorie verwachten, komen bedrogen uit. Het boek is allerminst gemakkelijk te lezen propaganda. Het boek is geen literair hoogstandje, het vervalt regelmatig in herhaling en is net als veel ideeën van Hitler bombastisch te noemen. Het zou ook de mythevorming kunnen doorbreken omdat eveneens in het geval van Mein Kampf het vermeende verbod op het boekde aantrekkingskracht ervan alleen maar vergroot.

Een herpublicatie dient overigens met de nodige omzichtigheid te gebeuren. In de eerste plaats meent de Nederlandse Staat aanspraak te kunnen maken op het auteursrecht en als gevolg daarvan zou zij mogelijk een herpublicatie kunnen tegenhouden. Maar ook de Deelstaat Beieren geen bezwaar tegen een herpublicatie hebben, zij is immers de auteursrechthebbende van de originele, onvertaalde, tekst. De kans dat dat gebeurt is niet zeer groot, maar zeker niet afwezig. Minder dan 10 jaar geleden is er in Groot-Brittannië een "wetenschappelijk geannoteerde" versie van het boek verschenen bij uitgeverij Pimlico in Londen. Deze editie heeft een uitgebreide inleiding over de achtergronden van Mein Kampf en de publicatie ervan en is voorzien van voetnoten. Het is dan ook te verwachten dat de Deelstaat Beieren ook geen bezwaar zou hebben tegen een herpublicatie van Mein Kampf in Nederland, mits "wetenschappelijk geannoteerd". In Nederland zijn de verkopers van oude exemplaren nooit aangepakt op grond van een schending van het auteursrecht, maar bijna altijd op grond van het verspreiden van discriminerende of beledigende uitlatingen die mogelijk aanzetten tot rassenhaat. Met een "wetenschappelijk geannoteerd" publicatie zou ook mogelijk dat argument vervallen.

Door een herpublicatie van Mein Kampf zouden de discussies weer over de inhoud van het boek en aangrenzende onderwerpen kunnen gaan, in plaats van over de juridische status van het boek. Tevens zou mythevorming bestreden kunnen worden. Die herpublicatie zou zo nodig op non-profit basis moeten gebeuren, zodat de publicist ervan niet beschuldigd kan worden dat het voor geldelijk gewin over lijken gaat.

CIDI

Centrum Informatie en Documentatie Israel > CIDI in de media 2003 / NIW 31 oktober 2003

Bron: http://www.cidi.nl/media/2003/niw.311003.html

Heruitgave Mein Kampf moet mogelijk zijn

Ronny Naftaniel

Onorthodoxe voorstellen roepen altijd weerstand op. Dat gebeurde ook vorige week, toen het Eerste Kamerlid van de PvdA, Erik Jurgens in een artikel in de Volkskrant een lans brak voor het in Nederland heruitgeven van het boek Mein Kampf. De auteursrechten van dit noodlottige geschrift berusten niet bij de nazaten - voorzover aanwezig - van Adolf Hitler, maar bij de Staat der Nederlanden. Op grond hiervan kan de regering ingrijpen als neonazi's het boek opnieuw op de markt willen brengen.Tot dusverre heeft dit een heruitgave in Nederland (niet in Vlaanderen) tegengehouden. Jurgens wil nu het roer omgooien en pleit ervoor dat de staat der Nederlanden zelf de publicatie van het boek, in een geannoteerde versie, ter hand neemt. Ik ben het in grote lijnen met Jurgens eens.

Mein Kampf is een vrijwel onleesbaar geschrift vol met persoonlijke frustraties van de auteur. De afschuwelijke "waarde" van het boek is, dat Hitler zo'n tien jaar voordat hij aan de macht kwam op duivelse wijze beschreef wat er volgens hem met de Joden moest gebeuren. Indertijd geloofden velen, dat het zo'n vaart niet zou lopen. Ook de Duitse Joden niet, totdat het te laat was. Een "kale" heruitgave zal alleen een handvol neonazi's bevredigen, maar van een educatief verantwoorde, geannoteerde versie zal een krachtige waarschuwende werking kunnen uitgaan. We zijn nu drie generaties na de Tweede Wereldoorlog. De meeste jongeren weten nauwelijks wat Hitler op zijn kerfstok had en hoe hij aan de macht kwam. Mein Kampf, voorzien van een voorwoord dat verklaart hoe Hitler zijn verwerpelijke ideeën in de praktijk bracht en hoe weinig de wereld ertegen deed en voorts uitgerust is met een illustratief notenapparaat, kan een impuls geven aan de strijd tegen het hedendaagse antisemitisme.

Laten we niet vergeten, dat er momenteel in Europa groepen Arabische jongeren zijn, die weer schreeuwen dat "Joden dood moeten". De kreet "Hamas, Hamas, Joden aan het gas" is in sommige straten in Amsterdam tot de hoogste wijsheid verheven. Sommigen vertikken het lessen te volgen over de Shoa en terroriseren leraren die toch een poging hiertoe doen. In de Arabische landen en ook in Europa komt de eeuwenoude complottheorie weer op. Joden zouden aan de touwtjes in Washington trekken en de wereldpolitiek naar hun hand zetten. Het krachtige Amerikaanse optreden tegen het Islamitisch terrorisme zou georkestreerd worden door de Joodse lobby. Vorige week nog kreeg op de Islamitische topconferentie in Maleisië, de Maleisische premier Mahathir Mohammed, een staande ovatie toe hij zei: " De Joden heersen over de wereld per volmacht. Ze ronselen anderen om voor hen te vechten en te sterven." De Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, Achmed Maher, prees de toespraak door te zeggen dat Mahathir Mohammed de spijker op de kop had geslagen. Ook Hitler geloofde in de complottheorie. Hij zag "de Joodse economische en politieke macht" als het grootste beletsel om zijn territoriale expansiedrift te bevredigen.

Het kan zeker geen kwaad om thans in Nederland op de meest indringende wijze duidelijk te maken hoe noodlottig zijn visie was. Overigens zou het beter zijn zo'n geannoteerde heruitgave niet door de overheid te laten doen. Dat is te veel eer voor massamoordenaar Hitler. Beter zou het zijn, als de regering een geschikte particuliere uitgever zoekt en pas vergunning tot publicatie geeft na zekerheid te hebben verkregen, dat de toelichtingen een educatief doel dienen.

Critici zullen toch nog angst hebben dat de Nederlandse versie van Mein Kampf misbruikt zal worden door neonazi's . Dat is evenwel onaannemelijk, omdat het boek in België te verkrijgen is en te downloaden valt via Internet. Bovendien is de verkoop van de originele versie - anders dan Jurgens stelt - wel degelijk verboden op grond van artikel 137d W.v.Str. Enige jaren geleden werd een marktkoopman op het Waterlooplein veroordeeld voor het verkopen van een oud-Duitse versie van Mein Kampf.

Tot slot geldt nog een belangrijk argument om nu te beginnen met publicatie van een geannoteerde versie. In 2015 vervallen de auteursrechten op het boek. Dan is iedereen vrij deze perfide lectuur op geheel eigen wijze uit te geven. Je kan dit moment beter voor zijn door, zo lang het nog kan, de geschiedenis op een verantwoorde wijze zelf aan het woord te laten.

Histocasa

Adolf Hitlers Mein Kampf. Geschiedenis - Fragmenten - Commentaren

Bron: http://www.histocasa.nl/recensies/7022003129.shtml

Vooreerst de succesvolle studie van Werner Maser, waarvan de eerste druk al in 1966 verscheen. Herdrukken en herwerkingen volgden in 1974,1976,1981,1983,1995 en de Nederlandse vertaling in 1998. Het boek "Mein Kampf" lag aan de basis van veel ellende. Er werden reusachtige oplagen van verkocht, maar het werd weinig gelezen, zodat men ook weinig rekening hield met wat Hitler allemaal beloofde te gaan doen. Zelfs zijn topmedewerkers Goering en Goebbels gaven toe dat ze het niet gelezen hadden.

Hitler begon het te schrijven toen hij, na de mislukte staatsgreep van 8-9 november 1923, al op 11 november in de gevangenis belandde, in Landsberg aan de Lech, helemaal in het zuiden van Beieren, ten zuiden van Augsburg en München. Eigenlijk dicteerde hij het en moest Hess alles opschrijven. Hitler vond spreken efficiënter dan schrijven, maar vergat dat als Hess het noteerde, dit ook gebeurde zonder de kracht van zijn overweldigende stem.

Op 20 december 1924 mocht Hitler zijn comfortabele gevangenis voortijdig verlaten, na "een jaar universitaire opleiding op staatskosten", zoals hij het verblijf daar noemde. Het manuscript voor "Mein Kampf" was toen bijna voltooid. Op 18 juli 1925 werd het eerste deel gepubliceerd, met als titel "Een afrekening" en overwegend autobiografisch. Deel II, "De nationaal-socialistische beweging", met instructies voor zijn partij en zijn land, bereikte de boekhandel in december 1926.

De lectuur van "Mein Kampf" zelf is niet de meest verheffende, maar zoals gezegd werd het bezit ervan een must in de nazi-tijd, toen het boek de bestseller was. Het autobiografische deel valt nog mee, maar het verhaal over de "bekering" tot het anti-marxisme en nog meer tot het antisemitisme is minder fraai. Hitlers overtuiging dat joden synoniem waren met "parasieten, bacillen, bloedzuigers", die uitgeroeid moesten worden, wijst nog niet op een vast omlijnd plan en zijn besluit om politicus te worden evenmin. Maar ze leiden tot het noodlottige wereldbeeld van Hitler : het verraad van Versailles ongedaan maken, Lebensraum veroveren in het Oosten, marxisme en jodendom vernietigen, cultuur gelijk schakelen met ariër zijn, de massa's beschouwen als lichtgelovig, niet geïnteresseerd in genuanceerde waarheden, niet in staat te onderscheiden wie gelijk en wie ongelijk heeft, mits je eindeloos bepaalde stellingen of leugens blijft herhalen.

Maser beschrijft de ontstaansgeschiedenis van "Mein Kampf", de vele drukken en herdrukken, de perceptie in binnen- en buitenland, de stijl, structuur, de oeverloze woordenstroom, de geestelijke bronnen van autodidact Hitler. Hij wijst ook op de gevaren en de destructieve plannen die erin zaten en die Hitler nadien, in zijn toenemende sluwheid en demagogie, nooit meer zo openlijk en zwart op wit zou verkondigen. Bij de citaten voegt hij telkens zijn kritische commentaar. En voortdurend corrigeert hij Hitler, wanneer deze zijn jeugd of prestaties onjuist voorstelt. In de bijlagen zitten enkele brieven aan en van Hitler en een chronologisch overzicht van internationale conferenties, besluiten en gevolgen voor de Weimarrepubliek in de periode van eind 1923 tot eind 1926. Hier horen o.a. bij : het Dawesplan, de conferentie van Locarno, de heropname van Duitsland in de Volkenbond ; dit laatste gebeurde op 8 september 1926, met algemeenheid van stemmen! Het boek eindigt met een indrukwekkend notenapparaat van 71 pagina's, de originele bibliografie van Maser (16 p.), het niet vertaalde en integraal overgenomen personen- en zakenregister van de Duitse uitgave van Mein Kampf (17 p.) en een personenregister bij Masers boek zelf. Wie ooit "Mein Kampf" volledig wil lezen, heeft er alle belang bij dit standaardwerk van Maser ernaast te leggen voor nuanceringen en correcties.

Discussie tussen "King Arthur" en "Rebirth"

Bron: http://www.stormfront.org/forum/showpost.php?p=1122920&postcount=77

Een interessante poging Rebirth, om Mein Kampf kritisch te analyseren. Jij bent beslist niet de enige die deze (en andere) vragen en meningen over Hitler's boek heeft. Daarom kan enige toelichting op enkele punten wellicht verhelderend zijn.

Quote:

Originally Posted by Rebirth

Beste Brama,
Zoals gezegd mis ik de bewijsvoering voor zijn haat tegen Joden.


Het boek was geen studie, maar bedoeld voor de grote massa van Duitse mensen. Veel zaken uit die tijd waren bij het volk bekend en behoefden nauwelijks bewijs.

Quote:

Want stel nu dat het waar is dat joden toentertijd in relatieve hoge mate waren vertegenwoordigd in de sociaal-democratie en in de pers. Stel dat zijn persoonlijke ervaringen met Joden ook kloppen dat ze gladde praters zijn die de dag nadat je hen lijkt te hebben overtuigd als een blad aan een kunnen omdraaien. Dan moeten we ons wel realiseren wat daar de oorzaak van kan zijn. En vooral Hitler had dat moeten doen, want de kracht van zijn analyses ligt nu juist zoals hij zelf zegt niet in het veroordelen van het volk maar in het achterhalen van de oorzaken van hun gedrag. Dat had hij dan ook tav de Joden moeten doen en daar vind ik in Mein Kampf niets over.


Hitler had niet de illusie om door een analyse van de oorzaken het joodse volk te kunnen genezen van haar in zijn ogen negatieve eigenschappen

Quote:

In feite verwijt hij de joden dat te zijn geworden wat hij zelf van het Germaanse volk wil maken. Namelijk doorwinterde Nationalisten met een vechtersmentaliteit die hun vechtstijl aanpassen aan de omgeving waarin zij zich bevinden. Zijn Jodenhaat is dus een pot verwijt de ketel verhaal en als die vechtersmentaliteit van de Joden al overerfbaar is dan heeft hij er zelf ook iets van geerfd.


Hitler betwistte niet het recht van het joodse volk te strijden voor het primaat over andere volkeren. Hij vond dat ieder volk dat van nature deed maar wilde voorkomen dat het Duitse volk daarbij het onderspit zou delven. Zijn punt was dat er een voortdurende strijd (vijandschap) tussen de volkeren heerste, waaruit de sterkste (in zijn ogen meest raszuivere) als winnaar tevoorschijn zou komen. Hij was van mening dat het Duitse volk raciaal, economisch en moreel te gronde zou gaan als de joden de overhand zouden krijgen. Hij geloofde dat nietsdoen automatisch tot joodse hegemonie zou leiden.

Quote:

Idem, als hij de joden verwijt een splijtzwam der volken te zijn, terwijl hij zelf wil dat de Duisters zich van Oostenrijk afscheiden.


Oostenrijk was een maaksel van Versailles. De Oostenrijkers waren Duitsers, die niets anders wilden dan tot Duitsland behoren. Hitler zelf was 'Oostenrijker' en bij het referendum van de 'Anschluss' bleek 97% van de 'Oostenrijkers' bij Duitsland te willen horen. Daarmee was Hitler het tegendeel van een 'splijtzwam': hij verenigde het Duitse volk.

Quote:

Zoals de geschiedenis ons echter heeft geleerd was Hitler niet die overwinnaar. En een ieder die zijn boek leest kan op zijn sloffen aanvoelen waarom hij dat ook nooit kon worden. Het verbaast mij dan ook dat hij "zijn strijd" is aangegaan zoals hij die is aangegaan. Want zoals gezegd, hij was zeker niet dom. Daar ben ik inmiddels wel van overtuigd.
Het lijkt erop alsof hij het als onvermijdelijk noodlot zag vanuit de visie die hij op de wereld en haar toekomst had en dat hij daarom gewoon de gok maar heeft gewaagd in de hoop dat het noodlot hem en het Duitse volk voor de betoonde heldenmoed zou belonen. ervan overtuigd zijnde dat 1 moedig en overtuigd man meer waard is dan 100 die dat niet zijn.


Hitler is de grootste verliezer uit de geschiedenis. ALLES wat hij wilde verkeerde in het tegendeel. Hij had beter dan wie ook moeten weten hoe en door wie hij zou worden vernietigd.
Hij had nauwelijks een keuze. Duitsland was vanaf 1914 in oorlog en die oorlog eindigde pas in 1945 met de vernietiging van Duitsland. Na Versailles was er geen hoop meer voor Duitsland. De internationale kapitaalelite, voor een belangrijk deel joden, had Duitsland vernietigd en wilde niet dat het ooit weer gezond en krachtig zou worden. Hitler bouwde tegen hun belangen in Duitsland na de Weimar periode weer op energieke en constructieve wijze op. De gruwelijke armoede en werkloosheid die miljoenen Duitsers tijdens de vijftien Weimar-jaren had geteisterd, wist hij in slechts 2,5 jaar volkomen op te lossen. Niet met 'bewapeningsprogramma's', (dat kwam pas na 1937), maar met autobahnen, goedkope koopwoningen voor de Duitse arbeiders, de Volkswagen voor 1.000 Mark op gemakkelijke betalingsvoorwaarden, enz. Dat en nog veel meer zagen de Duitsers van Hitler. Ze aanbaden hem omdat hij voor hen de eerste politicus was die zijn beloften nakwam en het Duitse volk weer werk, brood en eigenwaarde gaf.
Dat deed hij echter door Versailles aan zijn laars te lappen, de zgn. 'gouden standaard' te dumpen (en daarmee de eeuwigdurende renteslavernij aan de bezitters van het goud, de joodse bankconsortia) enz.
Dat bezorgde hem vanaf het allereerste begin de vijandschap van de machtige internationale kapitaalmafia. Direct na zijn ambtsaanvaarding in 1933 verklaarde het internationale jodendom dan ook Duitsland de oorlog (niet de nazi's, want de Duitse regering bestond toen nog uit een democratisch gekozen coalitie!) en kondigde een permanente wereldwijde boycot van Duitse producten af.
Het was niet Hitler die de oorlog aan de joden verklaarde, de internationale joodse elite verklaarde Duitsland de oorlog!
Dat was in 1933, toen Duitsland op het dieptepunt van haar ellende verkeerde, de internationale financiele crisis op het hoogtepunt was en het voor Duitsland exporteren of sterven was. Op dat moment staken de elitejoden Duitsland wederom (net zoals in 1916 met de Balfourverklaring) een dolk in de rug.

Quote:

Wat betreft de zwakte van zijn aanpak, moet ik constateren dat hij zich beter niet tegen een etnische groep had kunnen afzetten maar beter de elite als geheel en hun machtsbasis in bijzonder had kunnen aanpakken. Dat had het discriminerende element uit zijn visie gehaald en had derhalve de tegenstand en coalitievorming bij tegenstanders ondermijnend. Had hij het rustiger en subtieler aangepakt dan was hij wellicht veel verder gekomen en had Europa nu Germania geheten.


Het internationale kapitaaljodendom verklaarde dat ALLE joden in ALLE landen van de wereld (ook in Duitsland) vijanden van Duitsland waren die zouden vechten voor haar ondergang. Dat tot afgrijzen van de Duitse joden, die zich daardoor terecht verraden voelden; Hitler beschouwde vanaf dat moment de joden nog meer dan vroeger als een gevaar, een vijfde colonne van de vijand.
Alles wat Hitler gedaan of nagalaten zou hebben was volstrekt om het even. De internationale joodse elite was uit op vernietiging en onderwerping van Duitsland en afgezien van onvoorwaardelijke overgave, waren er nauwelijks mogelijkheiden voor Duitsland om dat te vermijden.

Quote:

Hij had bijvoorbeeld ipv een militaire strijd ook voor een economische strijd kunnen kiezen. En zijn volk daartoe kunnen opzwepen. Wellicht had hij dat ook wel gewild ware het niet dat zijn volk reeds lang juist onder dit economische juk leefde en dat ze waarschijnlijk niet de psychologische kracht hadden kunnen opbrengen om die strijd aan te gaan.


Duitsland moest worden opgebouwd en in die paar jaar tot 1939 heeft het Duitse volk daarmee een ongeevenaarde prestatie geleverd. Als Hitler in 1938 zou zijn gestorven, zou hij de geschiedenis zijn ingegaan als een van 's werelds grootste staatslieden. Duitsland was NIET uit op wereldhegemonie, niet militair en al helemaal niet economisch. Duitsland moest in de optiek van Hitler OVERLEVEN temidden van een vijandige wereld.

Quote:

Wat ik echter nooit helemaal heb begrepen is waarom hij geen rigoreuze hervorming op dit punt heeft doorgevoerd in Duitsland en de bestaande machtsverhoudingen tussen volk en groot-kapitaal heeft laten bestaan.
Het past namelijk niet in zijn visie van "de oorzaak van problemen aanpakken" om dat achterwege te laten. Of het moet zijn dat hij bang was dan zelf de grip op het volk kwijt te raken, terwijl hij die grip juist hard nodig had voor zijn oorlogsplannen. Wellicht dat hij plannen had dat na de overwinning te doen, maar dat zullen we nooit meer weten. Of er moeten andere bronnen ter beschikking van onze historici staan waaruit dit alsnog blijkt, in dat geval ben ik daar zeer nieuwsgierig naar.


Volgens Hitler was er onder het Nationaal-socialisme geen kunstmatige tegenstelling meer tussen arbeid en kapitaal. Met de afschaffing van het rentekapitaal beoogde hij internationale ruilhandel te plegen, waarbij Duitsland hoogwaardige Duitse eindprodukten (machines, spoorwegen, enz.) leverde aan arme landen, welke daarvoor dan in grondstoffen die Duitsland niet had (olie, suiker, koffie, enz.) betaalden. Daar profiteerden zowel Duitsland als de minder ontwikkelde landen van omdat die daarmee niet afhankelijk waren van goud en dollarleningen met eeuwigdurende oplopende rentelasten.
Alle Duitsers waren "arbeiders" in dienst van het volk, ook de industrielen. Hitler verwierp de 'klassestrijd" omdat hij vond dat daardoor de maatschappij werd verlamd en in tweeen gedeeld; het nationaalsocialisme moest iedereen welvaart bieden.

 

Quote:

Originally Posted by Rebirth

Als ik ervan uit mag gaan dat dit "tweede boek" inderdaad ook van Hitler is en dat de teksten van de speeches en documenten juist zijn dan moet ik samen met de tekst van Mein Kampf tot de conclusie komen dat Hitler al minstens vanaf 16 september 1919 behoorlijk anti-semitisch was (zie
http://www.adolfhitler.ws/lib/proc/lettergremlich.html ).


Ikzelf kende dit "tweede boek" niet. Ik heb de indruk dat het een vervalsing is. Waarom wordt het vrijwel nergens geciteerd in de joods onderhorige media? Waarom werd zo'n belangrijk werk niet (al dan niet aangepast) gepubliceerd toen Hitler eenmaal aan de macht was gekomen? Vreemd. Wie heeft het vertaald en hoe?
Hitler was inderdaad antisemitisch omdat hij alle joden als vijanden zag, ongeacht hun gedragingen, leeftijd, enz.

Quote:

Vanaf die tijd uitte hij zich ook in het openbaar als zodanig en is er een consistente lijn van dat anti-semitisme en dus van het oproepen tot het boycotten en uitsluiten van Joden. Ik kan mij goed indenken dat de Joodse gemeenschap daar behoorlijk nerveus van werd, vooral toen Hilter in 1933 aan de macht kwam en dit derhalve officieel Duits beleid werd. En in dat licht zie ik dus ook de reactie van de Joodse gemeenschap met haar boycot tegen Duitsland de dag na Hilters machtovername.


Voor zover mij bekend heeft Hitler voor 1933 niet of nauwelijks opgeroepen tot uitsluiten en boycotten van joden in Duitsland. Zijn openbare tirades tegen joden richtten zich tegen het internationale kapitaaljodendom. De (eendaagse) symbolische 'boycot' van 1 april 1933 (op een zaterdag, de sabbat, om de joodse winkeliers zo min mogelijk te duperen!) was een gematigde reactie op de permanente wereldwijde boycot die de internationale kapitaaljoden tegen Duitsland hadden afgekondigd. Het was niet toevallig dat deze boycot werd uitgeroepen door een Amerikaans-joodse monopoliekapitalist, Samuel Untermeyer. Die sprak ter gegenheid daarvan (in 1933) over ‘moord, ‘uithongering’ en ‘vernietiging’ toen er absoluut geen sprake was van welke benadeling van joden in Duitsland ook. Integendeel, Duitsland gold tot dan als een voorbeeld voor de assimilatie van joden in Europa. Degenen die in 1933 de hongerdood stierven waren de Duitse arbeiders. Een andere Amerikaans-joodse monopoliekapitalist, oorlogsprofiteur en ‘adviseur’ van president Roosevelt, Henry Morgenthau, verklaarde al op 1 februari 1933, de dag nadat Hitler aan de macht kwam, dat “de Tweede Wereldoorlog was begonnen.” Op dat moment was er uit 'humanitair' oogpunt geen enkele reden om Duitsland daarmee zo hard te treffen. (De Palestijnen zouden zich in de hemel wanen als zij slechts een week konden leven zoals de joden in Duitsland van 1933 tot 1941.)
De vijandschap van de internationale kapitaaljoden had niets met humanitaire redenen te maken. Het was in werkelijkheid een reactie op het verwerpen van Duitsland van de wurgvoorwaarden van Versailles, het afschaffen van de 'gouden standaard' en de renteslavernij. De Duitse joden waren dan ook fel tegen de boycot gekant en voelden zich terecht verraden door deze internationale kapitaalmafia.

Quote:

In de samenvatting aan het einde van zijn tweede boek geeft hij een prachtig beeld van zijn visie op het internationale Jodendom. Hij beweert daarin van alles over de Joden. En als daar iets van waar is, dan is zijn standpunt begrijpelijk en zijn zijn acties in de strijd tegen dat Jodendom te rechtvaardigen, ook ten aanzien van de deportatie van Joden. Ik kan me dan zelfs indenken dat hij zich door de oorlog en de weigering van de wereldgemeenschap om Joden op te nemen zo in het nauw voelde dat hij alleen de Endlosung nog als optie zag. Echter, dat begrip kan ik alleen opbrengen als zijn visie op het Jodendom, zoals hij dat zag en zo helder verwoord heeft in zijn tweede boek, volkomen juist was.


Ikzelf kan geen enkele rechtvaardiging vinden voor het over een kam scheren van alle joden: vrouwen, kinderen, zieken, bejaarden, volstrekt a-politieke joden, trouwe vaderlandse joden, enz. Misschien nog wel voor zijn politiek van gedwongen emigratie, maar al helemaal niet voor zijn politiek van dwangarbeid in gruwelijke barakkenkampen in het Oosten. Daarvoor bestaat - in ieder geval in mijn ogen - geen enkel excuus en geen enkele rechtvaardiging.
Je gebruikt trouwens ten onrechte het leugenwoord "Endlosung", dat suggereert dat miljoenen joden systematisch werden uitgeroeid in "gaskamers" van "vernietigingskampen". Als je jezelf ook maar een klein beetje verdiept in het revisionistische feitenmateriaal zul je voortaan dat woord alleen nog tussen aanhalingstekens gebruiken.

Quote:

En daar loop ik tot op heden vast, want in geen van zijn brieven, speeches of boeken komt Hilter met concrete echte bewijzen. Het is mij daarbij echt onvoldoende dat er in Duitsland en elders in de wereld reeds anti-semitische ideeen waren en boeken circuleerden waarin dat tot uitdrukking werd gebracht. Ik wil bewijzen niet meer en niet minder. Want er zijn teveel mensen, vooral ook niet Joodse Duitsers, gestorven voor deze ideeen om het zonder echt bewijs als waarheid te aanvaarden.


Je vraag naar "bewijzen" is natuurlijk veel te breed om hier op in te gaan. Waar een overvloed van bewijzen van bestaat is dat: de meerderheid der joden in de eerste plaats loyaal is aan hun eigen "volk". Zij zijn door de eeuwen heen een sterk gesloten gemeenschap gebleven, welke nooit echt wilde integreren binnen hun gastvolkeren. Integendeel, vooral vroeger stonden zij uiterst vijandig tegenover de gemeenschappen waarin zij leefden. Zij vergaarden voor een groot deel hun bezit door improductieve activiteiten: geldmanipulatie, advocatuur, politiek, handel, speculatie, enz.
Zoals gezegd, het Duitse volk had daarvoor geen verdere 'bewijzen' nodig; zij zagen dat elke dag op straat en om zich heen.

Quote:

Overigens ben ik blijkbaar wat harder voor parasieten dan jou King Arthur.
Ik vind nu eenmaal dat als een volk willens en wetens op mijn volk parasiteert dat dit een directe oorlogsverklaring is die ik met de daarbij passende hardheid moet beantwoorden ten einde niet op de lange termijn alsnog het onderspit te moeten delven.

MAAR DAN WIL IK WEL ONOMSTOTELIJK BEWEZEN ZIEN DAT ZIJ WILLENS EN WETENS EN COLLECTIEF PARASITEREN !!! (En dat heb ik tot op heden nog niet kunnen vinden of mogen ontvangen).


Ik ga hierin dus niet met je mee. Voor mij is er nooit sprake van collectieve schuld, niet bij een ras en niet bij een volk.
Dan maak je dezelfde fout als Hitler, de nazi's en de Zionazi's in Israel en dat verwerp ik volledig.

Quote:

Originally Posted by Rebirth

King Arthur ik heb net als jij dezelfde bedenkingingen bij collectieve schuld.
Overigens blijf ik bij mijn standpunt dat ik ook hard zou optreden als collectief parasitisme en nepotisme wel onomstotelijk bewijsbaar blijkt. Dat zou in mijn visie Hitlers beleid rechtvaardigen. Maar evenals jij verwacht ik niet iemand te ontmoeten die dat onomstotelijk kan bewijzen, zelfs niet als het echt waar is.
Maar onomstotelijk bewijs is wel noodzakelijk want anders kan ik degelijk dramatische acties niet rechtvaardigen.
Ik wacht dus op een reactie van de beter geinformeerde Hitler vereerder die mij onomstotelijk kan aantonen dat Hitler het bij het juiste eind had om het hele Joodse volk aan te pakken zoals hij heeft gedaan.


Naar mijn mening was er van collectief parasitisme en nepotisme geen sprake, althans niet bij het gros van de Europese joden en niet in de mate dat dat bij hen als staatsondermijnend kon worden gekwalificeerd. Zeker, er was een aanzienlijk deel van de joden voor wie dat wel gold. Ik denk dat Hitler zich hierbij voor het probleem gesteld zag dat als maatregelen zich alleen zouden beperken tot joden waarvan 'bewezen' kon worden dat zij ondermijnend en disloyaal waren, dat op individuele basis moest worden vastgesteld. Een onoplosbaar probleem daarbij zou zijn waar de grenzen dan getrokken moesten worden. Dat was ondoenlijk en politiek onverkoopbaar; zelfs als dat wel kon zou hij er ook bij uitwijzing van deze joden niet aan kunnen ontkomen onschuldigen (vrouwen, kinderen, bejaarden) te treffen. Op die manier zou hij het joodse vraagstuk nooit kunnen oplossen. Bovendien stond voor hem vast - daarin gesterkt door de oorlogsverklaring van het internationale jodendom aan Duitsland - dat elke jood zich vroeg of laat tegen Duitsland zou (kunnen) keren.
Ik vermoed dat dit soort overwegingen hem ertoe hebben gebracht geen onderscheid te maken en zich op verwijdering van alle Duitse (en later 'Grootduitse') joden te richten.
Niet uit het oog mag worden verloren dat het aanvankelijk ging om vrijwillige en later om dwangmatige emigratie. Pas toen de oorlogsomstandigheden dat onmogelijk maakten, liep dat uit op de beruchte transporten naar het Oosten.

Quote:

En ik wacht ook op mensen die mij kunnen aantonen dat er nu nog steeds een Joodse wereld elite is die aan de touwtjes trekt in een mate die niet in verhouding staat tot het aantal Joden in de wereld.
Overigens weet ik een ding zeker. Namelijk dat in verhouding tot het aantal Christenen en Duitsers in de wereld de Christenen en Duitsers ook in hoge mate aan de touwtjes trekken, al was het maar omdat de Christelijke wereld en Duitsers relatief veel rijker zijn dan de Islamitische wereld. En ik zie nog geen Neo-Nazi opstaan die om die reden de Christelijk Duitse gemeenschap durft beschuldigen van waar zij de Joodse gemeenschap van beschuldigen.


Dat er een joodse elite bestaat welke gezien hun geringe aantal een buitenproportionele macht in en over de wereld bezit is boven elke twijfel verheven. Het kost werkelijk niet de minste moeite om dat met harde bewijzen te staven. Meer dan 80% van alle (massa)media in de VS en een groot deel van de Westerse wereld is in joodse handen. Hetzelfde geldt voor de grootste bankconsortia in de VS en in de wereld. Let wel, zij zijn ook de schuldeisers van de nooit meer af te lossen mega-staatsschulden welke alle Westerse landen hebben. Ondanks al deze torenhoge schuld (en rente!)lasten en alle 'bezuinigingen' welke als gevolg daarvan in een niet aflatende stroom over de burgers worden uitgestort, waren er onmiddellijk honderden miljarden dollars beschikbaar om het Iraakse volk te gaan "bevrijden" van hun ondemocratische dictator. Behalve dat daarmee weer een vijand van Israel onschadelijk werd gemaakt, neemt daardoor de staatsschuld van de VS aan de joodse kapitaalelite nog weer verder toe. Er is een oud spreekwoord dat zegt: "Wie betaalt, bepaalt". Dat is exakt aan de hand met de joden in de VS en in de wereld. Vrijwel alle voorraden aan goud en edele metalen in de wereld zijn in handen van anonieme stichtingen en bankinstellingen waarvan de eigenaren joden zijn. de "Amerikaanse" regering is vergeven van joden op beslissende functies en van de "adviseurs" die zich aan elke democratische controle onttrekken, maar niettemin bepalen wat de 'president' mag en moet doen. Joodse machten bepalen wie er president mag worden, en daarbij maakt het hen geen fluit uit of hij Democratisch of Republikeins is. Wie het ook is, hij heeft tevoren moeten beloven de door hen vastgestelde politiek te voeren. Indien niet dan maakt hij geen schijn van kans op verkiezing. Zit hij er eenmaal en doet hij niet voldoende wat van hem wordt verwacht, dan wacht hem een anti-campagne in de media, een chantage-affaire (al dan niet met een joodse stagiaire) of uiteindelijk een nooit opgeloste moordaanslag.
Elke vergelijking van "er zijn veel meer Christenen, Mohammedanen, Duitsers, enz. dan joden" mist elke grond omdat de honderden miljoenen Christenen enz. geen Volk zijn, doch slechts honderden miljoenen individualisten.
De joodse macht is gebaseerd op het feit dat zij een VOLK zijn en zich als zodanig al eeuwenlang gedragen. Hetzelfde geldt bijv. voor de Japanners en dat maakt het mogelijk dat zij als kleine groep een formidabele macht in de wereld vertegenwoordigen. Niet voor niets worden in het westen door de joods gedomineerde pers het "individualisme" en "materialisme" zo op een voetstuk geplaatst. Dat biedt de beste garantie dat de massa NOOIT een bedreiging kan worden voor de werkelijke heersers.

-- "King Arthur"


Eerste deel / Een Afrekening

Eerste Hoofdstuk / In het Ouderlijk Huis

Nu beschouw ik het als een gelukkige schikking van het lot, dat het mij juist Braunau aan de Inn als geboorteplaats aanwees. Dit stadje is immers precies gelegen op de grens van de twee Duitse staten, die vooral volgens ons, jongeren, weer tot een geheel moet worden samengevoegd. Duits-Oostenrijk moet weer terug naar het grote Duitse moederland, en dat niet op grond van de een of andere economische overweging. Nee, nee: ook zelfs als de hereniging, economisch gezien, geen voordeel zou opleveren, ja zelfs als zij nadelig zou zijn, moet dit toch plaatsvinden.

"Eender bloed behoort thuis in 1 rijk!"

Het Duitse volk kan geen aanspraken op een koloniaal-politiek gebied doen gelden, zolang het niet bij machte is gebleken, zijn eigen zonen binnen 1 staatsverband te brengen. Pas wanneer de rijksgrens ook de laatste Duitser omsluit, en het Rijk niet meer de zekerheid heeft, iedereen te kunnen verzorgen, pas DAN ontstaat uit de nood van het eigen volk het morele recht tot verwerving van vreemde grond. Dan wordt het zwaard tot ploeg en uit de tranen van de oorlog groeit voor de nakomelingen van het dagelijks brood. Zo schijnt mij dit kleine grensstadje het symbool van een grote levenstaak te zijn. Maar ook nog in een ander opzicht staat het als een stenen waarschuwing in onze tijd. Het is meer dan 100 jaar geleden, dat dit onaanzienlijke nest het toneel was van een tragische gebeurtenis, waarmee het leven van de hele Duitse natie gemoeid was, en die maakte, dat het in de annalen van de Duitse geschiedenis werd vereeuwigd.

In de tijd van de diepste vernedering van ons vaderland, stierf daar voor zijn land, dat hij ook toen, juist toen, met zijn gehele hart liefhad, de Neurenberger Johannes Palm, particulier boekhandelaar, overtuigd nationalist en vijand van de Fransen. Hardnekkig had hij geweigerd, de mede- of liever de hoofdschuldigen te noemen. Dus evenals Leo Schlageter. Hij werd dan ook gelijk als deze door een regeringsvertegenwoordiger bij de Fransen verraden. Een directeur van de Augsburgse politie verwierf deze treurige roem en gaf aldus het voorbeeld aan de Duitse ambtenaren van onze tijd in het rijk van de heer Severing.

In dit stadje aan de Inn, dat door het offer van deze Duitse martelaar een aureool zal blijven dragen, dat naar t gevoel en 't bloed' Beiers is, maar staatkundig tot Oostenrijks grondgebied behoort, woonden in de tachtiger jaren van de vorige eeuw mijn ouders; mijn vader was een plichtsgetrouw rijksambtenaar, mijn moeder ging op in haar huishouden en gaf zich vooral aan ons kinderen met altijd dezelfde liefde en zorg. Uit deze tijd is mij maar weinig bijgebleven, want reeds na verloop van enkele jaren moest mijn vader het hem lief geworden grensstadje weer verlaten, om in Passau, dat aan de monding van de Inn, dus in Duitsland zelf, gelegen is, een nieuwe standplaats te gaan innemen. Maar het lot van een Oostenrijks Douanier betekende destijds 'vaak verhuizen'. Al na korte tijd moest mijn vader naar Linz en werd tenslotte ook gepensioneerd. "Rust" zou dit voor de oude heer weliswaar niet betekenen. Als zoon van een arme pachter had hij het vroeger thuis reeds niet kunnen uithouden. Als kleine jongen van nog-niet-eens dertien jaar had hij zijn rugzak gepakt en was uit het bosland - zijn geboortestreek - weggelopen. Tegen de raad van de ervaren dorpsgenoten in, was hij naar Wenen getogen, om daar een vak te leren. Dat was in de vijftiger jaren van de vorige eeuw geweest. (vorige eeuw is 1800+)

Een moeilijk besluit, om met drie gulden op zak de wijde wereld in te trekken, een onzekere toekomst tegemoet. Toen de dertien jarige echter zeventien jaar geworden was had hij zijn (leerlingen) gezellen-proefstuk met goed gevolg afgelegd, maar de verwachte voldoening had het hem niet geschonken, eigenlijk het tegendeel. Doordat zijn nood, kommer en ellende destijds zo vreselijk lang duurde kwam hij tot het besluit, om zijn beroep uiteindelijk toch maar op te geven en iets 'hogers' te worden. En zoals vroeger in het dorp meneer Pastoor voor de doorsnee jonge arme drommel de verpersoonlijking was van het hoogste wat een mens maar bereiken kan, zo zag hij nu - doordat zijn blikveld door het verblijf in een grote stad zo veel ruimer was geworden - de waardigheid van de rijksambtenaar in dit licht.

Deze zeventienjarige - die, nog een half kind, door nood en ontberingen al "oud" was geworden - wierp zich met al zijn energie en taaiheid op deze nieuwe zelfopgelegde taak, en werd... ambtenaar.

Na bijna drie en twintig jaar (naar ik meen) was het doel bereikt. Nu scheen ook de grote gelofte vervult die de arme jongen eens aan zichzelf had gedaan, om niet eerder in zijn geliefde geboortedorp terug te keren, voor hij iets van betekenis zou zijn geworden.

Nu was het doel bereikt; maar in het dorp wist niemand zich de vroegere kleine jongen meer te herinneren, en hemzelf was dit dorp vreemd geworden. Toen hij eindelijk op zesenvijftigjarige leeftijd gepensioneerd werd, zou hij toch van zijn rust als 'leegloper' geen dag hebben kunnen genieten. Hij kocht nabij het Oostenrijks gehucht Lambach een stuk grond, bebouwde dat, en keerde aldus in de kringloop van een lang en werkzaam leven, weer terug tot de oorsprong van zijn geslacht.

In deze tijd kwamen waarschijnlijk ook in mij reeds de eerste idealen op. Het vele rondzwerven in de vrije natuur, de lange weg naar school en ook de omgang met uitsterst ruwe jongens, iets wat vooral mijn moeder dikwijls met grote zorg vervulde, maakten dat ik allesbehalve een huismus werd. En al dacht ik destijds ook nauwelijks een ogenblik ernstig na over mijn toekomstig beroep, toch stond een ding vast: dat ik me heel zeker NIET tot de levensloop van mijn vader aangetrokken voelde. Ik geloof, dat reeds in die tijd mijn spreekvaardigheid zich ontwikkelde, wat tot uiting kwam in min of meer heftige ruzies met mijn kameraden.

De kleine belhamel

Ik was een kleine belhamel geworden, die op school gemakkelijk en ook zeer goed leerde, maar overigens tamelijk moeilijk te behandelen was. Omdat ik in mijn vrije tijd zangles kreeg in het Klooster der Koorheren te Lambach, had ik volop gelegenheid de bedwelming van de buitengewoon feestelijke pracht en praal der kerkelijke plechtigheden te ondergaan. Wat was natuurlijker en logischer dan dat ik toen de Abt beschouwde als een man, die het hoogste ideaal bereikt had, evenals toentertijd mijn vader tegen de kleine dorpspastoor had opgekeken. Een tijdlang tenminste was dat het geval.

Aangezien mijn vader echter zijn vechtlustige zoon om begrijpelijke redenen de gebektheid en verbale talenten niet als zodanig kon waarderen, zo - dat hij daaruit enige hoopvolle gevolgtrekkingen kon maken voor de toekomst van zijn spruit, nam hij zulke jongensplannen ook niet ernstig op. Waarschijnlijk baarde dit dualisme van de natuur hem zorg. Inderdaad verdween dan ook mijn verlangen naar dit beroep vrij spoedig, om plaats te maken voor verwachtingen die met mijn temperament overeenkwamen.

Bij het doorsnuffelen van mijn vaders bibliotheek had ik verscheidene boeken over militaire onderwerpen gevonden, waaronder een volksuitgave over de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Het waren twee ingebonden jaargangen van een geïllustreerd tijdschrift uit die jaren en die werden nu mijn lievelingslectuur.

Geestdrift voor de Oorlog

Het duurde niet lang, of deze titanenstrijd was als het ware geheel een stuk van mijzelf geworden. Van nu af aan dweepte ik hoe langer hoe meer met alles, wat op de een of andere manier samenhing met oorlog of tenminste met het soldatenleven. Maar ook in een ander opzicht zou dit van belang voor mij worden. Voor het eerst kwam de vraag bij mij op, hoewel nog in weinig heldere vorm, of en zo ja, welk onderscheid er dan toch bestond tussen deze Duitsers, die veldslagen leverden en de anderen.

Waarom heeft Oostenrijk toch niet OOK meegevochten in deze oorlog? Zijn wij dan niet gelijk aan al die andere Duitsers? Behoren wij dan niet allemaal bij elkaar? Dit probleem begon toen voor het eerst mijn jeugdige hersenen te pijnigen. Het vervulde mij met een gevoel van diepe afgunst toen ik in antwoord op mijn voorzichtig gestelde vragen tot antwoord kreeg dat niet iedere Duitser zo gelukkig was om tot het Rijk van Bismarck te behoren. Ik kon dit niet begrijpen.

Beroepskeuze

Ik zou gaan studeren, Uit mijn gehele karakter, en meer nog uit mijn temperament, meende mijn vader de gevolgtrekking te kunnen maken, dat het humanistische gymnasium volkomen in tegenspraak zou zijn met mijn aanleg. De Hogere Burgerschool scheen hem beter daarbij te passen. In deze mening werd hij vooral gesterkt door mijn kennelijke aanleg voor tekenen, een vak dat naar zijn mening op de Oostenrijkse gymnasia verwaarloosd werd. Misschien was zijn eigen moeilijke levensweg daarbij wel mede beslissend, die hem de zijns inziens onpraktische humanistische studie wat minder deed waarderen.

Het stond echter onwrikbaar bij hem vast dat zijn zoon natuurlijk rijksambtenaar zou worden, ja..., MOEST worden. Zijn harde jeugd was uiteraard oorzaak dat hem datgene, wat hijzelf tenslotte bereikt had, nog des te groter toescheen, omdat hij dit immers uitsluitend door eigen vlijt en energie had bereikt. Het was de trots van een man, die zichzelf had opgemerkt, die de wens in hem wakker riep om zijn zoon in een gelijke, zo mogelijk in een hogere levenspositie te zien, en dit des te meer, waar hij - door eigen vlijt in staat was - zijn zoon deze weg zoveel gemakkelijker te maken.

De gedachte dat ik datgene, wat voor hem zijn gehele levensinhoud vormde, zou kunnen afwijzen, kwam eenvoudigweg niet bij hem op. ZO was mijn vaders besluit, eenvoudig, duidelijk en helder en in zijn eigen ogen vanzelfsprekend. Tenslotte zou hij met zijn karakter, dat in de loop van zijn levenslange strijd om het bestaan heerszuchtig was geworden, de gedachte ook niet kunnen verdragen, dat hij in een geval als dit de eindbeslissing had moeten overlaten aan de in zijn ogen onervaren en dus niet verantwoordelijke jongen zelf.

Hij zou bij zo'n optreden ongetwijfeld het gevoel hebben gehad dat hij de teugels van het hem toekomende bewind niet strak genoeg hield, en dat hij de verantwoordelijkheid voor het leven van zijn kind niet ernstig genoeg nam; het zou trouwens ook in lijnrechte tegenspraak zijn geweest met zijn opvatting van plicht. Maar het zou anders uitkomen. Voor de eerste maal in mijn leven werd ik - toen ik nauwelijks elf jaar oud was - in de oppositie gedrongen. Hoe hard en vastbesloten mijn vader ook mocht zijn bij het doorzetten van eenmaal bepaalde plannen en voornemens, zijn zoon was even koppig en weerbarstig wanneer het over dingen ging die hem niet of nauwelijks aanstonden. Ik wilde geen rijksambtenaar worden, En geen overredende woorden, geen ernstige vermaningen zagen kans aan deze tegenstand iets af te doen.

Rijksambtenaar? Nooit!

Ik wilde geen ambtenaar worden, nee en nog eens nee! Alle pogingen om bij mij - door de verhalen uit mijn vaders eigen leven - liefde voor dit beroep op te wekken, hadden een averechtse werking. Ik werd misselijk bij de gedachte, eens als onvrij man op een bureau te moeten zitten; niet meer heer en meester te kunnen zijn over mijn eigen tijd en gedwongen te zijn de inhoud van mijn gehele leven te zoeken in het invullen van formulieren. Welke bekoring kon zulk een toekomstbeeld ook hebben voor een jongen die toch werkelijk alles was, behalve zoet in de gebruikelijke zin van het woord.

Het grote gemak waarmee ik leerde liet mij zoveel vrije tijd dat ik meer in de zon liep dan op mijn kamer zat. Wanneer in onze dagen mijn politieke tegenstanders mij de aanminnige attentie bewijzen om mijn levensloop te doorsnuffelen tot in de jaren van mijn jeugd, en men eindelijk met innige voldoening kan vaststellen welk een schandelijk streken 'die Hitler' reeds in zijn jeugd heeft uitgehaald, dan dank ik de Hemel, dat men mij langs deze weg ook nu nog iets schenkt uit de herinneringen van deze gelukkige tijd.

Bos en weidegrond waren destijds het strijdperk waar onophoudelijke 'verschillen van mening' werden uitgevochten. Ook de Hogere Burgerschool, die ik nu moest bezoeken, bracht hierin weinig verandering. Wel leidde dit er echter toe, dat er nu een andere kwestie moest worden uitgevochten. Zolang tegen het plan van mijn vader - om mij ambtenaar te laten worden - alleen maar mijn afkeer van dat beroep op zichzelf stond, kwam het conflict niet tot uitbarsting. Zolang kon ik immers ook mijn innerlijke gevoelens enigszins inhouden en behoefde niet altijd dadelijk tegen te spreken. Mijn eigen vaste besluit om later geen ambtenaar te worden, was voldoende om mij innerlijk volkomen gerust te stellen. Dit besluit echter stond bij mij onwrikbaar vast.

Maar kunstschilder

Moeilijker werd de zaak, toen tegenover het plan van mijn vader een eigen plan kwam te staan. Hoe het kwam weet ik zelf niet, maar op zekere dag was het mij duidelijk dat ik schilder wilde worden - kunstschilder. Ik had ontegenzeggelijk talent voor tekenen en dit was zelfs mede een reden voor mijn vader geweest om mij naar de Hogere Burgerschool te zenden; maar nooit en te nimmer zou hij eraan gedacht hebben om mij in die richting te laten opleiden met het oog op een eventueel later beroep.

Integendeel, toen mij voor de eerste maal - nadat ik wederom vaders lievelingsdenkbeeld had afgewezen - de vraag werd gesteld, wat ik nu eigenlijk WEL wilde worden en ik vrijwel zonder voorbereiding mijn besluit - dat intussen reeds vast was komen te staan - eruit flapte, was vader eerst sprakeloos. "Schilder? Kunstschilder? Hij twijfelde aan mijn verstandelijke vermogens, meende misschien ook niet goed gehoord of verstaan te hebben.

Toen ieder twijfel dienaangaande uit de weg was geruimd, en hij vooral de ernst van mijn bedoeling voelde, verzette hij zich daartegen met geheel zijn wil en al zijn energie. Zijn beslissing was zeer simplistisch; er was geen sprake van, dat ook maar enigszins onderzocht werd of ik misschien inderdaad geschikt was voor dit beroep. "Kunstschilder, nee, zolang ik leef, nooit."

Daar echter zijn zoon nu juist, behalve verschillende andere eigenschappen, OOK zijn stijfkoppigheid had geërfd, kwam er ongeveer even pertinent antwoord terug. Alleen natuurlijk in omgekeerde zin. Aan beide zijden bleef het daarbij. Vader handhaafde zijn "Nooit" en ik verhardde in mijn "En Toch!" Dit had nu echter niet bepaald aangename gevolgen. De oude heer werd verbitterd, en hoezeer ik hem ook liefhad, ik ook. Vader wilde dat ik mijn innige hoop, toch nog eens voor kunstschilder te kunnen worden opgeleid, liet varen. Ik ging nog een stap verder en verklaarde dat ik dan helemaal niet meer wilde leren.

Daar ik nu natuurlijk met zulke 'verklaringen' toch aan het kortste eind trok, omdat de oude heer nu zijn gezag meedogenloos liet gelden, zweeg ik voortaan maar voerde inderdaad mijn bedreiging uit. Ik meende dat vader, wanneer hij maar eenmaal zou zien hoe slecht mijn resultaten op de Hogere Burgerschool waren, mij goed- of kwaadschiks toch mijngedroomde geluk wel zou toestaan. Ik weet niet of ik op de lange duur gelijk zou hebben gekregen. Zeker waren voorlopig alleen mijn zichtbaar slechte resultaten op school.

Wat ik prettig vond leerde ik, maar vooral ook alles wat mij naar mijn mening later als schilder van nut zou kunnen zijn. Wat mij in dat opzicht onbelangrijk toescheen - en mij ook overigens niet aantrok - saboteerde ik volkomen.

De jonge nationalist

Mijn rapporten in deze tijd vertoonden, naar gelang van het vak en mijn waardering daarvoor, steeds uitersten. Naast "uitmuntend" en "zeer goed" stonden "even voldoende" en "onvoldoende". Verreweg het beste waren mijn vorderingen in aardrijkskunde en beter nog die in algemene geschiedenis. Dit waren mijn beide lievelingsvakken, waar ik mijn klasgenoten verre de baas was. Indien ik thans - na zoveel jaren - mij de resultaten van deze tijd voor de geest haal en onderzoek, dan zie ik twee in het oog lopende feiten bijzonder grote betekenis. Ten eerste: Ik werd Nationalist. Ten Tweede: Ik leerde de geschiedenis in haar ware betekenis doorzien en begrijpen.

Het oude Oostenrijk was een "nationaliteitenstaat". Een onderdaan van het Duitse rijk kon zich er, over het algemeen tenminste, destijds in het geheel geen beeld van vormen, welke betekenis dit feit bezit in het dagelijkse leven van de enkeling in zo'n staat. Men was na de wonderbare zegetocht van de heldhaftige legers in de Frans-Duitse oorlog zo langzamerhand steeds meer vervreemd van het Duitse volk buiten de eigen grenzen: sommige groepen hadden deze broeders zelfs niet meer willen, of misschien niet meer kunnen waarderen.

Met betrekking tot de Duits-Oostenrijker verwarde men voorla maar al te gemakkelijk het door-en-door rotte Vorstenhuis met het in de kern volkomen gezonde volk. Men begreep niet, dat de Oostenrijkse Duitser van het zuiverste bloed moest zijn, om de kracht te bezitten zijn stempel te drukken op een staat van 52 millioen zielen, en dat wel zodanig dat immers juist in Duitsland de foutieve mening kon gaan heersen dat de Oostenrijks-Hongaarse monarchie een Duitse staat was.

De Duitse Oostmark

Een misverstand, dat noodlottige gevolgen met zich zou slepen, maar dat toch een schitterende getuigenis was voor de 10 millioen Duitsers van de Oostmark. Van de eeuwige onverbiddelijke strijd voor de Duitse taal, de Duitse school en het Duitse volkskarakter hadden slechts heel weinig Duitsers uit het Rijk enig vermoeden. Eerst nu, nu vele millioenen uit het Rijk zelf gebukt gaan onder datzelfde harde juk, nu millioenen volksgenoten onder vreemde heerschappij van een vaderland dromen dat weer alle Duitsers omsluit, en met het hart vol verlangen naar huis, vechten, om tenminste de heilige rechten op het gebruik van de moedertaal te behouden, nu begrijpt men pas in bredere kring wat het zeggen wil voor zijn volkseigenheden te moeten strijden.

Nu zal misschien ook de een of ander de grootheid weten te schatten van het Duitse bloed in de oude Oostmark van het Rijk, dat - geheel op zichzelf alleen aangewezen - eerst eeuwenlang de Oostgrenzen van het Rijk verdedigde, om tenslotte in een oneindig uitputtende guerrilla de Duitse taalgrens vast te houden in een tijd waarin het Rijk zich wel interesseerde voor koloniën, maar niet voor zijn eigen vlees en bloed vlak voor zijn poorten.

Zoals overal en altijd, in ieder strijd, bestonden er ook in de taalstrijd van het oude Oostenrijk drie soorten mensen: de Strijders, de Onverschilligen en de Verraders. Reeds op school kon men deze drie categorieën onderscheiden. Want dat is wel het merkwaardigste bij iedere taalstrijd, dat zijn golven misschien het zwaarst de school bebeuken, de plaats immers, waar de jonge generatie voor het leven wordt uitgerust. Deze strijd wordt gevoerd om het kind, en tot het kind richt zich de eerste oproep voor deze strijd.

"Duitse jongen, vergeet niet, dat je Duitser bent" en "Meisje, denk er aan dat je een Duitse moeder moet worden." Wie de ziel van de jeugd kent, die begrijpt dat juist zij met vreugde het oor leent aan zo'n strijdkreet. In honderd verschillende vormen voert zij dan deze strijd, op haar wijze en met haar wapens. Zij weigert, andere dan Duitse liederen te zingen, dweept des te meer met de grootheid der Duitse helden, naarmate men zich meer inspant haar daarvan te vervreemden; verzamelt geld, dat zij zich uit de mond bespaart voor de strijdkas van de volwassenen; zij hoort ieder woord en doorvoelt iedere bedoeling van de niet-Duitse leraar en werkt hem op alle manieren tegen; zij draagt de verboden onderscheidingstekenen van het eigen volk en voelt zich gelukkig wanneer ze daarvoor gestraft of zelfs gekastijd wordt.

Zij is dus in het klein een getrouw spiegelbeeld der groten, alleen met dit verschil, dat zij er dikwijls een sterker en oprechter overtuiging op nahoudt. Zo was ook ik reeds in mijn prille jeugd in de gelegenheid om deel te nemen aan de strijd der nationaliteiten in het oude Oostenrijk. Men collecteerde voor Duitse scholen en voor de Zuidelijkste provinciën, men gaf blijk van zijn overtuiging door middel van korenbloemen en zwart-rood-goud, men groette met "Heil" en zong liever het "Deutschland uber alles" dan het "Gott erhalte Franz den Kaiser", wat men ook mocht vermanen en straffen. Wij jongens waren daardoor reeds politiek geschoold op een leeftijd, waarop een onderdaan van een zogenaamde Volksstaat meestal van zijn volkseigenheden weinig meer kent dan de taal. Dat ik reeds destijds niet tot de onverschilligen hoorde spreekt vanzelf.

De strijd voor het Duitse volkseigen

In korte tijd was ik een fanatiek "Duitsnationaal" geworden, waarbij dit echter niet identiek is met de ideologie der partij, welke heden deze naam draagt. Deze ontwikkeling maakte bij mij snelle vorderingen, zodat ik reeds op vijftienjarige leeftijd een juist begrip had van het onderscheid tussen dynastiegebonden " patriottisme" en volks "nationalisme"; en voor mij bestond er reeds destijds niets anders meer dan het laatste. Voor hem, die zich nooit de moeite getroostte, de binnenlandse verhoudingen van het rijk der Habsburgers te bestuderen, zal zo'n gebeurtenis misschien niet dadelijk begrijpelijk zijn.

Reeds de meest elementaire behandeling der wereldgeschiedenis, op school, moest noodgedwongen de kiem leggen voor deze ontwikkelingen, omdat er immers - afgezien van locale kronieken - geen eigenlijke Oostenrijkse geschiedenis bestond. Het lot van deze staat is zozeer verbonden met het leven en de groei van het gehele Duitse volk, dat een poging om de geschiedenis in een Duitse en een Oostenrijkse helft te splitsen eenvoudig op een jammerlijke mislukking moest uitlopen. Ja, toen Duitsland tenslotte in 2 machten uiteenviel, werd immers juist deze scheiding een gebeurtenis in de Duitse geschiedenis.

De in Wenen bewaarde Rijkskleinodien, zinbeelden van de vroegere grootheid en heerlijkheid van het Rijk, schijnen ons in hun wondere pracht een onderpand te zijn voor de eeuwige eenheid van de Duitse landen. Die, diep uit het hart opgewelde kreet van het Duits-Oostenrijkse volk: "Weer een met het Duitse moederland!" in de dagen dat de Habsburgse staat ineenstortte, was immers slechts het gevolg van dat gevoel van heimwee naar het nooit vergeten vaderhuis, dat in alle harten leefde. Nimmer echter zou dit verklaarbaar geweest zijn, indien niet de geschiedkundige opvoeding van iedere Duits-Oostenrijker afzonderlijk, dit algemene verlangen gewekt en versterkt had. Zij is een bron, die nimmer opdroogt, die - vooral dan - wanneer voorbijgaande rust en welvaart ons doen vergeten, haar donkere, waarschuwende stem doet horen en door het verleden van een nieuwe toekomst spreekt.

Geschiedenisles

Het onderwijs in algemene geschiedenis op de zogenaamde middelbare scholen is er ook heden nog zeer slecht aan toe. Slechts zelden begrijpt een leraar, dat het doel van het geschiedenisonderwijs nooit en te nimmer kan gelegen zijn in het van buiten leren en afdraaien van geschiedkundige data en gebeurtenissen, dat het er niet op aan komt, of de jongen nu precies weet wanneer deze of gene veldslag geleverd werd, wanneer die veldheer geboren werd, of zelfs een (meestal zeer onbeduidend) monarch de kroon van zijn voorvaderen op het hoofd werd gezet. Nee, dat is waarlijk al van zeer weinig belang.

Geschiedenis "leren" wil zeggen, de krachten opzoeken die de oorzaken zijn van datgene wat wij als geschiedkundig gegroeide feiten en toestanden voor ons zien. De kunst van het lezen, evenals van het leren is ook hier: het wezenlijke behouden, de bijzaken vergeten. Het werd misschien beslissend voor mijn gehele leven, dat het geluk mij juist voor geschiedenis een leraar gaf, die als zeer weinigen de kunst verstond bij onderricht en examinering dit standpunt de doorslag te doen geven.

Mijn toenmalige leraar Dr. Leopold Pötsch van de Hogere Burgerschool te Linz voldeed aan deze eis op werkelijk ideale wijze. Deze oude heer, die even goedig van karakter was als vastberaden in zijn optreden, slaagde er - vooral door een schitterende welbespraaktheid - niet alleen in ons te boeien, maar wist ons ook werkelijk mee te slepen. Nog steeds maakt er zich even een ontroering van mij meester, wanneer ik aan die grijze man - die ons in het vuur van zijn woorden menigmaal het heden deed vergeten - het verleden voor ons deed herleven en uit de nevelsluiers der eeuwen, de droge geschiedkundige herinnering tot levende werkelijkheid maakte.

Vaak bracht hij ons tot levende geestdrift, soms werden wij zelfs tot tranen geroerd. Dat geluk was des te groter, omdat onze leraar de kunst verstond het verleden juist in het licht van het heden te bezien, tevens echter om uit dit verleden de lessen voor het heden op te maken. Zo gaf hij ons dan ook, meer dan iemand anders, inzicht in al de problemen van de dag, die ons destijds steeds bezighielden. Ons klein nationaal fanatisme was voor hem een middel tot opvoeding, terwijl hij meer dan eens een beroep deed op ons nationaal eergevoel en daardoor alleen ons deugnieten spoediger tot orde bracht, dan dit door enig ander middel ooit mogelijk zou zijn geweest.

Geschiedenis mijn lievelingsvak

Deze leraar heeft geschiedenis tot mijn lievelingsvak gemaakt. Reeds in die tijd groeide, waarschijnlijk tegen zijn zin, uit mij de jonge revolutionair. Wie had ook zonder leiding van zo'n leraar Duitse geschiedenis kunnen studeren zonder tot vijand te worden van deze staat, welke door zijn dynastie op zo noodlottige wijze het leven van de natie beïnvloedde? Wie tenslotte had trouw kunnen blijven aan een keizer, wiens huis, zo vroeger als nu, altijd en altijd weer de belangen van het Duitse volk verried ter wille van smadelijke eigen voordelen? Dit historische inzicht in de invloed van het Habsburgse huis werd nog versterkt door de dagelijkse ervaringen.

In het Noorden en in het Zuiden vrat het vreemde volkerenvergif aan het lichaam van ons volk en zelfs Wenen werd kennelijk meer en meer een on-Duitse stad. Het aartshertogelijk Huis werd steeds meer Tsjechisch, waar dat maar enigszins mogelijk was en het was de vuist van de godin der eeuwige rechtvaardigheid en der onverbiddelijke vergelding, die de dodelijkste vijand van het Duitse bloed in de Oostmark - aartshertog Frans Ferdinand - juist deed vallen door de kogels, welke hij zelf hielp gieten. Hij immers was de beschermheer van het Slavendom in oostenrijk en het was vooral aan hem te danken dat de groeiende invloed van deze groep van bovenaf in de hand werd gewerkt.

Ongelooflijk zwaar waren de lasten die men aan het Duitse volk oplegde. Geweldig waren de offers aan geld en bloed en niettemin moest ieder, die niet stekeblind was, inzien dat dit alles tot vruchteloosheid gedoemd zou zijn. Wat ons daarbij nog het meest hinderde was het feit dat dit gehele systeem moreel gedekt werd door het bondgenootschap met Duitsland, waardoor de geleidelijke uitroeiing van de Duitse volkseigenheden in de oude monarchie nog min of meer door Duitsland zelf gesanctioneerd werd. De Habsburgse huichelarij, waarmee men het klaarspeelde naar buiten de schijn te wekken alsof Oostenrijk nog altijd een Duitse staat was, voerde de haat tegen dit Huis op tot brandende verontwaardiging en minachting.

Historisch inzicht

Alleen de officiële instanties van het Rijk, welke ook toen al de enige "bevoegden" waren, zagen van dit alles niets. Als met blindheid geslagen gingen zij naast een lijk, en meenden zelfs nog in de voortekenen der verrotting blijken van "nieuw" leven te ontdekken. In de noodlottige bondgenootschap van het jonge Rijk met de Oostenrijkse schijnstaat lag de kiem van de Wereldoorlog, maar ook van de ineenstorting. Ik zal in het verloop van dit boek mij nog diepgaand met dit probleem moeten bezighouden. Het is voldoende hier alleen nog vast te stellen dat ik - op de keeper beschouwd - reeds in mijn prilste jeugd tot een inzicht kwam dat mij nimmer meer verliet, maar dat alleen steeds dieper werd: namelijk, dat de vernietiging van de Donau monarchie eerste vereiste is voor het bestaan van het Duitse bloed en ten tweede, dat nationaal gevoel in geen deel identiek is met dynastiek patriottisme, en voor alles: dat het Habsburgse Huis een ramp was voor de Duitse natie.

Ik had reeds destijds de consequenties van dit inzicht aanvaard en voelde warme liefde voor mijn Duits-Oostenrijkse geboortegrond en diepe haat tegen de Oostenrijkse staat.

De wijze van geschiedkundig denken die mij zo op school bijgebracht werd, heeft mij nooit meer verlaten. De wereldgeschiedenis werd mij steeds meer tot een onuitputtelijke bron van voorbeelden, welke mij leerde de historische gebeurtenissen van het heden - dus de politiek - te begrijpen. Dat was niet omdat ik haar op de schoolmanier wilde "leren", maar omdat ik inzag dat zij mij het leven kon leren begrijpen. Terwijl ik er dus zodoende reeds vroeg op politiek gebied een revolutionaire overtuiging op na hield, op kunstgebied kwam ik al spoedig tot een soortgelijke mening.

Bewondering voor Wagner

De hoofdstad van Opper-Oostenrijk bezat destijds een betrekkelijk goede schouwburg. Er werd ongeveer van alles gespeeld. Toen ik twaalf jaar oud was zag ik voor de eerste maal "Wilhelm Tell", weinige maanden daarna, de eerste opera van mijn leven, "Lohengrin". Met een slag was ik geboeid. Mijn jeugdige geestdrift voor de grote kunstenaar uit Bayreuth kende geen grenzen. Steeds weer voelde ik mij tot zijn werken aangetrokken en ik gevoel het nog heden als een bijzonder geluk, dat de gebrekkigheid der opvoering in deze provinciestad maakte, dat ik later, bij een betere bezetting, nog zoveel meer kon genieten. Dit alles maakte, vooral toen ik de vlegeljaren gepasseerd was (hetgeen zich bij mij niet dan zeer pijnlijk voltrok) dat mijn diepe tegenzin tegen een beroep, zoals mijn vader voor mij gekozen had, nog groter werd.

Steeds meer kwam ik tot de overtuiging, dat ik als ambtenaar nimmer gelukkig zou worden. Toen ik nu ook op de Hogere Burgerschool waardering voor mijn tekentalent vond, stond mijn besluit nog weer vaster. Daar konden geen smeekbeden en geen bedreigingen meer iets aan veranderen. Ik wilde schilder worden, en geen macht ter wereld zou een ambtenaar uit mij kunnen maken. Eigenaardig was het alleen, dat met het klimmen der jaren bij mij steeds meer belangstelling opkwam voor de bouwkunst. Ik hield dit destijds voor een vanzelfsprekende aanvulling op mijn schildertalent en verheugde mij innerlijk over deze verruiming van mijn horizon. Dat dit eens geheel anders zou uitkomen, vermoedde ik niet.

De dood van mijn vader

De kwestie van mijn beroep zou nu toch nog vlugger beslist worden dan ik vroeger had mogen verwachten. Op mijn vijftiende levensjaar verloor ik zeer plotseling mijn vader. Een beroerte trof de overigens nog zo krasse man, en beëindigde op pijnloze wijze zijn aards bestaan, ons allen in diepe smart dompelend. Datgene wat hij het diepst verlangd had, n.l. te kunnen zorgen dat zijn kind een bestaan verwierf en het zo een bittere ontwikkelingsgang als de zijne te kunnen besparen was hem, voor zijn gevoel, ongetwijfeld niet gelukt.

Alleen legde hij, al was het ook geheel onbewust, de kiemen voor een toekomst, die destijds hij noch ik hadden voorzien. Voorlopig veranderde er niets. Mijn moeder voelde zich wel verplicht mijn opvoeding verder te leiden naar de wens van mijn vader, d.w.z. mij verder te laten studeren voor de ambtenaarsloopbaan. Ik zelf was vaster dan ooit besloten, onder geen omstandigheden ambtenaar te worden. Hoe meer nu de leerstof en de ontwikkeling van de middelbare school een richting begon in te slaan, welke in strijd was met mijn ideaal, des te onverschilliger werd ik. Toen kwam mij plotseling een ziekte te hulp, en deze besliste in weinige weken over mijn toekomst en over het steeds weer opkomende conflict in het ouderlijk huis. Mijn zware longaandoening was voor de dokter aanleiding mijn moeder dringend aan te raden, mij later in geen geval op een kantoor te doen.

Mijn bezoek aan de Hogere Burgerschool moest eveneens voor minstens een jaar gestaakt. Datgene wat ik zo lang in stilte verlangd had, waarvoor ik altijd gestreden had, was nu door deze gebeurtenis ineens - bijna vanzelf - werkelijkheid geworden. Onder de indruk van mijn ziekte stemde moeder er eindelijk in toe, mij later van de Hogere Burgerschool af te nemen en de tekenacademie te laten bezoeken.

De dood van mijn moeder

Dat waren gelukkige dagen, die mij bijna een schone droom toeschenen. Een droom zou het immers ook slecht blijken te zijn. Want twee jaar later maakte de dood van mijn moeder een plotseling einde aan alle mooie plannen. Het was het einde van een lange, pijnlijke ziekte, die van het begin af aan weinig uitzicht op genezing had geboden. Niettemin trof vooral deze slag mij ontzettend zwaar. Ik had respect gehad voor mijn vader, maar mijn moeder werkelijk liefgehad.

De nood en de harde werkelijkheid dwongen mij thans een snel besluit te nemen. De geringe geldmiddelen van mijn vader waren door de zware ziekte van moeder voor het grootste deel verbruikt; mijn wezen-pensioen was niet voldoende om ook maar te kunnen leven en dus was ik nu wel genoodzaakt om op de een of andere wijze zelf mijn brood te verdienen. Een koffer met kleding en ondergoed in de hand, met een onverwoestbare wil in het hart, zo reisde ik naar Wenen. Wat mijn vader 50 jaar geleden gelukt was, hoopte ook ik het noodlot af te dwingen; ook ik wilde "iets" worden, hoewel - in GEEN geval ambtenaar.

Tweede hoofdstuk / Leer- en lijdensjaren te Wenen

Toen mijn moeder stierf, had het noodlot in een opzicht reeds over mijn lot beslist. In de laatste maanden van haar leven was ik naar Wenen gereisd om toelatingsexamen te doen voor de academie. Met een dik pak tekeningen onder de arm, had ik mij destijds op weg begeven, overtuigd het examen spelenderwijze te kunnen afleggen. Op de Hogere Burgerschool was ik in tekenen verreweg de beste van de klas geweest; sinsdien had zich mijn vaardigheid nog buitengewoon sterk ontwikkeld, zodat ik trots en gelukkig was in het gevoel dat ik over mijn werk tevreden kon zijn en er dus maar het beste van hoopte.

Een enkel ding baarde mij dikwijls zorg: mijn schildertalent scheen te worden overtroffen door dat in het tekenen, vooral op bijna het gehele gebied der architectuur. Mijn belangstelling voor de bouwkunst zelf hield met deze ontwikkeling gelijke tred, en werd steeds groter. Dit proces werd nog veel versneld toen ik voor het eerst, als jongen van 16 jaar oud, een veertiendaags bezoek aan Wenen had gebracht. Ik reisde er heen om de schilderijengalerij van het Hofmuseum te bestuderen, maar had bijna uitsluitend oog voor het museumgebouw zelf. Ik liep gedurende die dagen van de vroege morgen tot de late avond van de ene bezienswaardigheid naar de andere, maar het waren altijd weer enkel bouwwerken die mij boeiden.

Urenlang kon ik voor de Opera staan, urenlang het parlementsgebouw bewonderen; de gehele Ringstrasze werkte op mij als een betovering uit duizend-en-een-nacht. Nu was ik dus voor de tweede maal in deze stad en wachtte met brandend ongeduld, maar ook met trots en zelfvertrouwen op de uitslag van mijn toelatingsexamen. Ik was ZO overtuigd dat het mij trof als een bliksemslag uit heldere Hemel toen men mij mededeelde dat ik afgewezen was. En toch was het zo. Toen ik mij aan de rector liet voorstellen en hem verzocht mij te willen zeggen om welke redenen ik niet tot de algemene schildersschool der Academie was toegelaten, verzekerde deze mij dat uit de door mij meegebrachte tekeningen zonneklaar mijn ongeschiktheid voor schilder bleek, maar dat mijn talent toch kennelijk op het gebied der architectuur lag. Voor mij kon nimmer de schildersschool, maar alleen de architectuurschool der Academie in aanmerking komen.

Talent voor bouwmeester

Dat ik tot dusverre nog geen bouwkundige school had bezocht, en evenmin enig onderricht in architectuur ontvangen had, kon men zich gewoon niet voorstellen. Terneergeslagen verliet ik Hansens prachtgebouw aan de Schillerplatz en was nu, voor de eerste maal in mijn jeugdig leven, oneens met mijzelf. Want wat ik over mijn aanleg had gehoord wierp plotseling een schel licht op een innerlijke tegenstrijdigheid, welke mij reeds lang had gehinderd, zonder dat ik er totnogtoe in was geslaagd haar vast te stellen. Na enkele dagen stond het ook bij mij zelf vast, dat ik bouwmeester zou moeten worden. Weliswaar was de weg buitengewoon moeilijk, want wat ik tot dusver op de Hogere Burgerschool had verzuimd, moest zich nu wel bitter wreken.

Om tot de architectuurschool der Academie te worden toegelaten, was het noodzakelijk dat men de Bouwtechnische School had doorlopen en om hiertoe te worden toegelaten, moest men in het bezit zijn van een einddiploma van een middelbare school. Dit alles ontbrak ten ene male. Naar menselijke berekening was dus de vervulling van mijn droom om kunstenaar te worden niet meer mogelijk.

Toen ik na de dood van mijn moeder voor de derde maal naar Wenen trok, en ditmaal voor vele jaren, had de intussen verstreken tijd mij mijn rust en vastberadenheid teruggeven. De vroegere koppigheid was weergekeerd en ik had mij mijn doel eens en vooral vast voor ogen gesteld. Ik wilde bouwmeester worden en tegenslagen zijn er niet op dat wij ervoor capituleren, maar opdat wij hen overwinnen. En ik wilde al deze hindernissen overwinnen, met steeds het voorbeeld van mijn vader voor ogen, die eens als de zoon van een arme dorpsschoenlapper was begonnen en zich tot rijksambtenaar had weten op te werken.

Dan waren de wapenen waarover ik kon beschikken toch al heel wat beter, en waren mijn omstandigheden toch heel wat gunstiger, en wat ik destijds aanzag voor de hardheid van het lot, prijs ik heden als de wijsheid der Voorzienigheid. Terwijl de godin van de nood mijn leven begon te beheersen, en het dikwijls leek alsof ik de strijd zou moeten opgeven, groeide de wil tot verzet, en tenslotte bleef die wil overwinnaar. Ik dank het aan die tijd dat ik hard ben geworden en hard kan zijn. En meer nog dan deze versterking van mijn wil, ben ik hem dankbaar dat hij mij losscheurde uit de leegheid van een gemakkelijk leven, dat hij het moederskindje uit het zachte dons trok en hem de zorg als levenskameraad gaf, dat hij de tegenspartelende jongen in de wereld van de ellende en de armoede zette en hem zo met diegenen in aanraking bracht, voor wie hij later zou moeten strijden.

In deze tijd zouden ook mijn ogen geopend worden voor twee gevaren waarvan ik voordien nog maar nauwelijks de naam kende en waarvan ik zeker nog niet begreep, welk een ontzettende bedreiging zij vormden voor het bestaan van het Duitse volk: Marxisme en Jodendom. Wenen, de stad die voor zo velen het symbool van argeloze vrolijkheid is, en die men zich zo graag voorstelt als een groot feestterrein vol vrolijke mensen, wekt bij mij slechts herinneringen op aan de treurigste tijd van mijn leven. Ook heden nog roept deze stad slechts droeve gedachten bij mij wakker. In de naam van deze sprookjesstad liggen voor mij vijf jaren van honger en ellende besloten. Vijf jaren waarin ik de kost moest verdienen als los arbeider, daarna als kleine schilder mijn brood moest verdienen,

Vijf jaar ellende

Mijn eisen op dit punt waren waarlijk bescheiden genoeg, en toch was er nooit voldoende om ook maar de eerste honger te stillen. Hij was destijds mijn trouwe metgezel, de enige die mij nooit verliet, die alles eerlijk met mij deelde. Ieder boek dat ik kocht wekte zijn medeleven; een bezoek aan de opera was voor hem reden om mij weer dagenlang gezelschap te houden; het was een voortdurende strijd met mijn meedogenloze vriend. En toch heb ik in deze tijd meer geleerd dan ooit tevoren. Op mijn bouwkunde en het zeldzame - uit mijn mond bespaarde bezoek aan de opera na - waren mijn boeken de enige vreugde in mijn leven.

Ik las destijds buitengewoon veel en degelijk. Alle vrije tijd welk mijn werk mij liet besteedde ik geheel en al aan mijn studie. In luttele jaren legde ik zodoende de grondvesten van een kennis, waarvan ik ook heden nog de vruchten pluk. Maar dit was nog niet alles. In deze tijd vormde zich bij mij een wereldbeeld en een wereldbeschouwing, die tot een muurvast fundament werd en een richtsnoer voor al mijn daden. Ik heb aan datgene - wat ik mij zodoende schiep - slechts weinig behoeven toe te voegen; te veranderen behoefde ik niets.

Integendeel. Het is nu mijn vaste overtuiging, dat in 't algemeen de kiemen van alle scheppende gedachten - wanneer er althans aanwezig zijn - reeds tijdens de jeugd op de een of andere wijze tot uiting komen. Ik maak onderscheid tussen de wijsheid van de ouderdom, welke alleen de grotere diepte en grotere voorzichtigheid als vrucht van een lang leven laat gelden, en de genialiteit van de jeugd, die in onuitputtelijke vruchtbaarheid gedachten en ideeën voortbrengt, al kan ze deze dan - door hun groot aantal - voorlopig nog in het geheel niet verwerken. De jeugd levert de bouwstoffen en toekomstplannen, waaraan de wijzere ouderdom de stenen ontleent, welke hij bijwerkt en waarmee hij de bouw voltooit, voor zover de zogenaamde wijsheid van de ouderdom althans de genialiteit der jeugd niet heeft verstikt.

Ontstaan van mijn wereldbeschouwing

Het leven dat ik tot die tijd in het ouderlijk huis geleid had, onderscheidde zich in weinig of niets van dat van alle anderen. Zorgeloos kon ik de nieuwe dag tegemoet zien, en een sociaal vraagstuk bestond er voor mij niet. Het milieu waarin ik opgroeide was dat van de kleine burgerij, dus een wereld die met de echte handarbeiders slechts weinig betrekkingen onderhoudt. Want hoe vreemd het op het eerste gezicht ook moge schijnen, toch is juist de kloof tussen deze - gewoonlijk niet bepaald schitterend gesitueerde - volksgroepen en de eigenlijke handarbeider dieper dan men denkt. De oorzaak van de bijna aan vijandschap grenzende koelheid - welke kenmerkend is voor de onderlinge verhouding van deze twee standen - is de vrees van een maatschappelijke groep, die zich eerst sedert kort boven het niveau der handarbeiders heeft uitgewerkt, om weer terug te zinken naar de oude, weinig geachte stand, of om nog tot die stand te worden gerekend.

Bovendien leefde nog bij velen de onaangename herinnering aan de culturele armoede van deze lagere klasse, de veelvuldige ruwheid in de onderlinge omgang, waardoor ieder contact van de eigen positie in het maatschappelijk leven, hoe onaanzienlijk deze ook moge zijn, met deze overwonnen trap van het leven en beschaving, tot een ondragelijke last wordt. Zo komt het dat een hoger ontwikkelde dikwijls minder bevooroordeeld tot zijn laagstaande medemens afdaalt dan iemand, die zelf in die stand heeft geleefd, dit ooit vermag. Want ieder die zich door eigen energie heeft opgewerkt, behoudt nu eenmaal zijn leven lang, als erfenis van zijn kinderjaren, de herinnering aan zijn vroeger lager levenspeil, en daarmee de angst voor dat - nog te nabije milieu.

Maar ook doodt deze dikwijls zeer harde strijd het medelijden. De eigen moeilijke worsteling om het bestaan maakt ongevoelig voor de ellende der anderen. Mij was het noodlot in dat opzicht genadig. Terwijl het mij dwong, weer in deze wereld der armoede en onzekerheid terug te keren, die mijn vader in de loop van zijn moeilijke leven reeds had verlaten, bevrijdde het mij van de vooroordelen welke een bekrompen kleinburgerlijke opvoeding mij had meegegeven. Nu eerst leerde ik de mensen kennen, leerde onderscheid te maken tussen de lege schijn of het ruwe uiterlijk en het innerlijk wezen.

Ik verlies mijn kleinburgerlijke vooroordelen

Wenen was reeds in het begin dezer eeuw een stad met buitengewoon ongunstige sociale toestanden. De grootset rijkdom en de ontzettendste armoede wisselden elkaar af, in plotse opeenvolging. In het centrum en in de daaromheen gelegen wijken voelde men wel heel sterk de hartslag van dit rijk van 52 millioen zielen, met al de bedenkelijke glans en glorie, welke de nationaliteitenstaat eigen is. Het hof, met zijn verblindende pracht, trok als een magneet alles wat rijk of ontwikkeld was uit de andere delen des Rijks tot zich; een proces dat nog versneld werd door het sterk centraliserende streven van het Habsburgse Huis zelf. Hierin was de enige mogelijkheid gelegen om dit mengelmoes van volkeren in een vaste vorm bijeen te houden.

Het gevolg daarvan was echter een buitengewone opeenhoping van hoge en hoogste autoriteiten in de hoofd- en residentiestad. Wenen was niet alleen politiek en geestelijk, maar ook economisch het hart der oude Donau-monarchie. Tegenover het leger van hoge officieren, rijksambtenaren, kunstenaars en geleerden stond een nog veel groter leger van arbeiders, tegenover de rijkdom van aristocratie en handel de bitterste armoede. Voor de paleizen der Ringstrasze slenterden duizenden werkelozen, en onder deze "via triumphalis" van het oude Oostenrijk huisden in het schemerdonker en het slijk der kanalen de daklozen. Er zou moeilijk een andere Duitse stad te vinden zijn geweest waar het sociale vraagstuk zo goed te bestuderen was als juist in Wenen.

Sociale tegenstellingen in Wenen

Dit bestuderen kan niet van bovenaf geschieden. Wie zich niet zelf in de omklemming van deze worgende reuzenslang bevindt, leert zijn giftanden nimmer kennen. Anders is het resultaat slechts oppervlakkig gezwets of onwaarachtig sentimenteel gedoe, wat beide even verkeerd is. Het ene is verkeerd, omdat het nooit tot de kern van het probleem kan doordringen, het andere, omdat het deze kern niet zoekt. Ik weet niet wat noodlottiger is, de onverschilligheid tegenover de sociale nood, zoals de meerderheid van de lieden die door het geluk begunstigd of door eigen verdienste opgeklommen zijn, dagelijks vertoont, of die even hooghartige als opdringerige, tactloze, maar altijd minzame neerbuigendheid van een bepaald soort van modewijven in rokken en broeken, "die toch zoveel voor het volk voelen".

Deze mensen zondigen in ieder geval meer dan zij met hun instinctloos verstand ook maar bij benadering kunnen begrijpen. Daarom dan ook, dat tot hun eigen verwondering, het resultaat van de door hen betoonde "sociale gevoelens" altijd nul is, en dat deze zelfs dikwijls verontwaardigd worden afgewezen; hetgeen dan natuurlijk onder de "weldoeners" weer doorgaat voor het bewijs van de ondankbaarheid van het volk. Dat dit met ernstig sociaal werk niet het geringste heeft uit te staan, en dat trouwens dit laatste ook in het geheel geen aanspraak mag maken op dankbaarheid, omdat het immers geen genade wil verlenen, maar enkel en alleen onrecht moet herstellen - dat is iets, wat hersens van dit soort maar liever niet tot zich laten doordringen.

Het bleef mij bespaard, het sociale vraagstuk op die wijze te leren kennen. Toen het ook mijn leven aantastte en teisterde, leek het er niet veel op, dat het me uitnodigde hiervan te leren, maar zag het er eerder naar uit dat het zijn krachten op mij wilde beproeven. Het was niet zijn schuld dat het proefkonijn niettemin heelhuids en gezond de operatie doorstond. Wanneer ik nu wil proberen, al mijn gewaarwordingen uit die tijd weer te geven, dan kan dit nimmer ook maar bij benadering volledig zijn; slechts de meest essentiële indrukken, die voor mij dikwijls de meest schokkende waren, zullen hier worden beschreven, en daarnaast de enkele lessen die ik er in deze tijd reeds uit putte.

Los werkman

Nu viel het mij destijds meestal niet erg zwaar, om werk te vinden, aangezien ik immers geen geschoold vakman was, maar slechts als zogenaamd los arbeider, en menigmaal als dagloner moest trachten, mijn dagelijks brood te verdienen. Ik stelde mij daarbij op het standpunt van al degenen, die het stof van Europa van hun voeten schudden, met het onwrikbare voornemen, zich in de Nieuwe Wereld ook een nieuw bestaan te verwerven, een nieuw tehuis veroveren. Wanneer ze zich eenmaal ontworsteld hebben aan de greep van alle tot dan heersende, verlammende opvattingen over beroep en stand, en niet meer gebonden zijn door omgeving en traditie, grijpen zij naar ieder mogelijkheid om hun brood te verdienen die zich voordoet, pakken elke arbeid aan en worden er zich zo steeds meer van bewust dat eerlijke arbeid nimmer onteert, van welke aard hij ook moge zijn.

Zo was ook ik vast besloten, om in die nieuwe wereld met beide benen op de grond te staan, en om mij er een weg te banen. Dat er dan altijd wel het een of andere werk te doen valt, leerde ik aldra, maar even vlug ook, hoe gemakkelijk men dit weer verliest. Het feit, dat ik zodoende nooit zeker was van mijn dagelijks brood, scheen mij na korte tijd een der ergste schaduwzijden van dit nieuwe leven. Wel zal de geschoolde arbeider niet zo vaak op straat worden gezet als de losse werkman, maar helemaal blijft toch ook hij niet voor dit noodlot bewaard.

De onzekere verdiensten

Bij hem is het niet zozeer het gebrek aan werk, als wel de uitsluiting en de staking, welke aan zijn brood raken. Hier wreekt zich de onzekerheid van bestaan reeds het ergst aan het gehele economische leven zelf. De boerenjongen die naar de grote stad trekt, aangetrokken door de vermeende of ook wel werkelijk lichtere arbeid, de kortere arbeidstijd, het meest echter nog door het verblindende licht, dat de grote stad nu eenmaal weet uit te stralen, is nog gewend aan enige zekerheid van verdienste. Hij pleegt de oude werkkring ook slecht dan te verlaten, indien hij tenminste een nieuwe in het verschiet heeft. Tenslotte is het gebrek aan landarbeiders groot, de waarschijnlijkheid van een langdurige werkeloosheid dus op zichzelf gering.

Nu is het foutief, te geloven, dat de jonge man die zich naar de grote stad begeeft, reeds daardoor blijk geeft uit slechter hout te zijn gesneden dan hij, die zich ook verder eerlijk zijn brood verdient op het land. Nee, integendeel. De ervaring leert, dat eerder gezegd kan worden, dat degenen die wegtrekken, de gezondste en meest wilskrachtige naturen zijn dan omgekeerd. Tot deze "emigranten" echter behoort niet alleen de man die naar Amerika gaat, maar ook reeds de jonge knecht die zijn besluit zijn geboortedorp te verlaten, om naar een onbekende grote stad te trekken. Ook hij is bereid een onzekere toekomst op zich te nemen. Meestal komt hij met enig geld in de stad aan, en behoeft dus als zijn eerste pogingen mislukken, en hij de eerste tijd geen werk weet te vinden, niet reeds dadelijk de strijd op te geven.

Het lot van de arbeider

Erger wordt het echter, wanneer hij een betrekking heeft gevonden, en deze na korte tijd weer verliest. Vooral in de winter is het moeilijk, zo niet onmogelijk, een nieuwe te vinden. De eerste weken gaat het dan nog. Hij wordt gesteund uit de werkelozenkas van zijn vakvereniging en slaat zich er doorheen , zo goed en zo kwaad als het gaat. Maar, als de laatste eigen cent is opgebruikt, en de werklozenkas tengevolge van de lange duur der werkeloosheid de ondersteuning ook nog staakt, dan komt de grote nood. Dan slentert hij hongerig rond, verpandt en verkoopt dikwijls nog zijn laatste bezittingen, komt zodoende ook steeds slechter in zijn kleren te zitten en daalt daarmede ook uiterlijk af tot een milieu dat, alsof al zijn materiële zorgen nog niet genoeg waren, ook nog zijn ziel vergiftigt. Wordt hij dan ook nog dakloos, en gebeurt dit, wat dikwijls het geval is, in de winter, dan wordt zijn ellende zeer groot.

Eindelijk vindt hij het een of andere werk. Maar het spel herhaalt zich. De tweede maal treft het hem even zwaar, een derde maal misschien nog zwaarder, zodat hij langzamerhand immuun begint te worden voor die eeuwige onzekerheid. En tenslotte gaat hij die herhaling gewoon vinden. Aldus verslapt de gehele levenshouding van deze eerst zo vlijtige man, en langzaam wordt hij rijp, om als instrument te dienen van diegenen, die hem slechts misbruiken ter wille van eigen plat-materieel voordeel. Hij was al zo dikwijls werkloos buiten eigen schuld, dat het er op een keer meer of minder niet aankomt, zelfs indien het daarbij niet meer gaat om de verovering van economische rechten, maar om het vernietigen van staatkundige, maatschappelijke of algemene culturele waarden. Hij zal, zoal niet belust zijn op staking, er dan toch vrij onverschillig tegenover staan.

Ik kon met eigen ogen in duizend gevallen deze gang van zaken waarnemen, en hoe langer ik dit spel aanzag, des te meer groeide mijn afkeer tegen die millioenenstad, die de mensen eerst hebzuchtig naar zich toetrok, om ze dan zo meedogenloos op te gebruiken. Wanneer zij kwamen, behoorden zij nog altijd tot hun volk; wanneer zij bleven, gingen zij voor hun volk verloren. Ook mij had het grote stadsleven zo her-en-derwaarts gesmeten, en ik kon dus zelf aan lichaam en ziel ervaren, welke invloed daarvan uitging. Ik zag daarbij nog iets bijzonders; n.l. dat de snelle overgang van arbeid tot werkeloosheid en omgekeerd, en ook de daardoor veroorzaakte voortdurende onzekerheid van inkomen, wat dus ook weer maakte dat men nooit zeker was, de volgende week weer te kunne rondkomen, op den duur bij velen het gevoel van spaarzaamheid vernietigde, en tegelijk daarmee het begrip voor verstandige indeling van het leven.

Het lichaam schijnt er langzamerhand aan te wennen, om in goede tijden in overvloed te leven, en in slechte te hongeren. Ja, ieder voornemen, om later, in gunstiger tijden, voor een betere indeling te zorgen, wordt omver geworpen door de honger, die zijn slaven in een voortdurend fata morgana een goed leventje voortovert, en die de kunst verstaat, om deze droom tot zulk een sterk verlangen op te voeren, dat het ziekelijk wordt, en iedere zelfbeheersing vernietigt zodra de verdienste maar even boven het levensminimum uitkomt. Daardoor komt het, dat hij, die nog maar pas weer werk gekregen heeft, zo onverstandig is om dadelijk iedere indeling te vergeten en in plaats daarvan er maar op los te leven.

Dit leidt zelfs tot ontreddering van de geringe wekelijkse huishouduitgaven, daar zelfs hier een verstandige indeling uitblijft; eerst is er nog maar voor vijf dagen genoeg, in plaats van zeven, later nog slechts voor drie, eigenlijk nog maar nauwelijks voor een dag, en tenslotte wordt alles reeds in de eerste nacht na de uitbetaling verbrast. Thuis zitten dan dikwijls vrouw en kinderen te wachten. Menigmaal worden ook zij door deze manier van leven aangestoken, vooral indien de man overigens goed voor hen is, ja, ze ze op zijn manier zelfs liefheeft.. Dan wordt het weekloon thuis in twee, drie dagen gemeenschappelijk verbrast; er wordt gegeten en gedronken zolang er geld is, en de laatste dagen wordt er evenzeer honger geleden. Dan gaat de vrouw beschaamd bij de buren en in de omgeving rond, leent hier en daar wat, maakt kleine schulden bij de kruidenier, en tracht aldus de moeilijke laatste dagen der week door te komen.

's Middags zit het hele gezin aan een karig maal, dikwijls is er ook niets op tafel, - en wacht op de aanstaande betaaldag, spreekt erover, maakt plannen en droomt, al hongerend, alweer van het naderend geluk. En zo worden de kleine kinderen al in hun prilste jeugd gewend aan en opgevoed in deze ellendige levensopvatting. Maar de eigenlijke slechte gevolgen komen in die gevallen, waar de man, van begin af aan, zijn eigen weg gaat, en de vrouw ter wille van de kinderen daartegen opkomt. Dan komt er twist en ruzie en naarmate de man dan van de vrouw vervreemdt, komt hij nader tot de alcohol. Elke zaterdag is hij nu dronken en uit drang tot zelfbehoud voor zich en haar kinderen, vecht de vrouw met hem om het beetje geld dat zij hem, en dan meestal nog op de weg van de fabriek naar de kroeg, moet zien te ontfutselen.

Komt hij eindelijk Zondags of in de nacht van Maandag zelf thuis, dronken en woest, maar altijd volkomen platzak, dan spelen zich soms tonelen af welke geen pen kan beschrijven. Ik heb honderden van zulke gevallen gezien, aanvankelijk met weerzin of ook wel met verontwaardiging, om later de hele tragiek van dit lijden te begrijpen en in de diepere oorzaken ervan te verstaan. Al deze mensen zijn de rampzalige slachtoffers van de slechte toestanden. Bijna nog droeviger waren destijds de woningtoestanden. De woningellende van de losse arbeiders te Wenen was ontzettend. Ik ril nog heden, als ik aan die jammerlijke woonholen denk, aan die volkslogementen en massakwartieren, aan die sombere tonelen waar het alom vol afval en stotend vuil lag en waar men vaak de ergste dingen zag gebeuren. Hoe moest, hoe moet dat eenmaal worden, wanneer de holen der ellende eenmaal de stroom der losgelaten slaven over die andere zo onnadenkende helft van de mensheid uitbraken. Want deze andere helft der wereld is gedachteloos. Gedachteloos laat ze die dingen hun ellendige gang maar gaan, zonder in haar instinctloosheid ook maar te vermoeden, dat het noodlot vroeger of later tot vergelding MOET overgaan, indien de mensen niet bijtijds nog het noodlot weten te bezweren.

De weg naar herstel

Hoe dankbaar ben ik nu, dat de voorzienigheid mij deze school liet doorlopen. Daar kon ik niet saboteren, wat mij niet beviel. Daar werd ik snel en degelijk opgevoed. Indien ik niet wilde wanhopen aan de mensen die destijds mijn omgeving uitmaakten, dan moest ik leren onderscheid te maken tussen de uiterlijke schijn en de oorzaken van deze ontwikkeling. Alleen dan was dit alles te verdragen, zonder dat het tot wanhoop bracht. Dan zag men niet meer de mensen en al die nood en al die ellende, in al die afval en uiterlijke verwaarlozing, dan zag men enkel nog, dat treurige wetten tot treurige gevolgen hadden geleid, waarbij de zwaarte van mijn eigen, doch ook niet lichtere levensstrijd, mij belette om me er nu maar met miezerige sentimentaliteit bij neer te leggen dat dit nu de verdierlijkte eindproducten waren van die ontwikkeling, en dat daar verder niets aan te doen zou zijn.

Reeds destijds voorzag ik, dat hier slechts een tweeledige weg naar het doel, d.w.z. naar een verbetering dezer toestanden kon leiden, en wel:

Een groot sociaal verantwoordelijkheidsbesef, teneinde betere ontwikkelingsvoorwaarden te scheppen, met daarnaast onverbiddelijke gestrengheid tegen hardleerse onsociale elementen.

Zoals ook het streven van de natuur er niet zozeer op gericht is om het bestaande te houden, als wel om te zorgen voor het nageslacht als de drager van de soort, zo moet er ook in het menselijk leven niet zozeer naar worden gestreefd, om de bestaande onvolmaaktheden kunstmatig te verbeteren, wat - gezien de aanleg van de mensen - voor 99% onmogelijk is, maar om de toekomstige ontwikkeling van de beginne af in betere banen te leiden.

Reeds tijdens mijn Weense strijd om het bestaan was het mij duidelijk geworden, dat een werkelijk sociale politiek nooit haar taak mag zien in een even bespottelijk als doelloos verstrekken-van-steun-op-zo-groot-mogelijke basis, maar integendeel alles moet doen, om dergelijke fundamentele fouten in de organisatie van ons economisch en cultureel leven te voorkomen, omdat deze de ontaarding van vele tengevolge moeten, of althans kunnen hebben.

Het bezwaar, verbonden aan een optreden met gewelddadige middelen tegen de staatsvijandige misdadigerswereld is immers juist gelegen in het feit, dat wij nooit volkomen zekerheid bezitten omtrent de diepere oorzaken van zulke tijdsverschijnselen. Deze onzekerheid vindt zijn grond in een maar al te juist gevoel, dat men zelf schuld is aan deze rampzalige gevallen van zedelijke verwording; maar dit schuldbesef, hoe juist ook, verhindert nu elk ingrijpend besluit en maakt dat zodoende zelfs de allernodigste maatregelen tot zelfbehoud nog maar ten halve, of met veel te weinig energie worden doorgevoerd.

Pas een bewind, dat niet meer, door eigen schuldbewustzijn gekweld, genade voor recht zal moeten doen gelden, zal de innerlijke rust en daarmee ook de kracht bezitten, om onverbiddelijk en zonder aanzien des persoons de wilde loten te snoeien en het onkruid uit te wieden. Daar de Oostenrijkse staat nagenoeg in het geheel geen sociale rechtspraak of sociale wetgeving kende, was ook zijn strijd tegen deze uitwassen, zelfs tegen de ernstigste, opvallend krachteloos.

Het gebrek aan "Nationale Trots"

Ik weet niet, wat mij nu in deze tijd het meest ontstelde: de economische ellende van mijn toenmalige lotgenoten, hun onzedelijke en morele ruwheid of het lage peil van hun ontwikkeling. Hoe dikwijls stuiven niet onze brave burgers vol morele verontwaardiging op, wanneer ze uit de mond van de een of andere berooide landloper te horen krijgen, dat het hem onverschillig laat of hij Duitser is of niet en dat hij zich overal op zijn gemak voelt waar hij maar voldoende heeft om van te kunnen leven. Dit gebrek aan "nationale trots" wordt dan diep beklaagd, men weet voor een dergelijke mentaliteit geen woorden te vinden die scherp genoeg zijn.

Hoeveel van hen hebben zich echter wel eens de vraag gesteld, wat dan eigenlijk de oorzaak is van het feit, dat toevallig juist zij zelf er een moreel hoger staande mening op na houden? Hoeveel van hen begrijpen eindelijk, dat het juist de som is van die over talrijke herinneringen, die tot ons spreken over de grootheid van ons vaderland en over al datgene, wat onze natie op alle gebieden van de kunst en cultuur wist te presteren, welke die gerechtvaardigde trots, dat men tot een zo begenadigd volk mag behoren bij ons wakker roept.

Hoeveel vermoeden eigenlijk hoezeer deze nationale trots afhankelijk is van onze bekendheid met de grootheid van het vaderland op al deze gebieden? Denken onze burgerlijke kringen er wel een over na, hoe bitter weinig er gedaan wordt, om "de mindere man" deze noodzakelijke grondslag voor nationale trots bij te brengen? Men komt nu niet met het praatje dat "dit in andere landen immers ook niet anders is en dat de arbeider daar echter niettemin een sterk nationaal bewustzijn bezit". Zelfs indien dit zo was, zou het niet als verontschuldiging kunnen dienen voor eigen tekortkomingen.

Maar het is niet zo. Want wat wij altijd een chauvinistische opvoeding noemen, b.v. die van het Franse volk, is in wezen niets anders dan dat er buitengewoon de nadruk wordt gelegd op de grootheid van Frankrijk op alle gebieden der cultuur, of zoals de Fransman pleegt te zeggen, der 'civilisatie'. De jonge Fransman wordt immers niet tot objectiviteit opgevoed, maar tot het meest subjectieve inzicht dat men zich maar denken kan, voorzover het er althans om gaat de betekenis van het politieke en culturele grootheid van zijn vaderland tot hem te doen doordringen. Deze opvoeding zal zich daarbij altijd dienen te beperken tot algemene, zeer belangrijke gezichtspunten, die, zonodig door eindeloze herhaling in het gevoel en geheugen van het volk moeten worden geprent.

Nu komt echter bij ons, naast de negatieve fout der nalatigheid, nog de positieve, dat wij het weinige wat een gelukkige enkeling nog van de school mocht meenemen, nog vernietigen. De ratten, die ons volk met politiek vergiftigden, vraten ook dit weinige nog uit het hart en de herinnering van de grote massa, voorzover de nood en de ellende daar nog niet voor zorgden. Men denkt zich het volgende eens in: In een kelderwoning, bestaande uit twee bedompte kamers, woont een arbeidersfamilie, bestaande uit zeven personen. Stel, dat er nu onder de vijf kinderen ook een jongen van een jaar of drie is. Dit is de leeftijd, waarop de eerste indrukken bij een kind tot het bewustzijn doordringen. Bij begaafde mensen zijn nog tot op zeer hoge leeftijd sporen aanwezig van herinneringen uit deze tijd. Alleen reeds de bekrompenheid en bedomptheid van de woonvertrekken werken in ongunstige zin op de onderlinge verhoudingen. Twist en ruzie zullen hierdoor al dikwijls aan de orde van de dag zijn. De mensen leven immers op deze manier niet met elkaar, maar verdringen elkaar, leven ten koste van elkaar, van de lucht van de ander en de ruimte van de ander.

De lijdensweg van het arbeiderskind

Ieder meningsverschil, hoe klein ook, dat in een ruimere woning eenvoudig kan worden opgelost, doordat beide partijen elkaar enige tijd uit de weg gaan, leidt hier tot een nare ruzie waar geen einde aan wil komen. Bij kinderen is dat natuurlijk nog te verdragen; zij kibbelen in zulke gevallen immers altijd en vergeten alles weer spoedig en volkomen. Indien echter deze strijd tussen de ouders zelf uitgevochten wordt, en dan nog bijna elke dag, in vormen die aan ruwheid dikwijls niets te wensen overlaten, dan MOET een dergelijk aanschouwelijk onderwijs na korte of langere tijd zijn invloed op de kinderen doen gelden. En voor iemand, die deze milieus niet kent, is het moeilijk zich voor te stellen van welke aard deze invloeden zullen zijn in de, toch niet zeldzame gevallen, dat de vader zich aan de moeder vergrijpt en haar, wanneer hij in beschonken toestand verkeert, zelfs mishandelt.

Op zesjarige leeftijd vermoedt zo'n beklagenswaardige kleine jongen reeds dingen, waaraan een volwassene niet dan met afgrijzen kan denken. Moreel vergiftigd, lichamelijk ondervoed, het arme hoofdje vol luizen, zo komt de aankomende "staatsburger" op school. Daar wordt hem dan met veel moeite wat lezen en schrijven bijgebracht, maar dat is dan ook vrijwel alles. Van enig leren thuis kan geen sprake zijn, integendeel. Moeder en vader spreken immers zelf, en dat wel in tegenwoordigheid der kinderen, op een wijze die niet weer te geven is, over onderwijzers en de school, en zijn steeds veel eerder geneigd de leraar grofheden toe te voegen, dan om hun spruit over de knie te leggen en tot rede te brengen.

Wat de kleine man thuis verder nog opvangt, werkt ook niet mee om zijn respect voor de geliefde medemensen te vergroten. Geen goede eigenschap der mensheid, die moeder en vader niet ontkennen, geen instelling die ze niet veroordelen; van de schoolmeester tot en met het hoofd van de staat. Of er sprake is van godsdienst of van de moraal zelf, van de staat of van de maatschappij, het komt er niet op aan, alles wordt beschimpt op de gemeenste manier door de modder van een minderwaardige mentaliteit gesleurd. Indien nu het jonge mens op veertienjarige leeftijd de school verlaat, valt het reeds moeilijk uit te maken wat het grootste is: zijn ongelofelijke domheid, wat zijn werkelijk weten en kunnen betreft, de stuitende onbeschaamdheid van zijn optreden, of zijn gemis aan moraal, dat reeds op deze leeftijd ontstellend groot is.

Nu staat het jonge mens dus op het punt om een lid van de maatschappij te worden; voor welke plaats is hij geschikt? Er is hem vrijwel niets meer heilig -hij heeft niets groots leren kennen, maar hij vermoedt of kent iedere gemeenheid van het leven. Uit het driejarige kind is een vijftienjarige gegroeid die elk gezag veracht. Het leven heeft hem vuilheid en laagheid bijgebracht, maar heeft hem nog niets weten te geven, dat iets hogers bij hem had kunnen wakker roepen. En nu heeft hij nog maar de lagere school van dit leven kunnen doorlopen. Thans begint voor hem hetzelfde leven dat hij gedurende zijn kinderjaren zijn vader heeft zien leiden. Hij dwaalt rond en komt diep in de nacht thuis, ranselt voor afwisseling ook zelf nog eens het ineengeschrompelde wezen af, dat eens zijn moeder was, vloekt op God en de wereld en wordt tenslotte wegens de een of andere bijzondere aanleiding veroordeeld en naar een tuchtschool gestuurd. Daar ontvangt hij de laatste "vorming".

En dan staat de brave burger nog verbaasd over het gebrek aan "nationaal gevoel" bij deze jonge "staatsburger". Hij ziet hoe het vergif in theater en bioscoop, in schunnige literatuur en vieze persproducten dag aan dag, met emmers tegelijk, over het volk wordt uitgegoten en staat dan nog verbaasd over het lage zedelijke gehalte, de "onverschilligheid tegenover het vaderland" bij de grote massa van dit volk. Alsof prullige bioscoopvoorstellingen, vuile couranten en dergelijke ook maar het allergeringste besef van vaderlandse grootheid konden opwekken, zelfs wanneer men hierbij de vroegere opvoeding van de enkeling buiten beschouwing laat, en een gezonde normale vatbaarheid voor indrukken veronderstelt.

Wat ik vroeger nimmer vermoed had, leerde ik destijds vlug en grondig begrijpen. Het vraagstuk, hoe men een volk zijn nationaal besef terug kan geven is in de eerste plaats een kwestie van het scheppen van gezonde sociale toestanden als fundament voor de opvoedingsmogelijkheden van de enkeling. Want alleen hij, wiens opvoeding er, thuis als op school, op gericht is, om hem de culturele, economische, voor alles echter de politieke grootheid van zijn eigen vaderland te leren kennen, kan en zal ook een grote trots gaan voelen, dat hij tot zulk een volk mag behoren. En strijden kan ik alleen voor dat, wat ik liefheb; ik kan alleen dat liefhebben, waarvoor ik eerbied gevoel; en om achting te kunnen gevoelen moet ik het voorwerp van die eerbied tenminste kennen.

Tekenaar en aquarellist

Zodra mijn belangstelling voor de sociale kwestie gewekt was, begon ik haar ook zo diepgaand mogelijk te bestuderen. Het was een nieuwe, onbekende wereld, die hier voor mij openging. In de jaren 1909 en 1910 was er, ook in mijn eigen toestand verandering gekomen, in zoverre, dat ik niet meer als los werkman mijn dagelijks brood behoefde te verdienen. Ik werkte destijds reeds zelfstandig als tekenaar en aquarellist. Hoe gering de verdienste in deze tijd ook was - het was nauwelijks voldoende om van te leven - de school, welke ik hier doormaakte, was echter voor het beroep dat ik mij gekozen had, zeer goed. Nu was ik niet meer doodmoe, wanneer ik van mijn werk terugkeerde, zoals vroeger altijd het geval was, maar kon werkelijk af en toe eens een boek lezen, zonder na korte tijd in te dommelen.

De arbeid, die ik nu verrichtte, was immers van dezelfde aard als mijn aanstaande beroep. Ook kon ik, nu ik heer en meester was over mijn eigen tijd, deze werkelijk beter indelen, dan vroeger mogelijk was. Ik schilderde om mijn brood te verdienen en leerde voor mijn genoegen. Hierdoor was het mij ook mogelijk, bij mijn aanschouwelijk onderwijs over het sociale probleem de noodzakelijke theoretische kennis dienaangaande op de doen. Ik werkte zo ongeveer alles door, wat ik aan boeken op dit gehele gebied kon bemachtigen en dacht er overigens ook veel over na. Mijn omgeving moet mij destijds wel voor een zonderling hebben gehouden. Dat ik daarbij ook mijn studies op het gebied van de bouwkunst niet verwaarloosde, spreekt vanzelf. Want de bouwkunst scheen mij, naast de muziek, de koning der kunsten te zijn: Daarom had ik, wanneer ik mij met haar bezig hield, ook geen ogenblik het gevoel, "aan het werk" te zijn; integendeel, dit waren de gelukkigste momenten, welke ik destijds kende.

Ik kon tot laat in de nacht lezen of tekenen, het vermoeide mij nooit. Zo versterkte zich mijn geloof, dat mijn schone toekomstdroom, zij het ook eerst na lange jaren, toch werkelijkheid zou worden. Ik was overtuigd, dat ik eenmaal als bouwmeester naam zou maken. Dat ik daarnaast tevens de grootste belangstelling bezat voor alles, wat met politiek in verband stond, scheen mij niet van groot belang. Integendeel, dit was in mijn ogen immers de vanzelfsprekende plicht van ieder denkend mens. Wie daarvoor geen begrip bezat, verloor immers het recht tot iedere kritiek, en iedere klacht. Ook hier las en leerde ik dus veel. Nu versta ik misschien onder "lezen" iets anders dan het grootste deel van onze zogenaamde "intellectuelen".

De kunst van het lezen

Ik ken mensen, die oneindig veel lezen, boek na boek, letter voor letter, en die ik toch niet "belezen" zou willen noemen. Zij bezitten weliswaar een overmatige hoeveelheid "kennis", maar hun hersens verstaan de kunst niet, het opgenomen materiaal in te delen en te registreren. Hun ontbreekt de gave, om uit een boek datgene wat voor hen van waarde is, op te delven, om dat dan in hun hoofd voor altijd te bewaren en om de rest, zo mogelijk helemaal niet te zien, om het in ieder geval echter niet als doelloze ballast mee te slepen. Ook het lezen is immers niet zelf doel, maar enkel middel. Het dient in de eerste plaats mede te helpen om het kader, dat ieder zich door eigen aanleg en kundigheden opgelegd ziet, zo goed mogelijk te vullen; dus moet het de bouwstoffen en werktuigen leveren, die ieder afzonderlijk voor zijn levenstaak nodig heeft, onverschillig of die taak nu enkel bestaat uit het simpele "de kost verdienen" dan wel dat het er om gaat een hoge roeping te vervullen; in de tweede plaats echter moet het een middel zijn om de lezer een algemeen beeld te geven van de wereld.

Maar in beide gevallen is het noodzakelijk, dat de inhoud van het gelezene niet in de volgorde waarin het boek het weergaf, in ons geheugen bewaard blijft; evenmin mag de volgorde, waarin wij de boeken lazen, van enige invloed zijn. Nee, iedere eenheid moet afzonderlijk, als een mozaïeksteentje, de haar toekomende plaats in ons wereldbeeld vinden en moet er op die manier toe meewerken, dat dit wereldbeeld de lezer steeds zo scherp en volledig mogelijk voor de geest staat. Anders ontstaat er een verwarde massa "kennis", die enerzijds volkomen waardeloos is, en anderzijds de ongelukkige bezitter zonder reden verwaand maakt. Want deze meent nu werkelijk in alle ernst "ontwikkeld" te zijn, van het leven iets te begrijpen, kundigheden te bezitten, terwijl hij in werkelijkheid met ieder toenemen van een dergelijke "ontwikkeling" meer en meer van de wereld vervreemdt, totdat hij niet zelden OF in een sanatorium OF als politicus in een parlement terecht komt.

Nooit zal het zo iemand mogen gelukken, uit de warboel van zijn "kennis" het juiste tevoorschijn te halen voor de eis van het ogenblik, daar immers zijn geestelijke ballast niet in de lijn van het leven geordend gereed ligt, maar in de volgorde van de boeken, die hij las. Mocht het noodlot bij zijn eisen voor het dagelijks leven hem al eens herinneren aan het eens gelezene, opdat hij er hier een goed gebruik van zou kunnen maken, dan zou het echter ook nog boek en bladzijde moeten noemen, daar het arme bloed anders in alle eeuwigheid het juiste niet zou vinden. Aangezien het dit nu echter niet doet, geraken deze waanwijzen op ieder kritiek ogenblik in de grootste verlegenheid, zoeken krampachtig naar analoge gevallen en grijpen natuurlijk met onfeilbare zekerheid naar de verkeerde recepten. Indien dit niet zo was, dan zouden de politieke prestaties van de bollebozen in de allerhoogste regeringsfuncties eenvoudig onverklaarbaar zijn, tenzij men dan, in plaats van pathologische aanleg, schurkachtige gemeenheid zou willen veronderstellen.

Wie echter de kunst van het juiste lezen te pakken heeft, die zal bij het doorwerken van ieder boek, ieder tijdschrift of iedere brochure dadelijk voelen wat voor hem - hetzij omdat het voor een speciaal geval betekenis heeft of omdat het in 't algemeen wetenswaardig is - de moeite waard is om onthouden te worden. Zodra datgene, wat men op die wijze verworven heeft, organisch is samengegroeid met het reeds aanwezige beeld, dat men zich van de zaak in kwestie gemaakt had, zal het OF verbeterend OF aanvullend werken, dus OF de juistheid OF de duidelijkheid ervan verhogen. Legt nu het leven plotseling de een of andere kwestie ter toetsing of beantwoording voor, dan zal, bij zo'n manier van lezen, het geheugen ogenblikkelijk het reeds aanwezige, aanschouwelijke beeld te hulp roepen en daaruit alle, sedert tientallen jaren verzamelde bijdragen te voorschijn halen, die betrekking hebben op vragen van deze aard en zal met behulp hiervan de kwestie ophelderen of beantwoorden.

Alleen wanner het ZO gebeurt, heeft het lezen zin en doel. Een redenaar bij voorbeeld, die niet op zo'n wijze onderlegd is, zal nooit in staat zijn, om, wanneer men het niet met hem eens is, zijn mening op overtuigende wijze te verdedigen, al komt deze mening ook duizendmaal overeen met de waarheid en werkelijkheid. Bij iedere discussie zal zijn geheugen hem smadelijk in de steek laten; hij zal evenmin reden vinden om hetgeen hijzelf beweerd heeft te staven, als argumenten tegen de mening van de tegenstander. Zolang het daarbij, zoals bij een redenaar, in de eerste plaats een blamage is voor de spreker zelf, heeft dit nog weinig te betekenen; maar het wordt ernstiger wanneer het noodlot zo'n man, die veel "weet" maar niets kan, tot staatshoofd verheft. Ik heb mij van mijn prilste jeugd af ingespannen, om op de juiste wijze te lezen en was daarbij zo gelukkig, zowel door mijn geheugen als door mijn verstand te worden ondersteund. En in dat opzicht was vooral de Weense tijd vruchtbaar en waardevol voor mij.

De ervaringen van het dagelijks leven vormden een prikkel tot steeds nieuwe studie over de meest uiteenlopende problemen. Terwijl ik tenslotte daardoor in staat was, het HOE en WAAROM van de toestanden te vinden, en die theorie aan de werkelijkheid te toetsten, bleef ik voor twee gevaren bespaard, n.l. enerzijds het gevaar, om in de theorie te verstikken, anderzijds dat, om door de werkelijkheid te vervlakken. Zo gaven in deze tijd de ervaringen van het dagelijks leven voor mij de doorslag in twee belangrijke vraagstukken - nog afgezien van de sociale kwestie - en werden mij tevens een aansporing om dieper op de theorie dezer vraagstukken in te gaan. Wie weet, wanneer ik er ooit toe zou zijn gekomen, om mij in de leer en het wezen van het marxisme te verdiepen, indien deze tijd dit vraagstuk niet letterlijk tot een eigen levensprobleem voor mij had gemaakt.

De sociaal-democratie

Wat ik in mijn jeugd van de sociaal-democratie wist, was bedroevend weinig en veelal onjuist. Dat zij de strijd voerde voor algemeen en geheim kiesrecht, deed mij innerlijk genoegen. Immers, mijn verstand zei mij reeds destijds, dat dit moest leiden tot verzwakking van de heerschappij van de Habsburgers. In de overtuiging dat de Donaumonarchie, behalve dan door opoffering van haar Duitse karakter, toch nooit behouden zou zijn, dat echter zelfs indien men had toegestemd in een langzame Slavisering van het Duitse element, men nog geenszins de zekerheid zou hebben gehad, dat er dan ook werkelijk een levensvatbaar rijk zou ontstaan, daar de staatsvormende kracht van het Slavendom niet dan zeer zwak kan worden genoemd, juichte ik iedere ontwikkeling toe, die, mijns inziens, deze tegennatuurlijke staat ten val kon brengen, deze staat, die tien millioen Duitsers ter dood veroordeelden.

En hoe meer de chaos van talen het parlement aantastte en uiteenscheurde, des te nader kwam het uur, dat dit Babylonische rijk ineenzakte, maar daarmee ook het uur van de vrijheid voor mijn Duits-Oostenrijkse volk. Want alleen ZO kon eenmaal de "Anschluss" aan Rijksduitsland weer bereikt worden. Zodoende stond ik dus niet onsympathiek tegenover de actie van de sociaal-democratie. Ik was destijds nog zo argeloos en dom om te geloven, dat het inderdaad haar einddoel was, de levensvoorwaarden van de arbeiders te verbeteren en dat scheen mij eerder VOOR dan tegen haar te pleiten. Wat mij het meest in haar afstiet, was haar vijandige houding in de strijd om het behoud van ons Duitse karakter, en haar erbarmelijk gekruip en gelik om de gunst van de Slavische "partijgenoten", die zich dit, voor zover het gepaard ging met materiele voordelen, graag lieten aanleunen, maar zich overigens met een arrogant schouderophalen afzijdig hielden en ZO de opdringerige bedelaars hun verdiende loon gaven.

Zodoende was mij, toen ik zeventien jaar oud was, het woord marxisme feitelijk nog onbekend, terwijl "sociaal-democratie" en socialisme begrippen van dezelfde orde waren voor mij. Ook hier was eerst weer de vuist van het noodlot nodig, om mij de ogen te openen voor dit allerschandelijkste bedrog. Tot dusver was ik alleen nog maar als toeschouwer bij enkele massademonstraties met de sociaal-democratische partij in aanraking gekomen, en miste ik werkelijk ieder inzicht in de mentaliteit van haar aanhangers of zelfs in het wezen van haar leer. Nu kwam ik opeens in aanraking met de producten van haar opvoeding en "wereldbeschouwing". En wat anders misschien pas na tientallen van jaren opgekomen zou zijn, dat groeide nu in de loop van luttele maanden! Het besef namelijk, dat zich hier onder het mom van sociaal besef en naastenliefde een pestilentie verbergt van zodanige aard, dat het de mensheid geraden is, de aarde zo spoedig mogelijk hiervan te verlossen, omdat het anders maar al te licht zou kunnen gebeuren, dat de aarde van de mensen verlost raakt.

Mijn eerste ontmoeting met sociaal-democraten

Bij een woningbouw had mijn eerste ontmoeting met de sociaal-democratie plaats. Nu waren de omstandigheden waaronder deze kennismaking plaats vond, reeds van het begin af niet ideaal geweest. Mijn kleding was nog enigszins in orde, mijn taal verzorgd en mijn houding iets gereserveerd. Ik had met mij zelf teveel uit te vechten, dan dat ik mij veel met mijn omgeving had kunnen bemoeien. Ik zocht alleen maar naar werk, om niet te verhongeren, en om mij daardoor, hoe langzaam ook, verder te kunnen ontwikkelen. Ik zou mij om mijn nieuwe omgeving misschien helemaal niet hebben bekommerd, wanneer niet reeds op de derde of vierde dag een gebeurtenis had plaatsgegrepen, die mij onmiddellijk dwong, partij te kiezen. Men ried mij vermanend aan, mij bij een bepaalde organisatie aan te sluiten.

Nu wist ik destijds nog absoluut niets van de vakbeweging af. Ik zou haar doelmatigheid al evenmin als haar ondoelmatigheid hebben kunnen verdedigen. Maar omdat men mij zei, dat ik toetreden moest, weigerde ik. Ik gaf hiervoor als reden op, dat ik van de zaak geen verstand had, maar dat er absoluut niets bestond, waartoe ik mij liet dwingen. Misschien was dat de reden, dat men mij er niet onmiddellijk uitgooide. Mogelijk hoopte men wel, dat ik na een paar dagen bekeerd of murw geworden zou zijn. In ieder geval heeft men zich daarin volkomen vergist. Na veertien dagen kon ik al niet meer lid worden, ook indien ik nog gewild had. In deze veertien dagen leerde ik mijn omgeving nader kennen, en het resultaat daarvan was, dat geen macht ter wereld mij meer had kunnen bewegen, toe te treden tot een organisatie, welke haar ware mentaliteit mij intussen in de persoon van haar aanhangers in alle afzichtelijkheid duidelijk geworden was.

De eerste dagen ergerde ik mij. 's Middags ging een gedeelte naar de nabij gelegen herbergen, terwijl een ander deel op de bouwplaats bleef en daar zijn, meestal zeer armelijk, middagmaal gebruikte. Dit waren de getrouwde mannen, wier vrouwen in armzalig vaatwerk de middagsoep kwamen brengen. Tegen het einde van de week werd dit laatste aantal steeds groter; pas later begreep ik, waarom. Ik dronk mijn fels melk en at mijn stuk brood ergens aan de kant en bestudeerde voorzichtig mijn nieuwe omgeving of dacht na over mijn eigen ellendig lot. Niettemin hoorde ik meer dan genoeg; ook scheen het mij dikwijls toe, alsof men opzettelijk dichter bij mij kwam zitten; misschien om mij er zo toe te brengen, partij te kiezen.

In ieder geval was dat, wat ik zoal hoorde, wel geschikt, om mij tot het uiterste te prikkelen. Men gaf op letterlijk alles af; de natie, die een uitvinding van de "kapitalistische"- hoe dikwijls moest ik alleen dit woord niet horen - klasse was; het Vaderland, dat een instrument van de bourgeoisie om "de arbeidersklasse uit te buiten" genoemd werd; de school, als instituut tot het kweken van slavenmateriaal, maar ook van slavenhouders; de Godsdienst als middel tot verdomming van het volk, dat uitgebuit moest worden, de moraal als teken van domme, schaapachtige gedweeheid, enz. Er was werkelijk niets, dat niet op de allerminderwaardigste manier werd gehekeld en bezwadderd.

Eerst trachtte ik te zwijgen. Tenslotte was echter ook dat niet meer mogelijk. Ik begon partij te kiezen, begon tegen te spreken. Toen moest ik inderdaad erkennen, dat dit volkomen kansloos was, zolang ik niet een bepaalde kennis had over de omstreden punten. Daarom begon ik de bronnen te onderzoeken, waaruit zij hun vermeende wijsheid putten. Boek na boek, brochure na brochure kwam nu aan de beurt. Op de aanbouw ging het er nu dikwijl warm aan toe. Ik streed, van dag tot dag, ook over hun eigen stellingen beter ingelicht dan mijn tegenstanders zelf, tot op zekere dag dat middel te baat genomen werd, dat inderdaad het gemakkelijkst in staat is, om het verstand te verslaan: de terreur, het geweld.

De eerste terreur

Enige woordvoerders van de tegenpartij stelden mij voor de keuze, om OF de aanbouw dadelijk te verlaten, OF van de steiger te worden geworpen. Daar ik alleen was en tegenstand niets gebaat zou hebben, gaf ik er de voorkeur aan, om, weer een ervaring rijker, het eerste te kiezen. Ik ging, van walging vervuld, maar was tegelijk zo geschokt, dat het mij geheel onmogelijk zou zijn geweest, om me nu nog langer afzijdig te houden van dit vraagstuk. Nee, toen de eerste diepe verontwaardiging voorbij was, kreeg de koppigheid weer de overhand. Ik was vast besloten, toch weer werk te zoeken bij een nieuwbouw. In dit besluit werd ik nog gesterkt door de nood, die, toen enige weken later mijn geringe spaargelden opgebruikt waren, weer mijn bitter deel werd.

Nu moest ik, of ik wilde of niet. En het spel begon dan ook van voren af aan, en eindigde op soortgelijke wijze als de eerste maal. Destijds vocht ik in mijzelf een moeilijke strijd uit over de vraag, of deze mensen nog waardig waren, om tot een groot volk te behoren?! Een pijnigende vraag, want wordt zij met ja beantwoord, dan is de strijd voor het behoud van de volkseigenheden werkelijk niet meer de moeite en offers waard, die de besten voor zo'n uitschot moeten brengen; luidt het antwoord echter nee, dan heeft ons volk dus reeds gebrek aan mensen.

Ongerust en beklemd zag ik in zulke dagen van peinzen en tobben, hoe het aantal van diegenen, welke niet meet tot hun volk gerekend konden worden, aangroeide tot een dreigende legerschaar. Het waren nu wel geheel andere gevoelens, welke zich van mij meester maakten, toen ik op zekere dag ter gelegenheid van een demonstratie weer de eindeloze rijen Weense arbeiders zag voorbij trekken. Bijna twee uren lang stond ik daar en aanschouwde met ingehouden adem die ontzaglijke reuzenslang van mensen, die langzaam voorbij kroop. In gedrukte stemming verliet ik tenslotte mijn plaats en wandelde naar huis. Onderweg zag ik in een sigarenwinkel de "Arbeiterzeitung", het centrale orgaan van de oude Oostenrijkse sociaal-democratie hangen. Weliswaar lag het blad ook in het goedkope volkskoffiehuis, waar ik dikwijls kwam, om er couranten te lezen, maar tot dusver had ik mijn walging nog niet zozeer weten te onderdrukken, dat ik dat miserabele blad, waarvan zowel toon als inhoud als geestelijk vitriool op mij werkten, langer dan twee minuten had kunnen inkijken.

De sociaal-democratische pers

De deprimerende indruk, welke de demonstratie bij mij had wakker geroepen, drong mij nu, om het blad eens te kopen en het dan grondig te lezen. 's Avonds deed ik dat dan ook, waarbij ik menigmaal mijn opkomende woede over deze geconcentreerde oplossing van leugens moest onderdrukken. Ik zag nu al spoedig, dat niet zozeer het doorwerken van de theoretische geschriften van de sociaal-democratie, als wel de dagelijkse lectuur van haar pers het best geschikt was, om mij spoedig de ware inhoud en het ware karakter van deze gedachtewereld bloot te leggen. Want welk een verschil bestaat er niet tussen de theoretische literatuur enerzijds, met haar schitterende frasen over vrijheid, schoonheid en waardigheid, haar misleidend woordenspel, dat zich het air geeft, alsof het er eindelijk, na veel moeite, in is geslaagd, de hoogste wijsheid uit te drukken, haar stuitend humanistische moraal - en dat alles dan nog met de koele zekerheid van een profeet neergeschreven - en anderzijds de grenzeloos grove en platte dagbladpers van deze heilsleer der nieuw mensheid, die geen gemeenheid te laag acht, die met iedere laster werkt, en een waarlijk ongelooflijke virtuositeit in het liegen heeft bereikt.

Het eerste is bestemd voor de onnozele halzen uit de middenstand en natuurlijk ook uit de "intellectuele kringen", het andere voor de massa. En van het ogenblik af, dat ik mij verdiepte in de literatuur en de pers van deze leer en organisatie, vond ik de weg nar mijn volk terug. Wat mij eerst een onoverbrugbare kloof toescheen, zou nu aanleiding worden tot een nog grotere liefde dan ooit te voren. Alleen een dwaas kan, wanneer hij van dit ongehoorde vergiftigingswerk afweet, nog bovendien het slachtoffer veroordelen. Hoe meer ik mij in de volgende jaren onafhankelijk maakte, des te meer groeide mijn verwijdering van deze gedachtewereld, mijn inzicht in de diepere oorzaken van de sociaal-democratische successen. Thans begreep ik de betekenis van de brutale eis, om enkel rode kranten te lezen, enkel rode vergaderingen te bezoeken, enkel rode boeken te lezen, enz. En duidelijk zag ik de onvermijdelijke gevolgen voor mij, waartoe deze leer van de onverdraagzaamheid moest leiden.

De ziel van de massa

De ziel van de grote massa is niet ontvankelijk voor iets, wat halfslachtig en zwak is. Evenals de vrouw, wiens gevoelens ook veel minder bepaald worden door abstracte verstandelijke redenen, maar veel meer door een ondefinieerbaar instinctief verlangen naar aanvullende kracht, en die zich daarom liever buigt voor de sterke, dan dat zij de zwakke beheerst, verkiest ook de massa de heerser boven de smekeling en voelt zich innerlijk meer bevredigd door een leer, die geen andere naast zich duldt, dan door een, welke haar in liberale de vrijheid laat; zij weet met die vrijheid dan ook maar weinig te beginnen en voelt zichzelf min of meer verlaten. Het komt niet in haar op, hoe onbeschaamd de terreur is, welke zodoende op haar wordt uitgeoefend, zij voelt niet, hoe schandelijk haar menselijke vrijheid hier wordt beknot, eenvoudig, omdat zij in de verste verte niet vermoedt, hoe vals en onjuist deze leer in wezen is. Zodoende ziet zij - de massa - enkel de meedogenloze kracht, en het brute geweld, dat in al de doelbewuste uitingen van deze leer aan de dag treedt, - en dit is iets, waarvoor zij tenslotte altijd buigt. Indien tegenover de sociaal-democratie een leer gesteld wordt van groter waarachtigheid, maar even grote onverzoenlijkheid, dan zal de laatste overwinnen, zij het dan ook na zeer zware strijd.

Voordat er twee jaar verlopen waren, kende ik zowel de leer als ook de techniek van de sociaal-democratie terdege. Ik begreep de schandelijke geestelijke terreur, die deze beweging vooral op de bourgeoisie uitoefent, welke tegen zulke aanvallen noch moreel, nog door kracht van overtuiging opgewassen is, een terreur welke hoofdzakelijk hierin bestaat, dat op een gegeven altijd een formeel trommelvuur van leugen en laster losbarst tegen die tegenstander die als het gevaarlijkst wordt beschouwd, wat dan zolang wordt voortgezet, tot de zenuwen van de aangevallenen het begeven, en zij, alleen om maar weer rust te hebben, die grote vijand van de heren marxisten in de steek laten.

De tactiek van de sociaal-democratie

Het spel begint opnieuw en wordt zo dikwijls herhaald, tot de vrees voor de boze boeman tot een hypnotische verlamming leidt. Daar de sociaal-democratie de waarde der kracht uit eigen ondervinding het best kent, loopt zij ook bij voorkeur storm tegen degenen, welke zij ervan verdenkt in het bezit te zijn van een gering kwantum van deze, toch al zo zeldzame, bouwstof. Voorts prijst zij iedere zwakkeling aan de andere zijde, nu eens voorzichtig, dan weer luider, naar gelang van zijn vermeende of gebleken geestelijke capaciteiten. Zij heeft minder angst voor een zwak en willoos genie dan voor een energieke figuur met bescheiden geestelijke gaven.

Maar de meest uitbundige lofuitingen heeft ze voor diegenen, welke zowel energie als geest missen. Zij weet de schijn te wekken, alsof alleen op die manier de rust kan worden gehandhaafd, terwijl zij ondertussen wijs en voorzichtig, maar niettemin onvermoeibaar de ene positie na de andere verovert, nu eens door chantage, dan weer door doodgewone diefstal op ogenblikken, dat de algemene aandacht op andere dingen gevestigd is, en OF niet gestoord wil worden, OF wel de kwestie te nietig acht, om er ophef over te maken, waardoor immers de lastige tegenstander ook weer onmiddellijk op zijn achterste benen zou staan.

Deze tactiek is in haar soort een meesterwerk dat met alle menselijke zwakheden nauwkeurig rekening houdt, en bijna wiskundig zeker tot succes moet leiden, indien tenminste de tegenpartij niet leert, om gifgas met gifgas te bestrijden. Hierbij moet men de zwakkere karakters er van doordringen, dat het hier een kwestie is van ZIJN en NIET ZIJN. Al spoedig werd mij ook de betekenis van de lichamelijke terreur tegen de enkeling, of tegen de massa duidelijk. Ook hierbij wordt natuurlijk de psychologische uitwerking zo nauwkeurig mogelijk berekend.

De terreur in de werkplaatsen, in de fabriek, in de vergaderlokalen en bij massademonstraties zal altijd met succes bekroond worden, wanneer ze niet een even grote terreur tegenover zich vindt.

Ongetwijfeld zal de partij in dat geval een ontzettend gehuil aanheffen en moord en brand gaan schreeuwen; ze zal, hoewel ze vanouds de staatsmacht veracht, deze jammerend te hulp roepen, en zal in de meeste gevallen door de algemene verwarring werkelijk haar doel bereiken; zij zal namelijk een ezelachtige ambtenaar vinden, die - in de dwaze hoop, zich voor later de genegenheid van de gevreesde tegenstander te verzekeren - de vijand van deze wereldpest helpt neerslaan. Welke indruk zo'n afloop maakt op de mening van de grote massa, zowel op de aanhangers als op de tegenstanders, kan alleen hij beoordelen, die de ziel van het volk niet uit boeken, maar uit het leven kent. Want, terwijl in de rijen van haar aanhangers de behaalde zege nu beschouwd wordt als de overwinning van de eigen rechtvaardige zaak, wanhoopt de verslagen tegenstander in de meeste gevallen aan het nut van ieder verder verzet.

Hoe meer ik de methoden van deze terreur - en vooral die van de lichamelijke - leerde kennen, des te kleiner werd voor mij de schuld van de honderdduizenden, die voor deze dwang hadden gebukt. Maar voor een ding zal ik die harde en moeilijke tijd steeds dankbaar blijven: dat hij het was, en hij alleen, die mij mijn volk heeft teruggegeven, en dat ik leerde, de slachtoffers van de verleiders te onderscheiden. En anders dan de slachtoffers kan men datgene, wat er na deze geestelijke mishandeling nog van de mensheid is overgebleven, niet noemen. Want deze poging, om in enkele flitsen het wezen van deze "onderste" lagen van de bevolking te schetsen, zou niet volledig zijn, wanneer ik niet erkende, dat ik in deze diepten toch ook weer lichtpunten vond, zoals bijvoorbeeld een, dikwijls zeer grote, offervaardigheid, allertrouwste kameraadschap, buitengewone tevredenheid en bescheidenheid, vooral onder de oudere arbeiders.

En hoewel deze deugden ook bij de jongere generatie meer en meer teloor gingen, alleen reeds door de invloed, welke van het grotestadsleven uitging, toch waren er ook zelfs hier nog velen, wier kerngezonde bloed de laagheden van het leven overwon. Dat deze brave, dikwijls hoogstaande mensen in de politiek toch meestal de partij van de doodsvijanden van het volk kozen, en deze zo versterkten, kwam doordat zij de perfiditeit van de nieuwe leer niet begrepen en ook niet konden begrijpen; ook werd dit veroorzaakt door het feit, dat niemand anders het nodig achtte, zich om hen te bekommeren, en tenslotte, doordat de dwang van de sociale omstandigheden TOCH sterker was dan iedere, mogelijk aanwezige, wil om zichzelf te blijven. De nood, die de een of andere dag toch hun deel zou worden, dreef hen toch nog het kamp van de sociaal-democratie binnen.

De fouten van de bourgeoisie

Daar de bourgeoisie zich ontelbare malen op de meest onhandige, maar ook meest immorele manier verzette tegen letterlijk iedere eis - zelfs tegen een, welke een uitvloeisel van de meest elementaire menselijkheid was - en dat dan dikwijls nog zonder enig nut uit een dergelijke houding te verkrijgen of zelfs geheel zonder zulk nut of voordeel te kunnen verwachten, werd ook de fatsoenlijke arbeider uit de vakorganisatie tot politieke activiteit gedreven.

Ongetwijfeld stonden aanvankelijk millioenen arbeiders in hun hart vijandig tegenover de sociaal-democratische partij, maar deze afkeer werd tenslotte overwonnen door de dikwijls krankzinnige wijze, waarop de burgerlijke partijen zich tegen iedere eis van sociale aard teweer stelden. Dit stomme, botte afwijzen van iedere poging om in de sociale toestanden te verbeteren, om bij sommige machines beschermende maatregelen te treffen, om de kinderarbeid te beperken, om de vrouw, tenminste in de maanden, dat ze een kind onder het hart draagt, te beschermen - dit alles werkte er toe mee, om de massa in de armen van de sociaal-democratie te drijven, die al deze bewijzen van een allerellendigste mentaliteit dankbaar gebruikte, om er politieke munt uit te slaan.

Nooit kan de politieke bourgeoisie weer goedmaken, wat ze hier misdeed. Want door zich te verzetten tegen iedere poging, om de sociale missstanden op te heffen, zaaide ze haat en rechtvaardigde schijnbaar de beweringen van de doodsvijanden van het gehele volk, dat alleen de sociaal-democratische partij voor de belangen van het arbeidende volk opkwam. De bourgeoisie schiep zodoende in de eerste plaats de morele rechtvaardiging voor het bestaan van de vakverenigingen, de organisatie, die steeds de grootste werfkracht van de politieke partij is gebleken.

Het vraagstuk van de vakbeweging

In mijn leerjaren te Wenen werd ik gedwongen, of ik wilde of niet, om ook mijn houding te bepalen ten opzichte van de vakverenigingen. Daar ik ze voor een onafscheidelijk bestanddeel van de sociaal-democratische partij zelf aanzag, was mijn oordeel snel gereed - en onjuist. Ik wees ze, vanzelfsprekend, rondweg af. Ook in dit zo buitengewoon belangrijke vraagstuk gaf het lot mij onderricht. En de uitwerking hiervan was, dat ik mijn oorspronkelijk oordeel herzag. Toen ik twintig jaar oud was, had ik geleerd, onderscheid te maken tussen de vakvereniging als middel tot verdediging van sociale rechten voor de arbeidnemers in het algemeen, en tot verovering van een levenspeil in het bijzonder - en de vakvereniging als instrument van de partij van de politieke klassenstrijd.

Het feit, dat de sociaal-democratie de enorme betekenis van de vakbeweging inzag, gaf haar dat instrument en daarmee het succes in handen. Dat de bourgeoisie dit niet begreep, kostte haar haar politieke positie. Zij meende met een hooghartig afwijzend gebaar een logische ontwikkeling te kunnen weerhouden en dwong deze daardoor nu in onlogische banen. Want dat de vakbeweging als zodanig vijandig tegenover het vaderland zou moeten staan, is onzin en bovendien een onwaarheid. Eerder is het tegendeel juist. Want de vakvereniging heeft ten doel om de bestaansmogelijkheden te verbeteren van een stand, welke een van de hoofdpijlers van de natie is; en daardoor is niet alleen iedere beschuldiging van vijandschap harerzijds, tegen vaderland of staat, ten ene male misplaatst, maar kan men alleen zeggen, dat ze 'nationaal' is in de beste betekenis des woords.

Zij immers helpt mede de sociale toestanden te scheppen, zonder welke een nationale opvoeding eenvoudig niet denkbaar is. Zij spant zich in, om de sociale kankergezwellen, die ons volk naar lichaam en geest uitmergelen, te verwijderen; hierdoor draagt zij bij tot de algemene gezondheid van het volk, en maakt zich zodoende hoogst verdienstelijk. De vraag of zij noodzakelijk is, mag dus waarlijk overbodig worden genoemd. Zolang er onder werkgevers nog mensen zijn met een tekort aan sociaal besef, of zelfs zulke die het aan gevoel voor recht en redelijkheid ontbreekt, is het niet alleen het recht, maar ook de plicht van hun werknemers, die toch een deel van ons volk vormen, om de algemene belangen te beschermen tegen de hebzucht en wanbegrip van een enkeling; want het handhaven van trouw en geloof in een volk is evenzeer in het belang van de natie, als het behoud van zijn lichamelijke gezondheid.

Beide worden door een minderwaardig slag werkgevers, die ieder saamhorigheidsgevoel met de volksgemeenschap missen, ernstig bedreigd. Want de toekomst zal de gevolgen van hun hebzucht of meedogenloosheid pijnlijk voelen. Zodoende werkt iedereen, die een dergelijke ontwikkeling tegengaat door haar oorzaken te vernietigen, in het belang van de natie, en geenszins anti-nationaal. Laat men nu niet komen met het argument, dat het toch iedereen vrijstaat, om de consequenties te trekken uit een werkelijk of vermeend onrecht, dus om heen te gaan. Nee! Dat is maar een schijnargument en moet gebrandmerkt worden als een poging, om de aandacht van de werkelijke kwestie af te leiden. De opruiming van sociale misstanden is OF in het belang van de natie OF niet.

Zo ja, dan moet de strijd ertegen aangebonden worden met de wapens, die kans op succes geven. De arbeider alleen echter is nimmer in staat, om iets te beginnen tegen de macht van de grote werkgever, aangezien het hier onmogelijk de vraag kan zijn wie gelijk of wie het meest gelijk heeft - in dat geval, wanneer men dus erkende, dat het een kwestie van recht was, zou er immers in het geheel geen aanleiding zijn voor onenigheid - maar het hier eenvoudig alleen om de brute macht gaan. Anders zou het aanwezige rechtsgevoel alleen reeds de strijdt op eerlijke wijze beslechten, of juister, het zou die strijd voorkomen.

Nee, wanneer ergens een onsociale of onwaardige behandeling van mensen tot verzet leidt, dan kan deze strijd, zolang niet wettelijke rechtelijke instanties geschapen worden, om een einde te maken aan deze misstanden, slechts beslist worden door het recht van de sterkste. Hierdoor komt men echter noodzakelijkerwijze tot de conclusie dat de arbeiders, wanneer ze althans niet reeds van te voren iedere kans op overwinning willen laten varen, in staat moeten zijn, in een ondeelbaar geheel tegen de patroon op te treden, in wiens persoon immers ook de gehele macht is geconcentreerd.

Zo kan de vakorganisatie het sociale vraagstuk in de praktijk helpen oplossen, en kunnen hierdoor de aloude twistpunten, welke telkens weer tot ontevredenheid plachten te leiden, worden vernietigd. Dat dit heden ten dage nog niet het geval is, moet voor een zeer groot deel worden geweten aan diegenen, die de kunst verstonden, letterlijk iedere sociale wet te dwarsbomen, of door middel van hun politieke invloed te voorkomen. En terwijl nu de politieke bourgeoisie de betekenis van de vakorganisatie niet inzag, of beter, niet wilde inzien en die vakorganisatie overal en altijd tegenwerkte, trok de sociaal-democratie zich het lot van de omstreden beweging aan. Zij gaf daarmee blijk van een scherpe blik, en schiep zichzelf door deze hulpverlening een stevige basis, welke reeds enige malen op kritieke momenten de laatste redder uit de nood bleek te zijn. De sociaal-democratie heeft er nimmer aan gedacht, om toe te staan, dat de zo veroverde vakbeweging ook inderdaad haar werkelijke taak vervulde.

De vakbeweging wordt verpolitiekt

Nee. In enkele tientallen van jaren was onder haar vaardige hand uit het middel van de verdediging van de sociale rechten van de mens, een instrument gegroeid tot vernietiging van de nationale huishouding. Hierdoor raakte echter het eigenlijke doel op de achtergrond en streefde deze misbruikte vakbeweging voortaan geheel andere doeleinden na. Want ook in politiek opzicht biedt het gebruik van economische dwangmiddelen gelegenheid, om te allen tijde chantage te plegen, wanneer aan de ene kant maar onvoldoende gewetenloosheid, en aan de andere kant maar voldoende dom schaapachtig geduld is. En aan deze beide voorwaarden was hier voldaan.

In het begin van de twintigste eeuw had de vakbeweging al lang opgehouden, haar vroegere taak te vervullen. Van jaar tot jaar was zij meer een werktuig van de sociaal-democratische politiek geworden, en werd tenslotte voor niets anders meer gebruikt, dan als stormram bij de klassenstrijd. Zij moest het gehele, met zoveel moeite tot stand gekomen bouwwerk van de nationale economie door voortdurende schokken tenslotte tot instorting brengen, waardoor dan het staatsgebouw, dat dus van zijn economische grondvesten beroofd was, gemakkelijker een eender lot zou kunnen ondergaan. De behartiging van de werkelijke behoeften van de arbeiders raakte hierdoor steeds meer op de achtergrond. Ja, uiteindelijk bleek de hoogste politieke wijsheid zelfs te vereisen, dat er helemaal niets meer werd gedaan, om de sociale en zelfs culturele noden van de brede massa te lenigen, daar men dan immers het gevaar liep, dat de verlangens van deze mensen bevredigd zouden worden, waardoor men ze niet langer als willoze stoottroep zou kunnen gebruiken.

Een dergelijke ontwikkeling, welke de heren leiders van de Klassenstrijd maar al te waarschijnlijk voorkwam, joeg hun zo'n angst aan, dat zij tenslotte iedere werkelijk effectief sociale verbetering kortweg afwezen, en zich zelfs uit alle macht daartegen verzetten. Mochten er zijn, die een dergelijke houding onverstandig achtten, dan was men om een motivering nooit verlegen. Want doordat men de eisen steeds hoger opvoerde, scheen de kans op een vervulling daarvan klein en onbeduidend. En hierdoor kon men de massa wijsmaken, dat het weer ging om een duivelse poging door de inwilliging van zo'n bespottelijk onbelangrijk onderdeel van de heiligste rechten van de arbeiders, hun stootkracht voor een koopje te verzwakken - ja, zo mogelijk lam te leggen. Gezien het geringe denkvermogen van de grote massa hoeft men zich over het succes van zulke methoden niet te verwonderen. In het burgerlijke kamp was men verontwaardigd over de zo kennelijke onwaarachtigheid van de sociaal-democratische tactiek, maar men wist daaruit ook niet de allergeringste nuttige les te putten voor de richtlijnen van het eigen beleid.

Juist de vrees van de sociaal-democratie voor iedere werkelijke opheffing van de arbeidersstand uit de diepte van zijn tegenwoordige culturele en sociale ellende had een reden moeten zijn, dat men zich aan de overzijde tot het uiterste inspande, juist om deze verbetering te bereiken en om de aanhangers van de klassenstrijd hierdoor langzamerhand dit wapen van de ontevredenheid uit de handen te wringen. Dit geschiedde echter niet. In plaats van, door middel van een eigen aanval, de stelling van de vijand te nemen, liet men zich liever dringen en dwingen, en greep tenslotte naar volkomen ontoereikende middelen, die zonder uitwerking bleven, omdat ze te laat kwamen, en ook gemakkelijk af te weren waren, omdat ze te weinig betekenden. Zodoende bleef in werkelijkheid alles bij het oude, alleen was de ontevredenheid groter dan te voren.

Als een dreigende onweerswolk hing reeds destijds de 'vrije vakvereniging' boven de politieke horizon en boven het bestaan van de enkeling. Zij was een van de vreselijkste terreurwerktuigen tegen de veiligheid en de onafhankelijkheid van de nationale economie, tegen de stevigheid van de staat en de persoonlijke vrijheid. Zij was het, meer dan iets of iemand anders, die het begrip democratie tot een weerzinwekkend belachelijke frase maakte, die de vrijheid schond en de meest grove bespotting van iedere idee van broederschap was, door de door haar maar al te zeer nagestreefde leus: "Und willst du nicht Genosse sein, so schlagen wir dir den Schädel ein." (En wil je onze kameraad niet zijn, dan slaan wij je de hersens in.) Zo leerde ik destijds deze vrienden van de mensheid kennen.

Sleutel tot ware bedoelingen van de sociaal-democratie

In de loop van de jaren heeft mijn mening over haar zich wel verbreed en verdiept, maar te veranderen behoefde ik ze niet. Hoe meer inzicht ik kreeg in het uiterlijke wezen van de sociaal-democratie, des te groter werd mijn verlangen, om de eigenlijke kern van deze leer te begrijpen. De officiële partijliteratuur kon hierbij natuurlijk maar van weinig nut zijn. Zij is, waar het economische kwesties betreft, onjuist in stelling en bewijs; waar politieke doelstellingen behandeld worden, is ze leugenachtig. Daarbij kwam, dat vooral de nieuwe, rechtsverdraaide wijze van uitdrukking en de manier, waarop de dingen werden voorgesteld, mij zeer tegen de borst stuitten. Met een geweldige stroom van vage of onbegrijpelijke woorden flanst men zinnen samen, die even zinloos zijn, als ze geniaal willen schijnen.

Alleen het aller decadentste gedeelte van onze grotestads bohème kan zich behaaglijk voelen in deze doolhof van het verstand, en alleen dit allegaartje ziet kans om uit de mest van dit literair dadaïsme nog "innerlijk beleven" op te vissen; een mogelijkheid, die natuurlijk nog vergroot wordt door de spreekwoordelijke bescheidenheid van een deel van ons volk, dat in de woorden des te diepere wijsheid vermoedt, naarmate het er zelf minder van begrijpt. Maar ik kreeg, door zo de onwaarachtigheid en innerlijke tegenstrijdigheid van de theorie en het werkelijke beeld, dat zij ons bood, te vergelijken, langzamerhand een helder inzicht in de werkelijke bedoeling van deze leer.

Het Joodse vraagstuk

In zulke uren bekropen mij sombere voorgevoelens en vreesde ik het ergste. Ik zag dan een leer voor mij, die uit egoïsme en haat was opgebouwd, die wiskundig zeker de overwinning kon behalen, maar die daardoor tot de verdelging van de mensheid zou leiden. Want ik had ondertussen het verband leren zien tussen deze leer van de vernietiging en het karakter van een volk, dat mij tot die tijd bijna volkomen onbekend was geweest.

Want alleen hij, die het Jodendom door en door kent, is in staat, om de diepste, dus de werkelijke bedoelingen der sociaal-democratie te doorgronden. Hij die dit volk kent, doorziet al de valse voorstellingen, welke deze partij omtrent haar doel en streven wekt, en ziet uit de mist van de sociale frasen, het ware gezicht van het marxisme opdoemen: een grijnzende satanskop.

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk voor mij, om vast te stellen, wanneer het woord "Jood" mij voor de eerste keer tot nadenken bracht. Ik herinner mij niet, dat ik in het ouderlijk huis, zolang ik leefde, het woord ooit heb gehoord. Ik geloof, dat de oude heer reeds in een mogelijke bijzondere nadruk, die men op deze naam had gelegd, een symptoom van een laag beschavingspeil zou hebben gezien. Hij was in de loop van zijn leven tot min of meer wereldburgerlijke opvattingen gekomen, die niet alleen in botsing kwamen met zijn sterk nationale overtuiging, maar ook nog enigszins op mij overgingen. Ook op school was er geen bijzondere aanleiding voor mij om deze traditionele opvatting te herzien. Op de Hogere Burgerschool leerde ik wel een Joodse jongen kennen, die door ons allen met enige terughoudendheid werd behandeld, maar dit was alleen, omdat wij, ook reeds gewaarschuwd door enige ervaringen welke wij met hem hadden opgedaan, zijn geslotenheid niet erg vertrouwden; de een of andere bijgedachte kwam daarbij al evenmin in mij als in anderen op.

Pas op dertien- of veertienjarige leeftijd kwam ik het woord Jood af en toe tegen, onder meer in politieke gesprekken. Ik voelde enige antipathie tegen dat woord, en kon nooit dat onaangename gevoel onderdrukken, dat mij steeds bekroop, wanneer godsdienstige ruzietjes in mijn tegenwoordigheid werden uitgevochten. Want een ander zijde zag ik destijds nog niet aan deze kwestie. Linz telde slechts zeer weinig Joden. In de loop van de eeuwen had zich hun uiterlijk "vereuropeest" en was het menselijk geworden; ja, ik zag ze zelfs voor Duitsers aan. Het dwaze van deze opvatting drong niet tot mij door, omdat ik immers meende, in de afwijkende godsdienst het verschil te moeten zien. Dat zij, naar ik toen meende, om die reden vervolgd zouden zijn, deed dikwijls mijn afkeer van onsympathieke uitlatingen over hen bijna tot afschuw groeien. De mogelijkheid van een doelbewuste strijd tegen het Jodendom kwam destijds nog geen ogenblik bij mij op.

En toen ging ik naar Wenen. Geboeid door de veelheid van de indrukken op het gebied van architectuur en terneer geslagen als ik was door de zwaarte van mijn eigen lot, had ik de eerste tijd geen oog voor de wijze, waarop de bevolking van deze reuzestad was samengesteld. Hoewel Wenen reeds in deze jaren op een totaal aantal inwoners van twee millioen, omstreeks tweemaal honderdduizend Joden telde, viel mij dit niet op. Mijn oog en geest waren nog niet bij machte, de invloed van nieuwe waarden en gedachten, die in de eerste weken hier op mij instormden, zo maar te verwerken. Pas toen de rust langzamerhand terugkeerde en er enige tekening in de chaos begon te komen, keek ik mijn nieuwe wereld eens beter rond en stiet nu ook op het Jodenvraagstuk. Ik wil niet beweren, dat de manier, waarop ik met deze kwestie in aanraking kwam, mij nu bepaald aangenaam aandeed. Nog steeds zag ik in het Jodendom enkel een godsdienstige secte, en stond daarom ook hier scherp afwijzend tegenover de gedachte aan de bestrijding van deze bepaalde religie.

De zogenaamde grote pers

Juist op dit gebied scheen mij een algemene verdraagzaamheid de aangewezen houding. Zo vond ik ook de toon, waarop deze discussie werd gevoerd, en vooral die, welke de Weense antisemitische pers aansloeg, de oude traditionele beschaving van een groot volk onwaardig. De herinnering aan zekere gebeurtenissen in de middeleeuwen, die ik niet gaarne herhaald zou zien, belette mij hierbij, een zuiver oordeel te vormen. Aangezien de bedoelde kranten algemeen voor onbelangrijk doorgingen (hoe dat eigenlijk kwam, wist ik destijds zelf niet precies), zag ik ze meer als de producten van boosaardige afgunst dan als organen, welke een bepaald - juist of onjuist - beginsel aanhingen. Deze opvattingwerd nog versterkt door de, mijns inziens, veel waardiger wijze waarop de werkelijk grote pers op al deze aanvallen antwoordde; wanneer ze ze niet volkomen onvermeld liet en doodzweeg, wat mij nog het meest juiste standpunt toescheen. Ik las ijverig de zogenaamde grote pers ("Neue Presse", "Wiener Tageblatt"), en stond verbaasd over het vele, wat zij de lezers boden en over de objectiviteit, waarmee zij dit deden Ik waardeerde de voorname toon; en het enige wat mij dikwijls niet helemaal bevredigde, of zelfs wel eens onaangenaam aandeed, was de al te pompeuze stijl. Maar dit kon tenslotte ook aan de verheven sfeer van de wereldstad liggen.

Ik zag Wenen destijds inderdaad voor een wereldstad aan, en ik geloof, dat dit feit, wat voor mijzelf later mijn opvattingen uit deze eerste dagen verklaarde, ook als geldige verontschuldiging voor deze blindheid mag gelden. Wat mij echter herhaaldelijk afstootte, was de onwaardige manier, waarop de pers het hof flikflooide. Er kon in het paleis bijna niets, hoe onbelangrijk ook, gebeuren, of de pers vond het nodig, daarvan OF met de uiterste geestvervoering, OF wel met de diepste neerslachtigheid gewag te maken; een gesol, dat, speciaal wanneer het over de "rechtvaardigste monarch aller tijden" zelf ging, nog het meeste leek op de smachtende lokroep van de auerhaan. Dit kwam mij wat al te onwaarachtig voor, en hierdoor boette de liberale democratie in mijn ogen voor het eerst iets in van haar zuiverheid en volmaaktheid. Want een dergelijk minderwaardig geschooi om de gunst van het hof was in strijd met de waardigheid van de natie.

Kritiek op Wilhelm II

Dit was de eerste schaduw op het ideale beeld, dat ik mij aanvankelijk van de "grote" Weense pers had gevormd. Evenals altijd te voren volgde ik ook in Wenen de gebeurtenissen in Duitsland met de grootste belangstelling, onverschillig of het daarbij politieke dan wel culturele kwesties betrof. Vol bewondering vergeleek ik de opkomst van het Rijk met het wegkwijnen van de Oostenrijkse staat. Maar terwijl de buitenlandse politiek meestal mijn onvermengde vreugde opwekte, gaf het binnenlandse politieke leven mij dikwijls reden tot ernstige bezorgdheid. Ik kon mij destijds ook niet verenigen met de strijd, die men toentertijd tegen Wilhelm II voerde. Ik zag in hem niet alleen de Duitse Keizer, maar in de eerste plaats de man, die Duitsland een vloot had gegeven. Het spreekverbod, dat de Rijksdag meende, de keizer te moeten opleggen, ergerde mij vooral daarom zozeer, omdat het uitging van een instelling, die daartoe wel allerminst het recht had, omdat deze parlementaire ganzen immers in 1 enkele zittingsperiode meer onzin bijeen snaterden dan een gehele dynastie van keizers in eeuwen en eeuwen, de allerzwaksten incluis, ooit zou vermogen.

Ik was verontwaardigd, dat in een staat, waar iedere halve gek niet alleen het recht had, om vrijelijk zijn kritiek te laten horen, en zelfs in de Rijksdag als 'wetgever' op de natie kon worden losgelaten, dat daar de drager van de keizerskroon een 'terchtwijzing' kon krijgen van de oppervlakkigste zwetsers vergadering aller tijden. Mijn verontwaardiging was echter nog veel groter, toen diezelfde Weense pers, die voor het minste paard uit de keizerlijke Habsburgse stallen een diepe, eerbiedige buiging maakte, en in laaiende geestdrift raakte, wanneer het beest toevallig zijn staart bewoog, nu, schijnbaar bezorgd, maar mijns inziens met maar al te slecht verborgen boosaardigheid, haar 'bezwaren' tegen de Duitse keizer liet horen. Niet, dat men zich in de binnenlandse aangelegenheden van het Duitse rijk wilde mengen, nee, verre van daar - maar, door zo op vriendschappelijke wijze de vinger op de wonde plek te leggen, werkte men enerzijds geheel in de geest van het bondgenootschap, terwijl men anderzijds zijn journalistieke plicht, om de waarheid te spreken, vervulde enz.

De pers op de knieën voor Frankrijk

En nu woelde dan die vinger naar hartelust rond in die wonde. In zulke gevallen steeg mij het bloed naar het hoofd. Dat was de reden, dat ik langzamerhand de grote pers met andere ogen begon te bezien. Ik moet ook erkennen, dat een van de anti-semitische kranten, het "Deutsche Volksblatt", zich bij zulke gelegenheden fatsoenlijker gedroeg. Wat mij ook nog zeer ergerde, was de weerzinwekkende wijze, waarop de grote pers reeds destijds Frankrijk verafgoodde. Wanneer men die zoetelijke lofzangen op de "grote cultuurnatie" onder ogen kreeg, moest men zich gewoonweg schamen Duitser te zijn. Deze ellendige Fransdolheid bracht mij er meer dan eens toe, om een van die 'grote bladen' in een hoek te smijten. Ik greep nu trouwens, ook zonder speciale aanleiding, van tijd tot tijd naar het "Volksblatt", dat weliswaar veel kleiner was, maar dat mij op dit punt iets minder bedorven scheen. Met de scherp antisemitische toon was ik weliswaar niet eens, maar toch las ik ook af en toe motiveringen, die mij tot nadenken brachten. In elk geval leerde ik hierdoor de man en de beweging kennen, die in die tijd het lot van Wenen bepaalde: Dr. Karl Lueger en de Christelijk-sociale partij. Toen ik in Wenen kwam, stond ik vijandig tegenover beiden. De man en de beweging waren mijns inziens 'reactionair'. Maar naar mate ik meer in de gelegenheid kwam, de man en het werk nader te leren kennen, dwong het normale rechtvaardigheidsgevoel mij, om dit oordeel te herzien; en langzamerhand groeide de rechtvaardige beoordeling tot onverholen bewondering.

Nu beschouw ik deze man, meer nog dan vroeger, als verreweg de grootste Duitse burgemeester aller tijden. Hoeveel van mijn vooroordelen werden echter niet omver geworpen door zo'n verandering van mijn standpunt ten opzichte van de Christelijk-sociale beweging! En toen de tijd dan ook langzamerhand mijn gevoelens ten aanzien van het antisemitisme wijzigde, werd daarmee de grootste ommekeer van alle tot stand gebracht. Deze verandering van overtuiging heeft mij veel innerlijke strijd gekost, en eerst na maandenlang worstelen tussen verstand en gevoel, begon het verstand langzamerhand de overhand te krijgen. Twee jaar later was het gevoel het verstand gevolgd en was van die tijd af zijn trouwste wachter en waarschuwer. In de tijd van deze zware strijd van het nuchtere verstand, met de sfeer, waarin ik was opgevoed, had het aanschouwelijk onderwijs in de Weense straten mij onschatbare diensten bewezen. Nu liep ik al spoedig niet meer, gelijk dat in de eerste dagen het geval was geweest, als blind door de machtige stad, maar had, behalve voor de gebouwen, ook een open oog voor de mensen.

Toen ik op zekere dag zo de binnenstad rondzwierf, ontmoette ik plotseling een verschijning in lange kaftan, en met zwarte lokken. Is dit ook een Jood? was mijn eerste gedachte. Zo zagen ze er in Linz waarlijk niet uit. Ik beschouwde de man onopvallend en voorzichtig, maar toen ik langer naar dit vreemde gezicht staarde, en trek voor trek aandachtig naging, nam die eerste vraag langzamerhand een andere gedaante aan. Is dit ook een Duitser? Zoals steeds in zulke gevallen begon ik nu te trachten, om mijn twijfel door middel van boeken op te heffen. Ik kocht destijds voor een luttel bedrag de eerste antisemitische brochures van mijn leven. Helaas veronderstelden al deze werkjes, dat de lezer het Joodse vraagstuk reeds tot op zekere hoogte begreep, of tenminste kende. Tenslotte was het de toon, die zij aansloegen, meestal van zodanige aard, dat er weer twijfel bij mij opkwam, tengevolge van de, soms vrij oppervlakkige en buitengewoon onwetenschappelijke bewijzen voor hun beweringen. Dat bracht mij in mijn ontwikkeling soms weken, eenmaal zelfs maanden achteruit.

Ik word antisemiet

De kwestie scheen mij zo buitengewoon belangrijk, de aantijging zo mateloos toe, dat ik, uit vrees onrechtvaardig te oordelen, weer angstig en onzeker werd. Zeker, dat het hier niet om Duitsers van een bijzondere geloofsbelijdenis, maar om een afzonderlijk volk, dat was ook voor mij boven iedere twijfel verheven; want nu ik begonnen was, mij met deze vraag te bemoeien en mijn aandacht eenmaal op de Jood gevestigd was, nu verscheen Wenen mij in een geheel ander licht dan vroeger. Waar ik nu liep, zag ik ook Joden, en hoe meer ik er zag, des te scherper zag ik het verschil tussen hen en de andere mensen. Vooral in de binnenstad en in de buurten ten Noorden van het Donaukanaal wemelde het van mensen, die zelfs uiterlijk niets meer met ons Duitsers gemeen hadden. Maar wanneer dit mij nog niet geheel overtuigd mocht hebben, dan werd deze twijfel voorgoed uitgewist door de houding van vele Joden zelf. Er bestond immers een zeer sterke, ook te Wene vele aanhangers tellende beweging onder hen, welke het feit, dat het Jodendom een apart volk, en zijn bijzonder karakter een volkskarakter was, nogmaals zo nadrukkelijk mogelijk bevestigde: het Zionisme.

Het scheen weliswaar alsof een deel van de Joden deze houding tot de hunne maakte, en alsof de grote meerderheid het met een dergelijk vastleggen van haar houding niet eens was, en in haar hart zelfs scherp afwijzend daartegenover stond. Maar bij nadere beschouwing verdween deze schone schijn door de weinig appetijtelijke aard van de argumenten, die men tegen het Zionisme inbracht; want zo men dit al geen leugens kon noemen, dan toch wel zuiver opportunistische uitvluchtjes. Want de z.g. "liberale Joden" ontkenden immers niet, dat ook de Zionisten Joden waren, maar vonden alleen, dat het Zionisme, dat immers een openlijke erkenning van het bestaan van een Joods volk inhield, onpraktisch en misschien zelfs gevaarlijk was.

Aan hun innerlijke saamhorigheid deed dit alles niets af. Deze schijnbare onenigheid tussen Zionistische en Liberale Joden wekte reeds na korte tijd mijn weerzin door de volkomen onwaarachtigheid en leugenachtigheid ervan, iets wat zeer slecht paste bij de verheven en zuivere moraal van dit volk, waarvan men altijd zo hoog opgaf. De morele en verdere reinheid van dit volk was toch alleen een kwestie op zichzelf. Dat deze lieden niet bepaald dol waren op water, was iets, wat men aan hun uiterlijk helaas reeds kon constateren, dikwijls zelfs met gesloten ogen, later overkwam het mij wel eens, dat ik onpasselijk werd van de lucht, welke deze kaftandragers verspreidden. Daarbij kwam nog de onzindelijke kleding en hun weinig heldhaftig voorkomen. Dit alles tezamen kon al moeilijk aantrekkelijk werken; maar men werd pas afgestoten wanneer men, naast de lichamelijke onzindelijkheid, plotseling ook de morele smetten van het uitverkoren volk ontdekte.

Niets heeft mij in de korte tijd zozeer tot nadenken gebracht als het langzamerhand doorbrekend inzicht in de wijze, waarop de Joden op bepaalde gebieden werkzaam waren. Bestond er eigenlijk wel ergens iets vuils, een schaamteloosheid, in welke vorm ook, vooral op cultureel gebied, waaraan niet minstens één jood had meegewerkt? En wanneer men nu maar voorzichtig in zo'n gezwel sneed, vond men, als de made in rottend hout, een Joodje, dat dikwijls nog met verblinde ogen knipperde in het plotselinge licht. Toen ik de werkzaamheid van het Jodendom op het gebied van kunst, literatuur, film en toneel leerde kennen, begreep ik ook, hoe groot de verantwoordelijkheid was, die het droeg voor de daar heersende toestanden. En dat was een overtuiging, waaraan geen zalvende verzekering "dat toch het tegendeel waar was" meer iets aan kon afdoen. Het was reeds voldoende, om alleen maar een reclamezuil te bekijken, en de namen te bestuderen van degenen, die het afschuwelijke maakwerk voor bioscoop en schouwburg, dat daar aangeprezen werd, op hun geweten hadden, om voor lange tijd hard te worden.

Want datgene waarmee men hier alle waarden van het volk vernietigde, was een pestilentie, een geestelijke pestilentie, met noodlottiger gevolgen dan vroeger de Zwarte Dood had gehad. En in welke hoeveelheid werd dit vergif dan nog voortgebracht en verspreid. Het is niet meer dan natuurlijk, dat met het dalen van het geestelijk en moreel peil van zulke kunstfabrikanten, hun productiviteit evenredig stijgt, tot een dergelijk heerschap tenslotte wel een machine lijkt, die geen andere taak heeft, dan onophoudelijk een regen van vuil op de mensheid te doen neerkomen. En dan moet men nog bedenken, hoe talrijk zij zijn; tenslotte laat de natuur tegen 1 Goethe zeker tienduizend knoeiers en klungels van het bovengenoemde soort op de wereld los en deze tienduizend doen nu dienst als bacillendragers van het ergste soort, en besmetten alom de zielen. Het was ontzettend, maar het viel niet te ontkennen, dat de natuur voor deze schandelijke arbeid vooral Joden in grote getale scheen te hebben uitverkoren. Zou de uitverkorenheid van dit volk op zulke gebieden moeten worden gekocht?

Ik begon destijds zorgvuldig te letten op de namen van al de geestelijke vaders van deze gore producten in het openbare kunstleven. Het resultaat hiervan toonde mij meer en meer de onjuistheid van mijn oorspronkelijke houding ten aanzien van de Joden. En al verzette het gevoel zich daartegen duizendmaal, het verstand moest uit deze constateringen zijn conclusies trekken. Het feit, dat negentig procent van al het vuil op literair-, van het prulwerk op kunst- en van alle onzin op toneelgebied voor rekening komt van een volk, dat nauwelijks een honderdste deel van de totale bevolking uitmaakt, was eenvoudig niet te loochenen, het was nu eenmaal zo. Ik begon nu ook mijn beminde "grote pers" op deze punten te toetsen. Hoe scherper ik hier echter leerde zien, des te minder bleef er van mijn voormalig idool over. De stijl werd steeds onverdraaglijker, de inhoud moest ik als oppervlakkig en banaal afwijzen, de objectiviteit in het weergeven van de feiten scheen mij thans mee een wijdverbreide leugen te zijn dan de eerlijke waarheid; en degenen die er in schreven waren - Joden.

Duizend dingen, die ik vroeger nauwelijks gezien had, bleken mij thans opmerkenswaard, en weer andere, die mij reeds vroeger te denken gaven, leerde ik nu begrijpen en verstaan. De liberale gezindheid van deze pers zag ik nu in een ander licht, haar deftige toon in het beantwoorden van aanvallen, evenals het doodzwijgen ervan ontpopte zich nu voor mij als een even slimme als gemene truc; op haar ophemelend geschreven theater kritieken waren steeds voor de Joodse schrijver, en nimmer trof een afwijzend oordeel iemand anders dan de Duitser. De onophoudelijke steken onder water tegen Willem II toonden door de volharding het systeem, dat hier overal heerste, evenals het aanbevelen van Franse cultuur en civilisatie. Nu drong ook tot mij door dat het dwaze in de korte verhalen in werkelijkheid onzedelijkheid was, en in de taal hoorde ik een stem van een vreemd volk; de zin van het geheel stond zo kennelijk vijandig tegenover het Duitse volk, dat het niets anders dan opzet kon zijn. Wie kon daar echter enig belang bij hebben? Was dit alles slechts toeval? Zodoende werd ik langzamerhand minder zeker van mijn zaak.

Deze ontwikkeling werd echter nog versneld door het inzicht, dat ik kreeg in een reeks andere gebeurtenissen. Dit waren de algemene opvattingen over zeden en moraal, welke een groot deel van het Jodendom huldigde en in praktijk bracht. Dienaangaande gaf de straat weer aanschouwelijk onderwijs, en dat soms wel van een bijzonder immoreel soort. Het aandeel van het Jodendom in de prostitutie en meer nog in de handel in jonge meisjes zelf, kon men in Wenen beter bestuderen dan in enig andere West-Europese stad, afgezien misschien van Zuid-Franse havensteden. Wanneer men 's avonds wat door de straten en stegen van de wijk Leopoldstadt liep, werd men elk ogenblik, of men wilde of niet, getuige van gebeurtenissen, die voor het grootste deel van het Duitse volk verborgen gebleven waren, tot de oorlog de soldaat aan het Oostelijk front gelegenheid bood, of misschien, beter gezegd, dwong om iets in dezelfde trant mede aan te zien. Toen ik voor het eerst had gezien, dat het de Jood was, die dit allerschandelijkste bedrijf van het uitschot van de grote stad leidde, en hoe hij enerzijds ijzig koud bleef, en anderzijds zonder de minste morele scrupules alles deed, om zijn "zaken" te laten floreren, toen liep er mij even een rilling over de rug. Maar dadelijk daarop werd er iets in mij wakker. En terwijl ik vroeger ieder gesprek over het Joodse vraagstuk angstvallig had vermeden, zocht ik dit nu. Toen ik nu echter naar de Jood leerde zoeken op alle gebieden en bij alle uitingen van het culturele en artistieke leven, vond ik hem plotseling op een plaats, waar ik dit het minst had verwacht.

De Jood als leider van de Sociaal-democratie

Toen ik zag dat de Jood leider van de Sociaal-democratie was, begonnen mij de schellen van de ogen te vallen. Dit maakte voor mij een einde aan een lange innerlijke strijd. Reeds in de dagelijkse omgang met mijn kameraden viel mij de verbazingwekkende vaardigheid op, waarmee zij, ten opzichte van een en hetzelfde vraagstuk, van mening konden veranderen, soms binnen een tijdsverloop van enkele dagen, dikwijls zelfs van slechts enkele uren. Ik kan moeilijk begrijpen hoe mensen, die, in een gesprek onder vier ogen, altijd nog verstandige opvattingen bleken te bezitten, plotseling ieder gezond verstand verloren, zodra de massa vat op hen kreeg. Het was dikwijls om er wanhopig van te worden. Wanneer ik na urenlang praten reeds overtuigd was, ditmaal eindelijk het ijs gebroken en een onzinnige opvatting weggevaagd te hebben en mij reeds hartelijk verheugde over mijn succes, dan moest ik tot mijn spijt de volgende dag weer van voren af aan beginnen; het was alles tevergeefs geweest.

Bepaalde volkomen krankzinnige denkbeelden schenen met mechanische regelmaat en zekerheid, als de slingers van een klok, terug te komen. Veel van dat alles kon ik begrijpen; dat ze met hun lot ontevreden waren, het noodlot vervloekten, dat hen dikwijls zo hard sloeg; dat ze de ondernemers haatten, die ze voor harteloze voltrekkers van dit noodlot aanzagen; dat ze op de autoriteiten scholden, die huns inziens geen begrip hadden voor hun toestand; dat zij demonstreerden tegen de prijzen van de levensmiddelen en voor hun eisen de straat op gingen, dit alles kon men, rekening houdende met hun verstand, tenminste nog begrijpen. Wat echter ten enenmale onbegrijpelijk bleef, was de grenzeloze haat, die zij tegen hun eigen volk koesterden, de wijze, waarop zij de grootheid daarvan hoonden, zijn geschiedenis besmeurden en zijn grote mannen door het slijk haalden. Deze strijd tegen het eigen volkskarakter, het eigen nest, het eigen geboorteland was even zinloos als onbegrijpelijk. Sterker, het was tegennatuurlijk. Men kon hen wel eens voor korte tijd van deze kwaal genezen, maar nooit voor langer dan enkele dagen, of hoogstens enkele weken. Kwam men nadien de man tegen, die men meende te hebben bekeerd, dan was hij weer de oude geworden. Dan had het tegennatuurlijke zich alweer van hem meester gemaakt.

Dat de sociaal-democratische pers hoofdzakelijk door Joden werd geleid, merkte ik ook langzamerhand; ik hechtte echter aan deze omstandigheid geen al te grote waarde, omdat dit immers bij de andere kranten eveneens het geval was. Of misschien was er in dit verband toch 1 ding merkwaardig: n.l. dat er niet 1 enkel blad bestond, waaraan Joden meewerkten, dat werkelijk nationaal was in die volkse betekenis, welke mijn opvoeding en overtuiging mij aan dat woord hadden leren hechten. Toen ik mijzelf overwon, en trachtte, dit soort marxistische persproducten te lezen, waardoor echter mijn afkeer hiervan op ongekende wijze toenam, probeerde ik ook de fabrikanten van dit gecomprimeerde vergif nader te leren kennen. Het waren, bij de uitgevers te beginnen, uitsluitend Joden. Ik greep naar alle sociaal-democratische brochures, die ik maar enigszins machtig kon worden, om de namen van de schrijvers vast te stellen. Onveranderlijk bleken het Joden te zijn. Ik onthield de namen van alle leiders, het waren voor verreweg het grootste deel eveneens personen behorende tot het "uitverkoren volk", onverschillig of het nu degenen waren, die de partij in de Rijksraad moesten vertegenwoordigen, dan wel de secretarissen van de vakverenigingen, de voorzitters van de organisaties of de agitatoren op straat.

Men zag steeds hetzelfde sombere beeld. De namen Austerlitz, David, Adler, Ellenbogen, enz. zullen eeuwig in mijn herinnering blijven. Een ding was mij duidelijk geworden. De partij waartoe al deze mensen, die nu al sinds maanden mijn heftigste tegenstanders waren, behoorden, werd geheel geleid door een vreemd volk; want van het feit, dat een Jood geen Duitser kon zijn, was ik, tot mijn grote innerlijke voldoening, nu wel overtuigd. Thans echter leerde ik deze bedervers van ons volk pas werkelijk kennen. Een jaar Wenen was voldoende geweest, om mij de overtuiging bij te brengen, dat geen arbeider zo verstokt kon zijn, dat hij niet, wanneer hem alles was uitgelegd, voor juistere argumenten gezwicht zou zijn. Ik was langzamerhand een kenner van hun eigen leer geworden en gebruikte die kennis als wapen in de strijd voor mijn innerlijke overtuiging. Bijna steeds was nu het succes aan mijnkant. De grote massa kon gered worden, al zou dat dan de zwaarste offers aan tijd en geduld kosten. Maar het was onmogelijk om een Jood van zijn opvatting af te brengen. Ik was destijds nog zo kinderlijk, om hun de krankzinnigheid van hun leer te willen aantonen, praatte mij in de kleine kring de tong stuk en de keel hees en meende, dat het mij toch MOEST gelukken, hen te overtuigen van de verderfelijkheid van hun marxistische waanzin; maar dan bereikte ik pas goed het tegendeel.

Het scheen wel, alsof hun vastberadenheid slechts versterkt werd, naarmate zij beter inzagen, hoe verderfelijk de sociaal-democratische ideeën en de uitwerking daarvan moesten zijn. Hoe langer ik zo met hen twistte, des te beter leerde ik hun wijze van disputeren kennen. Eerst speculeren zij op de domheid van hun tegenstanders, om zich daarna, als er geen uitweg meer was, eenvoudig maar dom te houden. Baatte alles niet, dan begrepen zij iets niet goed of sprongen, vastgeraakt, over op een ander terrein, en kwamen nu aandragen met dingen, die vanzelf spraken; gaf men de juistheid hiervan echter toe, dan knoopten ze hieraan onmiddellijk geheel andere conclusies vast, en deden alsof die nu ook aanvaard waren; viel men ze dan weer aan, dan weken ze uit en wisten niets meer precies. Waar men zo'n apostel ook aangreep, het was kwalachtig slijm, wat men pakte; dat glipte tussen de vingers door, om zich het volgend ogenblik alweer aaneen te sluiten. Werd zo iemand echter werkelijk vernietigend verslagen, zodat hij, onder het kritisch oog van de omstanders, niet anders meer kon dan toestemmen, en meende men zodoende tenminste een stap vooruit gekomen te zijn, dan was de volgende dag de verbazing groot.

De Jood bleek zich nu van dat, wat er gebeurd was, niet het minste te herinneren, vertelde zijn oude onzin opnieuw, alsof er helemaal niets was voorgevallen en deed, wanneer men hem ter verantwoording riep, hevig verbaasd, kon zich in de verste verte niets meer herinneren, behalve de reeds de vorige dag bewezen juistheid van zijn eigen beweringen. Ik stond er dikwijls verstomd over. Men wist niet, waarover men zich meer moest verbazen: hun vaardigheid van tong of hun vaardigheid in liegen. Langzaamaan leerde ik hen te haten. Dit alles had nu de goede zijde, dat naarmate ik de eigenlijke dragers of tenminste de verbreiders van de Sociaal-democratie beter leerde kennen, de liefde voor mijn volk moest groeien. Wie kan, wanneer hij de duivelse handigheid van deze verleiders ziet, het rampzalige slachtoffer ook nog vervloeken? Hoeveel moeite kostte het immers mijzelf niet, om de gladde dialectiek van dit ras TOCH te verslaan. Maar hoe weinig baatte zo'n succes bij lieden, in wie hun mond ieder waarheid verdraaid en verwrongen wordt, die het zojuist gesproken woord verloochenen, om er zich de volgende minuut, wanneer dat in hun voordeel is, reeds weer op te beroepen. Nee, hoe beter ik de Jood leerde kennen, des te minder kon ik de arbeiders hun houding nog kwalijk nemen.

De Joodse dialectiek

Nu kwam ik tot de overtuiging dat niet de arbeider de grootste schuld droeg, maar dat die gezocht moest worden bij al diegenen, die het niet de moeite waard hadden geacht, om zich over hem te ontfermen, om ook de man uit het volk in strikte rechtvaardigheid datgene te geven, wat hem toekomt, en de verleiders en bedervers aan de kaak te stellen. Geprikkeld door de ervaringen van het dagelijks leven, begon ik nu de bronnen van de marxistische leer zelf na te gaan. De wijze waarop zij te werk gingen was mij tot in de finesses duidelijk geworden, het succes vertoonde zich dagelijks voor mijn opmerkzame blik, en met enige verbeelding kon ik mij ook de gevolgen wel voorstellen. De vraag was nu slechts, of de grondleggers van dit systeem het werkelijke eindresultaat van hun schepping voor ogen hadden gehad, of wel, dat ze zelf slachtoffers van hun dwaling waren geworden. Ik had het gevoel, dat de beide mogelijkheden openstonden. In het eerste geval was het de plicht van elk denkend mens, om in de gelederen van deze noodlottige beweging te dringen, om, indien het nog mogelijk was, zo het ergste te verhinderen; in het andere geval echter moesten de oorspronkelijke verwekkers van deze ziekte der volkeren ware duivels zijn geweest; want slechts in het brein van een monster - niet in dat van een mens - kon het plan rijpen voor een organisatie, waarvan het einddoel moest leiden tot een vernietiging van de menselijke cultuur en dat van de wereld een woestenij zou maken.

Bestudering van de grondslagen van het marxisme

In dit geval stond er maar 1 reddende weg meer open; die van de strijd, de strijd met alle wapenen, die menselijke geest, verstand en wil kunnen scheppen en hanteren, onverschillig, aan wie het noodlot dan de overwinning schenkt. Daarom begon ik nu, mij met de grondleggers van deze leer vertrouwd te maken, om zodoende de grondslagen van de beweging te bestuderen. Dat ik hier spoediger mijn doel bereikte, dan ik misschien zelf eerst durfde hopen, was uitsluitend te danken aan dat pas gerijpte inzicht in het Jodenvraagstuk, al was dit inzicht ook nog zo jong en nog weinig verdiept. Alleen dit inzicht stelde mij in staat, om de werkelijkheid met de snoevende theorieën van de stichters en apostelen van de sociaal-democratie te vergelijken, omdat het mij de taal van het Joodse volk had leren verstaan, van dat volk, dat spreekt om zijn gedachten te verbergen of om die, op zijn best, te versluieren, wat ook de reden is, dat men de werkelijke bedoelingen niet IN, maar TUSSEN de regels moet lezen.

In die tijd vond in mijn binnenste de grootste omwenteling plaats, die ik ooit beleefd had. Ik was van halfovertuigd wereldburger tot fanatiek antisemiet geworden. Nog eenmaal slechts - het was de laatste maal - kwamen angstige , benauwende gedachten bij mij op. Toen ik zo de invloed naging welke het Joodse volk gedurende vele eeuwen op de menselijke geschiedenis had gehad, kwam plotseling de bange vraag bij mij op, of niet misschien TOCH het ondoorgrondelijk noodlot, om redenen die ons armzalige mensen onbekend zijn, de eindoverwinning van dit kleine volk in zijn eeuwig onveranderlijk besluit had vastgesteld? Zou aan dit volk, dat uitsluitend voor het aardse leeft, deze aarde als beloning zijn toegekend? Hebben wij een objectief recht tot de strijd voor ons zelfbehoud, of is ook dit slechts een subjectieve overtuiging? Terwijl ik mij in de leer van het marxisme verdiepte en zo de invloeden, die van het Joodse volk waren uitgegaan, nuchter en zakelijk onderzocht, gaf het noodlot zelf mij antwoord.

Het Marxisme als cultuurverwoester

De Joodse leer van het marxisme wijst het aristocratische principe van de natuur af en zet op de plaats van het eeuwige voorrecht van de kracht en van de sterkste, de massa van het getal en haar dood gewicht. Zij ontkent hierdoor in de mens de waarde van de persoonlijkheid, bestrijdt de betekenis van het volk en ras, en onttrekt daarmee aan de mensheid de grondslag van haar bestaan en haar cultuur. Indien deze leer tot het grondprincipe van het heelal werd, dan zou dit het einde betekenen van iedere denkbare orde. En zoals in dit grootste ons bekende organisme een dergelijke wet onvermijdelijk tot de chaos zou leiden, zo zou zij op de aarde niets anders ten gevolge kunnen hebben dan de vernietiging van het leven op deze planeet.

Indien de Jood met zijn marxisme de overwinning behaalt op de volkeren van deze wereld, dan zal een krans, gevlochten uit de lijken van de gehele mensheid, zijn kroon zijn; dan zal deze aarde opnieuw, evenals voor millioenen jaren, van ieder menselijk leven ontdaan, zwijgend haar weg door het heelal gaan. Want de natuur, die eeuwig is, wreekt onverbiddelijk iedere inbreuk op haar geboden. Daarom is het mijn overtuiging, dat ik werk in de geest van de almachtige Schepper: Want door mij te verweren tegen de Jood, strijd ik voor het werk des Heren.

Derde Hoofdstuk / Algemene Politieke indrukken tijdens mijn verblijf te Wenen

Ik ben tot de overtuiging gekomen, dat een man zich in het algemeen, gevallen van bijzondere begaafdheid uitgezonderd, niet voor zijn dertigste levensjaar openlijk met de politiek moet bemoeien. Hij moet dat daarom niet doen, omdat het algemene platform, dat hem in staat stelt, de verschillende politieke problemen zelfstandig te overzien, en er een eigen definitieve mening over te vormen, pas omstreeks die tijd tot een evenwichtig geheel is uitgegroeid. Pas nadat hij zodoende een stevige basis voor zijn wereldbeschouwing heeft verkregen, en daardoor de zekerheid, dat zijn mening over de vraagstukken van de dag niet meer een wankele, maar besliste principiële zal zijn, pas dan moet of mag hij zich met de politieke leiding van het gemenebest ophouden, omdat hij immers dan pas tot innerlijke rijpheid is gekomen. Heeft hij dit geduld niet, dan loopt hij de kans, om op zekere dag de houding, die hij ten aanzien van essentiële vraagstukken had ingenomen, te moeten herzien, of om tegen beter weten in een mening te blijven verdedigen, welke zijn eigen verstand en zijn eigen overtuiging reeds lang hebben verworpen.

De politicus

Doet hij het eerste, dan is dat voor hem persoonlijk zeer pijnlijk, omdat hij nu - zelf immers bewust van de onstandvastigheid van zijn mening - niet meer met recht van zijn aanhangers mag verwachten, dat ze de juistheid van zijn zienswijze even onvoorwaardelijk als tevoren zullen aanvaarden; bij diegenen echter, die in hem geloofden, wekt zo'n ommezwaai van de leider radeloosheid en maakt dikwijls, dat ze zich min of meer beschaamd voelen tegenover hen, die zij steeds bestreden. In het tweede geval echter geschiedt iets, dat wij vooral tegenwoordig zo dikwijls zien: naarmate de leider niet meer aan zijn eigen woorden gelooft, wordt zijn verdediging leger, oppervlakkiger, en gemener in de keuze van zijn middelen. Terwijl hijzelf er niet meer aan denkt, om zijn politieke openbaringen in ernst te verdedigen (men sterft niet voor iets waaraan men zelf niet gelooft), worden de eisen, die hij aan zijn aanhangers stelt, steeds groter en onbeschaamder, tot hij tenslotte het laatste, wat hij nog van de leider in zich heeft, opoffert en 'politieker' wordt; dat wil zeggen een leider, wiens enig werkelijk geloof het ongeloof is, dat dan nog met brutale opdringerigheid en een dikwijls werkelijk schaamteloze handigheid in het liegen wordt opgesierd.

Wanner zo'n heerschap dan, zeer ten nadele van het fatsoenlijk deel van de mensheid, ook nog in een parlement komt, dan kan men reeds van tevoren weten, dat voor hem de eigenlijke kern van de politiek enkel nog bestaat in de heldhaftige strijd om het altijddurende bezit van deze baan, die immers voor hem zogoed als voor zijn gezin de grote fles melk is waaruit zij worden gevoed. Hoe meer nu zijn vrouw en kind aan deze fles melk gehecht zijn, des te taaier zal hij voor zijn zetel strijden. Ieder ander, die over politieke instincten beschikt, is alleen reeds daardoor zijn persoonlijke vijand, in iedere nieuwe beweging vermoedt hij instinctief het mogelijke begin van zijn einde, in iedere man, die groter is dan hij zelf, het gevaar, dat hem waarschijnlijk ook van deze zijde weer dreigt. Ik zal dit soort parlementswandluizen nog nader onder de loep nemen.

Ook de dertigjarige zal in de loop van zijn leven nog veel moeten leren, maar dat zal enkel een aanvulling en vervolmaking zijn van het kader, dat gevormd is door de wereldbeschouwing, die uit zijn principes voortkomt. Zijn leren zal meer een bijleren zijn, een aanvullend leren, niet meer een strijd om de fundamenten, waarop het gehele ideologische bouwwerk rust; en zijn aanhangers zullen niet het beklemmende gevoel behoeven te verwerken, dat hij hen tot dusver verkeerd had voorgelicht, integendeel: zij zien hoe de overtuiging van hun leider zich organisch ontwikkelt, en dat zal hen sterken in hun mening, omdat zijn groei immers de verdieping betekent van hun eigen leer. Dit is dan echter in hun ogen weer een bewijs voor de juistheid van de opvattingen, welke zij tot dusver beleden. Voor de leider, die heeft ingezien, dat zijn gehele ideeënwereld op onjuiste grondslagen berust, staat, indien hij een man van eer is, maar 1 weg open: hij moet tegenover zichzelf de begane fouten ten volle erkennen en moet daaruit iedere consequentie trekken.

Het allerminste, wat men van hem eisen kan, is, dat hij zich in het vervolg van iedere politieke actie in het openbaar moet onthouden. Want, nu hij eens gefaald heeft in een belangrijke principiële kwestie, is de mogelijkheid, dat dit een tweede keer gebeurt, niet uitgesloten. In geen geval echter heeft hij nog het recht, om verder een beroep te doen op het vertrouwen van zijn medeburgers, laat staan het te eisen. Dat tegenwoordig zovele leiders op deze wijze tonen, dat zij GEEN mannen van eer zijn, bewijst slechts de algemene minderwaardigheid van het gespuis, dat zicht tegenwoordig geroepen voelt, om aan politiek te "doen". Er is nauwelijks een waarlijk uitverkorene onder hen allen. Ik had mij er indertijd wel voor gewacht ergens in het openbaar op te treden, hoewel ik geloof, dat ik mij meer met politiek bemoeid had dan zovele anderen. Ik sprak alleen in zeer kleine kring over dat, wat mij innerlijk bewoog en aantrok. Dit spreken in kleien kring had een goede zijde: ik kreeg weliswaar minder sprekersroutine, maar leerde de mensen kennen in hun dikwijls zeer simplistische opvattingen en bezwaren tegen andere meningen. Daarbij oefende ik mijzelf, zonder tijd te verliezen voor mijn eigen verdere vorming, zonder door de onvermijdelijke fouten, die ieder maakt bij het leren, mijn eigen mogelijkheden te beperken. De gelegenheid daartoe was zeker nergens in Duitsland destijds zo gunstig als in Wenen.

Het politieke denken

Het algemene politieke denken in de oude Donaumonarchie was in de eerste plaats naar omvang groter en ruimer dan tezelfdertijd in het Duitse Rijk, afgezien van Hamburg, van de Noordzeekust en van bepaalde streken van Pruisen. Nu versta ik in dit verband onder "Oostenrijk" dat deel van het grote Habsburgse Rijk, dat ten gevolge van het feit, dat zich Duitsers hadden gevestigd, niet alleen in de geschiedenis staatsvormend was opgetreden, maar dat tevens binnen haar grenzen DAT deel van de bevolking huisvestte, hetwelk de geweldige kracht had bezeten die nodig was geweest om dit politieke gedrocht toch zo sterk met een levende cultuur te doordringen, dat het eeuwen en eeuwen kon blijven bestaan. Wanneer men de oude erflanden het hart van het rijk wil noemen, dat steeds weer vers bloed pompte in de slagaderen van het staatkundig en cultureel leven, dan moest men Wenen tegelijk de hersens en de wil noemen. Alleen reeds op grond van haar uiterlijk voorkomen moest men aan deze stad toegeven, dat zij de kracht bezat, om zo'n mengelmoes van volkeren te binden, om als koningin over allen te heersen en om zelfs door de pracht van haar eigen schoonheid de ernstige ouderdomsverschijnselen van het geheel te doen vergeten.

De laatste bloei van Wenen

Hoe krampachtig de stuiptrekkingen ook waren, warmee dit rijk regeerde op de voortdurende bloedige onderlinge twisten van zijn volkeren - het buitenland, en vooral Duitsland, zag niets anders dan het lachende gezicht van deze stad. De misleiding was des te groter, omdat Wenen juist nu een periode doormaakte, waarin het de laatste en schoonste bloei scheen te zullen beleven, die het ooit had gekend. Onder het bestuur van een waarlijk geniaal burgemeester ontwaakte deze eerbiedige residentie van de keizers van het oude rijk nog eenmaal tot een wonderbaarlijk jeugdig leven. De laatste grote Duitser, die het kolonistenvolk van de Oostmark uit de rijen voortbracht, werd officieel niet gerekend tot de z.g. "staatslieden", maar omdat deze man, Dr. Lueger, als burgemeester van de residentie en hoofdstad van het rijk, Wenen, de ene geweldige prestatie na de andere leverde, op alle gebieden van economie en cultuur waarover de gemeente te zeggen had, versterkte hij het hart van het gehele rijk, en werd langs deze omweg een groter staatsman dan als de z.g. "diplomaten" van die dagen tezamen.

Het feit, dat deze legkaart van volkeren, die men "Oostenrijk" noemde, niettemin te gronde ging, zegt niet het minste tegen de politieke bekwaamheid van de Duitsers in de oude Oostmark, maar was onvermijdelijk, omdat het nu eenmaal een absolute onmogelijkheid is, om met tien millioen mensen een staat van vijftig millioen zielen bijeen te houden, welke verschillende naties omvat, tenzij dan, dat hier zeer bijzondere omstandigheden gelden. De Duits-Oostenrijker dacht ruimer dan wie ook. Hij was altijd gewend geweest in een groot rijk te leven en had de daaraan verbonden verplichtingen nimmer uit het oog verloren. Hij was de enige in deze staat, die, over de grenzen van het kroonland heen, nog naar de rijksgrenzen keek; ja, toen het noodlot tenslotte dreigde, hem van het gemeenschappelijke vaderland te scheiden, trachtte hij nog steeds zijn al te zware taak te vervullen en datgene, wat de vaderen in eindeloze strijd eenmaal aan het Oosten hadden ontworsteld, voor het Duitse bloed te behouden.

Het Duitse bloed in Oostenrijk

Hierbij moet tevens nog bedacht worden, dat dit slechts met halve kracht gebeuren kon; want het hart en de herinnering van de besten bleven steeds het gemeenschappelijke moederland als het eigenlijke beschouwen, zodat er slechts een restant voor de geboortegrond overbleef. Reeds de algemene gezichtskring van de Duits-Oostenrijker was betrekkelijk ruim. Zijn economische betrekkingen omvatten dikwijls bijna het gehele veelvormige rijk. Bijna alle werkelijk grote ondernemingen bevonden zich in zijn handen, bijna alle leidende posities, of het nu op technisch gebied was, dan wel in het ambtenarencorps, werden door Duits-Oostenrijkers ingenomen. Hij leidde echter ook de buitenlandse handel, voorzover niet het Jodendom op dit eigenste gebied de hand gelegd had. In politiek opzicht was hij de enige, die de staat nog bijeen hield, Zijn diensttijd in het leger bracht hem reeds ver buiten de nauwe grenzen van zijn geboorteland. De Duits-Oostenrijkse rekruut werd misschien wel bij een Duits regiment ingelijfd, maar dat regiment zelf kon even goed garnizoen houden in Herzegowina als in Wenen of in Galicië.

Het officierscorps was nog altijd Duits, de hogere ambtenaren waren overwegend Duits. Duits waren tenslotte ook de kunsten en wetenschappen. Afgezien dan van het prulwerk, waartoe zich de "modernste" kunst ontwikkelde, wat echter een prestatie was, die ieder negervolk ongetwijfeld in gelijke mate had kunnen leveren, was de Duitser de enige, die waarlijk zin voor kunst bezat en verbreidde. Op het gebied van de bouwkunde, de muziek, de beeldhouwkunst en de schilderkunst was Wenen de bron, die in onuitputtelijke rijkdom het gehele rijk voorzag, zonder zelf ooit merkbaar uitgeput te raken. Afgezien van het geringe aantal Hongaren, dat hierbij een rol speelde, was ook de buitenlandse politiek in handen van het Duitse element. Niettemin was iedere poging, om dit rijk in stand te houden, tevergeefs, aangezien daartoe de meest essentiële voorwaarde ontbrak. Voor de Oostenrijkse volkerenstaat bestond er slechts 1 mogelijkheid, om de centrifugale krachten bij de verschillende naties te overwinnen. De staat MOEST door een sterk centraal gezag geregeerd worden, maar dan ook dienovereenkomstig inwendig worden gereorganiseerd, of hij was volkomen ondenkbaar.

Soms, in heldere ogenblikken, zagen ook de "allerhoogste" instanties deze noodzaak wel eens in, doch men vergat maar al te spoedig, of legde het voornemen al te gemakkelijk weer terzijde, omdat men het "zo moeilijk uitvoerbaar" achtte. Iedere poging, om het rijk tot een federalistische vorm te herleiden, moest noodgedwongen mislukken, omdat het meest noodzakelijke ontbrak, een sterk staatsvormende kiemcel, die tevens in een absoluut overheersende machtspositie stond. Daarbij kwam nog, dat de binnenlandse toestanden van de Oostenrijkse staat zo volkomen anders waren dan die in het Duitse rijk, dat Bismarck had gebouwd. In Duitsland hoefde men slechts politieke tradities te overwinnen, omdat de gemeenschappelijke culturele basis steeds aanwezig was. Het belangrijkste deel was echter, dat het Rijk, afgezien van enkele, uiterst minieme gemeenschappen, slechts mensen van EEN volk bevatte.

In Oostenrijk waren de toestanden juist omgekeerd. Hier was van een herinnering aan eigen grootheid bij de verschillende landen, uitgezonderd bij Hongarije, OF in 't geheel geen sprake, OF deze was in de loop van de jaren teniet gegaan, of althans vervaagd of onduidelijk geworden. In plaats daarvan ontwikkelden zich nu, in het tijdperk van het nationaliteiten principe, in verschillende gebieden de volkse krachten, waarvan invloed steeds moeilijker te breken viel, omdat er overal langs de grenzen van de monarchie staten ontstonden, bewoond door volken, welke van hetzelfde ras waren als de verschillende minderheden in Oostenrijk, of minstens rasverwant, en welke uit dien hoofde dus veel sterkere aantrekkingskracht uitoefenden dan waartoe de Duits-Oostenrijkers bij machte waren. Zelfs Wenen kon op den duur deze strijd niet langer volhouden.

Middelpuntvliedende krachten van de volkeren van Oostenrijk

En toen Boedapest nu tot grote stad was uitgegroeid, had de hoofdstad voor het eerst een mededingster gekregen, die er niet meer in de eerste plaats op uit was om het gehele rijk bijeen te houden, maar die integendeel enkel nog maar de versterking van 1 van de delen nastreefde. Na korte tijd reeds zou Praag dit voorbeeld volgen, daarna Lemberg, Laibach, enz. Toen deze provinciesteden tot de nationale hoofdsteden van de verschillende gebieden waren geworden, werden zij gelijktijdig tot centra van eigen nationale culturen, die in steeds sterkere mate naar zelfstandigheid streefden. Maar daardoor kregen de volkspolitieke instincten pas hun geestelijke grondslag en verdieping. Zodoende MOEST eens het tijdstip aanbreken, waarop deze middelpuntvliedende krachten van de verschillende volken sterker zouden worden dan de bindende kracht van de gemeenschappelijke belangen, en dan was het met Oostenrijk gedaan. Deze ontwikkeling was sinds de dood van Josef II in haat loop zeer duidelijk te volgen.

Haar snelheid was afhankelijk van een reeks factoren, die voor een deel binnen de staat zelf lagen, voor een ander deel echter het gevolg waren van de positie, welke het rijk in Europa innam. Wilde men de strijd voor het behoud van deze staat in alle ernst opnemen en doorzetten, dan kon alleen een even consequente als standvastige centralisering redding brengen. Dan moesten echter in de eerste plaats door de vaststelling van een eenheidstaal voor de gehele staat de nadruk worden gelegd op de zuiver formele saamhorigheid; dan diende men aan het gouvernement echter het technische hulpmiddel te verschaffen, dat nu eenmaal eerste vereiste is voor de schepping en instandhouding van een eenheidsstaat. Zo kan men ook alleen langs deze weg op den duur door middel van school en onderwijs een patriottische en staatse vaderlandsliefde aankweken. Dit was niet in tien of twintig jaar te bereiken, maar hier moest men in eeuwen denken, zoals in 't algemeen bij alle kolonisatievraagstukken de volharding van heel veel groter betekenis is dan de energie van het ogenblik. Dat dan ook het gouvernement en de politieke leiding in ijzeren hand moeten liggen, spreekt vanzelf.

Het was nu voor mij buitengewoon leerrijk, om vast te stellen, waarom dit niet geschiedde, of beter, waarom men dit niet heeft gedaan. Want hij, die schuldig was aan dit verzuim, was ook alleen en uitsluitend schuldig aan de ineenstorting van het rijk. Het Oude Oostenrijk was meer dan enige andere staat afhankelijk van de bekwaamheid van zijn leiding. Hier ontbrak immers het fundament, dat een volksstaat steeds bezit, die uit de nationale grondslag altijd nog een kracht tot behoud kan putten, hoezeer de leiding ook tekort mag schieten. Een volksstaat kan, tengevolge van de natuurlijke traagheid van zijn inwoners en de daarmee gepaard gaande weerstandskracht, dikwijls verbazend lange perioden van zeer slecht bestuur verdragen, zonder daaraan innerlijk te gronde te gaan. Het schijnt dan dikwijls, alsof er in zo'n lichaam geen leven meer was, alsof het dood was en afgestorven, maar plotseling heft de doodgewaande zich weer op en geeft aan de overige mensheid verbazingwekkende blijken van een onverwoestbare levenskracht.

Geheel anders is het bij een rijk, dat verschillende ongelijke volken omsluit en dus niet door gemeenschap van het bloed gebonden is, maar veeleer door 1 sterke vuist bijeengehouden wordt. Een zwak punt in de leiding van zo'n mengsel van volkeren zal niet, zoals bij een organische staat, tot een soort winterslaap voeren, maar zal onverbiddelijk al de individuele instincten wakker roepen, die steeds in het bloed sluimeren, maar die in tijden waarin een sterke wil ze in toom houdt, zich niet kunnen ontwikkelen. Slechts door eeuwenlange gemeenschappelijke opvoeding, door gemeenschappelijke tradities, gemeenschappelijke belangen enz. kan dit gevaar worden verminderd. Daarom zullen zulke kunstmatige staten des te meer afhangen van de begaafdheid van de leiding naarmate ze jonger zijn, en zelfs, wanneer ze door buitengewoon krachtige figuren en grote geesten zijn gebouwd, toch dikwijls reeds na de dood van de alleenstaande grote stichter weer uiteenvallen.

Maar ook na eeuwen kan dit gevaar niet als overwonnen worden beschouwd, het sluimert slechts, om dikwijls heel plotseling te ontwaken, zodra de zwakte van de gemeenschappelijke leiding, de kracht van de opvoeding en de hoogheid van de oude tradities niet meer voldoende zijn, om de gloed van de eigen levenswil van de verschillende stammen te overwinnen. De schuld van het Huis Habsburg, een misschien tragische schuld, is, dat het deze dingen niet heeft begrepen. Een enkeling onder de vele Habsburgers had nog het voorrecht, de toekomst van zijn land te mogen aanschouwen; het noodlot hield een fakkel boven zijn hoofd en deed hem zien; maar daarna doofde ze voor altijd. Joseph II, Duits Rooms Keizer, zag met ontzettende angst hoe zijn Huis, naar de uiterste grens van het rijk gedrongen, eenmaal in de maalstroom van een chaos van volkeren zou verdwijnen, tenzij te elfder ure het verzuim van de vaderen werd goedgemaakt. Met bovenmenselijke kracht zette deze "mensenvriend", zoals hij genoemd werd, zich schrap tegen de zorgeloosheid van zijn voorvaderen, en trachtte in een tiental jaren in te halen, wat in eeuwen verzuimd was. Waren hem maar 40 jaar gegund geweest voor zijn werk, en hadden nog twee generaties op dezelfde wijze het begonnen werk voortgezet, dan zou het wonder waarschijnlijk gelukt zijn. Toen echter, na een regering van nauwelijks 10 jaar, opgeteerd naar lichaam en geest, stierf, zonk met hem ook zijn werk in het graf, om, niet meer opgewekt, voor eeuwig te ontslapen in de grafkelder van de Kapucijnen.

Zijn opvolgers misten zowel de geest als de wil, om een dergelijke taak te vervullen. Toen nu de eerste revolutionaire bliksemstralen een nieuwe tijd voor Europa aankondigden, toen begon ook Oostenrijk langzamerhand vlam te vatten. Maar toen de brand eindelijk uitbrak, toen werd de gloed minder aangewakkerd door sociale, maatschappelijke of algemeen politieke oorzaken, dan vooral door drijfkrachten van volkse oorsprong.

De revolutie van het jaar 1848 kan overal uit de klassenstrijd zijn voortgekomen, maar in Oostenrijk was zij reeds het begin van een nieuwe rassenstrijd. Toen de Duitser zich destijds in dienst stelde van de revolutionaire beweging - hetzij omdat hij de diepere oorzaken niet zag, die er aan ten grondslag lagen, hetzij omdat hij ze was vergeten - bezegelde hij daarmee zijn eigen lot. Hij hielp mee, de geest van de Westelijke democratie op te wekken, die hem na korte tijd de grondslagen van zijn eigen bestaan ontnam. Met de vorming van een parlementair vertegenwoordigend lichaam, zonder de voorafgaande bepaling en vastlegging van een gemeenschappelijke staatstaal, was het eerste begin van het einde der hegemonie van de Duitsers in de monarchie gekomen. Van dit ogenblik af was daarmee ook de staat zelf verloren. Alles, wat nu nog volgde, was slechts de historisch onvermijdelijke vernietiging van een rijk. Het was even ontzettend als leerrijk, om deze ontbinding op de voet te volgen. In duizenden en nog eens duizenden vormen werd dit vonnis van de geschiedenis aan ieder onderdeeltje van deze staat voltrokken. Dat een groot deel van de mensen blindelings aan de degeneratieverschijnselen voorbijging, bewijst slechts, dat de goden Oostenrijk werkelijk wilden verderven. Ik wil hier niet in details treden, daar dit niet de taak is van dit boek. Ik wil alleen die dingen aan een nader onderzoek onderwerpen, welke door de eeuwen heen het verval van volken en staten hebben veroorzaakt, en dus ook voor onze tijd van belang zijn; ook, omdat zij tenslotte meehielpen de grondslagen van mijn politieke denkwijze vast te leggen

De ontbinding van Oostenrijk - Hongarije

Het parlement, of de Rijksraad, zoals dat in Oostenrijk heette, dus het instituut, waarvan de meeste kracht had behoren uit te gaan, demonstreerde in werkelijkheid duidelijker dan iets anders de verwording van de Oostenrijkse monarchie, ZO duidelijk zelfs, dat het ook de kleine bourgeoisie opviel, die overigens toch niet bekend staat om zijn scherpe blik. Dit lichaam was kennelijk gevormd naar Engels model, omdat Engeland immers het klassieke land van de "democratie" was. Men had deze gehele verrukkelijke instelling daar opgeraapt, en praktisch onveranderd overgebracht naar Wenen. In het Lager- en Hogerhuis herleefde het Engelse twee kamersysteem. Maar de "Huizen" zelf waren iets anders. Toen Barry eens zijn parlementsgebouw uit de wateren van de Theems liet opstijgen, greep hij terug in de geschiedenis van het Britse Wereldrijk en haalde daaruit de stof, waarmee hij de 1200 nissen, consoles en zuilen van zijn prachtig gebouw versierde. Zo maakten beeldhouwers en schilders van dit gebouw, waar de Lords en het volk beiden vergaderden, een tempel voor de roem van de natie.

Hier kwam de eerste moeilijkheid voor Wenen. Want toen de Deen Hansen de laatste gevel van het marmeren huis van de volksvertegenwoordiging had opgetrokken, toen was hij wel gedwongen, om de ontwerpen voor zijn versieringen ook in de oudheid te zoeken. Romeinse en Griekse staatslieden en filosofen versierden nu dit theater van de "Westerse democratie" en in symbolische ironie trekken de vierspannen boven beide huizen naar de vier hemelstreken uiteen, en drukken zo op de meest welsprekende manier uit, hoe ideaal de verschillende krachten in deze staat samenwerkten.

Het parlementarisme

De "nationaliteiten" hadden het als een belediging en een provocatie beschouwd en waren er daarom tegen opgekomen, dat de geschiedenis van Oostenrijk hier zou worden verheerlijkt, zoals men immers in het Duitse rijk zelf ook eerst in de dreun van de veldslagen van de wereldoorlog de moed vond, om op het Rijksdaggebouw van Wallot de inscriptie "dem deutschen Volke", aan te brengen. Toen ik voor de eerste maal het prachtgebouw aan de Franzensring betrad - ik was toen nog geen twintig jaar oud - om als toeschouwer en toehoorder een zitting van het Huis van afgevaardigden bij te wonen, kwamen er tegenstrijdige gevoelens in mij op. Ik had reeds van het begin af het parlement gehaat, echter geenszins de instelling op zichzelf. Integendeel, omdat ik de vrijheid liefhad, kon ik mij een andere mogelijkheid van regeren helemaal niet indenken, want alleen al de gedachte aan de een of andere vorm van dictatuur zou ik in verband met mijn standpunt tegenover het huis Habsburg, voor een misdaad tegen de vrijheid en tegen het gezond verstand hebben gehouden.

Iets, wat in grote mate tot een dergelijke opvatting had bijgedragen, was wel het feit, dat mij als jonge man door de vele kranten die ik had gelezen, zonder dat ik het zelf vermoedde, een zekere bewondering voor het Engelse Parlement was bijgebracht, die ik niet zo gemakkelijk weer kwijt wist te raken. De waardige wijze, waarop ook vooral het Engelse Lagerhuis zich van zijn plichten kweet (zoals onze pers zo mooi wist te schilderen), maakte diepe indruk op mij. Was er eigenlijk wel een verhevener wijze mogelijk, waarop een volk zichzelf kan regeren? Maar juist daarom was ik een vijand van het Oostenrijkse parlement. Ik vond, dat zijn gehele wijze van optreden het grote voorbeeld onwaardig was. Nu kwam daar echter nog het volgende bij. Het lot van het Duitse element in de Oostenrijkse staat was afhankelijk van zijn positie in de rijksraad. Tot aan de invoering van het algemeen en geheim kiesrecht was er nog een, zij het ook zeer geringe Duitse meerderheid in het parlement geweest. Deze toestand was trouwens eigenlijk al onhoudbaar, omdat bij vraagstukken van nationale aard op de sociaal-democratie maar weinig staat was te maken.

Deze partij wilde immers vooral haar aanhangers onder de vreemde volkeren niet afstoten en handelde daarom, wanneer het om levensbelangen van het Duitse volk ging, altijd anti-nationaal. De sociaal-democratie kon reeds destijds niet als een Duitse partij worden beschouwd. Met de invoering van het algemeen kiesrecht hield echter het Duitse overwicht ook zuiver numeriek op. Nu stond aan het streven om dit land zijn Duitse karakter geheel te ontnemen, geen hindernis meer in de weg. De drang naar nationaal zelfbehoud maakte, dat ik om die reden reeds destijds weinig op had met een volksvertegenwoordiging, waarin het Duitse element nooit werkelijk vertegenwoordigt, maar altijd verraden werd. Maar dit waren gebreken, die, evenals vele andere, niet de schuld waren van de instelling zelf, maar van de Oostenrijkse staat. Ik meende vroeger nog, dat, indien men de Duitse meerderheid herstelde, er geen aanleiding meer was, om principieel tegen vertegenwoordigende lichamen gekant te zijn, omdat de oude staat immers toch op zijn laatste benen liep. Die overtuiging was ik toegedaan, toen ik voor de eerste maal deze even geheiligde als veelomstreden zalen betrad. Voor mij lag die heiligheid echter alleen in de verheven schoonheid van het prachtige gebouw. Een Helleens wonderwerk op Duitse grond.

Hoe spoedig echter had mijn bewondering plaats gemaakt voor diepe verontwaardiging over het jammerlijk schouwspel, dat zich nu voor mijn ogen afspeelde. Er waren enige honderden van deze volksvertegenwoordigers bijeen, die juist hun houding moesten bepalen ten opzichte van een belangrijke economische kwestie. Deze eerste dag was reeds voldoende om mij wekenlang stof tot nadenken te geven. Het geestelijk peil van het gesprokene was werkelijk tamelijk beschamend, voor zover men het dan nog kon verstaan; want sommige van de heren drukten zich niet in het Duits uit, maar in hun Slavische moedertalen, of beter dialecten. Wat ik tot dusver alleen nog maar uit couranten wist, kon ik nu met eigen oren horen. Een gesticulerende, wild bewogen massa, die in alle toonaarden door elkaar schreeuwde en gepresideerd werd door een goedaardige, oude oom, die in het zweet zijns aanschijns moeite deed, om de waardigheid van de vergadering weer uit de doden te wekken.. Nu eens luidde hij, met veel misbaar, een bel, dan weer sprak hij de heren kalmerend of vaderlijk vermanend toe, maar het baatte weinig. Ik moest er om lachen.

Enige weken later woonde ik opnieuw een zitting bij. Het beeld was een volkomen ander. De zaal geheel en al leeg. Men sliep daar beneden. Enige afgevaardigden zaten op hun plaatsen elkaar aan te geeuwen, EEN "hield een redevoering". Een vice-voorzitter van de Kamer was aanwezig en keek, zichtbaar verveeld, de zaal in. De eerste bezwaren kwamen bij mij op. Nu ging ik, als mijn tijd het maar enigszins toeliet, er telkens weer heen, aanschouwde stil en aandachtig het beeld, dat zich in mij die dag bood, hoorde de redevoeringen aan, voor zover ze te verstaan waren, bestudeerde de meer of mindere intelligente gezichten van deze uitverkorenen van de natie van deze miserabele staat - en begon er langzamerhand het mijn van te denken. Een jaar lang sloeg ik dit alles zo kalmweg gade, en dit was voldoende, om mijn vroegere mening over het karakter van deze instelling in het tegendeel te doen verkeren, of beter, om mij die geheel te ontnemen. Want eigenlijk had ik geen mening meer over de misvormde gedaante, die deze gedachte in Oostenrijk aangenomen had; nee, nu kon ik het parlement als zodanig niet meer erkennen.

Tot dusver had ik gemeend, dat het ongeluk van het Oostenrijkse parlement lag in het ontbreken van een Duitse meerderheid; nu echter zag ik dat de gehele aard en het wezen van deze inrichting het maakte tot wat het was. En nu kwam er een gehele reeks vragen bij mij op. Ik begon mij vertrouwd te maken met het democratische principe, dat de meerderheid beslist; wat immers de grondslag van deze gehele inrichting is, maar schonk ook niet minder aandacht aan de geestelijke en morele waarde van de heren, die als uitverkorenen van de naties hier waren, om de stem van de meerderheid te laten horen. Zo leerde ik gelijkertijd de instelling en haar dragers kennen. In de loop van enige jaren leerde ik dat symbool van het hoogste waardigheid in onze tijd, het parlementslid, door en door te kennen en begrijpen. Het beeld, dat ik mij al dadelijk van hem vormde, was zodanig, dat ik er later nooit enige werkelijke verandering in heb behoeven aan te brengen.

Ook ditmaal had het aanschouwelijk onderwijs van de praktijk voorkomen, dat ik vastliep in een theorie, die weliswaar velen op het eerste gezicht verleidelijk schijnt, maar die in werkelijkheid tot de degeneratieverschijnselen van de mensheid behoort. De huidige Westerse democratie is de voorloopster van het marxisme, dat zonder haar eenvoudig niet denkbaar zou zijn. Zij levert de voedingsbodem, waarop zich deze wereldpest dan later kan uitbreiden. De uiterlijke vorm die ze aannam, werd tot een "miskraam van vuil en vuur", waarvan helaas op 't ogenblik het vuur nog uitgebrand schijnt. Ik moet het noodlot meer dan dankbaar zijn, dat het mij ook deze vraag nog in Wenen voorlegde, want ik vrees, dat ik mij in Duitsland het antwoord destijds te gemakkelijk zou hebben gemaakt. Indien ik de belachelijkheid van deze inrichting, parlement genaamd, het eerst in Berlijn had ervaren, dan zou ik misschien in het tegendeel vervallen zijn en mij, schijnbaar met reden, bij hen hebben aangesloten die meenden dat het heil van volk en rijk enkel te dienen was door de positie van de keizer in de staat te versterken, en die daardoor vreemd en blind tegelijk stonden tegenover de tijd en de mensen.

In Oostenrijk was dit onmogelijk. Hier kon men niet zo gemakkelijk van de enen fout in de andere vervallen. Het parlement mocht dan niet deugen, maar de Habsburgers deugden nog veel minder - in geen geval MEER. Met de verwerping van het "parlementarisme" alleen was het hier nog niet afgelopen; want dan bleef altijd nog de vraag: wat dan WEL? De verwerping en opheffing van de Rijksraad zou immers al enige regeringsinstantie het huis Habsburg hebben overgelaten, iets wat vooral voor mij een ondraaglijke gedachte was. De moeilijkheid van dit bijzondere geval bracht mij ertoe, dit probleem zelf grondiger te bestuderen dan ik anders op zo jeugdige leeftijd wel zou hebben gedaan. Wat mij het allereerst en allermeest te denken gaf, was de overweging, dat er kennelijk niemand verantwoordelijk was. Het parlement neemt het een of ander besluit, en hoe funest de gevolgen daarvan ook mogen zijn, er is toch niemand, die daarvoor enige verantwoordelijkheid draagt en niemand behoeft daarover ooit rekenschap af te leggen.

Of wil men bijgeval beweren, dat een regering, die aftreedt wanneer haar politiek tot een weergaloos echec heeft geleid, daarmee de verantwoording voor haar daden op zich neemt? Of wanneer de coalitie veranderd of zelfs het parlement ontbonden wordt? Is het eigenlijk wel mogelijk, dat een veranderlijke meerderheid van mensen ooit verantwoordelijk gesteld wordt? Is niet iedere gedachte aan verantwoordelijkheid juist aan een persoon gebonden?

Kan men echter praktisch de persoon van het hoofd van de regering aansprakelijk stellen voor handelingen, welke hun ontstaan en hun uitvoering uitsluitend te danken hebben aan de wil en de neigingen van een veelvoud van mensen? Of is het soms niet ZO gesteld, dat de staatsman, die de leiding heeft, niet zozeer zijn taak moet zien in het voortbrengen van vruchtbare ideeën en plannen, maar vooral in het aanleren van de kunst, hoe hij het geniale van zijn plannen het best kan laten doordringen tot een kudde leeghoofden, waardoor hij dan hun goedgunstige toestemming kan afsmeken? Is dit soms het kenteken van een staatsman, dat hij de kunst van de overreding in even hoge mate bezit als de staatsmanswijsheid, waardoor hij grote richtlijnen kan ontwerpen en belangrijke besluiten kan nemen? Is de bekwaamheid van een leider soms daardoor bewezen, dat hij er niet in slaagt, voor een bepaalde idee de meerderheid te winnen van een menigte, die door allerlei meer of minder nobele toevalligheden bijeengeraapt is? Heeft deze menigte eigenlijk ooit wel een idee begrepen voordat het succes daarvan haar grootheid verkondigde? Is niet elke geniale daad op deze wereld het zichtbare protest van het genie tegen de traagheid van de massa? Wat moet echter een staatsman doen, die er niet in slaagt, om likkend en vleiend de goedkeuring van deze menigte te verkrijgen? Moet hij ze kopen? Of moet hij, gezien de domheid van zijn medeburgers, dan maar aftreden en er in berusten, dat de maatregelen, welke naar zijn vaste overtuiging levensnoodzakelijk zijn voor de natie, onuitgevoerd blijven? Of moet hij toch maar aanblijven?

De vernietiging van het leidersbeginsel

Moet in een werkelijk man van karakter in zo'n geval niet een onoplosbaar conflict opkomen tussen inzicht enerzijds, en fatsoen, of beter eerlijkheid, anderzijds? Waar ligt hier de grens, die de plicht tegenover het algemeen welzijn scheidt van de verplichting tegenover de eigen eer? Moet een ware leider niet beslist weigeren, om op die wijze te worden gedegradeerd tot politiek beursjobber? En moet niet omgekeerd iedere zwendelaar zich nu geroepen voelen, aan politiek te "doen", omdat de werkelijke verantwoordelijkheid immers nooit op zijn schouders alleen ligt, maar altijd op die van de een of andere ongrijpbare menigte? Moet ons parlementair meerderheidsgevoel niet noodzakelijkerwijze leiden tot afbraak van het leidersbeginsel in ieder opzicht? Of gelooft men soms werkelijk, dat het de hersenen van meerderheden zijn geweest, en niet die van de enkelingen, die deze wereld hebben vooruitgeholpen? Of meent men misschien, dat men in de toekomst dit beginsel, dat de eerste voorwaarde is voor iedere menselijke cultuur, kan ontberen? Schijnt zij, integendeel, niet noodzakelijker te zijn dan ooit?

Doordat het parlementaire meerderheidsprincipe de autoriteit van de persoon verwerpt en vervangt door het toevallige aantal individuen, waaruit de toevallige menigte bestaat, zondigt het tegen het aristocratische grondbeginsel van de natuur, wat nu echter helemaal niet wil zeggen, dat de opvatting welke de natuur heeft van aristocratie, in onze hedendaagse decadente upper-ten belichaamd zou zijn. Welke verwoestingen dit uitvloeisel van de moderne democratische parlementheerschappij aanricht, zal de lezer van Joodse dagbladen zich ongetwijfeld moeilijk kunne voorstellen, voor zover hij niet geleerd heeft, om zelfstandig en kritisch te denken. Dit principe in de eerste plaats is de oorzaak, dat het gehele politieke leven van onze dagen op zo onwaarschijnlijke wijze overstroomd is met de minderwaardigste sujetten. Want evenzeer als de ware leider zich verre zal houden van een politieke werkzaamheid, die voor het grootste gedeelte bestaat uit sjacheren en marchanderen om de gunst van de meerderheid en allerminst de gelegenheid biedt tot werkelijk vruchtbare arbeid en prestatie, evenzeer zal dit juist de lager staanden aantrekken, omdat dit geheel in zijn lijn ligt. En hoe armzaliger zo'n grutter vandaag de dag aan geest en talenten is, en hoe beter hij zich van zijn eigen nietigheid bewust is, des te luider zal zijn loflied klinken op een systeem, dat van hem in het geheel geen bijzondere kracht of begaafdheid vraagt, maar alk tevreden is, wanneer hij maar de leegheid van een dorpsschout bezit en dat zelfs een "wijsheid" van dergelijk soort liever ziet dan die van een Pericles.

Daarbij hoeft zo'n bloed zich nimmer zorgen te maken voor de eventuele verantwoordelijkheid, die hij voor zijn daden zou moeten dragen. Hij is voor deze zorgen volkomen gevrijwaard, alleen al, omdat hij heel goed weet dat zijn toekomst, hoe de resultaten van zijn gepruts als "staatsman" ook mogen zijn, toch reeds volkomen vastligt; hij zal mettertijd zijn plaats moeten ruimen voor een andere figuur van hetzelfde formaat. Want het is typerend voor zo'n verval, dat het aantal van de grote staatslieden toeneemt, naarmate de maatstaf, die men de enkeling aanlegt, krimpt. Dit aantal zal echter, naarmate de staatsman afhankelijker wordt van parlementaire meerderheden, steeds kleiner moeten worden, aangezien enerzijds de grote mannen zullen weigeren om de loopjongens van domme nietskunners en kletsers te zijn, terwijl anderzijds de vertegenwoordigers van de meerderheid, dat is dus de domheid, niets intensiever haten dan een werkelijk groot man. Het is altijd een troostrijk gevoel voor zo'n vergadering van "Kamper raadsleden" om te weten, dat de wijsheid van de voorzitter op hetzelfde peil staat als die van alle aanwezigen; zo heeft immers ieder het genoegen, van tijd tot tijd ook eens zijn "esprit" te kunnen laten blinken - maar bovenal, omdat Piet toch zeker ook best de baas kan zijn, wanneer Jan het kan!

Deze democratische uitvinding ligt echter nog op de meest roerende wijze in de lijn van een eigenschap, die de laatste tijd tot een ware nationale schande is uitgegroeid, nl. de lafhartigheid van een groot deel van onze zogenaamde leiders. Hoe comfortabel is het niet, om zich bij iedere beslissing van enige werkelijke betekenis opnieuw te kunnen verbergen achter de jaspanden van een z.g. meerderheid. Men lette nu eens goed op met hoeveel zorg zo'n politieke struikrover bij alles wat hij doet de toestemming van de meerderheid afbedelt, om zich zodoende te voorzien van de nodige medeplichtigen, waardoor hij te alle tijde de verantwoordelijkheid van zich kan afwentelen. Dit is echter juist een van de belangrijkste redenen, waarom een dergelijke politieke werkzaamheid iedere man, die in zijn hart fatsoenlijk is, tegen de borst stuit en zijn haat opwekt, terwijl het alle beroerde karakters - en wie niet voor zijn daden durft te staan, maar zich achter anderen tracht te dekken is een laffe ploert - aantrekt.

Werkelijke persoonlijkheden uitgeschakeld

Zodra echter de leiders van een natie uit zulke treurige kerels zijn gerekruteerd, zal zich zulks reeds na korte tijd bitter wreken. Dan zal geen van allen meer de moed hebben om vastberaden op te treden, dan zal men iedere ontering, hoe smadelijk ook, liever aanvaarden, dan zich tot een besluit te vermannen; er is immers niemand meer aanwezig, die vrijwillig bereid is zichzelf in te zetten voor de doorvoering van een onwrikbaar besluit. Want 1 ding moet en mag men nooit vergeten: de meerderheid kan ook hier nimmer de man vervangen. Zij is niet alleen altijd de vertegenwoordigster van de domheid, maar ook van de lafheid. En zo min als honderd leeghoofden samen evenveel waard als 1 wijze, evenmin komt er uit honderd lafaards een heldhaftig besluit. Hoe geringer echter de verantwoordelijkheid van de leiders is, des te meer zal het aantal van diegenen zijn, zelfs onder de allerminderwaardigsten, die zich geroepen voelen om eveneens hun onsterfelijke kracht ter beschikking van de natie te stellen.

Ja, zij zullen het ogenblik eenvoudig niet meer kunnen afwachten, dat het HUN tijd is, om eindelijk ook eens aan de beurt te komen; zij staan in een lange rij en tellen spijtig het aantal wachtenden, dat nog voor hen staat en rekenen bijna het uur uit, dat ZIJ naar menselijke berekening aan de beurt zullen zijn. Daarom verlangen zij naar iedere wisseling in het door hen begeerde ambt en zijn dankbaar voor ieder schandaal, dat de rij VOOR hen dunt. Wil echter soms iemand de eenmaal bezette plaats niet weer afstaan, dan gevoelen zij dit bijna als het verbreken van gemeenschappelijke solidariteit. Dan worden zij kwaad en rusten niet, VOOR de onbeschaamde ten val is gebracht en zijn warme plaats weer ter beschikkingstaat van het algemeen.

De "boosdoener" zal daardoor niet zo spoedig weer op deze plaats terugkeren. Want zodra 1 van deze knechtzielen gedwongen is, zijn post te verlaten, zal hij trachten, zich dadelijk weer in de lange rij van de wachtenden te schuiven, voorzover het losbarstend geschreeuw en gescheld van de anderen hem daarvan tenminste niet weerhoudt. Het gevolg van dat alles is, dat in zo'n staat de belangrijkste plaatsen en ambten telken door anderen worden bekleed, welke anderen elkaar in een benauwend tempo opvolgen, een resultaat, dat altijd ongunstig, dikwijls echter bijna catastrofaal werkt. Want nu zal immers niet slechts de domkop en onbekwame dit lot ondergaan; maar, belangrijker: ook de werkelijke leider, indien het noodlot het nog ooit klaar speelt, zo iemand op deze plaats te brengen. Zodra men dit echter bemerkt heeft, zal men dadelijk een eensgezind afweerfront vormen, voorla wanneer zulk een groot man NIET uit hun rijen is voortgekomen, en zich tot verstout, dit verheven gezelschap binnen te dringen. Men duldt principieel geen lieden, die niet in het eigen kringetje thuis horen, en haat met een gemeenschappelijke haat iedere man van betekenis, die onder de nullen misschien een "1" zou kunnen worden.

En hier is het instinct des te fijngevoeliger, hoezeer het ook in ieder ander opzicht moge falen. Het gevolg hiervan moet dus wel zijn, dat de geestelijke armoede onder de eersten in de staat steeds nijpender wordt. Wat er tenslotte in zo'n geval van de natie en de staat terecht komt, kan iedereen, die niet zelf tot dit soort "leiders" behoort, wel begrijpen. Het oude Oostenrijk bezat de parlementaire regering reeds "in rein-cultuur". Wel werden telkens de ministerpresidenten door de koning-keizer benoemd, maar deze benoeming was niets anders dan de voltrekking van de wil van het parlement. Het sjacheren en handelen om de verschillende ministerszetels was reeds Westerse democratie van het zuiverste water. De resultaten waren volkomen in overeenstemming met de principes, waarvan men was uitgegaan. In dezelfde mate echter schrompelde de grootte van de telkens optredende "staatslieden" ineen, tot eindelijk enkel nog dat type van kleine parlementaire beursjobbertjes overbleef, van wie de waarde als staatsman slechts gemeten en erkend werd naar de waardigheid, waarmee het hun gelukte, telkens de op dat ogenblik gewenste coalities aaneen te plakken, dus die onbetekenende zaken te doen, die voor deze volksvertegenwoordigers de enige mogelijkheid zijn om hun geschiktheid voor praktische arbeid aan te tonen.

Zodoende was Wenen een school, die vooral op dit gebied de allerbeste en allerduidelijkste lessen gaf. Wat niet minder mijn belangstelling trok, was de vergelijking tussen de kennis en capaciteiten van deze volksvertegenwoordigers met de taak, die ze op zich hadden genomen. Daartoe moest men dan echter - of men wilde of niet - ook de geestelijke horizon van deze uitverkorenen van de volken zelf van meer nabij bezien, waarbij het dan weer volkomen onvermijdelijk was, om ook de nodige aandacht te schenken aan de gebeurtenissen, die tot de ontdekking van deze prachtverschijningen in ons openbaar leven hadden geleid. De manier, waarop het werkelijke kunnen van deze heren in de dienst van het vaderland gesteld en benut werd, dus de technische zijde van hun activiteit, mocht zeker OOK wel eens grondig en kritisch worden onderzocht. Hoe dieper men in deze interne aangelegenheden durfde door te dringen, om de personen en toestanden, die aan het geheel ten grondslag lagen, met onvoorwaardelijke objectiviteit onder de loupe te nemen, des te droeviger werd het totale beeld van het parlementaire leven. Overigens was dit wel de aangewezen weg bij een instelling, die het nodig vindt, om door haar dragers telkens weer de nadruk te doen leggen op de "objectiviteit" als de enige rechtvaardige grondslag voor ieder onderzoek en voor iedere houding ten aanzien van enig vraagstuk. Men onderzoeke de heren zelf maar eens en tevens de wetten van hun moeilijk bestaan en men zal zich over het resultaat verbazen.

De "openbare mening"

Er bestaat letterlijk geen enkel beginsel, dat, objectief bezien, zo onjuist is als juist het parlementarisme. Men mag daarbij nog gerust afzien van de wijze, waarop de verkiezing van de heren afgevaardigden plaats vindt, hoe zij eigenlijk aan hun ambt en aan hun nieuwe waardigheid komen. Dat het hierbij slechts voor een uiterst klein gedeelte gaat om de vervulling van een algemene wens, om van de voorziening in een algemene behoefte nog maar niet te spreken, zal iedereen direct duidelijk zijn, die weet, dat het politieke begrip van de grote massa helemaal niet zodanig ontwikkeld is, dat zij bij machte zou zijn om uit zichzelf tot bepaalde algemeen politieke beschouwingen te komen en ook zeker niet, om de personen uit te zoeken, die daarvoor in aanmerking zouden komen. Datgene, wat wij altijd aanduiden met het woord "openbare mening" bestaat voor een zeer klein gedeelte uit zelf opgedane ervaringen of inzichten van bepaalde mensen, maar voor verreweg het grootste deel uit de voorstelling, die gewekt wordt door een dikwijls grenzeloos opdringerige en aanhoudende methode van "voorlichting".

Zoals de godsdienstige richting het gevolg is van de opvoeding en slechts de religieuze behoefte zelf in het binnenste van de mens sluimert, zo is ook de politieke mening van de massa het eindresultaat van een menigmaal ongelooflijk taaie en grondige bewerking van ziel en verstand. Het leeuwendeel van de politieke "opvoeding:, die men in dit geval met het woord propaganda zeer juist aanduidt, komt voor rekening van de pers. Zij is het in de eerste plaats, die deze voorlichtingsdienst verzorgt, en daardoor een soort school voor volwassenen vormt; alleen, dit onderwijs ligt niet in handen van de staat, maar in de klauwen van ten dele uiterst minderwaardige krachten. Ik had juist in Wenen, en dat reeds op jeugdige leeftijd, de allerbeste gelegenheid om de eigenaars en geestelijke vaders van deze massa-opvoedingsmachine door en door te leren kennen. Aanvankelijk stond ik stomverbaasd, hoe snel deze gevaarlijke grote macht binnen de staat er in slaagde, om een bepaalde mening te doen ontstaan, ook wanneer het daarbij ging om een volledige verdraaiing van ongetwijfeld aanwezige innerlijke wensen en opvattingen van het publiek. In enkele dagen had men iets belachelijks tot een belangrijk optreden van de staat gemaakt, terwijl anderzijds tegelijkertijd belangrijke levensproblemen aan de algehele vergetelheid werden prijsgegeven, of, beter gezegd, eenvoudig uit de gedachte en de herinnering van de massa gestolen.

Zo slaagde men er in om, na verloop van luttele weken, namen uit het niets tevoorschijn te toveren, te maken, dat de grote massa het ongelooflijke daarvan verwachtte, ja, dat zij een zo grote populariteit verwierven, als de man van werkelijke betekenis in zijn gehele leven niet ten deel valt; namen, waar bovendien een maand tevoren nog letterlijk niemand van had horen spreken, terwijl tegelijkertijd oude, beproefde figuren uit staat of maatschappij, hoewel zij volkomen gezond waren, voor de medewereld eenvoudig afstierven of met zo'n verschrikkelijke smaad werden overstelpt, dat hun naam in korte tijd het symbool dreigde te worden van een bepaalde gemeenheid en schurkachtigheid.

Het is een uiterst perfide Joodse manier, om opeens en als bij toverslag van meer dan honderd zijden tegelijk, lage lastering en eerrovende beweringen, bij vuilnisemmers vol, over het onschuldige hoofd van eerlijke mensen uit te gieten, en men moet dit hebben gadegeslagen en bestudeerd, om het gehele gevaar, dat deze persploerten opleveren, op zijn volle waarde te kunnen schatten. En dan bestaat er niets, waarvan zo'n geestelijk roofridder geen gebruik zou maken om zijn minderwaardig doel te bereiken. Dan zal hij tot in de geheimste familieaangelegenheden snuffelen en niet rusten, eer hij, met zijn instinct voor alles wat vuil en rot is, de een of andere gebeurtenis heeft opgeschommeld, die uitgebuit zal worden om het ongelukkige slachtoffer naar de maan te helpen. Is echter noch in het private leven, noch in het openbare, zelfs bij de allergrondigst onderzoek, ook maar het allerminste te vinden, dan grijpt zo'n heerschap eenvoudig naar de laster, in de vaste overtuiging, dat er niet alleen, zelfs al wordt het duizendmaal tegengesproken, toch altijd wel iets zal blijven hangen, maar ook, dat het voor het slachtoffer toch meestal volkomen zinloos is, om tegen deze eerroof, die immers onmiddellijk door al de medeplichtigen van dat persheerschap honderdvoudig wordt herhaald, de strijd op te nemen; waarbij nog komt, dat de motieven, welke dit rapaille bewegen, nooit die zijn, welke voor andere mensen bepalend of tenminste verklaarbaar zouden zijn. Verre vandaar!

Wanneer zo'n spitsboef zijn geliefde medemens op de schurkachtigste manier aanvalt, hult hij zich als een inktvis in een ware wolk van burgerlijk fatsoen en zalvende frasen, kletst over "journalistieke plicht" en andere leugenachtige bombast, ja, heeft zelfs nog de brutaliteit, om op vergaderingen en congressen, dus bij gelegenheden waar deze plaag in de meest geconcentreerde vorm aanwezig is, te wauwelen over "journalistieke eer", die het verzamelde janhagel elkaar dan wederkerig toekent. Dit gespuis echter fabriceert voor meer dan tweederde gedeelte de "openbare mening", uit welk schuim dan de parlementaire 'Aphrodite' opstijgt. Men zou boekdelen nodig hebben om deze manier van doen juist weer te geven en in haar hele leugenachtige onwaarachtigheid te schetsen. Maar ook wanneer men daarvan helemaal afziet en slechts het product, zoals het daar voor ons ligt, benevens zijn werkzaamheid, bekijkt, dan moet dit er, mijn inziens, toe leiden, dat ook hij, die altijd alles wat de pers zegt voetstoots gelooft, de volkomen objectieve waanzin van deze instelling ziet doorschemeren.

Het beginsel van de meerderheid

Men zal deze even dwaze als gevaarlijke menselijke dwaling het eerst en ook het gemakkelijkst doorzien, wanneer men het democratisch parlementarisme gaat vergelijken met een werkelijke Germaanse democratie. Het kenmerkende van het eerste ligt daarin, dat er, laat ons zegge, een vijfhonderd mannen, of in de laatste tijd ook vrouwen, gekozen worden welke nu de taak hebben, om over alles en nog wat de definitieve beslissingen te nemen. Alleen zij vormen de regering. Want ook indien door hen een kabinet wordt gekozen, dat dan naar buiten de leiding van de staatszaken in handen heeft, blijft deze gehele autoriteit toch maar schijn. In werkelijkheid kan deze zogenaamde regering geen voet verzetten, zonder eerst tevoren de toestemming van de algemene vergadering te hebben verworven. Zij kan echter daardoor voor geen enkele regeringsdaad verantwoordelijk worden gesteld, dar de eindbeslissing immers nooit bij haar ligt, maar altijd alleen bij de meerderheid van het parlement. Zij is, wat zij ook doet, nooit iets anders dan de uitvoerster van de wil van de meerderheid.

Men zou haar politieke bekwaamheid eigenlijk alleen kunnen beoordelen naar de vaardigheid, om OF zich aan te passen, OF om die meerderheid naar haar zijde over te halen. Zij daalt evenwel daarmee van de rang van een werkelijke regering af tot die van een bedelares tegenover de toevallig die dag aanwezige meerderheid. En haar belangrijkste taak kan nu enkel nog daarin bestaan, dat zij OF zich bij ieder geval opnieuw verzekert van de gunst van de bestaande meerderheid, OF wel een nieuwe meerderheid tracht te vormen, die haar meer genegen is. Gelukt haar dit, dan mag zij weer een klein poosje verder "regeren"; gelukt het haar niet, dan kan ze vertrekken. De meerdere of mindere juistheid van haar plannen doet hier absoluut niets ter zake. Daarbij wordt praktisch iedere verantwoordelijkheid uitgeschakeld. Wat hiervan de gevolgen moeten zijn, blijkt reeds bij een zeer simpele en weinig diepgaande nadere beschouwing. Indien men nl. nagaat, hoe deze volksvertegenwoordiging is samengesteld, en dan wel in het bijzonder, wat deze vijfhonderd mensen stuk voor stuk in hun beroep betekenen, en over welke capaciteiten zij beschikken, dan ontstaat er een zeer onevenwichtig en meestal ook zeer bedroevend beeld.

Want er zal toch zeker niemand in ernst kunnen nemen dat deze vijfhonderd in geestelijk of in verstandelijk opzicht uitverkorenen zullen zijn? Men zal toch, naar ik hoop, niet veronderstellen, dat uit de stembiljetten van een toch allesbehalve begaafd kiezerskorps de staatslieden maar bij honderden tegelijk opschieten. Er zijn eenvoudig geen termen te vinden, scherp genoeg, om de waanzinnige mening, dat door het algemeen kiesrecht genieën naar voren zouden komen, te kwalificeren. Ten eerste staat er in een natie slechts zeer, zeer zelden een werkelijk staatsman op, en dan nog niet zomaar honderd of meers ineens, en ten tweede heeft de massa een bijna instinctieve afkeer van alles, wat werkelijk geniaal is. Eer gaat een kameel door het oog van een naald, dan een groot man door een verkiezing ontdekt wordt. Wat werkelijk boven het normale alledaagse gemiddelde uitsteekt, pleegt zich in de wereldgeschiedenis meestal uit zichzelf wel aan te melden.

Zo echter stemmen vijfhonderd mensen van zeer bescheiden kwaliteiten over de gewichtigste belangen van de natie. Stellen regeringen aan, die dan weer verplicht zijn om in ieder afzonderlijk geval en bij iedere bijzondere kwestie de toestemming van de doorluchte vergadering te veroveren, en dus wordt zodoende feitelijk de politiek door vijfhonderd verschillende mensen gefabriceerd. En dat is er dan ook meestal zeer goed aam te zien. Maar zelfs geheel afgezien van de genialiteit van deze volksvertegenwoordigers, men zal toch moeten bedenken, van hoe verschillende aard de problemen zijn, die afgedaan moeten worden; en hoe uiteenlopend de gebieden, waarop beslissingen getroffen en waar oplossingen gevonden moeten worden, en hoe juist daarom een regeringsstelsel moet zijn, dat de definitieve beslissing laat afhangen van het oordeel van een massavergadering, waar altijd slechts een uiterst gering percentage van de leden kennis en ervaring bezit van de behandelde materie.

De belangrijkste economische maatregelen worden zodoende onderworpen aan het oordeel van een forum, waarvan slechts een tiende van de leden kan bogen op enige economische opleiding. Dat betekent toch eenvoudig, dat men de eigenlijke beslissing overlaat aan lieden die hiertoe te enenmale ongeschikt zijn. Zo gaat het echter met ieder ander vraagstuk eveneens. Altijd zal een meerderheid van lieden zonder kennis of capaciteiten de doorslag geven, daar de samenstelling van dit college immers onveranderd blijft, terwijl het feit, dat de te behandelen problemen zich uitstrekken over bijna alle gebieden van het openbare leven, juist een voortdurende wisseling van de afgevaardigden, die daarover moeten oordelen en beslissen, wenselijk zou maken. Het is toch een onmogelijkheid, om dezelfde mensen EN over de verkeersaangelegenheden, EN b.v. over een belangrijk vraagstuk van buitenlandse politiek te laten beslissen. Tenzij natuurlijk, dat het allemaal universele genieën waren, zoals er nauwelijks eenmaal in eeuwen wordt geboren.

Helaas gaat het hier geenszins om "knappe koppen", maar om dilettanten, die even bekrompen als ingebeeld en opgeblazen zijn, een geestelijke "demi-monde" van het ergste soort. Vandaar dan ook de dikwijls onbegrijpelijke lichtzinnigheid, waarmee deze heerschappen praten en beslissingen nemen over dingen, welke zelfs de grootste geesten niet dan met ernstig overleg zouden behandelen. En deze lieden beslissen over maatregelen, die van het grootste gewicht zijn voor de toekomst van de gehele staat, meer nog, van de gehele natie, op en manier alsof er sprake was van een spelletje kaart, wat heel zeker meer in hun lijn had gelegen, en alsof het lot van hun ras er niet mee gemoeid was. Nu zou het zeker onrechtvaardig zijn, te denken dat ieder van de afgevaardigden van zo'n parlement van huis uit reeds zo weinig verantwoordelijkheidsgevoel zou hebben bezeten. Dat is dan ook geenszins het geval. Maar, doordat dit systeem de enkeling dwingt zijn standpunt te bepalen ten opzichte van hem geheel onbekende zaken, bederft het langzamerhand zijn karakter. Niemand zal de moed hebben om te verklaren: "Mijne Heren, ik geloof, dat wij van deze aangelegenheid niets begrijpen. Ik persoonlijk begrijp er althans niet het minste van". (Overigens zou dit slechts weinig verandering brengen, want zeker zou zo'n oprechtheid niet alleen in het geheel geen begrip vinden, maar men zou zo'n eerlijke ezel zeker niet de kans geven, om het prachtige spelletje in de war te sturen).

Het karakter wordt bedorven

Wie de mensen kent, zal begrijpen, dat in zo'n illuster gezelschap niemand graag de domste zou willen zijn, en in zekere kringen is eerlijkheid altijd identiek met domheid. Zodoende komt ook de volksvertegenwoordiger, die het aanvankelijk eerlijk meent, onvermijdelijk op de weg van algemene leugenachtigheid en bedriegerij terecht. Juist de overtuiging, dat het aan de zaak zelf niets zou veranderen, of hij alleen er al dan niet aan meedeed, smoort elke eerlijke opwelling, die bij de een of ander nog zou kunnen opkomen. Hij zal zich tenslotte nog zelf wijsmaken dat hij persoonlijk nog niet de slechtste is van het hele stel, en door zijn meedoen misschien nog erger kan voorkomen. Nu zal men mij wel tegenwerpen, dat weliswaar iedere afgevaardigde afzonderlijk in al deze kwesties al geen bijzonder inzicht moge hebben, maar dat zijn partij, die immers de politiek van dit heer bepaalt, hem een bepaalde gedragslijn in deze aanraadt, en dat die partij toch haar bijzondere commissies heeft, die door deskundigen bovendien meer dan voldoende worden ingelicht.

Op het eerste gezicht schijnt dit te kloppen. Maar dan blijft toch de vraag: waarom kiest men er vijfhonderd, als er toch maar enkelen de nodige wijsheid bezitten, om in de belangrijkste kwesties een oordeel te vellen. En dat is het nu juist, waar alles om draait. Onze huidige parlementaire democratie heeft niet ten doel om een vergadering van wijzen samen te stellen; veeleer om een schare geestelijk afhankelijke nullen bijeen te garen, die des te gemakkelijker volgens bepaalde richtlijnen te leiden zijn, naarmate de bekrompenheid van ieder afzonderlijk groter is. Alleen hierdoor kan men partijpolitiek bedrijven in de huidige slechte zin van het woord. Maar alleen hierdoor is het echter ook mogelijk, dat de eigenlijke drijvende krachten altijd veilig op de achtergrond blijven, zonder dat men ze ooit persoonlijk ter verantwoording kan roepen. Want nu zal geen enkel besluit, hoe schadelijk ook voor het volksbelang, openlijk op naam en rekening komen van enige bepaalde schoften, maar een gehele fractie zal deze verantwoording te dragen krijgen. Daarmee blijft er echter van enige werkelijke verantwoordelijkheid niets over, want verantwoordelijkheid kan alleen door een enkel persoon gedragen worden, en niet door een parlementaire kletsclub.

En alleen de allerleugenachtigste gluiperts, die het daglicht hevig schuwen, kunnen deze instelling liefhebben en waarderen; maar iedere eerlijke rechtschapen kerel, die bereid is zelf voor zijn daden te staan, moet haar haten. Daarom is dit soort van democratie ook het instrument geworden van dat ras, dat om zijn eigenlijke doelstellingen het daglicht moet schuwen, thans en in alle tijden. Alleen de Jood kan een inrichting prijzen, die vuil en onwaar is als hijzelf.

De Germaanse democratie

Hiertegenover staat de waarachtige Germaanse democratie, waarbij de leider gekozen wordt, en dan de verplichting heeft om de volle verantwoordelijkheid van zijn doen en laten op zich te nemen. Daar stemt geen meerderheid over de verschillende vraagstukken, daar beslist 1 man, die dan met al wat hij is en al wat hij bezit verantwoordelijk is voor de genomen besluiten. Indien men de tegenwerping zou willen maken, dat er onder zulke voorwaarden bezwaarlijk iemand bereid gevonden zal worden, om een zo riskante zaak op zich te nemen, dan kan het antwoord alleen luiden:

Goddank! - Want daarin ligt juist de zin van de Germaanse democratie, dat niet ieder willekeurig onwaardig, maar eerzuchtig individu, dat niet iedere morele deserteur het langs kronkelende paden zover kan brengen, dat hij de macht over zijn volksgenoten uitoefent, maar dat zwakkelingen en prullen alleen reeds door de zwaarte van de verantwoordelijkheid, die aan deze taak verbonden is, worden afgeschrikt. Mocht het echter toch iemand van een dergelijk kaliber proberen, om naar binnen te sluipen, dan kan men hem gemakkelijker vinden en meedogenloos toesnauwen: Ga weg, laffe ploert! Zet je voetstappen niet op deze treden, want je bevuilt ze. De trappen voor de poorten van het heiligdom van onze geschiedenis zijn niet gebouwd voor reptielen, maar alleen voor helden!

Het einde van Oostenrijk-Hongarije nadert

Ik had twee jaar lang regelmatig de parlementszittingen in Wenen bijgewoond. Deze overtuiging was de vrucht van wat zich daar aan mij had vertoond. Nadien ging ik er niet meer heen. De zwakte van de oude Habsburgse staat, die van jaar tot jaar erger werd, was mede voor een belangrijk gedeelte het werk van de parlementaire regeringsvorm. En naar mate de invloed van het parlement groeide, werd de positie van het Duitse element zwakker, en verviel men meer en meer in een systeem, dat berustte op het uitspelen van de ene nationaliteit tegen de andere. In de rijksraad ging dit altijd ten koste van de Duitsers, en daardoor uiteindelijk altijd ten koste van het rijk; want omstreeks 1900 moest ook de allersimpelste geest wel inzien, dat de bindende krachten van de monarchie niet meer in staat waren, om aan het separatisme van de landen weerstand te bieden. Integendeel.

Hoe minderwaardiger de middelen werden die de staat moest aanwenden om intact te blijven, des te meer daalde hij in de algemene achting. Niet alleen in Hongarije, maar ook in de verschillende Slavische provincies was het gevoel van lotsverbondenheid met het geheel van de monarchie zozeer afgestorven, dat men haar zwakte geenszins meer als een eigen schande voelde. Men verheugde zich veeleer over zulke tekenen van intreden van ouderdom; men verlangde immers meer naar de dood dan naar de genezing van het rijk. In het parlement werd de volkomen chaos nog voorkomen door een onwaardig spel van steeds maar toegeven, waarbij men steeds het kind van de rekening werd; en in het land zelf, door de verschillende volken zo handig mogelijk tegen elkaar uit te spelen. Maar de algemene lijn van de ontwikkeling ging toch in anti-Duitse richting. Vooral sedert Franz Ferdinand door zijn rechten op de troon een zekere invloed begon te krijgen, kwam er systeem in de van boven naar beneden uitgeoefende "ver-tsjeching". Met alle mogelijke middelen trachtte deze toekomstige heerser van Oostenrijk-Hongarije de afbrokkeling van het Duitse karakter van deze staat in de hand te werken, of het tempo kunstmatig te versnellen, en zocht dit overal en altijd met zijn persoon te dekken.

Zuiver Duitse plaatsen werden zodoende door mutaties in het ambtenarenkorps langzaam, maar heel zeker in de gevaarlijke tweetalige zone geschoven. Zelfs in Neder-Oostenrijk begon dit proces steeds sneller voortgang te vinden en vele Tsjechen beschouwden Wenen reeds als hun grootste stad. Het leidende beginsel van deze nieuwe Habsburger, wiens gezin geen andere taal meer sprak dan Tsjechisch (de prins was door een morganatisch huwelijk verbonden met een Tsjechische gravin, en deze stamde uit kringen, waar anti-Duitse opvattingen traditie waren) was, om in midden-Europa geleidelijk een Slavische staat op te richten, die, als tegenwicht tegen het Grieks-Katholieke Rusland, op streng Roomse grondslag moest worden opgebouwd. Daarmee werd, zoals reeds meermalen bij de Habsburgers, de godsdienst weer eens in dienst gesteld van een zuiver politieke idee, die bovendien nog - van Duits standpunt beschouwd - funeste gevolgen moest hebben. Het gevolg was meer dan treurig in velerlei opzicht.

Habsburgers en de Duitse eigenheden

Maar noch het huis Habsburg, noch de Katholieke kerk kregen het loon dat ze verwacht hadden. Habsburg verloor de troon, Rome een grote staat. Want, doordat de kroon ook godsdienstige krachten in dienst stelde van haar politieke ideeën, riep zij een geest op van zodanige aard, als zij zelf zeker niet gedroomd had, dat mogelijk zou zijn. Op het streven, om met alle middelen het Duitse element in het oude Oostenrijk uit te roeien, ontstond als antwoord de Al-Duitse beweging in Oostenrijk. In de tachtiger jaren had het Manchesterse liberalisme met zijn Joodse grondslagen ook in de monarchie zijn hoogtepunt bereikt, zo niet reeds overschreden. De reactie daartegen kwam echter, zoals steeds in het oude Oostenrijk, niet in de eerste plaats uit sociale overwegingen, maar uit nationale. De drang tot zelfbehoud dwong het Duitse element tot een uiterst scherp verweer. Eerst in de tweede plaats begonnen langzamerhand ook economische overwegingen een belangrijk woord mee te spreken. Zo ontstonden er tenslotte twee partijformaties uit de algemene politieke verwarring, de ene meer nationaal, de andere meer sociaal van aard, maar beiden buitengewoon interessant en leerrijk voor de toekomst.

Na de slechte afloop van de oorlog van 1866 droomde het huis Habsburg van een revancheoorlog. Alleen de ongelukkige afloop van het Mexicaanse avontuur, waarin men hoofdzakelijk de hand van Napoleon III zag, en dat Keizer Maximilliaan tenslotte het leven kostte toen de Fransen hem in de steek lieten, voorkwam een nauwer samengaan met Frankrijk. Daartoe was de verontwaardiging over deze daad van de Fransen te groot en had ook het Franse prestige te zeer geleden. Toch lag Habsburg destijds op de loer. Indien de oorlog van 1870-1871 niet tot zo'n onvergetelijke zegetocht was geworden, dan zou het Weense hof het bloedige spel om wraak voor Sadowa nog wel gewaagd hebben. Toen echter de eerste berichten over het heldendom op de slagvelden binnenkwamen, die wonderbaarlijk waren en moeilijk te geloven, maar niettemin waar, toen erkende de "wijste" aller monarchen, dat het ogenblik toch nog niet rijp geacht kon worden, en speelde zo goed mogelijk mooi weer. De heldenstrijd in deze beide jaren had echter nog een veel grootser wonder volbracht; want bij de Habsburgers kwam deze veranderde houding geenszins uit de innerlijke drang, maar alleen uit de noodzaak van de omstandigheden.

Rebellie van de Duitsoostenrijkers

Het Duitse volk in de oude Oostmark echter werd door de roes van de overwinning van het Rijk meegesleurd en zag met diepe ontroering, hoe de droom van de vaderen weer tot heerlijke werkelijkheid werd. Want men vergisse zich niet: de waarlijk Duitsgezinde Oostenrijker had van het uur van de afscheiding af terugverlangd, en had ook de slag bij Königgratz niet anders meer kunnen beschouwen dan als een weliswaar op zichzelf tragisch gebeuren, maar dat toch een noodzakelijke voorwaarde was voor de wederopstanding van een Rijk, dat niet meer de machteloosheid en de rotheid zou kennen waaraan de vroegere Duitse bond ten prooi was geweest; en daarvoor bleef het ook gespaard. Vooral ondervond hij hier aan eigen lijf, dat de historische taak van het huis Habsburg eindelijk afgelopen was, en dat het nieuwe Rijk niemand anders tot keizer mocht kiezen dan een man, die door zijn grote heldhaftigheid waardig is "de kroon van de Rijn" te dragen. Hoeveel meer echter diende men nog het noodlot te prijzen, dat het deze keizerskroon op het hoofd zette van de zoon van een geslacht, dat reeds eenmaal, lang geleden, een schitterend symbool aan de Duitse natie had geschonken, een symbool zo machtig, dat het te allen tijde de harten zal sterken: Frederik de Grote.

Toen het huis Habsburg echter na die grote oorlog met uiterste vastberadenheid begon het gevaarlijke Duitse element in Oostenrijk-Hongarije (dat immers geen twijfel liet aangaande zijn sympathieën en antipathieën) langzaam maar onverbiddelijk uit te roeien - want hierop moest deze Slaviseringspolitiek tenslotte uitlopen - toen vlamde de weerstand van het ter dood veroordeelde volk omhoog op een wijze, als de nieuwe Duitse geschiedenis nog nooit gezien had. Voor de eerste maal werden nationaal en patriottisch gezinde mannen tot rebellen. Niet tegen de natie rebelleerden zij en ook niet tegen de staat zelf, maar tegen de wijze van regeren, die, naar hun overtuiging, tot de ondergang van hun volk moest leiden. Voor de eerste maal in de Duitse geschiedenis van de laatste tijd scheidde zich de gebruikelijke trouw aan staat en vorstenhuis van de werkelijke nationale liefde voor vaderland en volk. Het is de verdienste geweest van de Al-Duitse beweging in het Duits-Oostenrijk van de negentiger jaren, dat ze op heldere en ondubbelzinnige wijze heeft vastgesteld, dat een staatsgezag alleen dan geëerbiedigd en beschermd moet worden, wanneer dit de belangen van het volk behartigt of tenminste geen schade berokkent.

Staatsgezag is nooit doel, maar steeds middel

Het gezag van de staat mag nooit doel, maar moet altijd middel zijn, omdat anders immers iedere tirannie op deze wereld onaantastbaar en heilig zou zijn. Wanneer door de hulpmiddelen van een regeringsmacht een volk naar de ondergang wordt geleid, dan heeft ieder die deel uitmaakt van dit volk niet alleen het recht, maar ook de plicht, te rebelleren. Het antwoord op deze vraag wanneer zo'n geval aanwezig is, wordt echter niet bepaald door theoretische verhandelingen, maar door het geweld en - door het succes. Daar iedere regering vanzelfsprekend het staatsgezag voor zich opeist, ook al is zij nog zo slecht en al heeft zij de belangen van het volk ook duizendmaal verraden, daarom zal de volkse levenswil, wanneer hij zo'n volksvijandige macht moet neerslaan, ter verovering van zijn vrijheid en onafhankelijkheid dezelfde wapens dienen te gebruiken als die, waarmee de tegenstander zich tracht te handhaven. De strijd zal daarom precies zolang met "legale" middelen worden gestreden, als ook de macht, die men ten val wil brengen, zich van zulke middelen bedient; wanneer de onderdrukker echter illegale middelen gaat gebruiken, zal ook het volk in opstand er niet voor terugschrikken, deze ter hand te nemen.

In het algemeen mag men echter nooit vergeten, dat niet in het behoud van een staat of van een regering de hoogste reden van bestaan voor de mens gelegen is, maar in de handhaving van zijn volk en zijn volkseigenheden. Wanneer deze volkseigenheden echter zelf eenmaal gevaar lopen, onderdrukt of zelfs vernietigd worden, dan is de kwestie van de legaliteit nog maar van ondergeschikt belang. En dan mag de heersende macht zich duizendmaal van zogenaamde "legale" middelen bedienen, maar dan blijft de levenswil van de onderdrukten toch steeds de verhevendste rechtvaardiging van hun strijd met alle wapenen.

Dat zo dikwijls in de loop van de geschiedenis een volk zich op zo ontzagwekkende wijze verweerde tegen de binnen- of buitenlandse dwingeland die het onder zijn juk had weten te brengen, is enkel een gevolg van het feit, dat het de juistheid van deze stelling inzag. Mensenrecht breekt staatsrecht. Bezwijkt echter een volk in de strijd om de rechten van de mens, dan is dit eenvoudig het teken, dat het door het noodlot gewogen is en te licht bevonden om nog langer op het geluk van een voortbestaan op deze aarde aanspraak te kunnen maken. Want ieder, die niet bereid is, of niet in staat is, om voor het bestaan te vechten, is reeds door de eeuwig rechtvaardige Voorzienigheid ter dood veroordeeld. Voor lafhartige volken is deze wereld niet geschapen.

Hoe makkelijk het echter voor een tirannie is, om zich een aureool van zogenaamde "legaliteit" te bezorgen, daarvan gaf Oostenrijk weer het duidelijkste en treffendste voorbeeld. De legale staatsmacht steunde destijds enerzijds op het anti-Duitse parlement met zijn niet-Duitse meerderheden - en anderzijds op het evenzeer anti-Duitse vorstenhuis. In deze beide factoren was het gehele staatsgezag belichaamd. Het was dwaasheid om het lot van het Duits-Oostenrijkse volk met behulp of door middel van dit gezag te willen veranderen. Uit dit feit had men nu, naar het oordeel van het staatsgezag zelf en naar dat van de lieden, die geen andere weg dan de legale zagen, de conclusie moeten trekken, dat iedere tegenstand nu ook achterwege zou moeten blijven, omdat er immers met legale middelen niets te bereiken viel. Dit zou echter onvermijdelijk het einde - en wel het spoedige einde van het Duitse bloed in deze staat hebben betekend. Het Duitse element is hiervoor dan ook alleen gespaard gebleven door het ineenstorten van deze staat. De bebrilde theoreticus zou namelijk altijd nog liever voor zijn doctrine dan voor zijn volk willen sterven. Hij meent, dat de mensen, omdat ze eerst zelf wetten hebben gemaakt, daardoor later alleen voor die wetten bestaan.

Mensenrecht breekt staatsrecht

Het is de verdienste van de toenmalige Al-Duitse beweging in Oostenrijk geweest, dat ze, tot ontsteltenis van alle fanatici voor papieren principes, en van alle andere staatsfetischisten, voorgoed een einde heeft gemaakt aan deze dwaasheid. Terwijl de Habsburgers met alle middelen het Duitse element trachtten te bestrijden, viel deze partij het "verheven" heersershuis aan, en dat wel op meedogenloze wijze. Zij heeft voor de eerste keer de eigenlijke ziekte van deze reeds volkomen verrotte staat blootgelegd en aan honderdduizenden de ogen geopend. Het is haar verdienste, dat zij het prachtige begrip vaderlandsliefde heeft losgemaakt uit de omknelling van deze miserabele dynastie. Haar aanhang was in de eerste tijd van haar optreden zeer groot, ja, scheen letterlijk tot een lawine te zullen worden. Maar het succes was niet van blijvende aard.

De Al-Duitse beweging

Toen ik in Wenen kwam, was de beweging reeds lang overvleugeld door de Christelijk-sociale partij, die intussen aan de macht was gekomen; ja, deze laatste had haar bijna iedere betekenis ontnomen. Deze gehele gebeurtenis: de opkomst en de ondergang van de Al-Duitse beweging enerzijds en van de ongehoorde opkomst van de Christelijk-sociale partij anderzijds zou als klassiek studieobject voor mij van de grootste betekenis worden. Toen ik naar Wenen kwam, stonden mijn sympathieën geheel en al aan de zijde van de Al-Duitsers. Dat men de moed bleek te hebben om in het parlement "Leve Hohenzollern" te roepen, imponeerde mij evenzeer als het mij verheugde dat men zich nog altijd beschouwde als een deel van het Duitse Rijk, dat slechts tijdelijk van het moederland gescheiden was; en dat men geen enkele gelegenheid liet voorbijgaan, om in het openbaar van zijn trouw te getuigen, gaf mij geloof in de toekomst; dat men in alle kwesties, waar de Duitse aard in het geding kwam, onvoorwaardelijk kleur bekende en voor geen compromissen te vinden was, wekte mijn volle instemming, omdat ik hierin de enige mogelijkheid zag om ons volk te redden; dat echter de beweging na zo'n opkomst nu zozeer terugzakte, kon ik niet begrijpen.

Nog minder begreep ik echter, waarom de Christelijk-sociale partij juist in dezelfde tijd in zo'n geweldige macht vermocht te geraken. Zij had destijds juist het toppunt van haar glorie bereikt. Toen ik beide bewegingen begon te vergelijken, gaf mij ook hier het noodlot (en door mijn overigens vrij treurige omstandigheden vroeger dan anders) het beste onderwijs, waardoor ik de oorzaken van dit raadsel kon begrijpen. Ik begin mijn vergelijking met de beide mannen, die als leiders en stichters van de beide partijen beschouwd moeten worden: Georg van Schönerer en Dr. Karl Lueger. Zuiver menselijk gezien, steekt zowel de een als de ander ver uit boven het formaat van de zogenaamde parlementaire figuren. In het moeras van de algemene politieke corruptie bleef hun gehele leven rein en onaantastbaar. Toch voelde ik aanvankelijk alleen sympathie voor de Al-Duitser Schönerer, en pas langzamerhand begon ik ook voor de Christelijk-sociale leider te voelen. Wat hun kwaliteiten betrof, scheen Schörner mij reeds destijds een beter en grondiger denker toe in principiële vraagstukken. Hij heeft het onvermijdelijke einde van de Oostenrijkse staat juister en helderder voorzien dan enig ander.

Schörner en Lueger

Indien men vooral in het Rijk meer oor had gehad voor zijn waarschuwingen tegen de Habsburgse monarchie, dan had de ramp van een wereldoorlog, waar Duitsland tegen geheel Europa stond, voorkomen kunnen worden. Schörner mocht dan al in staat zijn, om de grote vraagstukken in hun ware gedaante te zien, maar in de mensen vergiste hij zich keer op keer. Hier lag nu juist de grote kracht van Dr. Lueger. Lueger was een buitengewoon mensenkenner, die er zich vooral voor hoedde, de mensen voor beter aan te zien, dan zij nu eenmaal zijn. Daarom hield hij ook meer rekening met de werkelijke mogelijkheden van het leven, terwijl Schörner daarvoor maar weinig begrip had. Alles wat de Al-Duitser dacht, was principieel juist, maar omdat hij de massa te weinig begreep en hem ook de kracht ontbrak om zijn theoretisch inzicht aan de massa mede te delen, dus om zijn kennis in zo'n vorm te gieten, dat die bevattelijk werd voor de grote massa, welke nu eenmaal zeer langzaam van begrip is en blijft, bleef zijn inzicht gelijk aan de wijsheid van een ziener, welke toch nooit praktische werkelijkheid kan worden. Dit ontbreken van werkelijke mensenkennis leidde echter tenslotte tot een onjuist oordeel over de kracht van gehele bewegingen en oeroude instellingen.

Later heeft Schörner weliswaar ingezien dat het hier uiteindelijk een wereldbeschouwing betreft, maar hij heeft nooit begrepen, dat zulke bijna religieuze overtuigingen altijd in de eerste plaats door de grote massa's van een volk gedragen moeten worden. Hij zag helaas lang niet scherp genoeg, hoe buitengewoon gering de strijdlust van de zogenaamde "burgerlijke" kringen is, alleen reeds uithoofde van hun economische positie, die de enkeling in een voortdurende angst laat leven, dat hij te veel zou kunnen verliezen, wat dus ook al maakt, dat hij zich meer afzijdig houdt. En toch zal in 't algemeen een wereldbeschouwing alleen dan kans op de overwinning hebben, indien de grote massa bereid blijkt als draagster van de nieuwe leer de noodzakelijke strijdt op zich te nemen. Uit dit gebrek aan begrip voor de betekenis van de onderste volkslagen kwam echter ook de absoluut onvoldoende opvatting over de sociale kwestie voort.

Op al deze punten was Dr. Lueger het tegendeel van Schörner. Zijn gedegen mensenkennis maakte, dat hij enerzijds de mogelijk aanwezige krachten zeer juist wist te beoordelen, terwijl hij anderzijds evenzeer bewaard bleef voor een onderschatting van bepaalde instellingen, en misschien juist om die reden leerde, ze aan zijn doeleinden dienstbaar te maken. Hij begreep ook maar al te goed, dat de politieke strijdkracht van de gezeten burgerij in de tegenwoordige tijd te gering was en niet voldoende om voor een nieuwe grote beweging de zege te bevechten. Daarom concentreerde hij zijn politieke werkzaamheid hoofdzakelijk op die groepen van de bevolking, van wie het bestaan bedreigd werd, en trachtte vooral hen voor zich te winnen, wat de strijdlust van zijn organisatie dus eerder aanwakkerde dan verminderde. Eveneens was hij bereid zich van alle bestaande machtsmiddelen te bedienen en de genegenheid te verwerven van bestaande machtige instituten, om uit zulke oude krachtbronnen voor zijn beweging het grootst mogelijke voordeel te kunnen putten.

Dientengevolge richtte hij de actie van zijn nieuwe partij in de eerste plaats op de met ondergang bedreigde middenstand en bezorgde zich daardoor een zeer standvastige schare van aanhangers, evenzeer van betekenis door hun grote offervaardigheid als door hun taaie strijdkracht. Zijn buitengewoon verstandige houding tegenover de katholieke kerk echter maakte, dat hij in korte tijd de jonge geestelijkheid op zijn hand kreeg, en dat wel in zo'n getale, dat de oude klerikale partij OF gedwongen was om het veld te ruimen, OF, nog verstandiger, zich bij de nieuwe partij aansloot, om zodoende langzaam de ene stelling na de andere terug te winnen. Indien men echter zou menen, dat men de man hiermee volledig had getekend, dan zou men hem zwaar onrecht doen. Want, behalve dat hij een goed tacticus was, bezat hij ook de eigenschappen van een waarlijk groot en geniaal hervormer. Maar ook hier was zijn kunnen beperkt door een nauwkeurige kennis van de nu eenmaal aanwezige mogelijkheden en ook van zijn eigen capaciteiten.

Het was een buitengewoon praktisch doel dat deze waarlijk belangrijke man nastreefde. Hij wilde Wenen veroveren. Wenen was het hart van de monarchie, van hieruit ging nog de laatste levensstroom naar het ziekelijke en oud geworden lichaam van het stervende rijk. Hoe gezonder het hart werd, des te meer moest ook het overige lichaam opleven. Deze gedachte was principieel juist, maar kon, wanneer ze aan een bepaalde beperkte periode gebonden was, in de praktijk slechts weinig betekenen. En dit was de zwakke zijde van deze man. Wat hij als burgemeester van de stad Wenen gepresteerd heeft, is onsterfelijk in de beste zin van het woord. De monarchie kon hij daarmee echter niet meer redden; het was te laat. Zijn tegenstander, Schörner, had dit juister gezien. Wat Dr. Lueger aan praktische vraagstukken ter hand nam, slaagde op wonderlijke wijze; maar de gevolgen, welke hij daarvan had verwacht, bleven uit. Wat Schörner wilde, gelukte hem niet, wat hij vreesde, voltrok zich helaas op vreselijke wijze.

Zodoende heeft geen van de beide mannen zijn eigenlijk doel bereikt. Lueger kon Oostenrijk niet meer redden en Schörner het Duitse volk niet meer voor de ondergang bewaren. Het in oneindig leerrijk voor onze tegenwoordige tijd, om de oorzaken voor het falen van deze beide partijen na te gaan. Dit heeft vooral zin voor mijn vrienden, omdat de toenmalige omstandigheden veel overeenkomst vertonen met de huidige, waardoor fouten vermeden kunnen worden welke reeds eerder aan een beweging het leven hebben gekost, en welke een andere tot vruchteloosheid doemden. De ineenstorting van de Al-Duitse beweging in Oostenrijk had, mijns inziens, drie oorzaken. De eerste was, dat men de betekenis van het sociale vraagstuk juist voor een nieuwe, in wezen revolutionaire partij, veel te weinig gezag. Daar Schörner en zijn groep zich in de eerste plaats wendden tot de burgerlijke kringen, moest het resultaat wel zeer zwak en tam zijn.. De Duitse bourgeoisie is, vooral in zijn hogere lagen, hoewel haar leden, stuk voor stuk, dat niet vermoeden, waar het gaat om interne aangelegenheden van natie of staat, zo pacifistisch, dat het aan letterlijke zelfverloochening grenst.

In goede tijden, dat wil in dit geval dus zeggen in tijden van een goede regering, is zo'n mentaliteit de reden, dat deze groepen van buitengewone waarde voor de staat zijn; wanneer er echter een slechte regering aan het roer is, gaat er een bijna funeste werking van deze kringen uit. Alleen om maar de mogelijkheid te scheppen tot het voeren van een werkelijk ernstige strijd, was het reeds een eerste vereiste geweest, dat de Al-Duitse beweging al het mogelijke had gedaan om vat te krijgen op de grote massa's. Dat zij dit niet deed, beroofde haar reeds van te voren van de bezieling die zo'n vloedgolf nu eenmaal nodig heeft, wil zij niet reeds na korte tijd terug vloeien. Indien men echter dit axioma niet van de beginne af voor ogen houdt, en er niet met alle kracht aan vasthoudt, dan verliest de nieuwe partij iedere mogelijkheid om het verzuimde later weer in te halen. Want door het opnemen van een al te groot aantal gematigd-burgerlijke elementen zal de innerlijke tendens van de beweging altijd door deze groep worden bepaald, en zodoende iedere verdere kans om noemenswaardige krachten uit de grote massa te winnen, teniet doen. Daardoor zal zo'n beweging echter niet verder komen dan enkel tot wat mopperen en kritiseren.

Oorzaken van het falen van Schörner

Het bijna religieuze geloof, verbonden met een offervaardigheid in dezelfde trant, zal nimmer meer te vinden zijn; in plaats daarvan zal men er echter naar gaan streven, om door 'positieve' medewerking - dat wil in dit geval zeggen, door de bestaande toestand in feite te erkennen - de scherpe kantjes van de strijd geleidelijk af te slijpen, en komt tenslotte tot een wormstekige vrede met het bestaande systeem. Zo ging het ook met de Al-Duitse beweging, omdat zij zich niet van het begin af noodzakelijk had toegelegd op de verovering van de massa. Zij werd burgerlijk, deftig, gematigd, "radicaal" (radicaal in de zin van radicaal-socialistisch = liberaal) . Uit deze fout groeide echter de tweede oorzaak van haar snelle ondergang. De strijdpositie van het Duitse element in Oostenrijk was al wanhopig in de tijd, dat de Al-Duitse beweging optrad. Van jaar tot jaar was het parlement meer en instelling tot langzame vernietiging van het Duitse volk geworden. Iedere poging, om het te elfder ure nog te redden, zou alleen dan enige, zij het ook geringe kans op succes bieden, wanneer men er in zou slagen, het parlement te doen verdwijnen.

Daarmee kreeg de beweging een vraag van principiële betekenis te beantwoorden: Moest men, om het parlement te vernietigen, daarin plaats nemen, om het, zoals men zich pleegde uit te drukken, "van binnen uit te ondergraven" , of moest men die strijd van buitenaf voeren door een aanval op deze instelling zelf? Men ging naar binnen en kwam er verslagen weer uit. Er zat inderdaad niets anders op dan naar binnen te gaan. De strijd tegen zo'n macht van buitenaf doorvoeren, wil zeggen, zich te laden met een onwrikbare moed, maar ook bereid te zijn tot eindeloze offers. Men pakt daarmee de stier bij de horens beet en zal zware stoten te verduren krijgen, zal menigmaal op de grond storten, zal mogelijk eens niet dan met gebroken ledematen weer op kunnen staan, en pas na een uiterst zware worsteling zal de zege bij de stoutmoedige aanvaller zijn. Alleen de grootste van de gebrachte offers zal nieuwe strijders voor de zaak winnen, tot de volharding tenslotte met succes bekroond zal worden. Daartoe echter heeft men de grote massa van het volk nodig.

Deze alleen bezit voldoende vastberadenheid en taaiheid, om deze strijd tot het bloedig einde vol te houden. Op deze grote massa echter had de Al-Duitse beweging nu juist geen vat; daarom bleef haar dan ook niets anders over dan in het parlement te gaan. Het ware onjuist, te menen, dat men een lange, innerlijke tweestrijd had gevoerd, of zelfs maar lang had gewikt en gewogen; integendeel, men had er in het geheel niet over nagedacht. De reden, dat men toch deelnam aan deze waanzin, was deze, dat men niet helder en duidelijk inzag wat de betekenis en de gevolgen zouden zijn van een eigen deelneming aan zo'n instituut, waarvan men zelf immers principieel de onjuistheid reeds had ingezien. In het algemeen verwachtte men wel, dat men de grote massa's gemakkelijker zou kunnen voorlichten; men kreeg nu immers de gelegenheid om te spreken voor het "forum van de gehele natie".

De Al-Duitsers en het parlement

Ook scheen het vanzelfsprekend te zijn, dat een aanval op de wortel van het kwaad meer succes moest opleveren dan een bestorming van buitenaf. Men meende, dat de parlementaire onschendbaarheid de voorvechters een grotere veiligheid zou verzekeren, waardoor dan de kracht van de aanval slechts kon worden verhoogd. In werkelijkheid evenwel kwam het heel anders uit. Het forum, waarvoor de Al-Duitse afgevaardigden spraken, was niet groter, maar eerder kleiner geworden; want ieder spreekt slechts voor de kring, die in staat is en de wil heeft om te horen, of die door de berichten in de pers een verslag van het gesprokene krijgt. Het grootste rechtstreekse forum van toehoorders levert echter niet de zittingzaal van het parlement, maar de grote openbare vergadering. Want daar zijn de duizenden mensen, die alleen gekomen zijn om te horen wat de spreker hun te zeggen heeft, terwijl er in de zittingzaal van de Kamer maar een paar honderd zijn, die dan meestal nog alleen aanwezig zijn om het presentiegeld te kunnen opstrijken, en wel in de allerlaatste plaats om de wijsheid van de een of andere "mijnheer de volksvertegenwoordiger" in hun ontvankelijk gemoed te laten doordringen.

Het belangrijkste bezwaar is echter, dat het immers steeds hetzelfde publiek is, waarvoor men spreekt, dat nooit meer iets zal leren, omdat het niet alleen te weinig verstand bezit, maar ook zelfs het allerbescheidenste beetje wil tot leren ten enenmale mist. Nooit zal een van deze volksvertegenwoordigers uit zichzelf toegeven dat de ander gelijk heeft, en zich daarna ook in dienst van de waarheid stellen. Nee, dat zal geen enkele doen, tenzij dan, dat hij reden heeft om te hopen, dat zo'n ommekeer zijn zetel voor een volgende periode nog zou kunnen redden. Dus eerst, wanneer het er naar uitziet, dat zijn tegenwoordige partij bij een aanstaande verkiezing klappen zal krijgen, zullen deze sieraden van manhaftigheid zich opmaken om te kijken OF, en, zo ja, HOE zij zich kunnen aansluiten bij een andere partij of richting, die er vermoedelijk beter af zal komen, waarbij deze koerswisseling natuurlijk altijd met een wolkbreuk van morele redenen gepaard gaat.

Daarom zal altijd, wanneer een bestaande partij zich zozeer de antipathie van het volk op de hals heeft gehaald, dat zij een vernietigende nederlaag kan verwachten, een soort van Grote Trek beginnen: de parlementaire ratten verlaten het partijschip. Met beter weten of beter willen heeft dit echter niets te maken, dit is niets anders dan een soort helderziendheid, die zo'n parlementswandluis nog juist bijtijds waarschuwt en hem zodoende steeds weer een ander warm partijbedje bezorgt. Om voor zo'n "forum" te spreken, betekent wel in de meest letterlijke zin des woords: paarlen voor de bekende dieren werpen. Dit is waarlijk niet de moeite waard. Het resultaat kan hier niet anders dan nihil zijn. En dat bleek ook. De Al-Duitse afgevaardigden konden praten tot ze schor waren, maar ieder nuttig effect bleef uit. De pers ging als volgt te werk: OF ze zweeg de redevoeringen door, OF wel ze gaf enkele uit het verband gerukte brokken, waardoor de betekenis verdraaid werd, of zelfs geheel verloren ging, wat maakte, dat de openbare mening niet anders dan een slechte indruk van de bedoelingen van de nieuwe beweging kon krijgen. Wat de heren zeiden, deed er niet het minste toe; maar dat, wat men van hen te lezen kreeg, was een uittreksel van hun redevoeringen, dat in zijn onsamenhangendheid alleen maar een dwaze uitwerking kon hebben - wat ook de bedoeling was.

Bovendien bestond het enige forum, waarvoor ze nu in werkelijkheid spraken, uit nauwelijks vijfhonderd parlementariërs, en dit zegt genoeg. De Al-Duitse beweging kon alleen dan op succes rekenen, indien zij van de eerste dag af begreep, dat het hier niet mocht gaan om een nieuwe partij, maar vooral om een geheel nieuwe wereldbeschouwing, daar alleen zo'n geheel nieuwe levensbasis de innerlijke kracht zou kunnen ontwikkelen, om deze titanenstrijd ten einde te strijden. Hier zijn echter de allerbeste en allermoedigste kerels maar net goed genoeg, om als voormannen dienst te doen. Indien de strijd voor een wereldbeschouwing niet wordt gevoerd door helden die tot iedere opoffering bereid zijn, dan zullen er ook na korte tijd geen strijders meer te vinden zijn, die hun leven voor de idee willen wagen. Wie op zo'n plaats voor zijn eigen bestaan strijdt, kan voor de gemeenschap niet veel meer over hebben. Om echter aan deze voorwaarde te kunnen blijven voldoen, is het noodzakelijk, dat ieder weet, dat de nieuwe beweging eer en roem kan brengen voor de nakomelingschap, maar niets kan en niets wil geven aan haar strijders van heden.

Hoe meer postjes en baantjes een beweging te vergeven heeft, des te groter zal de toeloop van minderwaardigen zijn, totdat deze politieke gelegenheidsarbeiders een partij, die oorspronkelijk succes had, tenslotte dermate overwoekeren, dat de oude rechtschapen strijder zijn beweging niet meer terugkent, en de nieuw aangekomenen beslist geen prijs meer stellen op zijn aanwezigheid, omdat zij hem lastig en "ongeschikt" achten. Dan is het echter met de "roeping" van zo'n beweging volkomen gedaan. Zodra de Al-Duitse beweging zich aan het parlement verkocht, kreeg zij ook "parlementariërs" in haar rijen en geen voormannen en strijders meer. Zij zakte daarmee af tot het peil van een gewone, allerdaagse politieke partij en verloor de kracht, om een rampzalig noodlot met de harde wil tot het martelaarschap tegemoet te treden. In plaats van te vechten, leerde men nu ook "praten" en "onderhandelen".

De nieuwe parlementariër echter gevoelde het reeds na korte tijd als een prettiger plicht (wegens het mindere risico), de nieuwe wereldbeschouwing te verdedigen met de "geestelijke" wapenen van parlementaire welbespraaktheid, dan zich, zonodig met inzet van eigen leven, in een strijd te werpoen, waarvan de uitslag onzeker was, en die in ieder geval hem persoonlijk niets kon opleveren. Toen men nu eenmaal in het parlement zat, begonnen de aanhangers buiten te hopen en te wachten op wonderen, die natuurlijk niet gebeurden en ook niet gebeuren konden. Men werd daarom reeds na korte tijd ongeduldig, want ook dat, wat men zoal van de eigen afgevaardigden te horen kreeg, kwam in geen enkel opzicht overeen met de verwachtingen van de kiezers. Dit was zeer verklaarbaar, omdat de vijandelijke pers er zich wel voor hoedde, om het publiek een juist beeld te geven van het streven en de werkzaamheid van de Al-Duitse vertegenwoordigers.

Hoe meer echter de nieuwe afgevaardigden de smaak van de nog al wat zoetere en zachtere aard van de "revolutionaire" strijd in het parlement en in de provinciale raadscolleges beet hadden, des te minder waren zij bereid om de, zoveel gevaarlijker, propaganda onder de grote massa van het volk op zich te nemen. De massavergadering, de enige mogelijkheid om door persoonlijk en daardoor succesvol contact grote volksdelen te beïnvloeden en te winnen, raakte daardoor steeds meer op de achtergrond. Zodra het spreektafeltje van de vergaderzaal voorgoed verwisseld was voor de tribune van het parlement, en men in het vervolg van dit spreekgestoelte de redevoeringen hield, en ze ook niet meer in de eerste plaats in het hart van het volk, maar vooral in de hoofden van de zogenaamde uitverkorenen wilde gieten, hield de Al-Duitse beweging ook op, een volksbeweging te zijn en schrompelde na korte tijd ineen tot een meer of minder belangrijke club tot het houden van academische uiteenzettingen.

De betekenis van de redevoering

De door de pers verwekte slechte indruk werd dientengevolge op geen enkele wijze meer door persoonlijke vergaderingarbeid van de verschillende heren gerectificeerd, zodat het woord "Al-Duits" tenslotte een zeer slechte klank kreeg in de oren van het volk. Want dit mogen alle veelschrijvende fatten en pennenlikkers zich voor gezegd houden: de grootste omwentelingen op deze wereld hebben nimmer plaats gevonden onder de leiding van een ganzenpen! Nee, het werk van de pen bleef steeds beperkt tot de theoretische motivering ervan. De macht echter, die de grote historische lawines van godsdienstige en politieke aard aan het rollen bracht, is, door alle eeuwen heen, alleen de toverkracht van het gesproken woord geweest. Vooral de grote massa van het volk wordt altijd alleen meegesleept door de macht van de redevoering. Maar alle grote bewegingen zijn volksbewegingen, zijn vulkanische uitbarstingen van menselijke hartstochten en gevoelens, die OF door de wrede godin van de nood, OF door het woord, dat als een fakkel onder de massa werd geworpen, werden ontketend; het zijn geen limonadeachtige ontboezemingen van geleerden en salonhelden.

In het leven van een volk kan alleen een storm van gloeiende hartstocht een ommekeer brengen, en alleen hij kan hartstocht opwekken, die dat vuur zelf in het hart draagt. Die hartstocht is het alleen, die dan aan de daarmee begiftigde de woorden ingeeft, die als hamerslagen de poorten naar het hart van een volk weten open te breken. De man echter, die de hartstocht niet kent, zal stom blijven en geen sterke woorden vinden; de hemel heeft hem niet uitverkoren tot verkondiger van de wil van de Voorzienigheid. Daarom moet iedere schrijver bij zijn inktpot blijven, om theoretisch werkzaam te zijn, indien hem voldoende verstand en capaciteiten gegeven zijn; voor leider is hij noch geboren, noch geroepen. Een beweging met grote doelstellingen moet daarom angstvallig zorg dragen, dat ze het contact met de grote massa niet verliest. Zij dient elke kwestie in de eerste plaats uit dit oogpunt te bekijken en haar beslissing hiervan afhankelijk te maken. Zij moet verder alles vermijden wat haar vat op de massa zou kunnen verminderen, of ook maar verzwakken, niet, om maar iets te noemen, om "demagogische" redenen, maar eenvoudig vanwege het inzicht, dat zonder de geweldige kracht van de massa geen grote idee, hoe groots en verheven zij ook moge zijn, verwerkelijkt kan worden.

Invloed op de massa

De harde werkelijkheid alleen moet de weg naar het doel bepalen. Wanneer men onaangename wegen niet wenst te bewandelen, dan zal men op deze wereld maar al te dikwijls van het doel moeten afzien, of dit nu de bedoeling was of niet. Zodra de Al-Duitse beweging door haar intrede in het parlement het hoofdgewicht van haar werkzaamheid verplaatste van het volk naar het parlement, verloor zij haar toekomst en won daarvoor een reeks goedkope succesjes-van-het-ogenblik. Zij koos de gemakkelijkste strijd, maar was daardoor niet meer waardig, de eindoverwinning te behalen. Ik heb deze vraagstukken reeds in Wenen diepgaand overdacht en heb het feit, dat men het inzicht miste, beschouwd als een van de belangrijkste oorzaken, dat een beweging, die in mijn ogen destijds geroepen was de leiding van het Duitse element in handen te nemen, toch ineenstortte. De beide eerste fouten, die de Al-Duitse beweging schipbreuk deden lijden, waren met elkander verwant. Het gebrek aan kennis omtrent de inwendige drijfkrachten van grote omwentelingen maakte, dat men de betekenis van de brede volksmassa's onderschatte; daaruit echter kwam weer de geringe belangstelling voor het sociale vraagstuk voort; vandaar ook, dat men zo gebrekkig en in volkomen onvoldoende mate propaganda voerde onder de onderste lagen van de natie; vandaar tenslotte ook het standpunt ten opzichte van het parlement, dat op zijn beurt de werfkracht van de partij onder de grote massa weer verzwakte.

Indien men had ingezien, welk een geweldige machtsfactor als draagster van de revolutionaire weerstand te allen tijde betekent, dan zou men in sociaal en in propagandistisch opzicht heel anders gehandeld hebben. Dan zou men zijn krachten ook niet hoofdzakelijk hebben geconcentreerd op het parlement, maar op de werkplaats en de straat. Maar ook de derde fout is een gevolg van die blindheid voor de betekenis van de massa, die - wanneer ze eenmaal door groteren en beteren in beweging is gezet - dan echter ook, gelijk een vliegwiel, de aanval massief en duurzaam doet zijn. De zware strijd, die de Al-Duitse beweging met de katholieke kerk uitvocht, is alleen te verklaren uit het feit, dat men veel te weinig inzicht had in de grondslagen van het volkskarakter. De oorzaken van de heftige aanval tegen Rome waren de volgende.

"Los van Rome!"

Zodra het huis van Habsburg definitief had besloten, Oostenrijk in een Slavische staat te veranderen, vatte het ieder middel aan, dat ook maar enigszins dienstbaar kon zijn aan dit doel. Ook godsdienstige krachten werden door dit meest gewetenloze aller vorstenhuizen zonder scrupules in de dienst van de nieuwe "staatsidee" gesteld. Het benutten van Tsjechische parochies en hun zielenherders was maar een van de vele middelen om dit doel, een Slavisch Oostenrijk, te bereiken. Men ging daarbij ongeveer als volgt te werk: In zuiver Duitse gemeenten werden Tsjechische pastoors aangesteld, die langzaam maar zeker de belangen van het Tsjechische volk boven die van de Kerk begonnen te stellen en tot cellen van de anti-Duitse strijd werden. De Duitse geestelijkheid schoot tegenover zo'n optreden ten enenmale tekort. Niet alleen, dat zij zelf voor een soortgelijke strijd in Duitse zin volkomen onbruikbaar was, maar zij was ook niet bij machte om de aanvallen van de anderen met de nodige kracht af te weren. Zodoende werd de Duitse cultuur, langs de omweg van misbruik van Godsdienst enerzijds, en door onvoldoende afweer anderzijds, langzaam maar onophoudelijk teruggedrongen.

In het klein gebeurde dit, zoals hierboven beschreven - en in het groot ging het helaas al weinig anders. Ook hier ontmoetten de anti-Duitse strevingen van de Habsburgers, vooral door toedoen van de hogere clerus, niet de noodzakelijke tegenstand, terwijl de behartiging van de Duitse belangen zelf geheel en al op de achtergrond raakte. De algemene indruk kon niet anders zijn, dan dat men hier te doen had met een grove krenking van de rechten van de Duitsers door de katholieke geestelijkheid als zodanig. Daardoor scheen het echter, dat de Kerk niet met het Duitse volk meevoelde, maar zich op onrechtvaardige wijze aan de zijde van Duitslands vijanden schaarde. De wortel van dit kwaad echter, naar men - en vooral Schönerer - meende, in het feit, dat de leiding van de katholieke Kerk niet in Duitsland gevestigd was, en dat dat alleen reeds een vijandige houding tegenover de belangen van ons volksleven ten gevolge moest hebben.

De zogenaamde culturele vraagstukken geraakten daarbij, zoals destijds bijna altijd in Oostenrijk, geheel op de achtergrond. Beslissend voor de houding van de Al-Duitse beweging ten opzichte van de katholieke kerk was niet zozeer het standpunt, dat deze laatste bijvoorbeeld tegenover de wetenschap, enz. innam, maar vooral het feit, dat ze oog noch oor had voor de Duitse rechten en integendeel steeds de grootse ijver aan de dag legde, wanneer het er om ging, aan de aanmatiging en de hebzucht van het Slavendom tegemoet te komen. Georg Schönerer was er echter de man niet naar, om iets half te doen. Hij nam de strijd tegen de kerk op in de overtuiging, dat alleen daardoor het Duitse volk nog te redden was. De opbouw van deze beweging, die "Los van Rome" in haar vanen had geschreven, scheen het machtigste, maar ook het moeilijkste aanvalswapen tegen de macht van de vijand. Wanneer deze aanval met succes bekroond werd, dan zou ook de noodlottige kerkelijke verdeeldheid in Duitsland overwonnen zijn, en de inwendige kracht van het Rijk en van de Duitse natie kon door zo'n zege buitengewoon stijgen.

Maar noch de principes, waarvan men uitging, noch de conclusies, welke men meende te moeten trekken, waren juist. Zonder twijfel was de nationale weerstandskracht van de Duitse clerus in alle kwesties, waar het om de strijd voor het Duitse volkseigen ging, geringer dan die van haar niet-Duitse, vooral Tsjechische ambtsbroeders. Evenzo kon alleen een idioot blind zijn voor het feit, dat het niet dan uiterst zelden voorkwam, dat de Duitse geestelijkheid er ook maar aan dacht, om in actieve zin voor de Duitse belangen op te treden. Maar evenzeer moest ieder, die niet blind was, toegeven, dat dit in de eerste plaats een uitvloeisel is van een omstandigheid, waaronder wij Duitsers allemaal zozwaar te lijden hebben, n.l. het feit, dat wij tegenover ons volk en volkseigen even objectief staan als tegenover iedere willekeurige andere zaak.

En terwijl de Tsjechische geestelijke subjectief stond tegenover zijn volk en slechts objectief tegenover de kerk, was de Duitse pastoor subjectief aan zijn kerk verknocht en bleef objectief tegenover de natie. Een verschijnsel, dat wij helaas nog in duizend andere vormen kunnen constateren. Dit is geenszins een bijzondere erfenis van het katholicisme, maar een algemene mentaliteit, die dermate in ons volkskarakter verankerd ligt, dat er haast niets kan bestaan - en vooral geen ideologie of staatsinstelling - of ze krijgt na korte tijd de lasten van deze kwaal te dragen. Men vergelijke b.v. eens de houding, die ons ambtenarencorps aanneemt tegenover het streven naar nationale wedergeboorte, met die, welke in zo'n geval de ambtenaren van een ander volk zouden innemen. Of meent men bijgeval, dat het officierscorps van enig ander land ter wereld op een dergelijke wijze de belangen van de natie voor een theoretisch "staatsgezag" zou hebben vergeten, als bij ons sedert vijf jaren natuurlijk, ja zelfs nog bijzonder verdienstelijk wordt geacht?

Nemen bijgeval niet beide kerkgenootschappen ten aanzien van het Joodse vraagstuk tegenwoordig een standpunt in, dat met de belangen van de natie al evenmin strookt, als met de werkelijke behoeften van de religie? Men vergelijke toch eens de houding van een Joodse rabbijn ten aanzien van alle kwesties, die van enige betekenis zijn voor het Joodse ras, met het standpunt dat verreweg het grootste gedeelte van onze geestelijkheid, en maar liefst van beide confessies, in zulk een geval ten aanzien van Duitse belangen inneemt. Dit verschijnsel doet zich bij ons overal voor, waar het gaat om de verdediging van een abstracte idee als zodanig. "Staatsgezag", "democratie", "pacifisme", "internationale solidariteit", enz. zijn allemaal begrippen, die bij ons bijna steeds tot zo starre, zuiver doctrinaire voorstellingen ontaarden, dat vraagstukken, die van algemeen levensbelang zijn voor onze natie, enkel nog van zulk een standpunt uit beschouwd worden.

Dit funeste systeem, om alle belangen alleen te beschouwen in het licht van een bepaalde vooropgezette mening, ontneemt iedere mogelijkheid, om zich subjectief te verplaatsen in een aangelegenheid, die objectief in tegenspraak is met de eigen doctrine en heeft tenslotte tot gevolg, dat men middel en doel volkomen verwisselt. Men zal zich verzetten tegen elke poging tot een nationale herstelrevolutie, wanneer men, om deze tot stand te brengen, eerst een slechte en schadelijke regering zou moeten verjagen, omdat dit een inbreuk zou zijn op het "staatsgezag" en omdat deze objectiviteitfanatici in het "staatsgezag" niet een middel zien, maar een doel, zo verheven, dat zij er hun gehele schamele leven mee kunnen vullen. Zo geredeneerd, zou men zich b.v. met verontwaardiging verzetten tegen iedere poging om een dictatuur te vestigen, zelfs indien haar drager een Frederik de Groote was, en de lieden, die deel uitmaakten van de parlementaire meerderheid van het ogenblik slechts miserabele nietsnutten of zelfs minderwaardige knechten waren, omdat voor zulk een man, die het leven vergeet om de principes, de wet van de democratie belangrijker en heiliger is dan de welvaart van de natie.

De een zal dus de slechtste dwingelandij, die zijn volk te gronde richt, beschermen, daar het "staatsgezag" op dat ogenblik in die dwingelandij belichaamd is, terwijl de ander zelfs de zegenrijkste regering afwijst, wanneer die niet overeenkomt met zijn opvatting van "democratie". Evenzo zal een Duitse pacifist zwijgen bij iedere onderdrukking van de natie, hoe bloedig ook, zelfs wanneer ze van de meest verfoeilijke militaire instituties uitgaat , indien een verandering van dit lot alleen te bereiken was door actieve weerstand, dus geweld, want dit zou immers in strijd zijn met de geest van zijn vredesvereniging. De internationalistische Duitse socialist echter mag de rest van de wereld solidair worden uitgeplunderd, hij zal dit steeds met broederlijke genegenheid blijven beantwoorden, en denkt niet aan vergelding of zelfs maar aan protest, omdat hij nu eenmaal een Duitser is. Dit moge te betreuren zijn, maar wanneer men een toestand wil wijzigen, moet men die eerst in zijn ware gedaante kunnen zien.

En ten aanzien van de slappe wijze waarop een deel van de clerus de Duitse belangen behartigde, kon ditzelfde worden gezegd. Dat is noch eigenlijke kwaadwilligheid, noch een gevolg van, laten wij zeggen, bevelen van "hogerhand", maar men moet zulk een gebrek aan nationale bewustzijn slechts zien als het gevolg van een opvoeding, die zich er enerzijds veel te weinig op toelegde, om van het kind een bewust Duitser te maken, terwijl ze anderzijds alles deed, om het onvoorwaardelijk te onderwerpen aan een idee, die tot een afgodsbeeld verstard was. De opvoeding tot democratie, tot internationalistisch socialisme, tot pacifisme, enz. is een zo starre, absolute (dus van hun standpunt zuiver subjectieve), dat daardoor ook de algemene wereldbeschouwing de invloed van deze dogmata ondergaat, terwijl de houding ten opzichte van hun volk immers van hun kinderjaren af zeer objectief was.

Zodoende zal de pacifist, terwijl hij zich geheel subjectief aan zijn idee geeft, bij ieder gevaar dat zijn volk bedreigt, hoe onverdiend en ernstig ook - maar dit natuurlijk alleen voor het geval hij een Duits pacifist is - altijd eerst gaan uitpluizen wie nu eigenlijk objectief gelijk heeft, en zal nimmer zijn eigen plaats in zijn eigen kudde innemen, om uit zuiver instinctieve drang tot zelfbehoud mee te vechten. Hoezeer dit ook voor de verschillende confessies opgaat, moge nog uit het volgende blijken. Het protestantisme behartigt uit zichzelf de Duitse belangen beter, voorzover dit tenminste in overeenstemming is met zijn ontstaan en met zijn later gegroeide traditie; het blijft echter in gebreke op het ogenblik, dat deze verdediging van nationale belangen zou moeten plaats hebben op een gebied, dat zijn wereldbeschouwing en zijn denksysteem en traditionele ontwikkeling hetzij ontbreekt, hetzij misschien om de een of andere reden wordt verworpen.

Zo zal het protestantisme steeds voor alles wat Duits is op de bres staan zolang het gaat om innerlijke reinheid of nationale verdieping, om de verdediging van de Duitse aard, de Duitse taal of de Duitse vrijheid, daar dit alles immers stevig in het protestantisme gegrondvest ligt; het bestrijdt echter dadelijk en met al zijn kracht iedere poging om de natie te redden uit de dodelijke omhelzing van haar ergste vijand, omdat de protestantse houding tegenover het Jodendom nu eenmaal tamelijk stevig in zijn dogmata is vastgelegd. Nu gaat het hier echter om een kwestie die van zo bijzonder groot belang is, dat alle pogingen om langs een andere weg een Duitse wedergeboorte of een verheffing te bereiken, volkomen zinloos en onmogelijk zijn en blijven. Ik bezat tijdens mijn verblijf in Wenen tijd en gelegenheid genoeg, om ook dit vraagstuk onbevooroordeeld te onderzoeken en kon daarbij nog in de dagelijkse omgang de juistheid van mijn opvatting duizendmaal vaststellen.

Hier, waar de meest uiteenlopende nationaliteiten vertegenwoordigd waren, bleek onmiddellijk ten duidelijkste, dat juist alleen de Duitse pacifist de belangen van de eigen natie steeds objectief tracht te zien, maar dat de Jood bijvoorbeeld nimmer die van het Joodse volk objectief beschouwt; dat alleen de Duitse socialist internationaal is in die zin, dat zijn principe hem verbiedt, om op andere wijze dan door klagen en janken voor zijn eigen volk gerechtigheid af te smeken bij zijn internationale kameraden, maar dat een Tsjech of een Pool zich nimmer tot een dergelijk standpunt zal laten verleiden; kortom, ik zag reeds destijds in, dat deze noodlottige toestand slechts voor een deel aan die doctrines zelf te wijten was, en dat de andere reden voor deze gang van zaken gezocht moest worden in de opvoeding, die ten enenmale te kort schiet in haar taak, waar het de bewustwording van het geloof in, en dus de toewijding aan het eigen volk betreft. Daarmee werd aan de Al-Duitse beweging het belangrijkste zuiver theoretische wapen in de strijd tegen het katholicisme uit de hand geslagen.

Wanneer de opvoeding van het Duitse volk er eenmaal op gericht zal zijn, om de staatsburger reeds van zijn prilste jaren af, uitsluitend de rechten van het eigen volk bij te brengen, om te voorkomen, dat reeds de harten van de kinderen, OOK wanneer het de handhaving van ons eigen ik betreft, door onze "objectiviteit" worden aangetast en bedorven, dan zal reeds na korte tijd blijken, dat, in Ierland, Polen en Frankrijk, ook in Duitsland de katholiek steeds Duitser zal zijn. Eerste voorwaarde is dan echter een radicaal nationalistische regering.

Het geweldigste bewijs hiervoor is echter geleverd door de jaren 1914 tot 1918, toen ons volk opnieuw was aangetreden voor de rechterstoel van de geschiedenis om op leven en dood voor zijn bestaan te vechten. De gehele tijd, dat destijds de leiding van bovenaf functioneerde, heeft het volk zijn plicht op overweldigende wijze vervuld. Het is voor een belangrijk gedeelte aan de zielenherders van beide kerkgenootschappen te danken, dat wij onze weerstandskracht zo lang ongebroken behielden, en dat niet alleen aan het front, maar ook achter de vuurlijn. In deze jaren en vooral bij het eerste oplaaien, bestond er werkelijk in beide kampen niets dan een heilig Duits Rijk, en voor het bestaan en de toekomst van dat rijk smeekte ieder op zijn eigen wijze de genade van de Hemel af. Een vraag had de Al-Duitse beweging in Oostenrijk zich ter beantwoording moeten voorleggen: Is het mogelijk of niet, dat het Duitse volk in Oostenrijk onder een katholiek geloof Duits blijft? Zo ja, dan mocht de politieke partij zich niet bekommeren om godsdienstige of confessionele vraagstukken; was het antwoord echter "nee", dan moest men een godsdienstige reformatie ontketenen en zeker nooit een politieke partij opzetten.

Wie meent, dat hij langs de omweg van een politieke organisatie tot een godsdienstige reformatie kan komen, levert daarmee het bewijs, dat hem zelfs het allergeringste inzicht in het ontstaan van godsdienstige voorstellingen of zelfs van geloofsleren en hun kerkelijke belichaming ten enenmale ontbreekt. Men kan hier werkelijk geen twee heren dienen. Waarbij ik dan toch de stichting of vernietiging van een godsdienst aanmerkelijk belangrijker acht dan de stichting of vernietiging van een staat, laat dus nog staan van een partij. Laat men nu niet komen met de bewering, dat de genoemde aanvallen slechts afweermaatregelen waren tegen aanvallen van de andere zijde! Ongetwijfeld zijn er te allen tijde gewetenloze kerels geweest, die er niet voor terugdeinsden, om ook de godsdienst aan hun politieke koehandel (want daar gat het bij zulke heerschappen bijna steeds en uitsluitend om) dienstbaar te maken; maar even zeker is het onjuist om de godsdienst of ook maar de confessie verantwoordelijk te stellen voor de daden van een aantal schoften, die hem ten bate van hun slechte instincten evenzeer misbruikten, als ze ook met alle mogelijke lagere en mindere dingen hadden gedaan.

Er is niets in zo'n parlementaire deugniet en dagdief meer welkom, dan dat men hem zodoende de gelegenheid geeft, om tenminste achteraf nog de rechtvaardiging te krijgen voor zijn politieke knoeierij. Want zodra men de godsdienst of de confessie verantwoordelijk stelt voor zijn persoonlijke slechtheid en ze daarom aanvalt, zet de leugenachtige kerel dadelijk een geweldige keel op en roept de hele wereld tot getuige om te zien, hoe gerechtvaardigd zijn optreden tot dusver was, en hoe de redding van godsdienst en kerk alleen te danken is aan hem en zijn welbespraaktheid. De even domme als vergeetachtige wereld wordt nu alleen door het hevige spektakel misleid, en herkent meestal de ware aanstoker van de strijd niet, of weet zich hem niet meer te herinneren, en de schavuit heeft daarmee dus eigenlijk zijn doel bereikt. Dat dit met godsdienst helemaal niets heeft uit te staan, dat weet zo'n sluwe vos heel goed; hij zal dus des te meer in zijn vuistje lachen, terwijl zijn eerlijke, maar onhandige tegenspeler het spel verliest, en zich tenslotte uit alles zal terugtrekken, met een hart vol twijfel aan de trouw en het geloof in de mensen.

Het zou echter ook in een ander opzicht zeer onrechtvaardig zijn, om de godsdienst als zodanig of zelfs de kerk verantwoordelijk te stellen voor de fouten van enkelingen. Indien men de grootheid van de uiterlijke organisatie in het licht van de algemeen menselijke onvolkomenheid beziet, dan zal men moeten toegeven, dat de verhouding van goed tot kwaad daarbij wel gunstiger is dan ergens anders. Ongetwijfeld zijn er ook onder de priesters zelf lieden te vinden, die hun heilig ambt slechts beschouwen als een middel om hun politieke eerzucht te bevredigen, en die in de politieke strijd op dikwijls meer dan treurige wijze vergeten, dat zij dan toch de hoeders van een hogere waarheid moesten zijn en niet de dragers van leugen en laster - maar tegen een zulk een onwaardige vinden wij toch ook weer duizend en meer zielenherders die hun zending niet hebben vergeten, die zich met trouw en toewijding aan hun werk geven en die als kleine eilandjes zijn in het algemene moeras van onze tijd, waar het AL leugen en verwording is, wat men ziet.

Evenmin als ik de kerk als zodanig veroordeel of mag veroordelen, wanneer al eens een minderwaardig sujet in priesterkleed op vuile wijze de wetten van de zedelijkheid overtreedt, evenmin kan ik of mag ik zulks doen, wanneer weer een ander van die duizenden zijn volk besmeurt en verraadt, en dat des te minder in een tijdperk, waar dit in het burgerlijk leven schering en inslag is. Vooral tegenwoordig moge men dan niet vergeten, dat tegenover een zo'n Ephialtes ook weer duizenden staan, die met bloedend hart het ongeluk van hun volk meevoelen en met de besten van onze natie snakken naar het uur, waarin de hemel ook ons weer eens zal toelachen, Wie echter hierop antwoordt, dat het hier niet gaat om kleine alledaagse problemen, maar dat het hier de kwestie is, of de principiële waarachtigheid of de dogmatische inhoud al dan niet aanwezig zijn, die kan men slechts het juiste antwoord geven door een andere vraag.

Gelooft u dat het noodlot u heeft uitverkoren, om hier de waarheid te verkondigen, doe dat dan; maar heb dan ook de moed, dit niet te willen doen langs de omweg van een politieke partij - want ook dit is oneerlijk en knoeierij - maar vorm dan in plaats van dat, wat u in het heden verafschuwt, het andere, wat u aan beters voor de toekomst draagt. Ontbreekt het u hiertoe aan moed, of is dat betere uzelf niet helemaal duidelijk, blijf er dan met uw handen af; probeer echter in ieder geval nooit, om langs de kronkelende paden van een politiek streven tersluiks datgene te bereiken, wat u niet met open vizier durft.

Politieke partijen hebben met godsdienstige problemen niets te maken, zolang deze niet van volksvreemde aard zijn, en als zodanig de zeden en de moraal van het eigen ras aantasten, terwijl anderzijds de godsdienst evenmin mag worden betrokken in partijgedoe. Indien kerkelijke waardigheidsbekleders zich bedienen van godsdienstige instellingen of leerstellingen om hun volk te schaden, dan mag men hen op deze weg nimmer volgen en hen nimmer met gelijke wapens bestrijden. Voor een politieke leider moeten godsdienstige leerstellingen en inrichtingen van zijn volk steeds onaantastbaar zijn, anders mag hij geen politicus zijn, maar moet reformator worden, indien hij daartoe de capaciteiten heeft. Een andere houding zou, vooral voor Duitsland, een ramp betekenen.

Bij de bestudering van de Al-Duitse beweging en haar strijd tegen Rome ben ik destijds en vooral in de loop van de latere jaren tot de volgende overtuiging gekomen: Het gebrek aan inzicht in de betekenis van het sociale vraagstuk, dat bij deze beweging bleek te bestaan, kostte haar de waarlijk strijdvaardige massa van het volk, haar parlementaire actie ontnam haar haar geweldige elan en belastte haar met al de zwakheden van deze instelling; de strijd tegen de katholieke kerk maakte haar bij vele middenstanders en kleine luiden onmogelijk en beroofde haar daarmee van een groot deel van de beste elementen, waarop de natie kon bogen. Het praktische resultaat van de Oostenrijkse "Kulturkampf" was bijna nihil. Wel slaagde men er in, om de kerk om en bij de 100.000 leden te ontrukken, maar zonder dat deze door dit verlies ook maar enige noemenswaardige schade ondervond. Zij behoefde over de verloren "schaapjes" werkelijk geen tranen te plengen, want zij verloor slechts wat reeds lang innerlijk niet meer bij haar behoorde. Dit was het verschil tussen de nieuwe reformatie en de vroegere: dat vroeger velen van de besten van de kerk zich van haar afkeerden uit innerlijke godsdienstige overtuiging, terwijl thans alleen diegenen, toe toch al lauw waren, haar verlieten, en dat wel uit "overwegingen" van politieke aard.

Maar juist politiek gezien was het bereikte resultaat even bespottelijk als diep treurig. Weer was een goede politieke beweging, die kans van slagenscheen te hebben gehad, voor de Duitse natie verloren gegaan, omdat zij niet geleid was met de nodige onvoorwaardelijke nuchterheid, maar zich op terreinen begaf, die eenvoudig tot versnippering moesten leiden. Want een ding staat vast: de Al-Duitse beweging zou deze fout nooit hebben begaan, wanneer zij ook maar het minste begrip had bezeten voor de ziel van de grote massa. Indien haar leiders hadden geweten, dat men om alleen maar de mogelijkheid te hebben om successen te boeken, reeds uit zuiver psychologische overwegingen de menigte nimmer twee of meer vijanden tegelijk mag wijzen, daar dit anders tot een volkomen versnippering van de strijdkrachten leidt, dan zou reeds om die reden de stootkracht van de Al-Duitse beweging slechts op een tegenstander gericht zijn. Niets is gevaarlijker voor een politieke partij, dan wanneer zij zich bij haar besluiten laat leiden door die bemoeiallen, die alles willen, zonder ooit maar het geringste te kunnen bereiken. Ook indien op de verschillende confessies werkelijk nog zoveel aan te merken ware, dan zou de politieke partij toch geen ogenblik uit het oog mogen verliezen, dat het in de loop van de gehele geschiedenis nog nimmer aan een zuivere politieke partij in een soortgelijke positie gelukt is, een godsdienstige hervorming tot stand te brengen.

Concentratie op een tegenstander

Men bestudeert echter de geschiedenis niet, om op het ogenblik, dat men er werkelijk gebruik van zal kunnen gaan maken, haar lessen vergeten te zijn, of te menen, dat de toestanden anders zouden zijn, en dat dus de eeuwige waarheden hun waarde zouden hebben verloren; nee, men leert juist geschiedenis, om de lessen en ervaringen van het verleden te leren kennen, opdat men uit de hiertoe geschikte gebeurtenissen lering voor het heden kan trekken. Wie hiertoe niet bij machte is, moet zich niet inbeelden, dat hij een politiek leider is, hij is in waarheid een oppervlakkige, en meestal ook verwaande sukkel, en al zijn goede wil kan het feit, dat hij in de praktijk waardeloos is, niet verontschuldigen. De kunst van alle waarlijk grote volksleiders bestaat toch altijd vooral ook daarin, dat zij de aandacht van een volk niet verdelen, maar integendeel altijd op een enkele tegenstander concentreren. Hoe eendrachtiger hier de dragende strijdbaarheid van een volk is, des te groter zal de magnetische aantrekkingskracht van zijn beweging zijn en des te geweldiger de kracht van de stoot. Een waarlijk groot en geniaal leider zal dan ook steeds er op uit zijn om zelfs tegenstanders, die weinig of niets met elkaar gemeen hebben, als strijders in 1 front voor te stellen, omdat het bewustzijn, dat er verschillende vijanden zijn, bij zwakke en wankelmoedige karakters maar al te gemakkelijk leidt tot een begin van twijfel aan de rechtvaardigheid van de eigen zaak.

De weg van de Christelijk-socialen

Zodra de steeds veranderlijke massa al te veel vijanden tegenover zich ziet, dan zal onmiddellijk de objectiviteit wakker worden en de vraag opwerpen, of het recht dan werkelijk alleen bij het eigen volk of de eigen beweging is. Daaruit ontstaat echter ook reeds de eerste verlamming van de eigen kracht. Daarom moet een veelvoud van innerlijk verschillende tegenstanders altijd samengevat worden, zodat het gros van de eigen aanhangers de indruk krijgt, alsof de strijd slechts tegen 1 vijand wordt gevoerd. Dit versterkt het geloof aan het eigen recht en verhoogt de verbittering tegen degene, die dat recht aantast. Dat de Al-Duitse beweging van die dagen dit niet begreep, kostte haar het succes. Haar doel was juist gezien, haar streven zuiver, de ingeslagen weg echter was fout, zij geleek op een bergbeklimmer, die de top welke hij wil bereiken, wel in het oog houdt, en zich ook met grote vastberadenheid en kracht op weg begeeft, maar aan die weg zelf geen aandacht schenkt, en, terwijl hij steeds de blik op het doel gericht houdt, de hoedanigheid van de helling niet ziet en niet onderzoekt, en daardoor tenslotte toch nog faalt. Bij haar grote mededingster, de Christelijk-sociale partij, scheen de toestand wel een geheel andere te zijn. De weg die zij insloeg, was verstandig en juist gekozen, maar wat haar ontbrak was de werkelijke doelbewustheid.

Bijna op alle punten, waar de Al-Duitse beweging tekortschoot, was het optreden van de Christelijk-sociale partij juist en oordeelkundig. Zij besefte voldoende de betekenis van de massa en verzekerde zich tenminste van een deel daarvan, door van de eerste dag af openlijk de nadruk te leggen op haar sociaal karakter. Doordat zij er zich metterdaad op toelegde, om de kleine en kleinste midden- en handwerkerstand op haar hand te krijgen, verwierf zij een even volhardende als offervaardige volgelingen. Zij vermeed iedere strijd tegen godsdienstige inrichtingen en verzekerde zich daardoor van de steun van een zo machtige organisatie, als de kerk nu eenmaal is. Zij bezat dientengevolge ook maan 1 enkele waarlijk grote tegenstander. Zij zag de waarde van een groots opgezette propaganda zeer goed in en wist op waarlijk virtuoze wijze de instincten en gevoelens van het gros van haar aanhangers te bespelen. Dat niettemin ook zij het verlangde doel, de redding van Oostenrijk, niet wist te bereiken, lag aan twee fouten in haar methode en in de vaagheid van haar doel zelf.

Het antisemitisme van deze nieuwe beweging was niet gebaseerd op enig inzicht in de rassenkwestie, maar zocht zijn grondslagen op godsdienstig terrein. De reden, waarom deze fout was ingeslopen, was dezelfde, die ook de tweede dwaling veroorzaakte. Wanneer de Christelijk-sociale partij Oostenrijk wilde redden, dan mocht zij, naar de mening van haar stichters, geen racistisch standpunt innemen, omdat dit anders binnen korte tijd de volkomen ontbinding van de staat ten gevolge zou hebben moeten nemen. Vooral echter de toestand in Wenen zelf vereiste, naar de leiders van de partij meenden, dat men alles wat scheidde zoveel mogelijk wegwerkte, om op alles wat verenigde beter de nadruk te kunnen leggen. Wenen telde in deze tijd reeds zoveel vreemdelingen, vooral Tsjechen, onder haar inwoners, dat alleen de grootste verdraagzaamheid met betrekking tot alle rassenkwesties in staat zou kunnen zijn om al deze groepen binnen een niet absoluut anti-Duits partijverband te houden.

Wilde men Oostenrijk redden, dan mocht men geen afstand doen van deze staatsburgers. Daarom trachtte men vooral de zeer talrijke Tsjechische ambachtslieden in Wenen te winnen door de strijd tegen het Manchesterse Liberalisme, en meende daarnaast, dat de strijd op godsdienstige grondslagen tegen het Jodendom een leus was, sterk genoeg om al de verschillen tussen de diverse volkeren van oostenrijk te overbruggen. Dat een bestrijding op zo'n basis de Joden slechts betrekkelijk geringe zorg baarde, ligt voor de hand. In het uiterste geval kon een scheut doopwater immers nog altijd en de negotie en het Jodendom redden. Die oppervlakkige motivering was natuurlijk ook reden, dat het nimmer tot een ernstige wetenschappelijke behandeling van het gehele probleem kwam, en dat men daardoor maar al te velen moest afstoten, voor wie dit antisemitisme onbegrijpelijk was. Hierdoor oefende de idee eigenlijk alleen aantrekkingskracht uit op de kringen van de eenvoudigen, en natuurlijk op de enkeling, die langs de weg van een zuiver instinctieve drang tot werkelijk inzicht wilde komen.

Antisemitisme op religieuze basis

Het intellect stond er principieel afwijzend tegenover. Zodoende begon het er meer en meer naar uit te zien, alsof het hier uitsluitend ging om een nieuwe poging tot bekering van Joden of zelfs om een vorm van concurrentie. Daarmee echter verloor de strijd het kenteken van een innerlijke en hogere wijding en scheen velen - waarlijk niet de slechtste - immoreel en verwerpelijk toe. De overtuiging ontbrak, dat het hier ging om een levenskwestie voor de gehele mensheid, om een kwestie, die zo belangrijk was, dat het lot van alle niet-joodse volkeren afhankelijk was van de oplossing, die er voor werd gevonden. Door deze halfslachtigheid verloor de antisemitische houding van de Christelijk-sociale partij haar waarde. Het was schijnantisemitisme, dat bijna erger was dan helemaal geen; want hierdoor waande men zich veilig, denkend, dat men de vijand stevig te pakken had, terwijl men in werkelijkheid zelf bij de neus genomen werd.

De Jood had zich echter reeds na korte tijd ook aan dit soort antisemitisme zo aangepast, dat het verdwijnen ervan hem meer benadeeld zou hebben, dan het bestaan ervan hem hinderde. Was men hier reeds gedwongen, om ter wille van de nationaliteitenstaat zijn principe geweld aan te doen, dit was nog veel meer het geval, waar het 't Duitse bewustzijn en de uiting daarvan betrof. Men kon niet meer "nationalistisch" zijn, wanneer men niet in Wenen zelf de grond onder de voeten wilde verliezen. Men hoopte, door conciliant en voorzichtigjes om deze kwestie heen te draaien, de staat van de Habsburgers nog te kunnen redden en zag niet , dat men hem juist daardoor in het verderf stortte. Op die manier verspeelde de beweging echter die geweldige bron van krachten, die tenslotte als enige in staat is om een politieke partij met innerlijke stuwkracht te laden. De Christelijk-sociale beweging werd juist daardoor tot een partij als alle andere.

Al-Duitsers en Christelijk-socialen

Ik heb beide bewegingen destijds van zeer nabij gevolgd, de ene, omdat haar hart klopte als het mijne, de andere uit diepe bewondering voor de buitengewone man, die ik reeds destijds zag als een bitter symbool van de gehele Duitse strijd in Oostenrijk. Toen de geweldige lijkstoet van de dode burgemeester wegbracht van het raadhuis in de richting van de Ringstrasse, bevond ook ik mij onder de vele honderdduizenden, die het treurspel gadesloegen. Mijn gevoel zei mij reeds destijds - en dit weten ontroerde mij diep - dat ook het werk van deze man vergeefs moest zijn door de noodlottige samenloop van omstandigheden, die deze staat onbetwistbaar naar de ondergang zou leiden. Indien Dr. Karl Lueger in Duitsland had geleefd, dan zou hij een plaats hebben ingenomen onder de grootsten van ons volk.

Toen hij stierf, lekten op de Balkan de vlammetjes reeds van maand tot maand gretiger op, zodat het noodlot, toen het hem het leven ontnam, eigenlijk alleen zo genadig was, om hem de aanblik te besparen van datgene, wat hij steeds nog had gemeend, te kunnen voorkomen. Ik echter trachtte de oorzaken voor het tekortschieten van de ene beweging en het mislukken van de andere op te sporen; en dit bracht mij tot de vaste overtuiging, dat, geheel afgezien van het feit, dat het onmogelijk was, om in het oude Oostenrijk nog een versteviging van de staat te bereiken - de fouten van de beide partijen de volgende waren.

De Al-Duitse beweging had een juiste principiële kijk op het doel van de Duitse vernieuwing; zij was echter ongelukkig in de keuze van haar middelen. Zij was nationalistisch, maar helaas niet sociaal genoeg om de massa te winnen. Haar antisemitisme echter berustte op het juiste inzicht in de betekenis van het rassenvraagstuk en niet op godsdienstige denkbeelden. Ze beging echter met haar bestrijding van een bepaald kerkgenootschap een grote en tactische fout. De Christelijk-sociale beweging bezat slechts vage begrippen omtrent het doel van een Duitse wedergeboorte, maar had geluk en gebruikte haar verstand bij het zoeken van haar weg als partij. Zij begreep de betekenis van de sociale kwestie, maar dwaalde in haar strijd tegen het Jodendom en had niet het minste idee van de kracht van de nationale gedachte. Indien de Christelijk-sociale partij naast haar scherpzinnige psychologie van de grote massa, nog een juist begrip had bezeten van de betekenis van het rassenprobleem, zoals de Al-Duitse beweging gegeven was, en indien zij tenslotte zelf nationalistisch geweest zou zijn, of indien de Al-Duitse beweging bij haar juiste inzicht in het doel van het Joodse vraagstuk en de betekenis van de nationale gedachte nog de knappe strategie van de Christelijk-sociale partij overgenomen had, vooral echter haar standpunt ten opzichte van het socialisme, dan zou daaruit die beweging gegroeid zijn, die mijns inziens reeds destijds met succes in het Duitse noodlot had kunnen ingrijpen.

Groeiende afkeer tegen de Habsburgse staat

Dat dit niet gebeurde, lag echter voor verreweg het grootste gedeelte aan het karakter van de Oostenrijkse staat. Omdat ik mijn overtuiging in geen enkele andere partij belichaamd zag, kon ik er ook later niet toe besluiten lid te worden van een van de bestaande organisaties of zelfs om mee te strijden. Ik achtte reeds destijds alle politieke bewegingen principieel uit den boze en meende, dat ze zeker niet in staat zouden zijn, om de nationale wedergeboorte van het Duitse volk over de gehele linie en zowel uiterlijk als innerlijk tot stand te brengen. Mijn diepe afkeer van de Habsburgse staat echter groeide in deze tijd steeds meer. Hoe meer ik mij vooral ook ging bezighouden met de vraagstukken van de buitenlandse politiek, des te meer won de overtuiging bij mij veld, dat dit staatsgebouw eenvoudig noodlottig moest zijn voor het Duitse volk. En tenslotte zag ik ook steeds duidelijker in, dat het lot van de Duitse natie niet meer van hieruit zou worden beslecht, maar in het Rijk zelf.

Dit gold echter niet alleen voor algemeen politieke vraagstukken, maar eveneens voor alle facetten van het gehele culturele leven, van welke aard deze ook mochten zijn. De Oostenrijkse staat vertoonde ook hier op zuiver cultureel of artistiek gebied alle tekenen van verslapping, of gaf op zijn minst blijk, dat hij ook hierin waardeloos was voor de Duitse natie. Dit gold wel in het bijzonder voor de architectuur. De nieuwe bouwkunst kon reeds daarom in Oostenrijk niet tot bijzondere grote successen leiden, omdat de opdrachten na de voltooiing van de Ringstrasse tenminste in Wenen slechts nog van onbeduidende aard waren in vergelijking met de in Duitsland opkomende plannen. Zo begon ik steeds mee een dubbel leven te leiden; mijn verstand en de werkelijkheid dwongen mij in Oostenrijk een even bittere als nuttige school te doorlopen; maan mijn hart was elders. Toen ik meer en meer de dolheid van deze staat had leren kennen, en tevens had ingezien, dat het onmogelijk was om hem nog te redden, terwijl ik daarnaast met onwrikbare stelligheid wist, dat hij nooit en nergens meer iets anders dan een ramp voor het Duitse volk kon betekenen, had er zich een drukkende benauwing van mij meester gemaakt.

Oostenrijk, een oud mozaïek

Ik was overtuigd, dat deze staat enerzijds iedere waarlijk grote Duitser evenzeer moest benauwen en hinderen, als hij anderzijds iedere niet-Duitse figuur ten dienste zou staan. Dit mengelmoes van rassen, dat het dagelijks gezicht van de hoofdstad van het Rijk vertoonde, stuitte mij tegen de borst, en evenzeer deze gehele lappendeken van volkeren met zijn Tsjechen, Polen, Hongaren, Roethenen, Serven, Kroaten, enz., en midden daartussen natuurlijk als de eeuwige splijtzwam der mensheid - Joden en nog eens Joden. Mij scheen deze reuzenstad de belichaming van de bloedschande te zijn. Het Duits van mijn jeugd was het dialect, dat men ook in Neder-Beieren spreekt; ik kon het niet weer vergeten, noch het Weense jargon aanleren. Hoe langer ik in deze stad vertoefde, des te meer groeide mijn haat tegen dat vreemde volkerenmengsel, dat dit oudste heiligdom van de Duitse cultuur begon aan te tasten en te vernietigen. De gedachte echter, dat deze staat voor langer tijd behouden zou zijn. Leek mij gewoonweg belachelijk.

Oostenrijk leek destijds veel op een oud mozaïek, waarvan de lijm, die de verschillende deeltjes bijeenhoudt, oud en korrelig geworden is, zolang het kunstwerk niet wordt aangeraakt, kan het nog langer de schijn wekken alsof het inderdaad nog een sterk geheel vormt; zodra het echter een stoot krijgt, valt het in duizend scherven uiteen. De vraag was dus alleen maar, wanneer die stoot zou komen.

Daar mijn hart nimmer klopte voor een Oostenrijkse monarchie, maar altijd alleen voor een Duits rijk, kon ik het ogenblik, dat deze staat ineenstortte, niet anders zien dan het begin van de verlossing van de Duitse natie. Door al deze redenen werd mijn verlangen steeds sterker, om eindelijk eens naar het land te gaan, dat mij steeds van mijn vroegste kinderjaren had aangetrokken - iets, waarvan mijn geheime wensen en mijn verzwegen liefde konden getuigen. Ik hoopte eenmaal als bouwmeester naam te maken en als zodanig de kleine of de grote taak, die het lot mij zou toebedelen, naar mijn beste krachten te volbrengen, en zo dienstbaar te zijn aan mijn natie. Tenslotte echter wilde ik het geluk deelachtig worden, om daar te mogen wonen en werken, van waaruit een stoot zou komen, waardoor ook mijn innigste hartenwens in vervulling zou gaan: de aansluiting van mijn geliefd geboorteland bij het gemeenschappelijk vaderland, het Duitse Rijk.

Velen zullen de grootte van zo'n verlangen ook heden nog niet kunnen begrijpen, maar ik wend mij tot allen, die niet in een eigen vaderland leven - zij het, dat het lot hun totnogtoe dit geluk heeft geweigerd, zij het, dat het in zijn bittere wreedheid hun dit weer ontroofde; ik wend mij tot al degenen, die, buiten hun vaderland, zelf voor het heilige goed van de taal moeten vechten, die wegens hun trouw aan het vaderland vervolgd en gepijnigd worden, en die nu met smartelijke ontroering naar het uur verlangen, waarop zij weer in de armen van hun dierbare moeder kunnen terugkeren. Ik wend mij tot al deze en weet, dat zij mij zullen begrijpen! Alleen hij, die zelf aan eigen hart en ziel ondervindt wat het zeggen wil, Duitser te zijn en toch buiten zijn geliefde vaderland te moeten wonen, is in staat, de diepte van dit verlangen te peilen, dat te allen tijde brandt in het hart van de kinderen die gescheiden zijn van het moederland. Dat verlangen blijft al diegenen martelen, die het eens hebben voelen schrijnen, en het weigert hun zolang iedere tevredenheid en ieder geluk, tot de poorten van het vaderland opengaan en in het gemeenschappelijke rijk het gemeenschappelijke bloed wederom vrede vindt en rust.

De school, die "leven" heet

Wenen was en bleef echter voor mij de moeilijkste, zij het dan ook de beste school van mijn leven. Toen ik deze stad voor het eerst betrad, was ik nog half een jongen; toen ik haar verliet, was ik een zwijgend en ernstig man. Hier waren voor mij de grondslagen gelegd van een wereldbeschouwing voor het grotere en een politieke zienswijze voor het meer simpele leven, welke ik later alleen nog in enkele onderdelen moest aanvullen; maar in hoofdzaak zijn die grondslagen van toen, mijn grondslagen van heden. Ik ben uit de aard van de zaak eerst heden ten dage bij machte, om de leerjaren, welke ik toen doormaakte, op hun juiste waarde te schatten. Daarom heb ik deze tijd wat uitvoeriger behandeld, omdat hij mij juist het eerste aanschouwelijk onderwijs gaf, en daarmee het antwoord op die vraagstukken, die mede de reden van bestaan en de basis zijn voor de partij, die zo klein is begonnen, en die in de loop van nauwelijks vijf jaren begonnen is zich tot een massabeweging te ontwikkelen.

Ik weet niet, hoe mijn houding ten opzichte van Jodendom, sociaal-democratie - of beter gezegd, het gehele marxisme - van de sociale kwestie, enz. heden zou zijn, indien er niet reeds op zo jeugdige leeftijd een fundament van persoonlijke meningen gevormd was, onder de dwang van het noodlot en door eigen studie. Want al kan het ongeluk van ons vaderland ook duizenden en nog eens duizenden tot nadenken brengen over de innerlijke oorzaken van deze ineenstorting, toch kan dit nimmer leiden tot die grondigheid en dat dieper inzicht, welke het deel zijn van hem die zelf eerst na jarenlang worstelen meester werd over zijn eigen lot.

Vierde Hoofdstuk / München

In de lente van het jaar 1912 kwam ik voorgoed naar München. De stad zelf was mij reeds zo goed bekend, alsof ik al jarenlang binnen haar muren had vertoefd. Dit kwam door mijn studie, die mij immers op elke bladzijde sprak over deze stad, waar het hart van de Duitse kunst klopte. Men heeft niet alleen Duitsland niet gezien, als men München niet kent, nee, men kent vooral de Duitse kunst niet, als men nimmer München zag. In elk geval was deze tijd voor de oorlog ('14-'18) de gelukkigste en verreweg de rustigste van mijn leven. En al waren mijn verdiensten nog altijd zeer karig, dat was niet erg, ik leefde immers niet, om te kunnen schilderen, maar ik schilderde alleen, om daardoor te kunnen leven, beter gezegd, om mij verdere studie te kunnen veroorloven. Ik was overtuigd, dat ik het gestelde doel toch eenmaal zou bereiken, en dit alleen maakte al, dat ik alle kleinere dagelijkse zorgen en beslommeringen gemakkelijk en onbekommerd kon verdragen.

Daarbij kwam echter nog mijn grote liefde voor deze stad - een liefde, groter dan voor enig andere plaats, mij bekend - die mij reeds dadelijk, van het heerste ogenblik van mijn verblijf daar ter stede, vervulde. Een Duitse stad! Welk een verschil met Wenen! Ik voelde walging in mij opkomen, wanneer ik ook maar even terugdacht aan deze Babylonische rassenverwarring. Daarbij kwam, dat het Münchener dialect veel op het mijne leek, en mij, vooral in de omgang met Neder-Beieren, dikwijls aan mijn jeugd herinnerde. Er waren hier wel duizend en meer dingen, die mij van harte lief en dierbaar waren of werden. Wat mij echter het meeste trof, was de wonderbaarlijke wijze, waarop een sterke oerkracht zich hier paarde aan een fijne kunstzinnige sfeer, en hoe de vruchten van deze schone verbintenis zich in een ononderbroken lijn van het Hofbräuhaus tot het Odeon en van het Oktoberfest tot de Pinakothek vertoonden. Dat ik heden zo gehecht ben aan deze stad, meer dan aan enige andere plek ter wereld, is wel mede, omdat zij met de ontwikkeling van mijn eigen leven zozeer samengegroeid is en blijft.

Duitslands onjuiste bondgenootschappolitiek

Dat ik echter reeds toentertijd het geluk van een waarlijk innerlijke tevredenheid smaakte, had ik alleen te danken aan de bekoring, die de prachtige residentie van het Wittelsbacher koningshuis moet uitoefenen op ieder mens, die niet enkel een berekenend verstand, maar ook een ontvankelijk gemoed gegeven is. Wat mij buiten mijn dagelijkse werk het meest aantrok, waren ook hier weer de politieke gebeurtenissen van de dag, en wel in het bijzonder die, welke de buitenlandse politiek betroffen. Ik was op dit gebied opmerkzaam gemaakt door de Duitse bondgenootschappolitiek, welke ik sinds mijn Oostenrijkse tijd absoluut onjuist had geacht. Maar toch was het in Wenen nog niet geheel tot mij doorgedrongen, hoezeer het Rijk hier zichzelf bedroog. Ik was destijds geneigd, om te veronderstellen - misschien ook gebruikte ik die mening enkel als verontschuldiging voor mijzelf - dat men misschien in Berlijn wel heel goed wist, hoe zwak en onbetrouwbaar de bondgenoot in werkelijkheid zou blijken te zijn, maar dat men om meer of minder geheimzinnige reden dit inzicht verzweeg, teneinde een bondgenootschappolitiek te kunnen handhaven, die Bismarck zelf immers was begonnen en welke natuurlijk niet plotseling mocht worden afgebroken, alleen reeds om het buitenland, dat steeds op de loer lag, niet op te schrikken, of de kleine burgerman binnen de eigen grenzen te verontrusten.

Maar naarmate ik de mensen, en vooral de man uit het volk, meer van nabij leerde kennen, moest ik tot mijn ontzetting al spoedig inzien, dat deze veronderstelling onjuist was. Tot mijn verbazing moest ik overal constateren, dat zelfs kringen, die overigens goed waren ingelicht, niet het minste idee hadden van de ware toestand van het rijk van de Habsburgers. Juist onder het volk verkeerde men algemeen in de waan, dat deze bondgenoot een werkelijk grote mogendheid was, die iets betekende, en die in die tijd van nood ongetwijfeld dadelijk haar man zou staan. De grote massa zag de monarchie nog steeds voor een "Duitse" staat aan, en meende daarop dan ook te kunnen bouwen. Men was van mening, dat ook hier de kracht naar het aantal millioenen, vergeleken met het aantal inwoners van Duitsland zelf, kon worden berekend, en vergat helemaal, dat ten eerste Oostenrijk reeds lang had opgehouden een Duits staatslichaam te zijn, dat echter ten tweede de inwendige verhoudingen dagelijks de integriteit van dit rijk meer aantastten.

Ik had destijds deze kunstmatige staat beter doorzien dan ze zogenaamde officiële "diplomatie", die, zoals bijna altijd, met gesloten ogen in het ongeluk liep; want de mening van het volk was altijd slechts een uitvloeisel van hetgeen men van bovenaf aan de publieke opinie oplegde. Van bovenaf verafgoodde men de bondgenoot echter als het gouden kalf. Men dacht blijkbaar door beminnelijkheid goed te kunnen maken, wat aan oprechtheid ontbrak, en telde daarbij ieder minzaam woord voor een ernstige en belangrijke daad. Reeds in Wenen steeg mij van woede het bloed naar het hoofd, wanneer ik het contrast zag, dat er van tijd tot tijd tussen de redevoeringen van de officiële staatslieden en de inhoud van de Weense pers zichtbaar werd. Daarbij was Wenen echter toch nog een Duitse stad, in schijn althans. Maar het zag er nog heel wat donkerder uit, wanneer men van Wenen, of beter van Duits-Oostenrijk uit, in de Slavische provinciën van het rijk kwam. Men behoefde slechts een Praagse krant op te slaan, om te weten te komen, hoe de gehele verheven acrobatiek van het Drievoudig Verbond - tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië - aldaar beoordeeld werd. Daar had men voor dit "meesterwerk van staatsmanskunst" niets meer over dan bijtende spot en hoon. Men maakte in volle vredestijd, juist op het ogenblik dat de beide keizers elkaar vriendschapskussen op het voorhoofd drukten, er geen geheim van, dat dit bondgenootschap afgelopen zou zijn op dezelfde dag, waarop men zou proberen, om het uit zijn romantisch waas van Nibelungenideaal over te brengen in de praktische werkelijkheid.

Wat heeft men zich een paar jaren later niet opgewonden, toen eindelijk het uur geslagen had, dat de bondgenootschappen op de proef werden gesteld en Italië de Drievoudig Verbond aan zijn laars lapte en zijn beide bondgenootschappen in de steek liet, ja tenslotte de wapens tegen hen opnam. Dat men vroeger ook maar een minuut had kunnen geloven, dat Italië gemeenschappelijk met Oostenrijk in de strijd zou gaan, moest iedereen, die niet volkomen met diplomatieke blindheid geslagen was, totaal onbegrijpelijk voorkomen. Maar met Oostenrijk zelf ging het immers precies net zo. De enigen, die in Oostenrijk het bondgenootschap sterkten en het levend hielden, waren de Habsburgers en de Duitsers. De Habsburgers uit berekening en noodzaak, de Duitsers uit goedgelovigheid en politieke domheid. Uit goedgelovigheid, omdat zij meenden, door het Drievoudig Verbond aan het Duitse Rijk zelf een grote dienst te bewijzen en hierdoor het Rijk te helpen versterken en beveiligen; uit politieke domheid echter, omdat enerzijds het eerste, wat zij wilden bereiken, in het geheel niet gebeurde, maar zij integendeel door dit verbond meehielpen, het Rijk vast te ketenen aan een staatkundig lijk, dat beiden in de afgrond moest sleuren; anderzijds vooral echter, omdat zij immers zelf door dit bondgenootschap steeds meer hun eigen Duitse volkskarakter dreigden te verliezen.

Want doordat de Habsburgers, en helaas terecht, meenden, dat hun bondgenootschap met het Rijk hen vrijwaarde voor een inmenging van die zijde, wisten zij hun binnenlandse politiek, die de langzame terugdringing van het Duitse element ten doel had, reeds aanmerkelijk gemakkelijker en met minder risico door te voeren. Niet alleen, dat men door de bekende "objectiviteit" een protest van de kant van de Duitse regering in het geheel niet behoefde te vrezen, maar men kon ook het Duits-Oostenrijkse volk onmiddellijk tot zwijgen brengen door iedere keer, dat het eventueel tegen een al te schurkachtige manier van Slavisering zou willen protesteren, eenvoudig op het bondgenootschap te wijzen. Wat kon de Duitser in Oostenrijk dan nog doen, wanneer de Duitsers in het Rijk zelf aan de regering van de Habsburgers hun waardering en vertrouwen betuigden? Moest hij tegenstand bieden, en in het oog van de gehele Duitse openbare mening als verrader aan zijn eigen volk worden gebrandmerkt? En dat juist hij, die al tientallen van jaren lang de zwaarste en moeilijkste offers voor dat volk had gebracht!

Welke waarde kon dit bondgenootschap echter nog hebben, wanneer het Duitse karakter van de Habsburgse monarchie afgebroken en vernietigd zou zijn? Was de waarde van het Drievoudig Verbond voor Duitsland niet juist gelegen in het behoud van een Duits overwicht in Oostenrijk? Of meende men werkelijk, dat ook een Slavisch Habsburgs rijk nog als bondgenoot te aanvaarden was? Het standpunt van de officiële Duitse diplomatie, evenals dat van de gehele openbare mening ten opzichte van het Oostenrijkse binnenlandse nationaliteitenprobleem, was al niet meer dom, maar eenvoudigweg waanzinnig. Men bouwde op een bondgenootschap, baseerde daarop de toekomst en de veiligheid van een volk van 70 millioen zielen, en keek rustig toe, hoe de enige grondslag, die dit verbond aan de andere zijde bezat, van jaar tot jaar stelselmatig en heel zeker vernietigd werd. Op zekere dag moest er dan een "verdrag" met de Weense diplomatie overblijven, maar de hulp van de bondgenoot zelf zou verloren zijn. Bij Italië was dit reeds dadelijk van de aanvang af het geval. Indien men in Duitsland maar wat beter de geschiedenis had bestudeerd, en wat aan de volkerenpsychologie had gedaan, dan zou men wel geen heel uur hebben kunnen geloven, dat het Quirinaal en de Weense Hofburg ooit in een gemeenschappelijk strijdfront zouden staan.

Italië zou immers eerder tot een vulkaan zijn geworden, dan dat een regering het had durven wagen, om aan de zo fanatiek gehate staat van de Habsburgers ook maar een enkele Italiaan op het slagveld ter beschikking te stellen, behalve dan als vijand. Ik heb te Wenen meer dan eens de hartstochtelijke verachting en de bodemloze haat, welke de Italiaan voor de Oostenrijkse staat voelde, zien uitbarsten. Het huis Habsburg had zich in de loop van de eeuwen te zeer aan de Italiaanse vrijheid en onafhankelijkheid vergrepen, dan dat dit uit het geheugen weggeveegd had kunnen worden, ook indien de wil daartoe zou hebben voorgezeten. Die wil was echter helemaal niet aanwezig, noch in het volk, noch bij de Italiaanse regering. Voor Italië bestonden er dan ook maar twee mogelijkheden om met Oostenrijk samen te leven: of een bondgenootschap, of oorlog. Men koos het eerste en kon zich daardoor rustig op het tweede voorbereiden.

Vooral sinds de verhouding van Oostenrijk tot Rusland kennelijk steeds meer op een gewelddadige oplossing aanstuurde, was de Duitse bondgenootschappolitiek even zinloos als gevaarlijk geworden. Dit was een klassiek geval, waaraan met het ontbreken van iedere grote en juiste lijn in het denken duidelijk kan aantonen. Waarom sloot men dan eigenlijk een verbond? Toch zeker alleen om de toekomst van het Rijk beter te kunnen waarborgen dan zonder hulp van buiten het geval zou zijn geweest?! Deze toekomst van het Rijk echter was toch niets anders dan het vraagstuk, hoe de levensmogelijkheden van het Duitse volk het best in stand gehouden kunnen worden. Zodoende kon de vraag dan ook alleen maar luiden: hoe moet het leven van de Duitse natie zich in de nabije toekomst ontwikkelen. En hoe kan men dan de benodigde grondslagen en de vereiste veiligheid voor deze ontwikkelingen waarborgen binnen het kader van de algemene Europese machtsverhoudingen? Wanneer men nu de noodzakelijke richtlijnen voor de Duitse buitenlandse politiek scherp en onbevooroordeeld bezag, dan moest men tot de volgende overtuiging komen: Duitsland heeft een jaarlijkse bevolkingsaanwas van bijna 900.000 zielen. De moeilijkheid, om dit leger van nieuwe staatsburgers te voeden, moet van jaar tot jaar groter worden en zal tenslotte op een catastrofe moeten uitlopen, zo men geen middelen weet te vinden, om bijtijds het gevaar van een algehele verkommeren door de honger te voorkomen.

Vier mogelijkheden voor de Duitse politiek

Er waren vier mogelijkheden, om aan zo'n ontzettende toekomstige ontwikkeling te ontkomen.

1

Men kon, naar Frans voorbeeld, de toename van de geboorten kunstmatig beperken en zodoende de overbevolking tegengaan. De natuur zelf pleegt immers in tijden van grote nood of bij een zeer slecht klimaat, en ook bij karige bodemopbrengst, over te gaan tot beperking van de bevolkingstoename van bepaalde landen of rassen; dan wel op een even wijze als meedogenloze manier. Zij belemmert niet de vruchtbaarheid zelf, wel echter het voortbestaan van het verwekte, doordat zij dit aan zo zware beproevingen en ontberingen onderwerpt, dat alles, wat minder sterk en minder gezond is, gedwongen wordt, weer in de schoot van het eeuwig onbekende terug te keren. Wat zij dan niettemin de hardheden van het bestaan laat overleven, is duizendvoudig beproefd, gehard en goed geschikt om weer verder voort te telen, opdat de grondige selectie weer van voren af aan kan beginnen. Doordat zij zodoende hardhandig te werk gaat tegenover de enkeling en hem ogenblikkelijk weer tot zich roept, zodra hij tegen de storm des levens niet opgewassen blijkt, houdt zij het ras en de soort krachtig, ja voert die kracht op tot de hoogste prestaties.

Daardoor vormt echter de vermindering van het aantal een versterking van ieder individu afzonderlijk, en dus tenslotte een versterking van de soort. Anders wordt het, wanneer de mens zelf tracht, een beperking van zijn aantal teweeg te brengen. Hij is niet uit hetzelfde hout gesneden als de natuur, hij is "humaan". Hij weet het beter dan deze wrede koningin van alle wijsheid. Hij beperkt niet het voortbestaan van de enkeling, maar juist de voorplanting zelf. Dit schijnt hem, die immers altijd alleen zichzelf en nooit zijn ras ziet, menselijker en rechtvaardiger, dan de andere weg. Maar helaas zijn ook de gevolgen anders. Terwijl de natuur, doordat zij de voortplanting vrijlaat, maar het voortbestaan aan een zeer zware proef onderwerpt, uit een zeer groot aantal individuen de besten uitzoekt als waardig om te blijven leven, deze dus alleen behoudt en zodoende maakt, dat het voortbestaan van de soort in hun handen ligt, beperkt de mens de voorplanting, zorgt er echter krampachtig voor, dat ieder wezen, dat nu eenmaal geboren is, tot iedere prijs ook in leven blijft. Deze correctie op de goddelijke wil schijnt hem even wijs als humaan te zijn, en hij verheugd zich, dat hij weer een kans heeft gezien de natuur te overtroeven, en haar onvolmaaktheid te bewijzen.

Dat in werkelijkheid het aantal is verkleind, maar daardoor ook de waarde van de enkeling verminderd werd, dat wil de grote wijze mens, die de Alvader na-aapt, liever maar niet zier of horen. Want zodra de voortplanting als zodanig eenmaal beperkt en het aantal geboorten verminderd wordt, zal men zien, dat de natuurlijke strijdt om het bestaan, die alleen de allersterkste en allergezondste in leven laat, wordt vervangen door de vanzelfsprekende wens, om ook het zwakste en ziekelijkste tot iedere prijs te "redden", waarmee de grondslag wordt gelegd voor een nakomelingschap, die steeds erbarmelijker moet worden narmate deze bespotting van de natuur en van haar wil aanhoudt. Het zal er tenslotte op uitlopen, dat op zekere dag aan zulk een volk het bestaan op deze aarde ontnomen zal worden; want de mens kan wel een zekere tijd lang de eeuwige wetten van de bestaanswil trotseren, maar dit wreekt zich vroeger of later toch. Een sterker geslacht zal de zwakken verjagen, omdat de levensdrang uiteindelijk al die bespottelijke schuttinkjes en hekjes en heilige huisjes van een z.g. humaniteit-van-de-enkeling steeds weer zal stukbreken, om die te vervangen door de humaniteit van de natuur, welke het zwakke vernietigt om de vrijgekomen plaats aan de sterke te schenken. Wie dus het voortbestaan van het Duitse volk wil waarborgen door het zelf zijn vermeerdering te laten beperken, berooft het van zijn toekomst.

2

Een tweede weg zou die zijn , welke wij ook tegenwoordig weer zeer dikwijls horen voorstellen en aanprijzen: de binnenlandse kolonisatie. Dit is een voorstel, dat velen zeer goed bedoelen, en gewoonlijk door de meesten even slecht begrepen wordt, wat maakt, dat het de grootste schade aanricht, die men zich maar kan voorstellen. Ongetwijfeld kan de vruchtbaarheid van de bodem tot een zekere grens worden opgevoerd. Maar juist slechts tot een bepaalde grens en niet eindeloos verder. Gedurende een zekere tijd zal men dus zonder gevaar voor hongersnood de vermeerdering van het Duitse volk door een opbrengstverhoging van onze bodem kunnen goedmaken. Maar daar staat tegenover, dat de levenseisen in het algemeen zelfs sneller stijgen dan de bevolking aangroeit. De eisen van de mensen met betrekking tot voeding en kleding worden jaar voor jaar hoger, en staan nu al bijvoorbeeld in geen verhouding meer tot de behoefte van onze vaderen voor ongeveer 100 jaren. Het is onjuist te menen, dat ieder verhoging van de productie een vermeerdering van de bevolking mogelijk zou maken; nee, dit gaat slechts gedeeltelijk op, aangezien minstens een deel van de meerdere productie moet dienen tot bevrediging van de gestegen behoeften.

Maar zelfs bij de grootste versobering enerzijds en de grootste vlijt anderzijds, zal ook hier eens een grens komen, die dan door de bodem zelf getrokken wordt. Eenmaal zal het, hoe vlijtig men ook is, niet meer gelukken, meer uit de bodem te halen, en dan verschijnt, zij het ook na enige tijd, de dreigende ramp wederom aan de horizon. De honger zal zich aanvankelijk slechts van tijd tot tijd, bij misoogsten enz., vertonen. Dit zal steeds vaker voorkomen, naarmate het aantal inwoners toeneemt, zodat er tenslotte alleen bij bijzonder rijke oogsten geen nood zal zijn. En voortgaande, komt men dan tenslotte zover, dat ook die bijzonder rijke oogsten de nood niet meer kunnen verdrijven, en de honger voor altijd de metgezel van zo'n volk is geworden. Nu moet de natuur weer ingrijpen en de door haar voor het leven uitverkoren opnieuw selecteren; tenzij dan dat de mens weer zichzelf helpt: dat wil zeggen, dat hij zijn vermenigvuldiging weer kunstmatig tegengaat, met al de reeds vermelde ernstige gevolgen van dien voor zijn ras en zijn soort.

Men zal nog kunnen tegenwerpen, dat dit lot toch immers voor de gehele mensheid is weggelegd, en dat daarom ook het eigen volk dit lot natuurlijk niet zal kunnen ontgaan. Ogenschijnlijk is dit volkomen juist. Niettemin moet men echter hierbij het volgende bedenken: Ongetwijfeld zal op een gegeven tijdstip, wanneer het volkomen onmogelijk zal blijken om de opbrengst van de bodem nog langer evenredig met het reeds stijgende bevolkingscijfer te doen toenemen, de gehele mensheid zich genoodzaakt zien, om aan deze vermeerdering van het menselijk geslacht een halt toe te roepen, zij het, doordat men de natuur hier weer laat beslissen, dan wel, dat men zo mogelijk zelf weer ingrijpt - maar dat dan wel op een betere, juistere wijze dan nu - en tracht, hier een evenwicht te bereiken. Maar dit lot zal dan alle volkeren gelijkelijk treffen, terwijl thans alleen die rassen onder deze nood gebukt gaan, welke niet de kracht bezitten om zich het nodige grondgebied te verschaffen. Want het is toch een onweersprekelijk feit, dat er heden ten dage nog altijd onbenut grondgebied in geweldige overvloed is, dat enkel ligt te wachten om in cultuur te worden gebracht. Even onweersprekelijk is het echter, dat dit land door de natuur zelf niet bewaard werd als reservegebied voor een bepaalde natie of een bepaald ras, maar dat het aan dat volk toekomt, dat de kracht bezit om het te veroveren en de vlijt, om het te bebouwen.

De natuur kent geen politieke grenzen. Zij zet de levende wezens voorlopig op deze aarde neer en kijkt dan toe op het vrije spel van de krachten. Degene die de grootste moed en vlijt blijkt te bezitten, begenadigt zij dan met het herenrecht op bestaan. Indien een volk zich beperkt tot inwendige kolonisatie, terwijl andere rassen zich vastklampen aan steeds grotere gebieden van deze aarde, zal het eerste reeds tot zelfbeperking gedwongen zijn in een tijd, waarin de overige volken zich nog voortdurend vermeerderen. Eenmaal echter zal ieder volk dit tijdstip bereiken, en wel des te eerder, naarmate de levensruimte waarover het beschikt, kleiner is. Dar echter in het algemeen helaas maar al te dikwijls de beste naties, of, nog juister, de enige cultureel waarlijk hoogstaande rassen, de dragers van alle menselijke vooruitgang, in hun pacifistische verblinding besluiten, van het verwerven van nieuwe grond af te zien en zich tevreden te stellen met "binnenlandse" kolonisatie, terwijl dikwijls juist de minderwaardige naties de kunst verstaan, zich van enorme uitgestrektheden land meester te maken, zou dit op den duur tot het volgend resultaat moeten leiden.

De rassen, die cultureel hoger staan, maar meer moraal en meer scrupules kennen, zouden tengevolge van de kleinheid van hun grondgebied, hun vermeerdering reeds moeten beperken in een tijd, dat de cultureel lagerstaande, maar van nature brutere volken nog in de gelegenheid zouden zijn, zich in hun grotere levensruimte onbelemmerd voort te planten. Met andere woorden: de wereld zal daardoor mettertijd in handen komen van de cultureel minderwaardige, maar meer energieke mensheid.

In de toekomst - al is het misschien in een zeer verre - zullen er maar twee mogelijkheden bestaan: of de wereld wordt geregeerd volgens de ideeën van onze moderne democratie, dan zullen bij iedere beslissing de numeriek sterkere rassen de doorslag geven, of de wereld wordt beheerst volgens de wetten van de orde van de natuurlijke krachten, dan overwinnen de volken, die de meest brute wil tot leven hebben en daardoor juist weer niet de natie, welke zichzelf beperkte. Dat deze wereld echter nog eens de verwoedste gevechten om het bestaan van de mensheid zal moeten aanschouwen, daarover kan onmogelijk enige twijfel bestaan. Tenslotte is het altijd alleen de drang tot zelfbehoud die overwint. Voor haar smelt de z.g. humaniteit, die enkel de uitdrukking is van een mengsel van domheid, lafheid en ingebeeld beter weten, als sneeuw voor de maartse zon. In eeuwige strijd is de mensheid groot geworden - en aan eeuwige vrede gaat zij ten onder.

Voor ons Duitsers echter zou die z.g. binnenlandse kolonisatie reeds daarom noodlottig zijn, daar het bij ons dadelijk de mening zou versterken, dat het middel, dat het mogelijk maakt om geheel in pacifistische geest in een kalm sluimerend leven het bestaan "door arbeid te kunnen veroveren", gevonden zou zijn. Indien deze leer bij ons ooit in ernst aanvaard zal worden, dan zal dat betekenen, dat zij afzien van iedere inspanning om ons op deze wereld op de plaats die ons toekomt, te handhaven. En indien ooit de grote massa van de Duitsers tot de overtuiging kwam, dat zij ook zo zeker zouden kunnen zijn van hun leven en hun toekomst dan zou iedere poging om de levensnoodzakelijke eisen van het Duitse volk actief - d.w.z. op de enig vruchtbare wijze - te behartigen, hebben afgestaan. Indien er zich inderdaad een dergelijke mentaliteit van de natie meester zou maken, dan zou dat betekenen, dat iedere niet volkomen steriele en zinloze buitenlandse politiek en daarmee de toekomst van het gehele Duitse volk als begraven beschouwd zou moeten worden. Het is dan ook geen toeval, dat het vooral altijd de Jood is, die, deze gevolgen doorziend, zich inspant, om zulke levensgevaarlijke ideeën in ons volk opgang te doen maken, en daarin ook maar al te dikwijls slaagt.

Hij kent zijn Pappenheimers maar al te goed, en weet dat zij gaarne geloof schenken aan iedere Spaanse schatgraver, die hun weet wijs te maken, dat het middel zou zijn gevonden om de natuur door list te overmeesteren, om de harde, onverbiddelijke strijd om het bestaan overbodig te maken, en in plaats daarvan, nu eens door arbeid, dikwijls ook door platweg niets te doen, al naar het "uitkomt" op te klimmen tot heerser van deze planeet. Er kan niet genoeg de nadruk op worden gelegd, dat iedere binnenlandse kolonisatie in Duistland in de eerste plaats gericht moet zijn op het opheffen van de sociale missstanden en dat voor alles iedere speculatie met de grond onmogelijk gemaakt moet worden, maar dat die kolonisatie, zo ons grondgebied niet wordt uitgebreid, toch nimmer voldoende kan zijn om te zorgen, dat er een toekomst zal zijn voor onze natie. Handelen wij anders, dan zullen wij in korte tijd niet alleen de grens van de productiviteit van onze bodem, maar ook het einde van onze kracht bereikt hebben.

Tenslotte dient het volgende te worden vastgesteld. Deze binnenlandse kolonisatie, die een beperking tot een bepaald klein grondgebied met zich brengt, en ook de kunstmatige beknotting van de voortplanting, welke dezelfde gevolgen heeft, plaatsen de betrokken natie in militair opzicht in een buitengewoon ongunstige positie. De grootte van het gebied, dat een volk bewoont, is alleen reeds een belangrijke factor ter bepaling van zijn veiligheid. Hoe groter de ruimte is waarover een volk kan beschikken, des te groter is ook zijn natuurlijke beveiliging, want nog altijd konden militaire expedities tegen volken die op een klein grondgebied waren samengedrongen, sneller, daarom ook gemakkelijker maar vooral effectiever en meer volkomen hun doel bereiken dan dit ooit mogelijk kon zijn tegen staten met een meer uitgestrekt territorium. Een uitgestrekt staatsgebied biedt daardoor altijd nog een zekere beveiliging tegen lichtvaardige aanvallen, omdat in die gevallen een succes niet dan na langdurige zware strijd te bereiken is, waardoor dus het risico van een overmoedige overval te groot zal blijken, tenzij dan, dar er zeer abnormale omstandigheden in het spel zijn. Daarom ligt enkel in de territoriale grootheid van een staat reeds een garantie voor het behoud van de vrijheid en onafhankelijkheid van het volk, terwijl omgekeerd de kleinheid van een staat als het ware tot overweldiging prikkelt.

Nu werden, in de zogenaamd nationale kringen in het Rijk, de beide eerste mogelijkheden om tussen het stijgende aantal inwoners en de gelijkblijvende voedingsbodem een evenwicht te bereiken, ook verworpen. De reden voor deze houding waren echter geheel andere dan de bovengenoemde. Ten opzichte van de geboortebeperking stond men vooral uit een zeker moreel oogpunt afwijzend; de binnenlandse kolonisatie wees men met verontwaardiging af, daar men in haar een aanval meende te moeten zien tegen het grootgrondbezit en daarin weer een begin zag van een algemene strijd tegen het persoonlijk bezit zelf. Gezien de vorm, waarin de laatstgenoemde heilsleer werd aanbevolen, moest een dergelijke veronderstelling ook volkomen juist worden genoemd. In het algemeen was dit afwijzende standpunt niet erg handig gekozen tegenover de grote massa en raakte ook geenszins de kern van het probleem. Zodoende bleven nog maar twee wegen open, om het stijgende aantal volksgenoten van arbeid en brood te voorzien.

3

Men kon trachten, zijn grondgebied uit te breiden, om jaarlijks de overtollige millioenen daarheen te lozen, en de natie zodoende ook verder op de grondslag van de zelfvoorziening te doen voortleven, of men kon er toe overgaan, om,

4

door industrie en handel in buitenlandse behoeften te voorzien, en om van de opbrengst daarvan te leven. Dus: of bodempolitiek, of kolonisatie en handelspolitiek. Beide wegen werden van verschillende zijden belicht, onderzocht, aanbevolen en bestreden, totdat tenslotte de laatste definitief werd ingeslagen. De gezondste weg van deze twee zou echter de eerste zijn geweest. Het verwerven van nieuw grondgebied, om daarheen de stroom van volksgenoten, waarvoor geen ruimte is, te kunnen doen afvloeien, bezit oneindig veel voordelen, vooral als men niet het heden, maar de toekomst in het oog houdt. Reeds de mogelijkheid van het behoud van een gezonde boerenstand als fundament van de gehele natie kan nimmer hoog genoeg gewaardeerd worden. Veel van ons tegenwoordige lijden is alleen het gevolg van de ongezonde verhouding tussen land- en stadsvolk.

Een sterke en talrijke stand van kleine en middelmatig grote boeren bleek nog steeds de beste bescherming tegen de vele sociale ziekten waaraan wij tegenwoordig lijden. Dit is echter ook de enige oplossing die in staat is om te maken, dat de nationale economie het dagelijks brood van ons volk kan voortbrengen. Industrie en handel moeten hun leidende plaats, welke zij ten koste van het algemeen welzijn innemen, afstaan, en herkrijgen hun normale plaats binnen het algemene bestek van een nationale economie, die de voorziening in de behoeften en het scheppen van evenwicht in de handels- en betalingsbalans tot taak heeft. Daardoor zijn handel en industrie niet meer de grondslagen voor de voeding van de natie, maar een hulpmiddel ervan. Doordat zij voortaan nog slechts tot taak hebben om zorg te dragen, dat de nationale consumptie op alle gebieden overeenkomt, maken zij de gehele voeding, kleding en dekking, de gehele voedselvoorziening van het volk in meerdere of mindere mate onafhankelijk van het buitenland, helpen dus mede, de vrijheid van de staat en de onafhankelijkheid van de natie, vooral in moeilijke tijden, te verzekeren.

Uitbreiding van grondgebied

Zeker, zo'n bodempolitiek kan bijvoorbeeld in Kameroen niet worden toegepast, maar heden ten dage bijna uitsluitend nog maar in Europa. Men moet zich daarbij kalm en nuchter op het standpunt plaatsen, dat het zeker niet de bedoeling van de hemel kan zijn, om aan het ene volk vijftigmaal zoveel grondgebied op deze wereld te geven als aan het andere. Men mag zich in dit geval niet uit eerbied voor politieke grenzen er toe laten brengen om de grenzen van het eeuwig recht te overschrijden. Indien er op deze aarde inderdaad voor iedereen ruimte is om te leven, dan dient men dus ook het grondgebied te geven, dat wij nodig hebben om te kunnen leven. Nu zal men dat natuurlijk, wanneer het in goedheid gevraagd wordt, niet gaarne doen. Dan echter treedt het recht tot zelfbehoud in werking; en wat geweigerd wordt, zal dan door de vuist moeten worden veroverd. Indien onze voorvaderen indertijd hun beslissingen afhankelijk gemaakt hadden van dezelfde pacifistische onzin als de heren van vandaag de dag, dan zou ons land maar nauwelijks een derde deel van zijn huidige oppervlakte beslaan; het Duitse volk, dat dan bestond, zou maar nauwelijks meer in staat zijn om de belangstelling, laat staan de bezorgdheid van Europa op te wekken.

Nee, aan de natuurlijke wil tot de strijd voor het eigen bestaan hebben wij de beide Oostmarken van het Rijk te danken, en daarmee die hevige kracht en grootheid van ons rijks- en volksgebied, die alleen maakten, dat wij tot heden konden bestaan. Ook nog om een andere reden zou deze derde oplossing de beste zijn geweest. Vele Europese staten lijken heden omgekeerde piramiden. Hun Europese bodemoppervlakte is bespottelijk klein vergeleken met wat ze aan koloniën, buitenlandse handel enz. te dragen hebben. Men kan gerust zeggen, dat de punt in Europa en de basis in de gehele wereld ligt; in tegenstelling met de Verenigde Staten, die haar basis nog in het eigen continent bezit en alleen met de punt de overige aarde aanraakt. Dit verklaart echter ook de buitengewone innerlijke kracht van deze staat en de zwakte van de meeste koloniale machten in Europa. Ook Engeland kan niet als tegenargument worden aangehaald, aangezien men maar al te gemakkelijk, door het oog te vestigen op het Britse imperium, de Angelsaksische wereld als zodanig vergeet. De positie van Engeland kan, alleen reeds tengevolge van zijn taal en cultuurgemeenschap met de Verenigde Staten, met geen enkele andere staat in Europa worden vergeleken.

Voor Duitsland lag dientengevolge de enige mogelijkheid tot doorvoering van een gezonde bodempolitiek nog slechts in het verwerven van nieuw land in Europa zelf. Koloniën kunnen voor dit doel niet dienstig zijn zolang zij niet in staat blijken, om werkelijk enorme aantallen blanke kolonisten op te nemen. Langs vreedzame weg waren echter zulke koloniale gebieden in de negentiende eeuw niet meer te verkrijgen. Zo'n koloniale politiek zou dus alleen ten koste van zeer zware strijd te voeren geweest zijn, die dan echter doelmatiger niet voor buiten-Europese gebieden uitgevochten kon worden, maar voor land op het Europese continent zelf. Zo'n besluit eist dan echter onvoorwaardelijk ernst en toewijding. Het gaat niet aan, om met halve middelen of ook maar aarzelend aan een taak te beginnen waarvan de doorvoering alleen mogelijk schijnt, wanneer werkelijk ook de laatste uiterste energie wordt ingespannen, Maar dan moest ook de gehele politieke leiding van het Rijk uitsluitend dit doel voor ogen houden; nimmer mocht een stap worden ondernomen, welke om andere reden geschiedde, dan om die, welke aan deze taak direct of indirect dienstbaar waren.

Men diende er zich rekenschap van te geven, dat dit doel niet dan door strijd te bereiken was, en moest de strijd met de wapenen dan ook rustig en kalm onder de ogen zien. Dan zouden ook alle bondgenootschappen uitsluitend aan dit standpunt getoetst moeten worden, en op hun bruikbaarheid, om daartoe te kunnen meewerken. Wenste men in Europa uitbreiding van grondgebied, dan kon dit in 't algemeen alleen ten koste van Rusland plaats hebben; dan moest het nieuwe Rijk weer de heirwegen van de oude orderidders begaan, om door middel van het Duitse zwaard aan de Duitse ploeg de aarde te geven, en daardoor aan de Duitse natie het dagelijks brood. Voor een zodanige politiek bestond in Europa nu echter maar een enkele bondgenoot: Engeland. Met Engeland als bondgenoot, om in de rug gedekt te zijn, kon men een nieuwe Germaanse kruistocht beginnen. Het recht daartoe zou niet geringer geweest zijn, dan het recht van onze voorvaderen. Geen enkele van onze pacifisten weigert om het brood te eten, dat uit het Oosten komt, hoewel daar de eerste ploeg "zwaard" heette. Om Engelands genegenheid te winnen, mocht dan echter geen enkel offer te groot zijn.

Met Engeland tegen Rusland

Men moest van koloniën en zeemacht afstand doen en de Britse industrie niet beconcurreren. Alleen een onvoorwaardelijk duidelijke houding kon tot een dergelijk doel leiden, afstand van wereldhandel en koloniën; afzien van een Duitse wereldvloot; concentratie van de totale machtsmiddelen van de staat op het landleger. Weliswaar zou het eerste gevolg een machtsbeknotting zijn geweest, maar tegenover dit tijdelijke nadeel stond de zekerheid van een grote en machtige toekomst. Er is een tijd geweest, waarin Engeland tot onderhandelingen in deze geest bereid was, omdat het zeer goed had begrepen, dat Duitsland tengevolge van zijn bevolkingstoename naar de een of andere uitweg moest zoeken, en deze of met Engeland in Europa, of zonder Engeland in de wereld zou moeten vinden. Het was waarschijnlijk wel in de eerste plaats door zulk een vermoeden, dat omstreeks het begin van de nieuwe eeuw van Londen zelf uit getracht werd, met Duitsland in nadere aanraking te komen. Voor de eerste maal werd daarbij iets zichtbaar, dat wij in de laatste jaren in waarlijk verschrikkelijke graad moesten constateren.

Men was nl. onaangenaam getroffen door de gedachte, voor Engeland de kastanjes uit het vuur te moeten halen; alsof er ook maar enig bondgenootschap kon bestaan op een ander grondslag dan die van wederzijds geven en nemen. Met Engeland echter was zo'n ruilhandel heel goed mogelijk. De Britse diplomatie was altijd nog verstandig genoeg om te weten, dat men geen prestatie mocht verwachten zonder tegenprestatie. Men stelt zich het echter eens voor, dat een verstandige Duitse buitenlandse politiek een de rol overgenomen had van Japan in 1904; men kan zich nauwelijks voorstellen, welke gevolgen dit voor Duitsland zou hebben gehad. Het zou nooit tot een "wereldoorlog" zijn gekomen. Het bloed van dit jaar 1904 zou het tienvoudige wat in de jaren 1914-1918 vergoten werd , hebben bespaard. Welke positie zou Duitsland dan echter thans innemen in de wereld! Het verbond met Oostenrijk was dan ongetwijfeld een zinloosheid en zinledigheid. Want deze gemummificeerde staat verbond zich niet met Duitsland, om een oorlog uit te vechten, maar om de eeuwige vrede te bewaren, die dan op sluwe wijze kon worden benut om het Duitse element in de monarchie langzaam maar zeker uit te roeien.

Verbreking van het bondgenootschap met Oostenrijk

Dit bondgenootschap was echter ook daarom onmogelijk. Omdat men toch van een staat, die niet eens de kracht en de vastberadenheid bezat om een einde te maken aan een openlijke poging, vlak aan zijn grenzen, om Duits bloed, Duitse tal en Duitse cultuur te verdelgen, niet mocht verwachten, dat hij in staat zou zijn de Duitse belangen offensief te verdedigen. Als Duitsland niet voldoende nationaal besef en harde doelbewustheid bezat, om het lot van tien millioen stamgenoten te ontrukken aan de klauwen van de tegennatuurlijke staat van de Habsburgers, dan mocht men inderdaad niet verwachten, dat het zich ooit tot zo vooruitziende en vermetele plannen zou laten overhalen. Aan de houding, welke het oude Rijk tegenover de Oostenrijkse kwestie innam, kon men als het ware reeds zien, hoe het zich in de strijd van de gehele natie met het noodlot zou gedragen. In elk geval mocht men niet lijdelijk toezien, hoe het Duitse element jaar op jaar weer werd verdrukt en verdrongen, omdat Oostenrijks waarde als bondgenoot immers alleen en uitsluitend van dat deel van zijn bevolking afhing. Maar men ging deze weg immers helemaal niet.

Men vreesde niets zozeer als de strijd, maar liet er zich tenslotte toch, en wel op het aller ongelegenste ogenblik, toe dwingen. Men wilde zijn noodlot ontlopen, maar werd er door achterhaald. Men verbeeldde zich, de wereldvrede te kunnen behouden, en belandde bij de wereldoorlog. En dit was de voornaamste reden, waarom men deze derde manier om een toekomst te scheppen voor het Duitse volk, zelfs geen blik waardig keurde. Men wist, dat nieuw grondgebied alleen in het Oosten te krijgen was, zag de strijd die daartoe nodig was geweest en wilde toch de vrede tot elke prijs; want het parool van de Duitse buitenlandse politiek was allang niet meer: handhaving van de Duitse natie op alle manieren, maar integendeel: behoud van de wereldvrede met alle middelen. Hoe men hierin slaagde, is bekend. Ik zal hierop nog nader terugkomen. Zodoende stond alleen nog de vierde mogelijkheid open: industrie en wereldhandel, zeemacht en koloniën. Een zodanige ontwikkeling was inderdaad in de eerste plaats gemakkelijker en waarschijnlijk ook vlugger te bereiken. De kolonisatie van een gebied is een langzaam proces, dat dikwijls eeuwen duurt; de innerlijke kracht is juist gelegen in het feit, dat het hier niet gaat om een plotseling opvlammen, maar om een groei die langzaam maar zeker en onophoudelijk is, in tegenstelling met een industriële ontwikkeling, die in een kort aantal jaren een grote hoogte kan bereiken, maar dan echter ook meer van een zeepbel heeft dan van iets, dat werkelijk sterk is.

Economische expansie-politiek

Er is weliswaar minder tijd nodig om een vloot te bouwen, dan om in hardnekkige strijd en volharding boerenhofsteden te bouwen en met boerengezinnen te bezetten, maar die vloot is ook wel gemakkelijk te vernietigen dan dit laatste werk. Indien Duitsland toch deze weg betrad, dan had men tenminste moeten inzien, dat ook deze ontwikkeling eens op een oorlog zou uitlopen. Alleen kinderen kunnen menen dat ze, door altijd maar vriendelijk en oppassend te zijn, en door maar steeds de nadruk te leggen op hun vredelievende bedoelingen, zonder ooit naar de wapenen te hoeven grijpen, tenslotte wel alles zullen krijgen wat ze nodig hebben, in een "vreedzame wedstrijd van de volkeren" zoals men zo schoon en zo zalvend wist te bazelen. Nee, indien die weg betreden werd, dan moest op zekere dag Engeland onze vijand worden. Het was meer dan dwaas - maar het was wel echt iets voor onze Duitse onnozelheid - om er verontwaardigd over te zijn, dat Engeland op zekere dag zo vrij was, om met egoïstische bruutheid tegen onze vreedzame activiteit op te treden. Wij zouden dit zeker nimmer hebben gedaan. Wanneer het enerzijds een feit was, dat de politiek, welke er op gericht was, om in Europa gebiedsuitbreiding te verkrijgen, alleen tegen Rusland kon worden gevoerd, met Engeland als bondgenoot, dan moest anderzijds worden vastgesteld, dat koloniale- en wereldhandelspolitiek slechts denkbaar was met Rusland tegen Engeland.

Met Rusland tegen Engeland

Dan moest men echter ook hier onvoorwaardelijk de consequenties trekken - en in de eerste plaats Oostenrijk zo spoedig mogelijk loslaten. Reeds omstreeks het begin van onze eeuw was dit verbond met Oostenrijk, hoe men het ook bekeek, klinkklare waanzin geworden. Men dacht er immers ook helemaal niet aan, om met Rusland een verbond tegen Engeland te sluiten, evenmin met Engeland tegen Rusland, want in beide gevallen zou het op oorlog zijn uitgelopen, en de belangrijkste reden waarom men zich op deze handels- en industriepolitiek wierp, was immers, dat men iedere oorlog wilde vermijden. Men bezat nu immer in de "vreedzame economische" verovering van de wereld een gebruiksaanwijzing, die de wereldpolitiek, welke tot dusver gevoerd was, eens en voor altijd de nek zou omdraaien. Zo nu en dan was men toch weer niet helemaal zeker van zijn zaak, vooral, wanneer Engeland van tijd tot tijd volkomen onbegrijpelijke dreigementen liet horen; daarom besloot men nu ook, een vloot te bouwen, maar ook weer geen aanvalswapen om Engeland te kunnen vernietigen, doch een verdedigingswapen, om de reeds gekwalificeerde "wereldvrede" en de pacifieke penetratie te beschermen. Daarom hield men haar dan ook in alle opzichten ietwat aan de bescheiden kant, niet alleen wat het aantal eenheden, maar ook wat de tonnage en de bewapening betrof, om ook hierdoor weer het bewijs te leveren, dat ook dit wapen toch eigenlijk alleen "vreedzaam" was bedoeld.

Economische "pacifieke penetratie

Dat gebazel over de pacifieke penetratie was wel het meest onzinnige principe, dat ooit door een staat tot inleidend beginsel van zijn politiek werd gemaakt. Deze waanzin werd nog groter door het feit, dat men er niet tegen opzag om Engeland als kroongetuige op te roepen, dat zo'n prestatie inderdaad binnen de grenzen van het mogelijke lag. Het deel van de schuld, dat hierbij op rekening van onze professorale geschiedvorsing en geschiedenisbeschouwing komt, is zo groot, dat het nauwelijks ooit weer goedgemaakt kan worden, en toont alleen weer eens overduidelijk aan, hoe vele mensen geschiedenis leren, zonder ze te verstaan of zelfs maar te begrijpen. Juist in Engeland had men deze theorie volkomen moeten weerleggen; geen enkel volk immers heeft zijn economische veroveringen bruter en berekender met het zwaard voorbereid of later zo volkomen onvoorwaardelijk verdedigd, als juist het Engelse. Dat is immers bijna het meest kenmerkende van de Britse staatsmanskunst, dat zij uit politieke kracht economische winsten weet te halen en iedere economische versterking dadelijk weer in politieke kracht weet om te zetten.

En hoe deerlijk vergist men zich, wanneer men meent, dat Engeland soms persoonlijk te laf zou zijn, om voor zijn economische politiek ook zijn eigen bloed te wagen. Dat het Engelse volk geen "volksleger" bezat, is geen bewijs daarvoor, want het gaat er hier niet om, welke toevallige vorm de organisatie van de weermacht heeft aan genomen, maar om de wil en de vastberadenheid, om alle beschikbare macht in te zetten. Engeland bezat altijd het militaire instrument, dat het nodig had. Het streed altijd met die wapens, welke het nodig had om succes te kunnen behalen. Het vocht met huurtroepen, zolang huurtroepen voldoende waren; het eiste ook een zware cijns van het kostbare bloed van de gehele natie, wanneer dat, om de overwinning te behalen, noodzakelijk was; maar de strijd bleef altijd dezelfde, en ieder gevecht werd even hardnekkig en onverbiddelijk uitgevochten. In Duitsland kweekte men echter langzamerhand, door middel van de school, de pers en de humoristische bladen, van het karakter van de Engelsman en in haast nog sterkere mate van zijn rijk een beeld, dat tot zeer ernstig zelfbedrog moest leiden; want langzamerhand begon men algemeen geloof te hechten aan deze onzin, en het gevolg ervan was, dat men die vijand onderschatte, iets, dat zich later bitter zou wreken. Dat onjuiste beeld werd zo algemeen aanvaard, dat men de vaste overtuiging had, een zeer sluw maar persoonlijk buitengewoon lafhartig kruidenier tegenover zich te zien.

De Engelsman in de Duitse karikatuur

Onze verheven professorale wetenschap zag helaas niet in, dat het een absolute onmogelijkheid is om een wereldrijk als het Engelse alleen door kruipen en zwendelen bijeen te krijgen. De enkele waarschuwende stemmen werden niet gehoord of werden doodgezwegen. Ik weet nog heel goed, hoe stomverbaasd de gezichten van mijn kameraden waren, toen wij in Vlaanderen zelf de "Tommies" tegenover ons kregen. Ongetwijfeld begon al na de allereerste dagen van strijd in ieder breien het besef op te komen, dat deze Schotten niet bepaald veel gemeen hadden met die, welke men had gemeend ons in de humoristische blaadjes en de berichten van de nieuwsbureaus te moeten afschilderen. Toen heb ik voor het eerst eens dieper nagedacht over de doelmatigheid van de verschillende vormen van propaganda. Deze verdraaiing van de feiten had echter toch voor de verspreiders van deze berichten haar goede zijde; men kon door dit voorbeeld - al was het dan ook onjuist - immers de juistheid aantonen van een politiek, welke op vreedzame economische verovering van de wereld uit was.

Wat een Engelsman kon, moest ook ons lukken, dacht men en argumenteerde dan, dat onze aanmerkelijke grotere "eerlijkheid", en het feit, dat wij die typisch Engelse "perfiditeit" niet kenden, onze kansen in deze toch nog zeer moesten vergroten. Men hoopte namelijk, daardoor zowel de genegenheid van de kleine naties en het vertrouwen van de groten des te gemakkelijker te verwerven. Dat onze eerlijkheid de anderen een doorn in 't oog was, begrepen wij niet, alleen al niet, omdat wij zelf woord voor woord van wat wij zeiden, meenden en geloofden, terwijl de overige mensheid zo'n houding aanzag voor een bijzondere listige truc, terwijl die rest van de wereld ongetwijfeld bij onze revolutie met stomme verbazing moest constateren, dat wij inderdaad zo grenzeloos dom waren geweest - en dat onze oprechtheid geen truc, maar werkelijkheid was. Maar, wanneer men eenmaal de onzinnigheid van zo'n "pacifieke penetratie" had ingezien, dan moest men alleen daaruit reeds het logische en duidelijke conclusie trekken, dat ook het "Drievoudig Verbond" volslagen waanzin was. Maar bestond er dan eigenlijk nog wel een andere staat, waarmee men een bondgenootschap had kunnen aangaan? Met Oostenrijk-Hongarije kon men inderdaad nooit, zelfs niet in Europa, een veroveringsoorlog beginnen.

Innerlijke zwakte van het drievoudig verbond

Een Bismarck wist zich ook met zo'n gebrekkig instrument wel te redden, maar daarmee was nog lang niet gezegd, dat iedere krukkige opvolger dat ook kon, en zeker niet in een tijd, dat de eigelijke omstandigheden, waarop Bismarcks bondgenootschap gegrondvest was geweest, reeds lang niet meer aanwezig waren; want Bismarck kon nog menen, in Oostenrijk een Duitse staat voor zich te hebben. Maar toen langzamerhand het algemeen kiesrecht was ingevoerd, was dit landgezonken tot een parlementair geregeerde on-Duitse chaos. Nu was het bondgenootschap met Oostenrijk, ook van volks standpunt gezien, eenvoudig noodlottig. Men liet immers toe, dat er aan de grenzen van het rijk een nieuwe Slavische grote mogendheid ontstond, die vroeger of later nog een geheel andere politiek ten opzichte van Duitsland zou moeten voeren dan b.v. Rusland. Bovendien moest het verbond zelf wel van jaar tot jaar holler en zwakker worden, naarmate de enige bevolkingsgroep, die de idee van het bondgenootschap levend hield, aan invloed inboette en uit de belangrijkste posities werd verdongen.

Reeds omstreeks 1900 was het bondgenootschap met Oostenrijk in precies hetzelfde stadium gekomen als dat van Oostenrijk met Italië. Ook hier waren er maar twee mogelijkheden: of het Rijk was de bondgenoot van de Habsburgse monarchie, of het mengde zich in de Oostenrijkse binnenlandse aangelegenheden, en verzette zich tegen de onderdrukking van het Duitse element. Wanneer men echter met zoiets begint, loopt het meestal op openlijke oorlog uit. Ook de psychologische betekenis van het Drievoudig Verbond was maar betrekkelijk gering, omdat de hechtheid van een bondgenootschap afneemt, naarmate het zich meer beperkt tot de handhaving van de bestaande toestand; omgekeerd zal het des te sterker zijn, dat zij hierdoor bepaalde concrete expansieve doeleinden zal kunnen bereiken. Zoals altijd en overal, ligt ook hier de kracht niet in de verdediging, maar in de aanval. Dit werd destijds ook reeds van verschillende zijden ingezien, maar helaas niet alleen door de "bevoegde instanties".

Ludendorffs open brief uit 1912

Vooral Ludendorff, die destijds als kolonel bij de grote generale staf werkzaam was, legde in zijn open brief van het jaar 1912 de vinger op deze wondplek. Natuurlijk achtte geen van de heren "staatslieden" het nodig, om hieraan enig gewicht te hechten; het is immers reeds zo vaak gebleken, dat gezond verstand een artikel is, dat alleen bij gewone stervelingen zijn nut kan hebben, doch voor diplomaten ten ene male uit de boze moet worden geacht. Het was voor Duitsland maar gelukkig , dat de oorlog in het jaar 1914 door een Oostenrijks conflict losbarstte, en de Habsburgers dus wel gedwongen waren, mee te doen; ware het namelijk omgekeerd geschied, dan zou Duitsland alleen hebben gestaan. De staat van de Habsburgers zou nimmer de kracht of ook maar de wil hebben bezeten om deel te nemen aan een strijd, die door Duitsland was ontstaan. Datgene, wat men later Italië zo kwalijk nam, zou dan reeds vroeger door Oostenrijk zijn gedaan: men zou "neutraal" zijn gebleven, om zodoende de staat tenminste voor een revolutie in de eerste oorlogsdagen te redden. De Slaven in Oostenrijk hadden liever de monarchie reeds in het jaar 1914 kapot geslagen, dan toegestaan, dat Duitsland geholpen werd.

Hoe groot de gevaren en moeilijkheden, die het verbond met Oostenrijk-Hongarije met zich bracht eigenlijk wel waren, dat zagen destijds nog slechts zeer weinigen in. Ten eerste bezat Oostenrijk vele vijanden, die hoopten, mettertijd van de halfvergane staat te erven, zodat er noodzakelijkerwijze na enige tijd een zeker gevoel van haat tegen Duitsland moest ontstaan, omdat men Duitsland nu eenmaal beschouwde als de oorzaak, waardoor de volkomen ontbinding van de monarchie, waarop men reeds zolang gehoopt had, nog maar steeds uitbleef. Men kwam tot de overtuiging, dat Wenen tenslotte alleen langs de omweg over Berlijn te bereiken was. In de tweede plaats zag Duitsland zich hierdoor weer zijn beste en gunstigste kansen, om elders een bondgenoot te vinden, ontnomen. Ja, men raakte integendeel met Rusland en zelfs met Italië steeds meer op gespannen voet. En dat, terwijl de openbare mening te Rome evenzeer pro-Duits als fel anti-Oostenrijks was. Omdat men nu eenmaal zijn heil had gezocht in een politiek van handel en industrie, bestond er ook niet meer de minste reden voor een strijd tegen Rusland. Zoiets zouden alleen de vijanden van de beide naties kunne toejuichen. En het waren dan ook voornamelijk Joden en marxisten, die hier met alle middelen hitsten en stookten, om een oorlog tussen deze twee staten te bewerkstelligen.

Oostenrijk als begerenswaardig erfgoed

In de derde en laatste plaats moest echter dit verbond voor Duitsland wel een groot gevaar betekenen, omdat het onder deze omstandigheden voor een grote mogendheid, die werkelijk bewust vijandig tegenover het Rijk van Bismarck, kinderspel moest zijn, om een hele reeks kleine staten tegen Duitsland in het harnas te jagen, omdat men hun allen immers gebiedsuitbreiding kon beloven. Tegen de Donaumonarchie kon men geheel Oost-Europa, en vooral Rusland en Italië in het geweer roepen. De wereldcoalitie, waarvoor Koning Edward de grondslag had gelegd, zou nimmer tot stand zijn gekomen wanneer Oostenrijk als bondgenoot van Duitsland niet zo'n verleidelijke erfenis was geweest. Dit alleen maakte het mogelijk, dat staten, welker belangen en wensen overigens zo ver uiteenliepen, samen in een aanvallend verbond gebundeld konden worden. Ieder van de bondgenoten mocht hopen, dat ook hij ten koste van Oostenrijk tegen Duitsland oprukte. Het feit, dat ook Turkije als stille vennoot tot dit ongeluksverbond scheen te behoren, maakte dit gevaar nog veel groter.

Het internationale Joodse grootkapitaal had deze lokmiddelen echter nodig, teneinde het reeds zo lang gekoesterde plan tot verdelging van Duitsland - dat maar niet wilde berusten in de algemene internationale controle op de financiën en de economie - ten uitvoer te kunnen brengen. Alleen door zo'n buitengewoon lokaas kon men een coalitie samensmeden, welke, alleen al gesterkt en moedig door het besef van het aantal soldaten, dat nu marcheerde, bereid was om Siegfried de onkwetsbare dan eindelijk te lijf te gaan. Het verbond van het rijk van de Hasburgers, dat mij reeds in mijn Oostenrijkse tijd bitter gestemd had, maakte, dat ik mijn standpunt nogmaals zo diepgaand mogelijk onderzocht, met het resultaat, dat ik nog zeer gesterkt werd in mijn oorspronkelijke mening. Ik maakte reeds destijds, in de kleine kring van mensen waarmee ik omging, geen geheim van mijn overtuiging, dat dit rampzalige verdrag met een staat, die ten dode was opgeschreven, ook van Duitsland een ruïne zou maken, wanneer men er tenminste niet in slaagde, om zich nog te rechter tijd uit die omklemming los te maken.

Ook toen de orkaan van de wereldoorlog tenslotte ieder kritisch vermogen scheen te hebben uitgeschakeld, toen zelfs die instanties, welke eigenlijk met niets anders rekening mochten houden dan met de meest nuchtere werkelijkheid, ook in een roes van geestdrift leefden, is deze rotsvaste overtuiging toch geen ogenblik geschokt. Ook in de tijd, toen ik zelf aan het front stond, kwam ik steeds, wanneer deze problemen ter sprake kwamen, openlijk uit voor mijn mening, dat de Duitse natie beter nog vandaag dan morgen een eind kon maken aan dit bondgenootschap, en dat het prijsgeven van de Donaumonarchie daarvoor in het geheel geen offer was, wanneer Duitsland daardoor een beperking van het aantal van zijn tegenstanders zou kunnen bereiken; want het was niet ter wille van een gedegenereerd vorstenhuis, dat al die millioenen de stalen helm van de soldaat hadden opgezet, maar alleen om de Duitse natie te redden. Voor de oorlog scheen het nog een paar malen, alsof er tenminste onder een groep mensen enige twijfel rees ten aanzien van de gevoerde bondgenootschappolitiek. Van Duits-conservatieve zijde werden van tijd tot tijd waarschuwende stemmen gehoord, welke aanraadden, niet al te veel en niet al te blind op de bondgenoot te vertrouwen, maar ook dit werd, zoals iedere uiting van gezond verstand, in de wind geslagen.

Staat en staatshuishouding

Men was vast overtuigd, dat men, op deze wijze voortgaand, inderdaad de wereld zou kunnen veroveren, en dat wel zo, dat het succes onmetelijk zou zijn, terwijl er geen offers gevraagd zouden worden. Voor de bekende "onbevoegden" echter bleef er weer eens niets anders over, dan zwijgend toe te zien waarom en hoe de "bevoegden" rechtstreeks in het verderf liepen, waarbij ze het brave maar domme volk meesleepten, als eens de rattenvanger van Hamelen de kinderen. De diepere oorzaak, waardoor het mogelijk werd dat ons volk die waanzinnige idee van een "economische verovering" als praktisch politiek richtsnoer, en het behoud van de wereldvrede als doel van onze politiek kreeg voortgezet, en zelfs aanvaardde, was gelegen in de algemene ziektetoestand van ons gehele politieke denken. En naarmate de zegetocht van de Duitse techniek en industrie steeds schitterender paden beschreed, en de Duitse handel steeds grotere successen boekte, was men steeds minder geneigd en ook steeds minder bij machte om in te zien, dat dit alles alleen mogelijk was onder een sterke staat. Integendeel, in vele kringen ging men reeds zover om de stelling te verdedigen, dat de staat zelf zijn bestaan aan deze verschijnselen te danken had, dat die staat zelf voornamelijk uit de economische noodzaak geboren was, en dus ook in overeenstemming met de economische belangen bestuurd moest worden, en dat dientengevolge ook zijn bestaan van de economie afhankelijk was, een toestand, welke dan als de allergezondste en allernatuurlijkste werd voorgesteld en geprezen.

De staat als zodanig heeft echter niets uitstaande met enig economisch systeem of met enige economische ontwikkelingsgang. De staat is niet een geheel van economische contractanten, die binnen een bepaald begrensd woongebied aan verschillende economische eisen moeten voldoen - maar hij is de organisatie van een gemeenschap van levende wezens, welke zowel lichamelijk als geestelijk sterke overeenkomst bezitten, en deze organisatie moet er op zijn gericht, om de gunstigste voorwaarden voor het voortbestaan van de soort te scheppen, en om het doel, dat de Voorzienigheid aan deze soort heeft gesteld, te bereiken. Dit en niets anders is het doel en de betekenis van de staat. De economie is daarbij slechts een van de hulpmiddelen, die nu eenmaal noodzakelijk zijn om dit doel te kunnen bereiken. Zij is echter nimmer de oorzaak of het doel van de staat, wanneer deze althans niet opzettelijk op zo'n onjuiste, want tegennatuurlijke grondslag is geconstrueerd. Alleen hierdoor is het verklaarbaar, dat het zelfs niet eens een onmisbare voorwaarde voor een staat is, dat hij territoriaal begrensd is. Dit zal alleen een vereiste zijn voor volkeren, die zelf voor de voeding van hun soortgenoten willen zorgen, en dus bereid zijn om door eigen arbeid de strijd om het bestaan uit te vechten. Volkeren daarentegen, welke de kunst verstaan om in andere volkeren binnen te dringen, zoals hommels door het stukbijten van de kroonbladeren in bloemen weten te komen, kunnen zelfs zonder enig eigen bepaald woongebied staten vormen.

Dit geldt vooral voor het volk, dat in het bijzonder heden ten dage zozeer parasiteert, dat de gehele eerlijke mensheid er onder te lijden heeft: het Jodendom. De Joodse staat was, wat zijn grondgebied betreft, nooit begrensd, hij was wereldomvattend en grenzeloos, omdat hij immers niet betrekking had op een bepaalde oppervlakte, maar op alle individuen, welke tot een bepaald ras behoorden. Overal waar deze waren, was de Joodse staat. Het is een van de geniaalste trucs, die er ooit uitgevonden zijn, om deze staat voor een "religie" te laten doorgaan, en hem daardoor onder de beschermende hoede te stellen van de verdraagzaamheid, welke de Ariër altijd voor iedere geloofsbelijdenis over heeft. Want feitelijk is de Mozaïsche religie niets anders dan een leer tot instandhouding van het Joodse ras. Zij omvat daarom ook nagenoeg alle terreinen van sociologische, politieke en economische wetenschap, welke maar even dienstig kunnen zijn aan dit doel. De wil tot voortbestaan van de soorten is de eerste oorzaak, waardoor er menselijke gemeenschappen worden gevormd. Daardoor is de staat echter een volks organisme, en niet een economische organisatie. Een onderscheid, dat werkelijk zeer groot is, maar waardoor de "staatslieden", die heden aan het bewind zijn, natuurlijk volkomen blind blijven. Daarom menen deze heren dan ook, dat ze de staat wetenschappelijk kunnen construeren, terwijl hi in werkelijkheid nooit iets anders kan zijn dan de resultante van de krachten, welke uit de wil tot behoud van soort en ras zijn voortgekomen.

Dat zijn echter altijd heldhaftige deugden en het gehele gruttersegoïsme valt heel zeker buiten de kring van deze eigenschappen, omdat de handhaving van de soort immers uitgaat van de offervaardigheid van de enkeling, en offervaardigheid, die ook voor het leven van die enkeling geen halt maakt. Dat is immers juist de diepere zin van het woord van de dichter: "Zo gij uw leven niet waagt - zo zult gij het niet behouden" ("Und setzt ihr nicht das Leben ein, nie wird euch das Leben gewonnen sein"), dat het bestaan van de enkeling ten offer moet worden gebracht om het behoud van de soort te verzekeren. Daaruit volgt dan echter ook de dwingende gevolgtrekking, dat de eerste voorwaarde voor het ontstaan en voortbestaan van een staat gelegen is in een algemeen saamhorigheidsgevoel, dat alle onderdanen eigen is, op grond van hun eenheid van soort en eenheid van karakter en uit de algemene wil om voor dit volksbestaan met al wat men is, en al wat men bezit, in te staan. Dit zal bij volken, welke op eigen grondgebied wonen, heldhaftige deugden aankweken, bij parasieten huichelarij en geniepige wreedheid, voorzover deze eigenschappen niet al te kennelijk eerste bestaansvoorwaarden voor deze zo geheel anders gevormde staat waren. Maar steeds zal het volk, dat over dergelijke kwaliteiten beschikt, alleen reeds op grond daarvan een staat, of althans de kiem van een staat vormen; en de strijd om het bestaan zal dan hierdoor beslecht worden, dat een van beide partijen de nederlaag lijdt, en wel die, welke of het minst was begiftigd met heldhaftige eigenschappen, of tegen de sluwe listen van de vijandige parasieten niet bleek opgewassen.

Een nederlaag betekent in deze strijd: slavernij en uiteindelijk: uitroeiing. Maar ook in dit laatste geval is dat bijna altijd niet zozeer het gevolg van een gebrek aan doorzicht, als wel van een gebrek aan vastberadenheid en moed, dat zich onder het dekmanteltje van een humanistische mentaliteit tracht te verbergen. Hoe weinig de staatsvormende en staatsbehoudende eigenschappen echter met de economie uitstaande hebben, blijkt wel het duidelijkst uit het feit, dat het slechts uiterst zelden gebeurt, dat de staat tegelijk en innerlijk hecht en stevig is, en een periode van z.g. economische bloei doormaakt, maar dat integendeel het feit van zulk een bloeiperiode in oneindig vele gevallen op het naderend einde van de staat schijnt te wijzen. Indien nu echter de vorming van menselijke gemeenschappen in de eerste plaats toe te schrijven zou zijn aan economische krachten of prikkels, dan zou de hoogste economische ontplooiing ook tegelijkertijd de grootste kracht van de staat moeten betekenen, en niet omgekeerd. Het geloof aan de staatsvormende en staatsbehoudende kracht van de economie lijkt des te onbegrijpelijker, wanneer het een land betreft, dat overal duidelijk en onmisbaar in zijn geschiedenis het tegendeel aantoont. Juist Pruisen bewijst met bewonderenswaardige duidelijkheid, dat het niet de materiele eigenschappen, maar de ideële deugden alleen zijn, die de kracht leveren tot de vorming van een staat. Eerst onder de bescherming van die deugden weet dan ook de economie tot bloei te geraken, totdat, met het afsterven van de eigenlijke staatsvormende eigenschappen, ook de economie weer ineenstort, een proces, dat wij juist nu weer zo bitter duidelijk kunnen waarnemen.

De materiele belangen van de mensen kunnen altijd het beste gedijen, wanneer ze in de schaduw van de heldhaftige deugden blijven; zodra zij echter trachten, zelf een eerste plaats in te nemen in het bestaan van de mensen, dan vernietigen ze zelf de grondslagen voor hun eigen bestaan. Steeds, wanneer Duitslands macht sterk toenam, begon ook de economie op te komen; altijd echter, wanneer de economie de enige levensinhoud van ons volk werd, en de ideële deugden daaronder verstikten, stortte de staat weer ineen en sleurde na korte tijd de economie mee. Als men zich nu echter afvraagt, wat dan eigenlijk de staatsvormende of staatsbehoudende krachten zijn, dan blijkt men ze in een enkele aanduiding te kunnen samenvatten: offervaardigheid, en de wil van de enkeling om voor de gemeenschap offers te brengen. Dat deze deugden met economie ook niet het geringste uitstaande hebben, blijkt wel duidelijk uit het simpele feit, dat men zich immers voor de laatste niet opoffert, of met andere woorden: men sterft niet voor een negotie, maar alleen voor idealen.

Niets bewees duidelijker, dat de Engelsman een meester is in de psychologie van het volk, dan de wijze, waarop hij zijn deelname aan de oorlog motiveerde. Terwijl wij voor ons dagelijks brood vochten, streed Engeland voor de "vrijheid", en niet eens voor zijn eigen vrijheid, nee, voor die van de kleine naties. In Duitsland lachte men om deze brutaliteit, of ergerde zich er aan, en bewees met beide houdingen, hoe gedachteloos en dom die zogenaamde staatsmanskunst in Duitsland al voor de oorlog was. Men had ook niet meer het allergeringste begrip van het ware karakter van die kracht, welke in staat is om mannen uit eigen vrije wil in de dood te doen gaan. Zolang het Duitse volk in 1914 nog voor idealen meende te vechten, hield het stand; nauwelijks echter maakte men het dagelijks brood tot doel van de strijd, of het liet de moed zakken. Onze alwijze "staatslieden" echter stonden verstomd over deze veranderde stemming. Het drong nimmer tot hen door, dat een mens, van het ogenblik af dat hij moet vechten voor een economisch belang, de dood zoveel mogelijk uit de weg zal gaan, omdat die hem immers juist voor altijd berooft van het genot van datgene, waarvoor hij strijdt. Wanneer het er om gaat, haar eigen kind te redden, dan wordt ook de zwakste moeder een heldin, en het was steeds opnieuw de wil om voor het behoud van de soort en voor de beschuttende haard of staat te strijden, die de mannen in de speren van de vijand joeg.

Symptomen van verval

Men kan de volgende, eeuwig ware stelling formuleren: Nog nimmer werd een staat gesticht door de werking van vreedzame economische krachten, maar altijd alleen door de instinctieve wil tot voortbestaan van de soort, onverschillig of deze wil tot voortbestaan van de soort, onverschillig of deze wil nu in heldhaftigheid, dan wel in sluwe list zijn uitdrukking vindt. Het gevolg is dan alleen, dat uit het ene een Arische arbeid- en cultuurstaat groeit, en uit het andere een kolonie van Joodse parasieten. Zodra echter bij een volk of in een staat de economische belangen als zodanig groter invloed beginnen uit te oefenen dan deze instincten, dan zal dit als het ware een uitnodiging aan de vijanden zijn om dit volk, deze staat te willen overweldigen en te onderdrukken. De mening, welke men voor de oorlog huldigde, als zou het mogelijk zijn, om alleen door middel van handels- en koloniale politiek, en dus zonder strijd, de wereld voor het Duitse volk te ontsluiten, was een klassiek symptoom, dat de werkelijk staatsvormende en staatsbehoudende krachten verloren waren gegaan, en met hen alle daaruit volgende inzicht, wilskracht en dadendrang; de natuur echter, die zich niet laat verwaarlozen, vergold dat door de wereldoorlog, met al de gevolgen van dien. oor iemand, die niet dieper nadenkt, moest deze houding van de Duitse natie - want zij was inderdaad zo goed als algemeen - een onoplosbaar raadsel zijn. Juist Duitsland was immers een prachtig voorbeeld van een rijk, dat alleen door het zwaard was ontstaan. Pruisen, de kiemcel van het Rijk, ontstond door grote heldenmoed en niet door financiële of zakelijke transacties, en het Rijk zelf was de kostelijke oogst, die was gegroeid uit een sterke leiding en de doodsverachting van vele, vele soldaten.

Duitslands houding tegenover het Marxisme

Hoe was het dan mogelijk, dat juist bij dat Duitse volk het politieke instinct zo doodziek was? Want hier ging het niet om een enkel verschijnsel, maar om symptomen van verval, die zich nu eens in benauwend aantal als dwaallichten vertoonden en dan van alle punten van het volkslichaam hun sombere boodschap brachten, en dan weer als giftige gezwellen de natie op velerlei punten aantastten. Het scheen wel, alsof mysterieuze machten een onophoudelijke stroom van gift stuwden tot in de uiterste bloedvaten van dit lichaam, dat eens het lichaam van een held was geweest, om zo het gezond verstand en de simpele levensdrang steeds meer te verlammen. Toen ik al deze vraagstukken, welke ik nodig had om de bondgenootschappolitiek en de economische politiek van het Rijk in de jaren 1912-1914 te kunnen beoordelen, telkens opnieuw nauwkeurig had onderzocht, bleef als oplossing van het raadsel altijd enkel die macht over, welke ik reeds tevoren te Wenen uit een geheel ander gezichtspunt had leren kennen: de marxistische leer en de wereldbeschouwing en tevens de invloed, die zij door haar organisatie uitoefende. Ten tweede male in mijn leven drong ik door in deze leer van de vernietiging, maar ditmaal niet meer geleid door indrukken en invloeden uit mijn dagelijks leven, maar gedreven door de waarneming van algemene gebeurtenissen in het politieke leven.

Ik verdiepte me opnieuw in de theoretische literatuur van deze nieuwe wereld, en trachtte me de mogelijke uitwerkingen daarvan duidelijk voor te stellen, vergeleek deze dan met de werkelijke verschijnselen en gebeurtenissen, waardoor haar werkzaamheid in het politieke, culturele en economische leven zich kenmerkte. Voor de eerste maal echter vestigde ik mijn aandacht nu ook op de verschillende pogingen, om deze internationale pest klein te krijgen. Ik bestudeerde nu de opzet, de strijd en het resultaat van Bismarcks socialistenwetten. Langzamerhand kwam mijn overtuiging daardoor op granieten grondslagen te rusten, zodat ik sindsdien nimmer meer gedwongen was om enige verandering aan te brengen in mijn opvatting over deze kwesties. De onderlinge verhouding van marxisme tot Jodendom onderwierp ik eveneens opnieuw aan een grondig onderzoek. Maar wanneer ik vroeger in Wenen, Duitsland meer nog dan iedere andere staat voor een onkwetsbare kolos had aangezien, thans kwam er toch telkens weer een zekere angst en onrust in mij op. Ik kwam innerlijk, en ook in de kleine kring van mijn kennissen, in verzet tegen de Duitse buitenlandse politiek, en eveneens tegen de, mijns inziens ongelooflijk lichtvaardige, manier, waarop men het allerbelangrijkste probleem, dat er destijds feitelijk voor Duitsland bestond, het marxisme, behandelde.

Ik kon werkelijk niet begrijpen, hoe men zich zo volkomen blind in het ongeluk kon storten, terwijl men wist, dat de gevolgen daarvan, zoals het marxisme immers wilde, ontzettend zouden moeten zijn. Ik heb reeds destijds in mijn kleine kring, evenals heden in het groot, gewaarschuwd tegen die redenering, waarachter al die treurige lafaards zich verscholen: "ons kan niets gebeuren!" Reeds eerder was een reusachtig rijk te gronde gegaan door zo'n funeste mentaliteit. En zouden de wetten, die voor alle andere menselijke gemeenschappen golden, dan alleen voor Duitsland niet opgaan? In de jaren 1913 en 1914 heb ik dan ook voor de eerste maal in verschillende kringen, welke heden voor een deel goed nationaal-socialistisch zijn, de overtuiging uitgesproken, dat de toekomst van de Duitse natie afhankelijk was van de vernietiging van het marxisme. In die rampzalige Duitse bondgenootschappolitiek kon ik niets dan een gevolg zien van de ontbindende werking van deze leer; want het vreselijke was immers juist, dat dit gif bijna onmerkbaar alle grondslagen van een gezonde opvatting over staat en maatschappij ondermijnde, zonder dat het slachtoffer ook maar in de verste verte vermoedde, hoezeer zijn wil en zijn daden reeds waren bepaald door die levensbeschouwing, welke hij overigens zo beslist mogelijk afwees.

De innerlijke degeneratie van het Duitse volk was destijds reeds lang begonnen, zonder dat de mensen hadden begrepen, wie het was, die hun bestaan verwoestte; iets, dat men overigens in dit leven wel vaker moet constateren. Soms dokterde men nog een beetje aan de ziekte, maar zag dan steeds de gevolgen voor de oorzaak aan. Daar men deze oorzaak niet kende, of niet wilde kennen, had de strijd tegen het marxisme echter ook geen grotere waarde dan de eerste de beste kwakzalverij.

Vijfde Hoofdstuk / De Wereldoorlog

Toen ik nog een jonge wildebras was, had mij niets zozeer dwars gezeten als het feit, dat ik nu juist in een tijd was geboren, waarin zo kennelijk enkel nog voor grote grutters of rijksambtenaren monumenten werden opgericht. De golven van de historische gebeurtenissen schenen reeds zozeer tot kalmte te zijn gekomen, dat het wel leek, alsof de gehele toekomst werkelijk niets anders meer bood, dan die befaamde "vreedzame wedstrijd der volkeren", wat dus wilde zeggen een eeuwigdurende kalme, bezadigde, wederkerige begapperij, waarbij het alleen tot de spelregels behoorde, om zich onder geen voorwendsel met geweld te verdedigen. De staten begonnen steeds meer te gelijken op ondernemers, die elkaar wederzijds het gras voor de voeten wegmaaiden, elkaar de klanten en de opdrachten afsnoepten, en trachtten, zich op alle manieren ten koste van de anderen te bevoordelen, en dat alles dan begeleid door een even luid als onbetekenend geschreeuw. Deze ontwikkelingsgang scheen echter niet alleen blijvend te moeten zijn, maar was( op algemeen verzoek) voorbestemd, om eens de gehele wereld om te knutselen tot een enkel groot warenhuis, met een voorportaal vol borstbeelden, waarin de nagedachtenis van de meest doortrapte zwendelaars en van de onnozelste administrateurs voor het nageslacht bewaard zou blijven.

De Engelsen zouden dan de kooplieden kunnen leveren, de Duitsers de Administrateurs, terwijl de Joden zich wel zouden moeten opofferen en als eigenaars fungeerden, daar zij immers, naar hun eigen getuigenis, toch nooit iets verdienen, doch altijd enkel maar betalen, betalen - en bovendien ook nog het grootste aantal talen spreken. Waarom had ik toch niet een honderd jaar eerder geboren kunnen zijn? Bijvoorbeeld in de tijd van de vrijheidsoorlogen (1813-1815), toen een man werkelijk ook zonder "negotie" nog iets waard was?! Zo had ik me al vaak geërgerd over mijn leven, dat mijns inziens veel te laat was begonnen, en had de tijd van "rust en orde", die mij wachtte, steeds als een onverdiende gemene streek van het noodlot tegen mij persoonlijk beschouwd. Ik was immers ook als jongen geen "pacifist", en alle pogingen om mij daartoe op te voeden, mislukten jammerlijk. De boerenoorlog was voor mij een even grote verrassing als een bliksemstraal bij heldere hemel geweest zou zijn. Ik loerde iedere dag op de kranten, verslond te telegrammen en berichten, en voelde me al gelukkig, omdat ik tenminste op een afstand getuige kon zijn van deze heldenstrijd.

De naderende catastrofe

Toen de Russisch-Japanse oorlog uitbrak, was ik reeds veel rijper, maar ook aandachtiger. Ik had daarbij reeds, om meer nationale redenen, partij gekozen, en mij destijds, bij de eerste gedachtewisseling over dit onderwerp, dadelijk aan de zijde van Japan geschaard. Ik zag in de nederlaag van de Russen ook een nederlaag van de Slaven in Oostenrijk. Sindsdien waren er vele jaren verlopen, en wat mij eens, als jongen, een ellendige ziektetoestand scheen, dat voelde ik nu als een stilte voor de storm. Reeds gedurende mijn Weense tijd hing er boven de Balkan zo'n loodgrauwe zwoelte, die meestal een orkaan aankondigt, en reeds vlamde ook van tijd tot tijd een lichter schijnsel op, dat echter spoedig weer in de dreigende donkerte verdween. Toe echter kwam de Balkanoorlog en daarmee joeg ook als eerste windstoot over het zenuwachtig geworden Europa. De tijd, die nu kwam, drukte als een zware nachtmerrie op de mensen, broeide als een koortsige tropensfeer, zodat uit de onophoudelijke bezorgdheid voor de ramp tenslotte het verlangen groeide, dat het dan eindelijk maar mocht losbarsten, wanneer het dan toch niet meer tegen te houden was. En daar schoot ook al de eerste geweldige bliksemstraal op de aarde neer; het onweer brak los en in de donder mengde zich het dreunen van de batterijen van de wereldoorlog.

De grootste vriend van de Slaven vermoord

Toen het bericht van de moord op Aartshertog Franz Ferdinand te München bekend werd (ik was juist thuis, en hoorde maar ten naastenbij, hoe alles zich had afgespeeld), maakte zich eerst grote angst van mij meester, dat de kogels misschien afkomstig waren uit pistolen van Duitse studenten, die verontwaardigd waren over de anti-Duitse en pro-Slavische actie van de troonopvolger, en het Duitse volk wilden bevrijden van deze binnenlandse vijand. Men kon zich maar al te gemakkelijk indenken, wat daarvan het gevolg zou zijn geweest: een nieuwe stroom van vervolgingen, welke de gehele wereld nu "gerechtvaardigd" en "redelijk" zou achten. Toen ik echter, dadelijk nadien, reeds de namen van de vermoedelijke daders hoorde, en bovendien, dat ze als Serven waren geïdentificeerd, liep er mij toch even een rilling over de rug over de wraak van het onberekenbare noodlot. De grootste vriend van de Slaven viel onder de kogels van Slavische fanatici. Wie in de laatste jaren de gelegenheid had gehad, om de verhouding van Oostenrijk tot Servië voordurend gade te slaan, die kon er moeilijk lang aan twijfelen, dat de steen nu was beginnen te rollen, en dat er geen ophouden aan was.

Men zou de Weense regering onrecht doen, wanneer men haar nu met verwijten overstelpt wat de vorm en de inhoud van haar ultimatum betreft. Geen macht ter wereld had, in haar positie en onder dezelfde omstandigheden, anders kunnen handelen. Oostenrijk bezat aam zijn Zuid-Oostgrens een onverbiddelijke doodsvijand, die de monarchie met steeds korter tussenposen uittartte, en die daar ongetwijfeld nooit mee zou zijn opgehouden, voordat tenslotte inderdaad het gunstigste ogenblik, om het rijk te vernietigen, zou zijn aangebroken. Men had reden om te vrezen, dat deze situatie uiterlijk bij de dood van de oude keizer zou zijn aangebroken; maar niemand kon zeggen, of de monarchie op dat ogenblik nog wel tot enig ernstig verweer in staat zou zijn. De gehele staat werd in de laatste jaren reeds zo uitsluitend nog door de persoon van Franz Joseph bijeengehouden, dat de grote massa reeds van tevoren het gevoel had, dat de dood van deze oeroude personificatie van het rijk tegelijkertijd het einde van het rijk zou betekenen. Ja het was een van de sluwste trucs, waarvan zich bij voorkeur de Slavische politici bedienden, om de indruk te wekken, als had de Oostenrijkse staat zijn voortbestaan enkel en alleen nog te danken aan de buitengewone, onovertrefbare staatsmanskunst van deze monarch; een vleierij, die het hof des te aangenamer aandeed, omdat dit zo absoluut niet tot de werkelijke kwaliteiten van de keizer behoorden.

Het Oostenrijks ultimatum

De adder, die hier onder het gras school, wist men niet te ontdekken. Men zag niet - of misschien wilde men ook niet meer zien - dat, naarmate de monarchie meer uitsluitend afhankelijk was van de "ongeëvenaarde staatsmanskunst van deze wijste monarch van alle tijden", zoals men zich placht uit te drukken, de toestand bij Franz Josephs dood ook des te funester zou worden. Maar was het oude Oostenrijk eigenlijk nog wel denkbaar zonder zijn oude keizer? Zou de tragedie, die een Maria Theresia getroffen had, zich niet onmiddellijk hebben herhaald? Nee, men doet de Weense regeringskringen werkelijk onrecht, wanneer men hun verwijt, dat zij nu tot een niet onvermijdelijke oorlog aanzetten. Want het was onjuist te beweren, dat die oorlog nog te vermijden was geweest; op zijn best had hij nog een of twee jaar uitgesteld kunnen worden. Maar dit was immers juist de vloek, die op de Duitse en Oostenrijkse diplomatie rustte, dat zij altijd getracht hadden om de onontkoombare afrekening uit te stellen, tot zij eindelijk op een uiterst ongunstig tijdstip er toe gedwongen werden. Men kan ervan overtuigd zijn, dat een poging om de vrede nogmaals te redden, indien zij geslaagd was, de oorlog op een voor ons nog veel minder gelegen ogenblik had doen uitbarsten.

Nee, indien men deze oorlog had willen vermijden, dan had men ook de moed moeten hebben, om de consequenties van zo'n besluit te aanvaarden. Dan was echter de opoffering van Oostenrijk de enig mogelijke uitweg geweest. De oorlog zou ook dan niet vermeden zijn, maar het zou niet een strijd van allen tegen ons zijn geweest, doch enkel een uiteenscheuren van de Donau-monarchie. En dan moesten wij zelf maar weten wat wij wilden: meedoen, of maar toezien, waardoor we met lege handen het noodlot op zijn beloop zouden laten. Maar juist diegenen, die heden het luidste vloeken over het begin van de oorlog, en er met de diepste wijsheid en deskundigheid over weten te oordelen, zijn dezelfde, die op de noodlottigste wijze meehielpen om op die oorlog aan te sturen. De sociaal-democratie had sinds tientallen van jaren op de meest misdadige manier tot oorlog tegen Rusland gehitst: het Zentrum (het politieke katholicisme in Duitsland) had er, om godsdienstige redenen, het meest toe bijgedragen om de Oostenrijkse staat tot de belangrijkste hoeksteen van de gehele Duitse politiek te maken.

Nu moest men dan de gevolgen van deze waanzinnige politiek dragen. Wat kwam, moest komen, was op geen enkele wijze meer te vermijden. De schuld van de Duitse regering was daarbij, dat zij, om toch maar vooral voor de vrede te bewaren, telkens weer het gunstige ogenblik om te beginnen verzuimde, zich in haar bewegingsvrijheid liet belemmeren door het verbond tot behoud van de vrede, en daardoor tenslotte het slachtoffer werd van een wereldcoalitie, welke, tegenover het streven om de wereldvrede te bewaren, de vaste wil tot de wereldoorlog stelde. Indien de Oostenrijkse regering nu een andere welwillender vorm had gegeven aan haar ultimatum, dan zou dit toch aan de toestand absoluut niets meer veranderd hebben, tenzij misschien dit ene ding, dat zijzelf door de verontwaardiging van het volk gedwongen zou zijn geweest af te treden. Want in de ogen van de grote massa was de toon van het ultimatum nog veel te welwillend, en zeer bepaald niet te veeleisend of te ruw. Wie dit nu tracht te loochenen is of een leeghoofd zonder geheugen, of een bewuste leugenaar.

De oorlog van 1914 werd de massa's waarlijk niet opgedrongen, maar was iets, waarnaar het gehele volk verlangde. Men wilde niet langer onder het juk van de algemene onzekerheid gebukt gaan. Hieruit alleen is het te verklaren, dat er voor deze titanenstrijd meer dan twee millioen Duitse mannen en jongens opstonden, en zich om de vlag schaarden, bereid, om die tot de laatste druppel bloed te verdedigen. Voor mij betekenden die uren de verlossing uit de benauwde ban van die "ordelijke en vreedzame toekomst", welke mijn jeugd had vergald. Ik schaam mij ook heden niet om te zeggen dat ik, ten prooi aan overweldigende geestdrift, op mijn knieën ben gevallen om de hemel uit de diepte van mijn overvol hart te danken, dat mij het geluk was toebedeeld, in deze tijd te mogen leven. Er was een vrijheidsstrijd begonnen, zo geweldig als de aarde nog niet had aanschouwd, want de strijd was nog maar nauwelijks begonnen of het drong reeds tot de grote massa door, dat het deze keer niet ging om het lot van Servië, of zelfs om dat van Oostenrijk, maar dat het bestaan van de gehele Duitse natie op het spoel stond. Voor de laatste maal in vele jaren was het volk helderziend geworden aangaande zijn eigen toekomst. Zodoende klonk al dadelijk bij het begin van deze geweldige worsteling, in de roes van de allesoverheersende geestdrift, de nodige ernstige ondertoon door; want dit diepe inzicht in de ernst van de toestand maakte juist, dat deze nationale wedergeboorte meer werd dan een gewoon strovuurtje.

Men hoopte tegen de winter weer thuis te kunnen zijn, om dan opnieuw door vreedzame arbeid zijn brood te verdienen. De mens hoopt en gelooft nu eenmaal altijd datgene wat hij graag wil. De overgrote meerderheid van de natie was die altijd dreigende toestand reeds lang moe; en daardoor was het ook maar al te begrijpelijk, dat men in het geheel niet meer geloofde aan de mogelijkheid, dat het geschil tussen Oostenrijk en Servië nog kon worden bijgelegd, maar hoopte dat het nu tot een definitieve oplossing zou komen. Ook ik bevond mij onder de millioenen, die dit hoopten. Nauwelijks was het bericht van de aanslag te München bekend geworden, of er schoten mij dadelijk twee gedachten door het hoofd: ten eerste, dat de oorlog nu dan eindelijk onvermijdelijk voor de deur stond, en daarnaast, dat de Habsburgse staat nu wel gedwongen zou zijn, zijn plichten als bondgenoot ook waar te nemen; want wat ik altijd het meest gevreesd had, was de mogelijkheid, dat Duitsland zelf op zekere dag, misschien juist door dit verbond, in een conflict verwikkeld had kunnen raken, zonder dat Oostenrijk daartoe de directe aanleiding had geschapen, en dat de Oostenrijkse staat dan, om binnenlandse politieke redenen, niet de moed zou blijken te bezitten om zijn bondgenoot bij te springen.

De Slavische meerderheid van het rijk zou onmiddellijk begonnen zijn om zo'n plan, dat niet uit Oostenrijks eigen vrije wil was voortgekomen, te saboteren, en had nog veel liever de gehele staat aan puin geslagen, dan de bondgenoot de gevraagde hulp te verlenen. Dit gevaar was nu van de baan. De oude staat moest vechten, of hij wilde of niet. Voor mij bestond er nu ook niet meer de allerminste twijfel over het standpunt, dat ik ten opzichte van dit conflict moest innemen; voor mij was het niet Oostenrijk, dat ter wille van het een of ander eerherstel door Servië in de oorlog ging, maar vocht de Duitse natie om haar bestaan, om haar vrijheid en haar toekomst. Bismarcks meesterstuk moest thans laten zien, wat het waard was; het jonge Duitsland moest op zijn beurt tonen, dat het datgene waardig was, wat de vaderen in vele veldslagen, van Weissenburg tot Sedan en Parijs, hadden verworven en met hun heldenbloed hadden betaald. Indien het jonge Rijk echter als overwinnaar uit dit strijdperk was gekomen, dan zou ons volk ook weer zijn plaats hebben ingenomen in de rij van die naties, die ook groot zijn aan uiterlijke macht. Dan kon het Duitse volk pas weer een sterke vredesmacht zijn, zonder dat het zich, om der wille van die vrede, genoodzaakt zou zien, op het brood van zijn kinderen te beknibbelen.

De betekenis van de vrijheidsstrijd

Als jongen, en later als jongeman, had ik zo dikwijls gewenst nog eens in de gelegenheid gesteld te worden om door daden te bewijzen, dat mijn nationale geestdrift geen holle frase was. Dikwijls scheen het mij bijna een zonde toe, hoera te roepen, zonder daartoe ook maar het morele recht te bezitten; want wie mocht dit woord uitspreken, zonder tenminste eenmaal de sterkte van zijn eigen hart te hebben beproefd op de plaats, waar alle spel voorbij is en de onverbiddelijke godin van het noodlot de eerlijkheid en vastheid van overtuiging van mensen en volkeren onderzoekt? Zo gloeide mijn hart, evenals dat van millioenen anderen, van trots geluk, dat ik me nu eindelijk van dat drukkende gevoel, tekort te zijn geschoten, zou kunnen verlossen. Ik had zo dikwijls "Deutschland über alles" gezongen en uit volle borst: Heil! Geroepen, dat het mij bijna achteraf verleende genade scheen, dat ik thans bij dit grote oordeel van de eeuwige rechter zou mogen komen getuigen van de waarachtigheid van dit geloof.

Ik neem dienst in een Beiers regiment

Want het stond voor mij van het eerste ogenblik af vast, dat ik, voor het geval de oorlog uitbrak - en ik was overtuigd dat dit zou gebeuren - mijn boeken onmiddellijk in een hoek zou gooien. En even vast wist ik, dat mijn plaats alleen daar kon zijn, waarheen mijn innerlijke stem me beval te gaan. Het was hoofdzakelijk om politieke redenen geweest, dat ik Oostenrijk had verlaten; en dat was dan vanzelfsprekender, dat ik thans, nu de strijd begon, pas werkelijk rekening moest gaan houden met deze gezindheid. Ik wilde niet voor de Habsburgse staat vechten, maar was te allen tijde bereid mijn leven te geven voor mijn volk en voor het Rijk; waarin dit volk belichaamd was. De 3e augustus zond ik een rechtstreeks verzoekschrift aan Zijne Majesteit Koning Ludwig III, waarin ik vroeg om in een Beiers regiment dienst te mogen nemen. De kanselarij van het kabinet had ongetwijfeld haar handen meer dan vol in deze dagen; des te groter was mijn vreugde, toen ik reeds de volgende dag de beschikking op mijn verzoek ontving. Toen ik met bevende handen het schrijven geopend had en de inwilliging van mijn verzoek las, met de uitnodiging, mij in een Beiers regiment aan te melden, kende mijn vreugde en dankbaarheid geen grenzen.

Enkele dagen nadien droeg ik dan de uniform, welke ik pas een zestal jaren later weer zou uittrekken. Zo begon nu ook voor mij, als zeker voor iedere andere Duitser, de onvergetelijkste en grootste tijd van mijn bestaan op aarde. Naast het duizendvoudig vergrote leven in deze geweldige worsteling, zonk alles wat er vroeger geweest was volomen in het niet. Het noodlot was zo genadig, mij ook deze eerste weken van de heldenstrijd van ons volk te doen beleven - en vooral nu in deze dagen dat geweldige gebeuren ten tiende male verjaart, denk ik er dikwijls met trotse weemoed aan terug. Het is me, alsof het pas gisteren gebeurde, zo scherp trekt beeld na beeld mij voorbij; ik zie weer, hoe ik met mijn trouwe kameraden in de uniform werd gestoken; dan, hoe wij het eerst uitrukten, exerceerden enz., tot eindelijk de dag van het vertrek aanbrak. In deze tijd kwelde mij, en vele anderen met mij, slechts een angst, n.l. die, dat wij te laat aan het front zouden komen. Dit alleen was dikwijls oorzaak, dat ik geen rust kon vinden. Daarom klonk er voor mij in ieder overwinningsgejuich over nieuwe heldendaden een bittere bijklank, omdat immers met iedere nieuwe zege het gevaar, dat wij te laat zouden komen, groter werd.

De vuurdoop

En zo kwam dan eindelijk de dag, waarop wij München verlieten, ter vervulling van onze plicht. Voor het eerst zag ik de Rijn, toen wij langs zijn rustige golven naar het Westen reisden, om die vader van de Duitse stromen te beschermen tegen de hebzucht van de oude vijand. Toen wij door de tere sluier van de ochtendnevel heen, in het licht van de eerste milde zonnestralen, hoog boven ons het Niederwaldmonument zagen opblanken, toen barstte uit de honderden harten in die eindeloos lange transporttrein de oude "Wacht am Rhein" in de frisse morgenlucht, en het was me, alsof mijn borst te nauw was voor zoveel ontroering. En daarna moet ik denken aan de vochtige koude nacht in Vlaanderen, waar wij zwijgend door het donker marcheerden, en wanneer de dag dan uit de nevelen begint op te staan, sist er opeens een ijzeren groet boven onze hoofden, ons tegemoet, en jaagt met een scherpe knal de kleine kogels in onze rijen, dat het slijk van de drassige bodem overal hoog opspat; maar voor het wolkje nog is opgetrokken, dreunt reeds uit tweehonderd kelen het eerste hoera als antwoord. Daarna echter begon het te knetteren en te dreunen, te fluiten en te loeien, en een ieder voelde nu, met koortsige ogen, hoe het hem naar voren trok, steeds sneller, totdat plotseling over knollenvelden en heggen de strijd begon, de strijd van man tegen man.

Uit de verte echter vingen onze oren de klanken van een lied op, die steeds dichterbij kwamen, die van de ene compagnie op de andere oversprongen; en toen, juist op het ogenblik dat de dood met beide handen in onze rijen tastte, bereikte dat lied ons, en ook wij gaven het nu verder door: "Deutschland, Deutschland, über alles, über alles in der Welt!" Na vier dagen keerden wij terug. Zelfs onze pas was anders geworden. Deze zeventienjarige jongens zagen er nu uit als mannen. De vrijwilligers van het regiment List hadden misschien niet zo goed geleerd te vechten; maar hoe te sterven, dat wisten ze, alsof ze oude soldaten waren. Dat was het begin. Zo ging het nu verder, jaar op jaar; de romantiek van de veldslagen had plaats moeten maken voor de ontzetting. De geestdrift bekoelde langzamerhand, en de al te grote vreugde werd verstikt door de doodsangst. Er kwam een tijd, dat ieder een innerlijke strijd te voeren had tussen de drang tot zelfbehoud en het bevel van de plicht. Ook mij bleef deze strijd niet bespaard. Steeds, als de dood op jacht was, trachtte iets vreemds, iets onzegbaars, in verzet te komen, deed dan al zijn best, om het zwakke lichaam ervan te overtuigen, dat hier het verstand sprak, terwijl het in werkelijkheid niets anders was dan de lafheid, die onder zulke vermommingen de enkeling trachtte te misleiden.

Een gedenkteken van onsterfelijke moed

Dan begon een moeilijk lokken en waarschuwen, en dikwijls had men geheel zijn geweten nodig, om in deze strijd de baas te blijven. Hoe meer deze stem, die tot voorzichtigheid maande, zich echter inspande, hoe luider en dringender zij lokte, des te sterker werd ook de weerstand, tot eindelijk, na lange strijd, het plichtsbesef de overwinning behaalde. Reeds in de lange winter van 1915 en 1916 was bij mij deze strijd beslist. De wil was tenslotte volkomen de baas gebleven. Ik had in de eerste dagen jubelend en lachend kunnen meestormen - maar nu was ik rustig en vastberaden. En dit was het blijvende. Nu eerst kon het noodlot tot de uiterste beproeving overgaan, zonder dat mijn zenuwen me in de steek zouden laten, of dat het verstand het moest opgeven. De jonge oorlogsvrijwilliger was een oud soldaat geworden. Deze ommekeer had zich echter bij het gehele leger voltrokken. Het was door de smidse van die onophoudelijke gevechten gegaan, en er oud en gehard uit tevoorschijn gekomen; en alles, wat niet in staat was gebleken al die beproevingen te doorstaan, was er door vernietigd. Maar nu kon men dit leger pas beoordelen. Nu, na twee of drie jaren, waarin het van de ene veldslag in de andere geworpen werd, steeds vechtend tegen een overmacht van mensen en materiaal, dikwijls hongerend, en dikwijl het noodzakelijkste ontberend - nu was het ogenblik gekomen om de waarde van dit leger te meten.

Er mogen duizenden jaren voorbijgaan, maar nooit zal iemand meer het woord "heldendom" in de mond kunnen nemen, zonder het Duitse leger uit de wereldoorlog te gedenken. Dan zal uit de schemering van het verleden het ijzeren front van de grauwe stalen helm opstaan, dat niet wankelde en niet week, en dat ons steeds zijn onsterfelijke daden zal doen gedenken. Zolang er Duitsers leven, zullen zij weten, dat ook deze eenmaal zonen waren van hun volk. Ik was destijds soldaat, en wilde daarom niet aan politiek doen. Het was er ook waarlijk de tijd niet voor. Ik ben heden nog vast overtuigd, dat de minste voermansknecht het vaderland nog groter diensten heeft bewezen dan het allerbeste parlementslid. Ik heb deze kletsmajoors nooit zozeer gehaat als juist in de tijd, dat iedere werkelijke kerel, die iets te zeggen had, dit de vijand in het gezicht schreeuwde, of anders zo verstandig was zijn mond thuis te laten en zwijgend zijn plicht te doen. Ja, ik haatte destijds al deze "politiekelingen", en, wanneer het van mij had afgehangen, dan zou er dadelijk een schoppenbataljon gevormd zijn, geheel bestaande uit parlementsleden; dan zouden zij onder elkaar naar hartelust kunnen kletsen, zonder fatsoenlijke en eerlijke mensen te kunnen ergeren of benadelen.

Kunstmatige bekoeling van de geestdrift

Ik wilde dus toentertijd niets met politiek te maken hebben, maar was wel gedwongen, mijn standpunt te bepalen ten aanzien van zekere verschijnselen, die nu eenmaal de gehele natie raakten, maar die wel vooral ons soldaten aangingen. Er waren destijds twee dingen, die mij bijzonder ergerden, en die mijns inziens zeer verkeerd waren. Reeds na de eerste overwinningsberichten begon een zeker deel van de pers langzaam, en misschien aanvankelijk voor velen nog onmerkbaar, enige droppels valeriaan te laten vallen in de algemene geestdrift. Dit gebeurde zogenaamd, omdat men zo welwillend was, en het zo goed bedoelde - en zelfs zo bezorgd was. Men opperde bezwaren tegen een al te uitbundig vieren van de overwinningen. Men vreesde, dat dit in deze vorm een grote natie onwaardig was, en dat ons volk zich daarom ook van een dergelijk vreugdebetoon diende te onthouden. De dapperheid en de heldenmoed van de Duitse soldaten was immers iets volkomen vanzelfsprekends, zodat men daarover niet in zo'n buitengewone vreugde hoefde los te barsten, alleen al vanwege het buitenland, dat veel meer onder de indruk kwam van een stille en waardige vorm van vreugde, dan van uitbundig gejuich, enz. Tenslotte mochten wij Duitsers ook nooit uit het oog verliezen, dat wij het niet waren geweest, die de oorlog hadden gewild, en dat wij ons dus ook niet behoefden te schamen om openlijk en ruiterlijk toe te geven, dat wij te allen tijde bereid zouden zijn om ons aandeel bij te dragen tot een verzoening van de mensheid.

Daarom zou het nu echter niet verstandig zijn, om de smetteloze daden van het leger te bevlekken door een al te luid geschreeuw, omdat de rest van de wereld zo'n houding niet zou kunnen rechtvaardigen. Niets zou daar meer bewonderd worden dan de bescheidenheid, waarmee een ware held zijn daden zwijgend en kalm zou vergeten ..., want daarop kwam het hele betoog eigenlijk neer. Nu ging men zo'n heerschap niet bij zijn lange oren pakken om hem naar een hoge paal te slepen, en aan een strop op te trekken, teneinde zo te zorgen, dat de feestvierende natie het esthetisch gevoel van deze penneridder niet meer zou kunnen beledigen. O, nee, integendeel; men begon inderdaad tegen de "ongepaste" wijze van feestvieren op te treden. Men begreep blijkbaar absoluut niet, dat men, wanneer men de geestdrift eenmaal kunstmatig bekoeld heeft, een zo spontaan gevoel niet meer willekeurig naar behoefte kan opwekken. De geestdrift is een roes en moet als zodanig in stand worden gehouden. Hoe zou men echter ooit een strijd kunnen doorstaan, die naar menselijke berekening de allerzwaarste eisen zou stellen aan de zielskracht van de natie, wanneer men niet over dat kostbare wapen van de geestdrift beschikte?

Blind voor de ware aard van het Marxisme

Ik kende de geestesgesteldheid van de grote massa te goed, om niet te weten, dat men hier met esthetisch verheven gedoe het vuur nooit weer zou aanwakkeren, dat nodig was, om het ijzer heet te houden. Het was mijns inziens krankzinnig, dat men niets deed om de kookhitte van de hartstocht nog op te voeren; maar dat men dat, wat er gelukkig was, ook nog trachtte te kalmeren, dat was iets waar ik niet bij kon. Het tweede wat mij ergerde, was de houding, welke men meende, tegenover het marxisme te moeten innemen. Men bewees daardoor, mijns inziens, niets anders dan dat men nog niet het flauwste benul had van de betekenis van deze pestilentie. Men scheen werkelijk in volle ernst te menen, dat het woord van de Keizer, dat hij in het vervolg geen partijen meer kende, ook het marxisme tot inkeer en zelfbeperking had gebracht. Dat het hier in het geheel niet gaat om een partij, zoals al de andere, maar om een leer, die tot vernietiging van de gehele mensheid moet voeren, dat was iets, wat men des te minder begreep, omdat dit immers op de - volkomen Joodse - universiteiten niet onderwezen werd, en omdat overigens veel te veel mensen, vooral onder onze hogere ambtenaren, het immers uit notabene nog aangeleerde, domme verwaandheid, niet de moeite waard vinden eens een boek ter hand te nemen en iets te leren wat nu eens niet op het program van hun hogeschool genoemd wordt.

Zelfs de geweldigste omwenteling maakt geen indruk op deze "kopstukken", wat mede een van de redenen is, waarom staatsinstellingen meestal zo'n eind achter de particuliere inrichtingen komen aansukkelen. Voor hen geldt waarlijk nog het meest het oude spreekwoord: Wat de boer niet kent, dat lust hij niet. De zeldzame uitzonderingen doen ook hier niets anders dan de regel bevestigen. Het was een krankzinnigheid zonder weerga, om in de Augustusdagen van 1914 de Duitse arbeider te identificeren met het marxisme. De Duitse arbeider had zich juist in die uren verlost van die gevaarlijke pest, omdat hij anders immers nooit ook maar bij machte was geweest om voor de strijd aan te treden. Men was echter dom genoeg om te menen, dat het marxisme nu misschien wel "nationaal" was geworden, een werkelijk zeer lumineus idee, dat alleen maar bewijst, dat niemand van deze hogere ambtenaren het in al die jaren ook maar de moeite waard had geacht om het karakter van deze leer te bestuderen, omdat men anders toch onmogelijk tot een dergelijke krankzinnige veronderstelling had kunnen komen.

Het marxisme, dat uiteindelijk er naar streeft, om alle niet Joodse nationale staten te verdelgen, en dat doel nooit loslaat, moest tot zijn ontzetting zien, dat in de Julidagen van het jaar 1914 de Duitse arbeiders, die reeds voorgoed in zijn web verstrikt schenen, ontwaakten, en zich van uur tot uur in groter aantal in dienst van het vaderland gingen stellen. In een paar dagen slechts was de gehele invloed en duivelse macht van dit schandelijke volksbedrog gebroken, en stond het Joodse leidersgespuis eenzaam en verlaten, alsof van al die waanzin en al dat valse geloof, dat ze nu al sinds zestig jaar in de hersens van de massa hadden gegoten, geen spoor meer restte. Het was een zwarte dag voor de bedriegers van de Duitse arbeiders. Zodra de leiders echter het, hun bedreigende, gevaar herkenden, trokken zij ten spoedigste de "tarnkap" (legendarische muts, die de drager onzichtbaar maakt) van de leugen over de oren en speelden een zeer brutaal stukje komedie, door net te doen, alsof ook zij door de nationale opstanding in geestdrift waren ontstoken. Dit was nu echter het aangewezen ogenblik geweest om tegen deze gehele bedrieglijke troep van Joodse volksvergiftigers op te treden.

Wat men had moeten doen

Nu had men korte metten met hen moeten maken, zonder ook maar de minste aandacht te schenken aan het geschreeuw en gejammer, dat ze misschien zouden aanheffen. In Augustus 1914 was al het Joodse gepraat over internationale solidariteit met een slag verdwenen uit de hoofden van de Duitse arbeiders, en reeds een paar weken later begonnen de Amerikaanse granaatkartetsen de zegeningen van een nieuwe vorm van broederschap, in plaats van de oude, over de helmen van de marcherende colonnes uit te gieten. Een verantwoordelijke regering zou het als haar plicht hebben beschouwd om nu, op het ogenblik, dat de Duitse arbeider de weg naar zijn volk had teruggevonden, de lieden, die hem voordien hadden opgehitst, onverbiddelijk uit te roeien. Wanneer het al nodig was, dat aan het front de besten vielen, dan kon men achter het front tenminste het ongedierte verdelgen. Maar inplaats van zo krachtig op te treden, stak Zijne Majesteit de Keizer zelf de oude misdadigers de hand toe, en schonk zo de sluwe sluipmoordenaars van de natie vergiffenis, en de mogelijkheid om in stilte weer op hun verhaal te komen.

Het gebruik van bruut geweld

Nu kon het gif dus weer verder kruipen, voorzichtiger dan vroeger, maar daardoor slechts des te gevaarlijker. Terwijl de eerlijken droomden van landvrede, organiseerden de meinedige misdadigers de revolutie. Dat men destijds tot zulk een verschrikkelijk halfslachtige maatregel zijn toevlucht kon nemen, was iets, wat mij steeds ontevredener maakte; dat het uiteindelijke resultaat daarvan echter zo ontzettend zou zijn, dat had ook ik destijds niet voor mogelijk gehouden. Maar wat had men nu moeten doen? De leiders van de gehele beweging achter slot en grendel zetten, hen strafrechtelijk laten vervolgen, en van de natie van hun aanwezigheid verlossen. Men had onvoorwaardelijk de totale machtsmiddelen moeten aanwenden, om deze pestilentie uit te roeien. De partijen moesten worden ontbonden en de Rijksdag, zo nodig met de bajonet, tot rede worden gebracht; het best echter kon men deze instelling meteen opdoeken. Evenals de republiek zich tegenwoordig het recht heeft toegekend, partijen te ontbinden, evenzeer had het oude Rijk dat moeten doen, en ze had er waarlijk heel wat meer reden toe gehad. Het ging immers om het bestaan van het gehele volk! Dan bleef er weliswaar nog een vraag onbeantwoord: Is het eigenlijk wel mogelijk, ideeën met het zwaard uit te roeien? Kan men wereldbeschouwingen met bruut geweld bestrijden?

Ik heb reeds in die tijd dikwijls naar een antwoord op deze vraag gezocht. Bij het overdenken van soortgelijke gevallen, waarvan er vooral op godsdienstig gebied in de geschiedenis verschillende te vinden zijn, komt men in principe ongeveer tot de volgende conclusie: Denkbeelden en ideeën, en ook bewegingen met een bepaalde ideologische basis, onverschillig of deze al dan niet juist zijn, kunnen, van een zeker punt in hun groeiperiode af, alleen nog door zulke technische machtsmiddelen vernietigd worden, welke tegelijkertijd de dragers zijn van een nieuwe brandende gedachte, idee of wereldbeschouwing.

Het gebruik van geweld alleen, zonder de motor van een geestelijke grondslag, kan nimmer leiden tot de vernietiging van een idee, en is al evenmin in staat, volkomen een eind te maken aan de verspreiding daarvan, tenzij dan, dat men er in zou slagen om alle aanhangers van die idee, tot de laatste sympathisant toe, uit te roeien, en tevens de laatste overlevering ervan te doen vergeten. Een zodanig optreden heeft echter meestal ten gevolge, dat zulk een staat dikwijls voor zeer lange tijd, soms zelfs voorgoed, een zeer belangrijk deel van zijn betekenis inboet. De ondervinding heeft immers geleerd, dat een dergelijk zwaar bloedoffer steeds ten koste van het beste deel van het volk gaat, omdat iedere vervolging, die tegen een bepaalde nieuwe idee is gericht, als een immorele daad wordt aangevoeld, en als zodanig het protest van de waardevolste krachten van het volk uitlokt, wat dan weer ten gevolge heeft, dat deze beste krachten een deel van de ideeën van de onrechtvaardig vervolgden tot de hunne maken. Bij zeer velen gebeurt dit enkel uit een gevoel van innerlijk verzet tegen de poging, om een idee door middel van bruut geweld neer te knuppelen.

Daardoor echter groeit echter het aantal van diegenen, welke het bestreden beginsel zijn toegedaan, naarmate de vervolgingen in hevigheid toenemen. Daarom zal de totale vernietiging van de nieuwe leer alleen door te voeren zijn langs de weg van de genadeloze uitroeiing, welke dan echter zodanige - en nog steeds groeiende - afmetingen aanneemt, dat tenslotte al het waarlijk waardevolle bloed verloren gaat. Dit wreekt zich echter, doordat nu wel de z.g. "inwendige reiniging" kan plaatsvinden, maar alleen tegen de prijs van algehele machteloosheid. Steeds echter zal zulk een optreden van de aanvang af reeds tot vruchteloosheid zijn gedoemd, wanneer de te bestrijden leer in meer dan een bepaalde beperkte kring bekendheid heeft verworven. Daarom biedt ook hier, zoals bij alles wat groeit, de eerste kindertijd nog de beste kansen tot vernietiging, terwijl met het klimmen van de jaren de weerstand toeneemt, om eerst bij het naderen van de ouderdomszwakte, en dan zonder kunstmatige middelen, plaats te maken voor een nieuwe jeugd, al zal deze dan ook een andere vorm en andere grondslag bezitten. In de praktijk echter lijden bijna alle pogingen om door geweld zonder geestelijke wapenen een leer en haar organisatie uit te roeien, schipbreuk en lopen zelfs vaak juist op het tegendeel uit van datgene, wat men wilde bereiken; en dat wel om de volgende redenen:

De allereerste voorwaarde voor een strijd met het wapen van het brute geweld alleen, is en blijft de volharding. Dat betekent, dat de enige mogelijkheid om het gestelde doel te bereiken, gelegen is in een voortdurend gelijkmatige toepassing van de methoden tot onderdrukking van de leer en haar nevenformaties. Zodra hier echter ook maar een enkele, nog zo geringe en aarzelende kentering komt van genadeloos geweld naar iets grotere toegeeflijkheid, dan zal de leer, die men wil verpletteren, niet alleen telkens weer de kop opsteken, maar zal zelfs in de gelegenheid zijn om uit iedere vervolging opnieuw munt te slaan, doordat na het afnemen van zulk een golf van onderdrukkingen de verontwaardiging over het ondervonden leed en onrecht nieuwe aanhangers wint voor de oude leer, terwijl de oude leden haar met nog grotere hardnekkigheid en diepere haat dan vroeger zullen aanhangen; en zelfs mensen, die reeds lang geleden afvallig werden, zullen, wanneer het ergste gevaar weer ge weken is, trachten, weer in contact te komen met de oude beweging.

De aanval van een wereldbeschouwing

De allereerste voorwaarde voor het succes is hier de constante ononderbroken toepassing van geweld. Zulk een bestendigheid is echter alleen mogelijk bij de gratie van een bepaald geestelijk fundament. Ontbreekt dit, dan zal het geweld slechts weifelend en onzeker optreden. Het mist dan immers de stabiliteit, welke alleen een fanatiek geloof kan schenken. Nu dankt het telkens zijn bestaan enkel aan de energie en de brute vastberadenheid van een enkeling; dit zal dus ook veranderen, zo gauw deze man plaats maakt voor een ander; en de kracht en het karakter van het geweld zullen steeds van geheel andere aard zijn. Daar komt echter nog iets anders bij. Iedere wereldbeschouwing, of ze nu van meer religieuze, dan wel van meer politieke aard is - dikwijls is de grens hier zeer moeilijk te trekken - streeft niet zozeer naar de vernietiging van de ideeënwereld van haar tegenstanders, als wel naar de overwinning van haar eigen ideologie.

Dat betekent dus, dat haar strijd altijd meer aanval dan verdediging zal zijn. Daarbij heeft zij reeds dit grote voordeel, dat zij zelf haar doel kan bepalen, omdat dit doel immers bestaat in de overwinning van haar eigen idee, terwijl het in het omgekeerde geval niet dan zeer moeilijk is vast te stellen, wanneer dat negatieve doel werkelijk geheel en al is bereikt, m.a.w., wanneer die vijandelijke leer inderdaad totaal is uitgeroeid. Daarom alleen al zal de aanval van een wereldbeschouwing systematischer en ook krachtiger zijn dan de verdediging ervan; trouwens ook hier, zoals overal, is het de aanval, die de strijd beslist, en niet de verdediging. De strijd tegen een geestelijke macht met de middelen van het geweld houdt echter pas op verdediging te zijn op het ogenblik, dat het zwaard zelf tot drager en verkondiger van een nieuwe leer wordt. In het kort kan men dus het volgende vaststellen: Iedere poging om een wereldbeschouwing met gewelddadige middelen te bestrijden, zal tenslotte schipbreuk lijden, zolang de strijd niet de vorm aanneemt van een aanval ter wille van een nieuwe overtuiging. Alleen waar twee wereldbeschouwingen met elkaar worstelen, kan het brute geweld, onverbiddelijk en bij voortduring toegepast, de doorslag geven ten voordele van de door dat wapen ondersteunde zijde.

Burgerlijke klassepartijen

Daarop was echter totnogtoe de bestrijding van het marxisme nog altijd gestrand. Dat was de reden, waarom ook Bismarcks socialistenwetten tenslotte, ondanks alles, tekortschoten, en tekort moesten schieten. Want ook hier ontbrak het platform van een nieuwe wereldbeschouwing, welke een positief strijddoel had kunnen zijn. Want dat het gebazel over z.g. "staatsgezag" of over "rust en orde" in staat zou zijn om de nodige bezieling te geven voor een strijd op leven en dood, dat is een mening, welke alleen lieden die met een zo spreekwoordelijke wijsheid begaafd zijn als hoge ambtenaren aan ministeries, kunnen huldigen. Omdat echter een werkelijk dragende idee in deze strijd ten enenmale ontbrak, moest Bismarck de toepassing van zijn socialistenwetten ook overlaten aan de bevattelijkheid en van de goede wil van die inrichting, die zelf een misproduct van marxistisch denken was. Doordat de ijzeren kanselier de uitslag van zijn strijd tegen het marxisme liet afhangen van de goede wil van de burgerlijke democratie, liet hij als het ware de vos op de ganzen passen. Dit alles was echter eigenlijk enkel het noodzakelijk gevolg van het feit, dat het allernodigste, een nieuwe principieel anti-marxistische wereldbeschouwing, mankeerde.

Daardoor leidde Bismarcks strijd ook enkel tot een zeer grote teleurstelling. Maar zag het er, wat dit punt betreft, tijdens de wereldoorlog of bij het begin daarvan dan eigenlijk beter uit? Helaas, nee! Hoe meer ik me destijds bezighield met de noodzakelijke wijziging die er moest komen in de houding van de regering ten opzichte van de sociaal-democratie, als de huidige vorm van het marxisme, des te pijnlijker voelde ik het gemis van een bruikbare plaatsvervanger voor deze leer. Stel, dat men er nu eens in zou slagen om de sociaal-democratie te vernietigen; wat wilde men de massa's geven om de leegte te vullen, welke dat verdwenen ideaal had achtergelaten? Er bestond niet een beweging, waarvan men mocht verwachten, dat het haar zou gelukken om de grote scharen van arbeiders, die nu min of meer zoekend en zonder leiders ronddoolden, tot zich te trekken. Het is dwaas en meer dan dom om te veronderstellen, dat de man, die altijd een fanatiek internationalist is geweest, en die zijn klassepartij verlaat, zich nu onmiddellijk tot een burgerlijke partij, dus tot een nieuwe, andere, hem vreemde klassepartij zou wenden.

Er was geen plaatsvervanger voor de sociaal-democratie

Want, hoe onaangenaam dit ook voor verschillende van deze organisaties moge klinken, toch valt niet te ontkennen, dat zeer vele burgerlijke politici de indeling in klassen als een vanzelfsprekend iets beschouwen, zolang deze verdeeldheid onder ons volk zich niet in politiek opzicht tot hun nadeel begint te ontwikkelen. Wanneer men dit feit ontkent, bewijst men daarmee alleen hoe brutaal, dom en leugenachtig men is. Laat men toch vooral oppassen, dat men de grote massa niet voor dommer houdt dan zij is. In politieke aangelegenheden beslist niet zelden het gevoel juister dan het verstand. De opvatting echter, dat het domme internationalisme van de massa toch voldoende zou bewijzen, dat haar gevoel haar op dwaalwegen leidt, kan dadelijk zeer grondig worden weerlegd door er eenvoudig op te wijzen, dat de pacifistische democratie niets minder krankzinnig is, hoewel zij haar aanhangers nog wel bijna uitsluitend uit burger kringen rekruteert. Zolang millioenen burgers nog iedere morgen hun Joodse democratische pers aanbidden, past het deze heren wel allerminst om grappen te maken over de sociaal-democratische "kameraad", die per slot van rekening hetzelfde vuil slikt als zij, al is dan de toebereiding ook enigszins anders.

Het is een en dezelfde Jood, die de beide maaltijden heeft samengesteld. Men mag er dus wel goed om denken, dat men geen onloochenbare feiten gaat ontkennen. Het feit, dat het bij het klassenvraagstuk zeer stellig niet alleen gaat om ideële problemen, zoals men ons vooral voor verkiezingen steeds graag wil wijsmaken, kan niet worden ontkend. Het feit, dat een groot deel van ons volk zich verbeeldt iets te zijn op grond van de "stand" waartoe het behoort, is, evenals de algemene geringschatting voor de handarbeider, iets, dat helaas niet aan het koortsige brein van een maanzieke is ontsproten, doch dat maar al te bittere werkelijkheid is. Geheel afgezien daarvan, bewijst het echter ook hoe gering het denkvermogen van onze z.g. "intellectuelen" wel is, dat juist in deze kringen niet wordt begrepen, dat een toestand, welke niet in staat was om te voorkomen dat een pest als het marxisme zich overal verspreidde, nu natuurlijk helemaal niet bij machte zal zijn om het verloren terrein weer terug te winnen.

De burgerlijke partijen, zoals zij zichzelf noemen, zullen er nooit meer in slagen om de proletarische massa's voor hun idealen te vangen, omdat hier twee werelden tegenover elkaar staan, welke gedeeltelijk natuurlijk, gedeeltelijk kunstmatig gescheiden zijn, zodat er tussen hen alleen strijd mogelijk is. De jongste van beide - en dat zou dan het marxisme zijn - zal als overwinnaar uit deze strijd tevoorschijn komen. Inderdaad was een succesvolle strijd tegen de sociaal-democratie in het jaar 1914 wel denkbaar, maar was het de vraag, hoe lang een dergelijke mogelijkheid zou blijven bestaan, gezien immers het volkomen gemis aan een ander ideaal, dat de sociaal-democratie zou kunnen opvolgen. Hier gaapte een grote leemte. Ik was reeds lang voor de oorlog deze mening toegedaan, en kon dan ook niet besluiten, lid te worden van een van de bestaande partijen. In de loop van de oorlog werd ik in mijn overtuiging nog versterkt, doordat maar al te duidelijk bleek, dat het kennelijk onbegonnen werk was om de strijd op leven en dood tegen de sociaal-democratie aan te binden, omdat juist een van de allernoodzakelijkste voorwaarden ontbrak: een beweging die meer was dan platweg een "parlementaire" partij.

De mogelijkheid van eigen politieke activiteit

Ik heb mij tegenover mijn beste kameraden dienaangaande openhartig uitgelaten. Overigens dacht ik nu voor het eerst ook eens aan de mogelijkheid, om me later toch zelf eens met de politiek te gaan bezighouden. Dit werd nu ook juist aanleiding voor mij, om meermalen aan de kleine kring van mijn vrienden te verzekeren, dat ik, na de oorlog, niet alleen mijn beroep zou hervatten, maar ook als redenaar zou optreden. En ik geloof, dat het mij daarbij heilige ernst was.

Zesde Hoofdstuk / Propaganda tijdens de oorlog

Door mijn grote belangstelling voor alle politieke gebeurtenissen had ik altijd bijzonder belang gesteld in de werking van de propaganda. Ik beschouwde deze als een instrument, waarvan vooral de socialistische en marxistische organisaties zich met meesterlijke vaardigheid wisten te bedienen. Ik leerde hierbij al vroeg inzien, dat een juist gebruik van de propaganda en ware kunst was, waarvan de burgerlijke partijen nagenoeg niets afwisten. Alleen de Christelijk-sociale beweging, en dat wel vooral in Luegers tijd, wist ook op dit instrument een zekere virtuositeit te bereiken, en had daaraan ook zeer veel van haar successen te danken. In de oorlog kon men echter pas zien, welke geweldige resultaten een goed gehanteerde propaganda weet te bereiken. Helaas moest echter weer alles aan de andere zijde bestudeerd worden, want onze eigen activiteit op dit gebied bleef ver beneden peil. Maar juist het feit, dat de gehele voorlichting aan de Duitse zijde zo volkomen in haar taak tekort schoot - iets, dat vooral iedere soldaat wel ontstellend duidelijk moest zien - werd voor mij een reden te meer om die propagandakwestie zo diepgaand mogelijk te onderzoeken. Wij hadden dikwijls meer dan genoeg tijd tot nadenken; en praktijkervaring kregen wij helaas in voldoende mate van de vijand. Wat wij tekort kwamen, haalde de tegenstander in met de buitengewone virtuositeit en de waarlijk geniale scherpzinnigheid van zijn propaganda. Van die vijandelijke propaganda heb ik ook oneindig veel geleerd.

Propaganda als middel

De lieden echter, die in de allereerste plaats hieruit lering hadden moeten trekken, bleven blind en doof voor dat alles; enerzijds achtte men zichzelf veel te wijs, dan dat men nog iets van anderen had kunnen opsteken, anderzijds ontbrak ook de goede wil daartoe. Maar werd er dan bij ons eigenlijk wel propaganda gevoed? Helaas kan mijn antwoord op deze vraag niet anders dan "Nee" luiden. Alles, wat er in dit opzicht nog werd gedaan, was dermate onvoldoende en zo principieel onjuist, dat deze propaganda in het gunstigste geval niets baatte, en soms zelfs bijna rechtstreeks schadelijk werkte. Wanneer men de Duitse propaganda tijdens de oorlog nauwlettend onderzocht, dan moest men wel tot de conclusie komen, dat ze van vorm onvoldoende en absoluut fout van psychologische opzet was. Men schijnt het reeds niet geheel met zichzelf eens te zijn geweest over het belangrijkste vraagstuk: namelijk, of de propaganda middel dan wel doel is. Ze is een middel, en moet dientengevolge, wanneer men haar beoordeelt, steeds het doel in het oog houden. Haar vorm zal dus zodanig moeten zijn, dat zij het nagestreefde doel op de meest effectieve wijze dient.

Het is ook duidelijk, dat het doel ten opzichte van de algemene noden en behoeften van meer of minder grote betekenis kan zijn, en dat ook de innerlijke waarde van de propaganda volkomen daarvan afhankelijk is. Het doel echter, waarvoor in deze oorlog gestreden werd, was het verhevenste en geweldigste, dat men voor mensen kan bedenken: het was de vrijheid en onafhankelijkheid van ons volk, de zekerheid, dat wij in de toekomst alle Duitsers in het Rijk zouden kunnen voeden, en - de eer der natie; iets dat niettegenstaande alle huidige afwijkende meningen, toch leeft, of, liever gezegd, behoorde te leven, omdat het een oude beproefde waarheid is, dat volkeren zonder eer hun vrijheid en onafhankelijkheid vroeger of later altijd verliezen; wat overigens niets anders dan volkomen rechtvaardig kan worden genoemd, want generaties, welke niets anders weten voort te brengen dan eerloze schooiers, zijn geen vrijheid waard. Wie een laffe knecht wil zijn, die mag en kan geen vrijheid bezitten, omdat anders de eer zelf al spoedig aan de algemene minachting zou zijn prijsgegeven.

Het doel van de propaganda

Het Duitse volk streed voor een menswaardig bestaan, en de oorlogspropaganda had nu de ondersteuning van deze strijd ten doel moeten hebben. Wanneer volkeren echter strijden voor hun bestaan op deze planeet, en het voor hen dus gaat om het zijn-of-niet-zijn, dan vallen alle humanitaire of atheïstische overwegingen volkomen weg; want al deze denkbeelden zijn geen kosmische realiteiten, maar voortbrengselen van de menselijke fantasie, en bestaan dus ook alleen bij de gratie van die mens. En wanneer hij van de aardbodem verdwijnt, dan lossen ook deze beelden weer op in het niets, want de natuur, in de wijdere betekenis van het woord, kent hen niet. Maar ook onder de mensen zijn het slechts bepaalde volkeren - of beter, bepaalde rassen - welke tot overwegingen van deze aard in staat zijn, en dat wel in meer of mindere mate naar gelang die tendensen overeenkomen met hun sentimenten. Maar ook op een door mensen bewoonde wereld zouden deze begrippen teloor gaan zodra de wereld die rassen zou verliezen, welke de scheppers en dragers van deze begrippen zijn.

Daardoor echter zijn al deze begrippen bij de strijd van een volk om zijn bestaan op aarde slechts van ondergeschikt belang; en men mag zelfs in het geheel niet meer met hen rekening houden bij het bepalen van de norm van de strijd, zodra door hun invloed de kracht tot zelfbehoud van een strijdend volk verzwakt zou kunnen worden. In de praktijk is dat echter steeds het enige zichtbare resultaat. Wat nu de kwestie van de humaniteit betreft, zou ik Moltke willen aanhalen. Deze heeft dienaangaande opgemerkt, dat in de oorlog het kortste proces altijd het humaanste is, dat dus de meest genadeloze strijdwijze, humanistisch gezien, de voorkeur verdient. Wanneer echter iemand zou willen proberen, om ook bij dergelijke vraagstukken esthetisch en soortgelijk gezemel mee te laten spreken, dan kan men zo'n een man maar een antwoord geven: vraagstukken, welke zo belangrijk zijn, dat het bestaan van een volk ervan afhangt, moeten niet in de eerste plaats op mooie wijze, maar vooral op goede en doelmatige wijze worden opgelost. Het lelijkste, dat er in het leven van de mensen kan bestaan, is en blijft het juk van de slavernij. Of bevredigt het tegenwoordige lot van de Duitse natie bijgeval het esthetische gevoel van deze artiestenkroegdecadentie? Met de Joden, de moderne uitvinders van dit cultuurplatform, behoeft men waarlijk niet te gaan disputeren over dit onderwerp. Zij zijn absoluut niets anders dan vleesgeworden protesten tegen iedere esthetische eis, welke men aan het evenbeeld des Heren zou kunnen stellen.

Propaganda alleen voor de massa

Wanneer humaniteit en schoonheid als bepalende factoren echter eenmaal zijn weggevallen, dan kunnen ze ook niet meer als maatstaf bij de propaganda gelden. De propaganda was in de oorlog een middel tot het doel, maar dit doel was de strijd om het bestaan van het Duitse volk, en daarom was de doelmatigheid van de maatregelen het enige, wat bij deze propagandakwesties de doorslag mocht geven. De wreedste wapens waren humaan, wanneer zij de overwinning sneller tot stand konden brengen, en mooi waren alleen die methoden, welke de natie hielpen, de waardigheid van de vrijheid te handhaven. Dit was de enige houding, welke men bij zo'n strijd op leven en dood kon innemen ten aanzien van oorlogspropagandakwesties. Indien men zich in de z.g. toonaangevende kringen daarvan goed rekenschap had gegeven, dan had men nooit zo in het onzekere behoeven te verkeren over de vorm en het gebruik van dit wapen; want ook dit is slechts een wapen, al is het dan ook een ontzettend wapen in de hand van wie het weet te hanteren.

De taak van de propaganda

De tweede vraag van bijna beslissende betekenis was de volgende: tot wie moet de propaganda zich richten? Tot de wetenschappelijk geschoolde intellectuelen, of tot de minder ontwikkelde massa? Zij moet zich altijd enkel en alleen tot de massa richten! Voor de intellectuelen, of voor datgene, wat zich tegenwoordig helaas dikwijls zo noemt, is er de wetenschappelijke voorlichting, en niet de propaganda. De inhoud van de propaganda is echter al evenmin wetenschap als bijvoorbeeld datgene, wat op een reclamebiljet is afgebeeld, kunst is. De kunst van een reclamebiljet is gelegen in de bekwaamheid waarmee de ontwerper kans heeft gezien, oom door vorm en kleur de aandacht van de massa te trekken. Het biljet voor een kunsttentoonstelling moet enkel wijzen op de kunst van de tentoonstelling; hoe beter hem dit gelukt, des te groter is dan de kunst van het biljet zelf. Het aanplakbiljet moet zelf aan de menigte een idee geven van de betekenis van de tentoonstelling, maar dient wel allerminst een surrogaat van de daar geëxposeerde kunst te zijn. Wie zich daarom met de kunst zelf wil bezighouden, moet heel wat meer bestuderen dan alleen het aanplakbiljet, en hij mag zich ook niet tevreden stellen met een eenvoudigweg maar eens "door de tentoonstelling wandelen".

Van hem mag worden verwacht, dat hij ieder werk afzonderlijk op zich laat inwerken, en daarna geleidelijk tot een gefundeerd oordeel komt. En zo staat het ook met datgene, wat wij tegenwoordig met het woord propaganda aanduiden. Het is niet de taak van de propaganda, om de enkeling een wetenschappelijke vorming te geven, maar om de massa te wijzen op bepaalde feiten, gebeurtenissen, noodzakelijkheden, enz., waarvan de betekenis dan eerst door de werking van deze biljetten binnen de gezichtskring van de massa wordt getrokken. De kunst van het reclamebiljet bestaat nu uitsluitend hierin, om dit op zo voortreffelijke wijze te doen, dat men algemeen overtuigd wordt van de realiteit van een bepaald feit, van de noodzakelijkheid van een gebeurtenis, van de juistheid van een noodzakelijk optreden, enz. Maar omdat de propaganda niet noodzakelijk kan zijn om der wille van zichzelf, omdat zij immers, evenals het aanplakbiljet, tot taak heeft om de aandacht van de massa te trekken, en niet om hen, die al enige wetenschappelijke scholing achter de rug hebben, of die naar ontwikkeling en inzicht streven, verder te helpen, daarom moet haar uitwerking ook altijd meer op het gevoel zijn gericht. En niet dan bij uitzondering op het z.g. "verstand".

De psychologische zijde van de propaganda

Iedere propaganda moet populair zijn, en haar intellectueel peil instellen op het begripsvermogen van de meest achterlijke onder diegene, tot wie zij zich wenst te richten. Daarom moet haar peil, zuiver intellectueel gezien, des te lager worden gehouden, naarmate de te bereiken massa groter is. Is het echter de bedoeling, om een geheel volk te beïnvloeden, zoals bij de propaganda om in een oorlog tot het laatste toe vol te houden, dan kan men in het geheel niet te voorzichtig zijn bij het vermijden van denkbeelden, welke al te hoge intellectuele eisen stellen aan het publiek. Hoe geringer dan haar wetenschappelijke ballast is, en hoe meer zij uitsluitend berekend is op het gevoel van de menigte, des te groter en intenser zal het succes zijn. Maar dit succes is de enige maatstaf voor de juistheid of onjuistheid van een propaganda, en niet de kwestie, of men er in geslaagd is om de goedkeuring van een paar geleerden of een paar esthetische jongelingen weg te dragen.

De kunst van de propaganda ligt juist daarin, dat zij de gevoelswereld van de grote massa kent, en nu de psychologische juiste vorm vindt om de aandacht en daardoor het hart van de grote massa te bereiken. Dat onze onverbeterlijke betweters dit niet inzien, bewijst slechts, hoezeer ze aan verwaandheid of geestelijke luiheid lijden. Wanneer men echter de noodzakelijkheid, om de werfkracht van de propaganda op de grote massa in te stellen, inziet, dan volgt alleen daaruit reeds de volgende leer: Het is fout, om aan de propaganda een veelzijdigheid te geven zoals bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderwijs bezit. Het bevattelijkheidsvermogen van de grote massa is maar zeer beperkt, het begrip gering, de vergeetachtigheid daarentegen is groot. Deze feiten brengen mee, dat iedere propaganda, die doeltreffend wil zijn, zich tot enkele, zeer weinige punten dient te beperken, om deze punten in de vorm van leuzen overal en op alle manieren te benutten, tot men de zekerheid heeft, dat ook de laatste man en de laatste vrouw aan zo'n leus, aan zo'n idee de betekenis hecht, welke men er aan gehecht wil zien. Zodra men dit principe loslaat, en veelzijdig wil worden, zal men de werking van de propaganda verzwakken, omdat de massa enerzijds niet bij machte zal zijn om het behandelde te begrijpen en het haar anderzijds ook niet bijblijft. Daardoor zal men het succes echter verminderen, totdat het tenslotte geheel zal uitblijven.

Voorts dient haar tactiek psychologisch des te juister te zijn, naarmate haar onderwerp zich meer tot de allerbelangrijkste hoofdzaken beperkt. Het was bijvoorbeeld fundamenteel fout om de tegenstander belachelijk te maken, zoals de Oostenrijkse en Duitse propaganda dit deed in de humoristische bladen. Het was daarom zo verkeerd, omdat de eerste kennismaking van de soldaat met de vijand hem noodzakelijkerwijze reeds een andere overtuiging moest bijbrengen, iets, dat zich dan op vreselijke wijze wreekte; want nu kreeg de Duitse soldaat, onder de directe invloed van de weerstand die de vijand bood, het gevoel, dat de lieden, die hem totnogtoe hadden "voorgelicht", hem platweg hadden bedrogen, en in plaats dat zijn strijdlust aangewakkerd werd, of zijn standvastigheid vergroot, geschiedde het tegendeel. De man begon te twijfelen. De oorlogspropaganda van de Engelsen en Amerikanen daarentegen was psychologisch juist. Terwijl deze propaganda aan het eigen volk inprentte, dat de Duitsers barbaren en Hunnen waren, bereidde men iedere soldaat reeds voor op de verschrikkingen van de oorlog, en hielp zodoende om hem voor teleurstellingen te bewaren.

Subjectief-eenzijdig-onvoorwaardelijk

En nu kon men de vreselijkste wapens tegen hem gebruiken, hij zou ze alleen beschouwen als een bevestiging van dat, wat hem verteld was, en zoiets zou dus alleen zijn geloof aan de juistheid van de beweringen van zijn regering versterken, terwijl het anderzijds zijn moed en haat tegen een zo verdierlijkte vijand zou doen groeien. Want de ontzettende uitwerking van de wapens, die de vijand nu ook tegen hem hanteerde, gaven hem langzamerhand de zekerheid, dat die vijand inderdaad een barbaar was, en over een Hunnenmentaliteit beschikte, terwijl geen ogenblik de gedachte bij hem opkwam, dat zijn eigen wapens misschien, en zelfs waarschijnlijk, een nog ontzettender uitwerking zouden kunnen hebben. Daarom kon vooral de Engelse soldaat nooit menen, dat hij van huis uit onjuist was voorgelicht, wat helaas aan Duitse zijde zozeer schering en inslag was, dat onze soldaten tenslotte letterlijk alles wat uit deze bron kwam, als "onzin" en "geklets" verwierpen. En dit kwam alleen, omdat men had gemeend, dat de eerste de beste ezel ( of zelfs iemand die "overigens" wel over een gezond verstand beschikte) nog altijd goed genoeg was voor de propaganda, in plaats van te begrijpen, dat de allergeniaalste psychologen nog maar net goed genoeg zijn voor dit werk.

Zodoende bood de Duitse oorlogspropaganda, door haar volkomen gemis aan juist psychologisch inzicht, een onvergelijkelijk voorbeeld, waarvan men kon leren, hoe een propaganda niet moet worden gevoerd. Van de tegenstander viel echter oneindig veel te leren voor de man, die met open ogen en een levend, ontvankelijk gemoed de vierenhalf jaar durende stortvloed van vijandelijke propaganda voor zichzelf ontleedde en verwerkte. Het allerminste begrip toonde men echter voor die allereerste voorwaarde voor iedere propagandistische activiteit: dat de propaganda namelijk absoluut subjectief moet staan tegenover het behandelde vraagstuk. In dat opzicht werd - nog wel bij het begin van de oorlog, en van bovenaf - op een dergelijke wijze gezondigd, dat men wel alle reden had om te twijfelen, of zoveel waanzinnigheden werkelijk alleen uit domheid voortkwamen. Wat zou men b.v. zeggen van een reclamebiljet, dat een nieuw merk zeep moest aanprijzen, en daarbij ook andere merken als "goed" aanduidde?

De Duitse rage voor objectiviteit

Men zou alleen maar het hoofd schudden over zoiets. Met de politieke reclame is het echter precies net zo gesteld. Het ligt bijvoorbeeld niet op de weg van de propaganda om het eigen recht tegen dat van de andere partij af te wegen; zij moet uitsluitend en alleen de nadruk leggen op haar eigen recht. Zij moet al evenmin objectief de waarheid opsporen, onverschillig of die in haar voordeel dan wel in dat van de ander zou spreken, om dan het resultaat in doctrinaire oprechtheid aan de massa te vertonen. Zij moet onafgebroken en voortdurend alleen haar eigen deel van de waarheid dienen. Het was principieel onjuist, om bij de bespreking van het vraagstuk, wie nu eigenlijk schuldig was aan het uitbreken van de oorlog, uit te gaan van het standpunt, dat het Duitsland niet alleen was, dat voor het uitbreken van deze ramp verantwoordelijk kon worden gesteld. Men had het integendeel juist moeten doen voorkomen, alsof de schuld in deze alleen bij de tegenstander lag, zelfs wanneer dit niet zo met de feiten in overeenstemming geweest zou zijn als nu het geval was. Wat was echter het gevolg van deze halfslachtigheid? De grote massa van het volk bestaat nu eenmaal niet uit diplomaten of uit leraren in volkenrecht, en zelfs niet uit louter verstandige lieden, die tot oordelen bevoegd zijn, maar uit gewone mensenkinderen, die dikwijls aarzelen, en die spoedig tot twijfel en onzekerheid geneigd zijn. En wanneer de eigen propaganda ook maar de allerminste aanleiding geeft om te denken, dat ook aan de andere zijde enig recht is, dan is de grondslag voor twijfel aan het eigen gelijk hebben reeds gelegd.

Beperking van de volhardendheid

De massa is nu niet in staat om te onderscheiden, waar het vreemde ongelijk eindigt, en het eigen ongelijk begint. Zij wordt in zulk een geval onzeker en wantrouwend, vooral, wanneer de tegenstander niet diezelfde grove fout maakt, maar van zijn kant alle schuld onvoorwaardelijk zijn vijand werpt. En dan is het tenslotte ook al niet meer dan verklaarbaar, dat het eigen volk aan de vijandelijke propaganda, die meer uniform en positiever optreedt, meer geloof zal gaan hechten dan aan de eigene. En dat wel heel zeker bij een volk als het Duitse, dat toch al zozeer behept is met de idee-fixe, niet objectief genoeg te zijn. Want bij dat volk zal ieder er nu naar streven, om toch vooral de vijand geen onrecht te doen, zelfs op het gevaar af daardoor eigen volk en staat in ernstige moeilijkheden te brengen, en met vernietiging te bedreigen. Dat de bevoegde instanties dit natuurlijk niet hebben bedoeld, dringt in het geheel niet tot het bewustzijn van de massa door. Het gros van het volk is zozeer vrouwelijk ingesteld, dat zijn daden en gedachten eigenlijk veel meer door het gevoel dan wel door nuchter overleg worden bepaald.

Dit gevoelsleven is echter niet gecompliceerd, maar integendeel zeer simplistisch. Hierbij bestaan niet veel scharkeringen, maar enkel een positieve en een negatieve kant, liefde of haat, recht of onrecht, waarheid of leugen, maar nooit half zus-en-half-zo, of gedeeltelijk dit en gedeeltelijk dat, enz. Dit alles heeft vooral de Engelse propaganda op waarlijk geniale wijze ingezien - en toegepast. Daar zorgde men wel dat men geen halfslachtigheden verspreidde, die tot twijfel aan het goed recht van de eigen zaak aanleiding hadden kunnen geven. Het bewijs, dat men inderdaad uitnemend op de hoogte was van de primitiviteit van de sentimenten van de grote massa, werd wel geleverd door de gruwelpropaganda, die volkomen op deze primitiviteit was ingesteld, en die op een even onverbiddelijke als meesterlijke wijze zorgde, dat het front stand hield, zelfs bij de grootste werkelijke nederlagen; daarvan getuigde overigens ook het feit, dat men de Duitsers volkomen wist te brandmerken tot de enige schuldigen aan het uitbreken van de oorlog, een leugen, die alleen door de volstrekte brutale eenzijdige hardnekkigheid, waarmee zij verkondigd werd, berekend was op de instinctieve en altijd tot uitersten geneigde houding van de grote massa, en daarom geloofd werd.

De vijandelijke propaganda

Hoe werkzaam dit soort propaganda was, bleek wel duidelijk uit het feit, dat zij niet alleen nog na vier jaren bij het publiek aan de eigen zijde grif geloof vond, maar zelfs op ons eigen volk vat begon te krijgen. Dat onze propaganda dergelijke successen niet oogstte, hoefde waarlijk niemand te verwonderen. In haar innerlijke tweeslachtigheid lag de kiem van haar onrecht reeds besloten. Tenslotte maakte haar inhoud het reeds weinig waarschijnlijk, dat zij de nodige indruk op de massa's zou maken. Te hopen, dat men er in zou kunnen slagen om door dit flauwe pacifistische spoelwater mensen met doodsverachting te bezielen, was iets, waartoe alleen onze leeghoofdige "staatslieden" bij machte waren. Zodoende had dit miserabele product geen gunstige, maar alleen een schadelijke uitwerking. Maar hoe geniaal de propaganda in technisch oogpunt mag zijn, zij zal geen enkel resultaat opleveren, wanneer ze niet altijd met een principe rekening houdt: dat ze namelijk haar activiteit tot een uiterst gering aantal onderwerpen beperkt, en dit luttele aantal uit den treure herhaalt.

De volharding is hier, zoals bij zovele dingen op de wereld, de eerste en belangrijkste voorwaarde voor het succes. Juist op het gebied van de propaganda mag men nooit afgaan op het oordeel van esthetici of geblaseerde heren: op het oordeel van de eerste niet, omdat de propaganda anders reeds na zeer korte tijd, zowel wat de vorm als wat de inhoud aangaat, iedere geschiktheid voor de grote massa mist, en enkel nog maar aantrekkingskracht uitoefent op litteraire theekransjes: voor de andere hoede men zich vooral angstvallig, omdat hun eigen gebrek aan fris, direct gevoel altijd naar nieuwe prikkels zoekt. Deze lieden krijgen al spoedig van alles genoeg; zij zoeken naar afwisseling en kunnen zich nimmer verplaatsen in de gevoelens van hun minder geblaseerde medemensen, en kunnen deze laatste zelfs niet bij benadering begrijpen. Zij willen altijd iets nieuws, zoeken naar afwisseling, en worden daardoor de ware doodsvijanden van iedere politieke verovering van de massa. Want zodra de organisatie en inhoud van een propaganda zich naar hun behoeften gaat richten, verliezen en organisatie en inhoud alle kracht en alle uniformiteit, en gaan volledig te niet.

De propaganda heeft echter een andere taak dan om er voor te zorgen, dat een stelletje geblaseerde heertjes voortdurend aangenaam wordt beziggehouden, maar is er om te overtuigen, en wel in het bijzonder om de massa te overtuigen. Deze heeft echter in haar traagheid altijd een zekere tijd nodig, voor zij ook maar voor iets nieuws openstaat, en men zal de eenvoudigste begrippen duizendvoudig moeten herhalen om te bewerkstelligen, dat deze tenslotte in haar geheugen zullen blijven hangen. Geen enkele afwisseling mag ooit de inhoud veranderen van wat de propaganda moet verkondigen, maar dient tenslotte - zij het in andere vorm - het oude thema te herhalen. Zo moet de leuze wel van verschillende zijden worden belicht, maar iedere beschouwing moet steeds weer eindigen bij de leuze zelf. Alleen zo kan en zal de propaganda een eenheid vormen, en een sterke onverbrokkelde invloed uitoefenen. Deze grote lijn, waarvan nooit mag worden afgeweken, biedt kansen op een definitief succes. Maar dat dan nog op voorwaarde, dat men die weg strak en met steeds consequente drang en volharding gaat. Dan zal men echter met verbazing kunnen vaststellen, welke geweldige, bijna onbegrijpelijke gevolgen zo'n tactiek heeft. Iedere reclame, of het nu een zakelijke dan wel een politieke is, behaalt haar successen door de natuur en de uniformiteit van haar toepassing.

Ook hier leverde de vijandelijke oorlogspropaganda een buitengewoon navolgenswaardig voorbeeld; deze immers bleef beperkt tot enkele gezichtspunten, was uitsluitend berekend op massawerking, en werd met onvermoeibare volharding voortgezet. Gedurende de gehele oorlog benutte men de principes en methoden, waarvan men de juistheid eenmaal had ingezien, zonder dat er ook maar de geringste verandering in werd aangebracht. Aanvankelijk schenen haar bewegingen bijna krankzinnig te zijn van brutaliteit, daarna begonnen ze onaangenaam te werken, en tenslotte werden ze geloofd. Na viereneenhalf jaar brak in Duitsland een revolutie uit, welke haar leuzen ontleend had aan de vijandelijke propaganda uit deze oorlog. In Engeland begreep men echter nog iets anders: namelijk, dat dit geestelijke wapen alleen resultaten kan opleveren, wanneer het massaal wordt gehanteerd, maar dat dan het succes ook ruimschoots opweegt tegen alle onkosten. Daar beschouwde men de propaganda als een wapen van de eerste rang, terwijl zij bij ons het genadebrood voor werkloze politici was, en ook gebruikt werd om helden van meer bescheiden formaat aan een gevaarloos baantje te helpen. Het uiteindelijke resultaat was dan ook praktisch gelijk aan nul.

Zevende Hoofdstuk / De Revolutie

In het jaar 1915 was de vijandelijke propaganda bij ons begonnen; sinds 1916 werd zij steeds intensiever, en groeide tenslotte in het begin van het jaar 1918 tot een ware stortvloed aan. Nu kon men ook bijna overal reeds de uitwerkingen van deze zielenvangst waarnemen. Het leger leerde langzamerhand zo te denken als de vijand het wenste. De Duitse tegenpropaganda schoot echter volkomen tekort. Het leger bezat in de man, die toentertijd zijn wil en zijn hoofd was, weliswaar het voornemen en de harde bereidheid om ook op dit terrein de strijd aan te binden, maar het beschikte niet over het instrument, dat hiertoe nodig zou zijn geweest. Ook psychologisch was het niet juist om deze voorlichting van het leger zelf te doen uitgaan. Die moest, indien ze iets wilde bereiken, uit het vaderland zelf komen. Want alleen in dat geval mocht men er op rekenen, enigszins vat te krijgen op mannen, die tenslotte immers voor dat vaderland nu al bijna vier jaren lang zulke onsterfelijke heldendaden hadden volbracht, en zo ontzettende ontberingen hadden doorstaan. Maar wat klonk er uit het vaderland? Was het door domheid of door misdadigheid, dat men hier tekortschoot?

Psychologische massamoord

In het midden van de zomer van het jaar 1918, na het ontruimen van de zuidelijke oever van de Marne, gedroeg vooral de Duitse pers zich reeds zo ellendig onhandig en zo misdadig stom, dat mijn dagelijks stijgende woede de vraag bij mij deed opkomen, of er dan helemaal niemand meer was, die een einde kon maken aan deze verguizing van het heldendom van ons leger? Wat gebeurde er in Frankrijk, toen wij in het jaar 1914 in een ongeëvenaarde zegetocht het land binnenstormden? Wat deed Italië in de dagen, dat het Isonzofront ineenstortte? Wat deed Frankrijk in het voorjaar van 1918, toen een aanval van de Duitse divisies de stellingen dreigde te ontwrichten, en de verreikende arm van de grote afstandsbatterijen aan de poorten van Parijs klopten? Hoe hadden daar de haastig terugtrekkende regimenten de nationale geestdrift niet met iedere ademtocht ingezogen en met iedere hap voedsel, met iedere slok, in hun lichamen voelen stromen. Hoe werkten toen de propaganda en een geniale massasuggestie samen, om het geloof, dat de zege uiteindelijk toch aan hun zijde zou zijn, in de harten van de gebroken fronten te hameren! Wat deed men bij ons? Niets, of erger nog dan niets.

Dikwijls kwam er woede en verontwaardiging in mij op, wanneer ik dan de jongste dagbladen onder ogen kreeg, en daarmee de psychologische massamoord, welke men langs deze weg beging. Meer dan eens werd ik gekweld door de gedachte, dat de Voorzienigheid mij op de plaats van deze onbekwame of misdadige impotenten en onwilligen van onze propagandadienst had moeten zetten; want ik was er heel zeker van, dat wij dan op een andere manier met ons noodlot hadden gevochten. In deze maanden gevoelde ik voor de eerste maal de boosaardigheid van een noodlot, dat mij veroordeelde om aan het front te blijven, waar het toevallige schot van iedere willekeurige neger een eind aan mijn leven zou kunnen maken, terwijl ik het vaderland elders zoveel grotere diensten had kunnen bewijzen. Want ik was destijds reeds zo hoogmoedig om te menen, dat zulks inderdaad het geval zou zijn geweest. Maar ik was immers maar een naamloze, een van de acht millioen. Daarom was het maar beter om te zwijgen, en om op de mij aangewezen plaats mijn plicht te doen, zo goed als mij dat mogelijk was.

De eerste vijandelijke strooibiljetten

In de zomer van het jaar 1915 kregen wij de eerste vijandelijke strooibiljetten in handen. De inhoud daarvan was bijna altijd dezelfde, al was er wel eens enige variatie in de opmaak: dat de nood in Duitsland steeds groter werd, dat de oorlog eindeloos lang zou duren, en dat de kans op een Duitse overwinning steeds kleiner werd; dat men daarom in het vaderland ook zeer naar de vrede verlangde, maar dat het "militarisme" en de "keizer" dit niet wilden; dat de gehele wereld - die hiervan zeer goed op de hoogte was - daarom ook niet tegen het Duitse volk streed, maar eigenlijk alleen maar tegen de enige schuldige, de Keizer; dat de strijd daarom niet afgelopen zou zijn, voor en aleer deze vijand van de vredelievende mensheid van het wereldtoneel verdwenen was; dat de vrijheidslievende en democratische naties na het beëindigen van de oorlog het Duitse volk zouden opnemen in het verbond, dat zeker zou heersen vanaf het uur, waarop het "Pruisische militarisme" vernietigd zou zijn, en dat de eeuwige vrede op aarde zou brengen. Ter illustratie van deze beweringen werden dan niet zelden "brieven uit het vaderland" afgedrukt, welke dit alles schenen te bevestigen.

Over het algemeen wekten deze pogingen destijds enkel onze lachlust op. Men las de pamfletten en stuurde ze daarna door naar de hogere instanties achter het front, waarna ze meestal in het vergeetboek raakten, tot de wind wederom een lading van boven in onze loopgraven liet dwarrelen; het waren namelijk meestal vliegtuigen, die deze blaadjes overbrachten. Een ding moest bij dit systeem van propaganda aldra opvallen, namelijk, dat zij zich in alle sectoren van het front waar zich Beieren bevonden, altijd met buitengewone consequentie tegen Pruisen richtte, en verzekerde, dat Pruisen de enige schuldige en verantwoordelijke voor de hele oorlog was en dat men tegen Beieren niet de minste vijandelijke gevoelens koesterde; maar men kon natuurlijk niets voor Beieren doen, zolang dit nog in de dienst van het Pruisische militarisme stond, en voor dat militarisme de kastanjes uit het vuur haalde.

De klagende brieven uit het vaderland

Deze manier van beïnvloeding kon inderdaad reeds in 1915 op bepaalde resultaten bogen. De stemming onder de soldaten werd meer en meer anti-Pruisisch - zonder dat daartegen van bovenaf ook maar het minste of geringste werd gedaan. Dit was al meer dan een onschuldige nalatigheid, het was een ernstige fout, die zich vroeg of laat op vreselijke wijze moest wreken, en dat niet alleen op de "Pruisen", maar op het gehele Duitse volk, en daartoe behoort, niet in de laatste plaats, toch ook Beieren zelf. De vijandelijke propaganda in deze richting wist reeds van 1916 af besliste successen te behalen. Ook van de klaagbrieven, die rechtstreeks uit het vaderland kwamen, ging reeds lang een slechte invloed uit. Het was nu zelfs helemaal niet meer nodig, dat de vijand er nog speciaal door strooibiljetten enz. de aandacht van de fronttroepen op vestigde. En ook daartegen werd niets gedaan, wanneer men tenminste afziet van enkele, psychologisch uiterst domme "vermaningen" van "regeringswege". Het front werd overstroomd met dit vergif, dat gedachteloze vrouwen thuis fabriceerden, natuurlijk zonder te vermoeden dat dit het middel was om de overtuiging van de vijand, dat de overwinning tenslotte toch aan zijn kant zou zijn, aanmerkelijk te versterken, waardoor dus het lijden van hun echtgenoten en zonen nog werd verlengd en vergroot. De zinloze brieven van Duitse vrouwen kostten in de tijd, die nu kwam, aan honderdduizenden mannen het leven.

Zo vertoonden er zich in het jaar 1916 reeds verscheidene bedenkelijke verschijnselen. Het front mopperde en "kankerde", was reeds over vele dingen ontevreden, en soms ook terecht verontwaardigd. Terwijl het front hongerde en duizend verschrikkingen en ontberingen doorstond, terwijl vrouw en kinderen thuis gebrek leden, was er elders weelde en overdaad. Ja, zelfs aan het strijdende front zelf was in dat opzicht niet alles in orde. Zo kwamen er reeds destijds kleinere moeilijkheden tevoorschijn - maar het waren nog altijd "interne aangelegenheden". Dezelfde mannen, die daareven nog zo hadden gemopperd en geketterd, deden enkele minuten later zwijgend hun plicht, alsof dat iets vanzelfsprekends was. Dezelfde compagnie, die daareven nog zo ontevreden was geweest, klemde zich nu met handen en tanden vast aan het stuk loopgraaf, dat zij te beschermen had, alsof Duitslands lot afhankelijk was van deze honderd meter front, van deze weinige gaten in de kleigrond. Het was nog het front van het oude prachtige heldenleger!

Gewond

Het verschil tussen de mentaliteit van het front en die van het achterland zou ik snel na elkaar te zien krijgen, zodat mij niets van het schrille contrast zou ontgaan. Eind september 1916 werd mijn divisie bij de Somme in het vuur geworpen. Dit was de eerste maal, dat wij kennis maakten met de ontzetting van de "Materialschlachten" (veldslagen, waarbij in geen enkel opzicht materiaal wordt gespaard, waar enkel nog de hoeveelheid en de kwaliteit van het materiaal de beslissing brengen), en ik geloof ook niet, dat ik die indruk zou kunnen weergeven - het was meer het dan oorlog. De 7e oktober 1916 werd ik gewond. Ik kwam zonder verdere ongelukken uit de frontlijn en moest met een transport naar Duitsland. Het was nu twee jaar geleden, dat ik het vaderland voor het laatst had gezien, wat onder zulke omstandigheden een schier eindeloze tijd is. Ik kon me nauwelijks meer voorstellen, hoe een Duitser zonder uniform er uit zag. Toen ik in Hermies in het centrale hospitaal lag, kromp ik bijna ineen van schrik, toen ik plotseling de stem van een Duitse vrouw, een pleegzuster, iemand aansprak, die naast mij lag.

Trots op eigen lafhartigheid

Na twee jaar bereikten voor het eerst weer zekere klanken mijn oren. Maar hoe meer de trein, die ons naar het vaderland moest brengen, de grens naderde, des te onrustiger werd het in ieders binnenste. Al die plaatsen, waar wij twee jaar geleden als jonge soldaten ook langs waren gereden, trokken nu weer aan ons voorbij: Brussel, Leuven, Luik, en eindelijk meenden wij het eerste Duitse huis aan zijn hoge gevel en zijn mooie vensterluiken te herkennen. Het vaderland! Toen wij in oktober 1914 over de grens reden, gloeiden wij van onbedwingbare geestdrift; nu heerste er stilte en ontroering. Ieder was gelukkig, dat het lot hem toestond, om nog eenmaal datgene te zien, wat hij ten koste van zoveel moeite en gevaar, met zijn leven had beschermd; en ieder schaamde zich bijna om de anderen zijn ogen te laten zien. Bijna op de dag af twee jaar na mijn eerste vertrek naar het buitenland, werd ik in het hospitaal te Beelitz bij Berlijn opgenomen. Welk een verandering! Uit de modder van de slag aan de Somme in de witte bedden van dit wonderbaarlijke gebouw. We durfden in het begin maar nauwelijks op ons gemak te gaan liggen. Eerst langzamerhand raakte men weer gewend aan deze nieuwe wereld. Helaas was deze wereld echter ook nog in een ander opzicht nieuw. De geest van het front scheen hier al niet meer te heersen. Hier hoorde ik voor de eerste maal iets, wat aan het front nog volkomen onbekend was: er waren hier mannen, die zich beroemden op hun eigen lafhartigheid. Want al kon men daar in de eerste linies ook volop horen mopperen en "kankeren", dat ontaarde toch nimmer in aansporingen tot plichtsverzuim, en nog veel minder in een verheerlijking van een hazenhart.

Nee! De lafaard werd nog altijd als lafaard beschouwd, en als niets meer; de minachting voor hem was nog altijd algemeen, evenals de bewondering welke men voor de werkelijke held koesterde. Hier in het hospitaal was het echter al bijna andersom. De leegste en lafste ophitsers voerden het hoogste woord, en gebruikten geheel hun misselijke welbespraaktheid om de ideeën van de fatsoenlijke soldaat als belachelijk en karakterloosheid van de lafaard als voorbeeldig voor te stellen. Een paar buitengewoon minderwaardige individuen hadden het grootste woord. Een van hun beroemde zich erop, dat hij zelf met zijn hand door het prikkeldraad had getrokken, om zodoende in het hospitaal te worden opgenomen; en niettegenstaande de nietigheid van deze verwonding, scheen hij toch reeds zeer lange tijd hier te zijn; hij was trouwens ook slechts door bedrog bij het transport naar Duitsland verzeild geraakt. Dit door en door vergiftigde sujet bestond het echter al, om zijn eigen lafhartigheid brutaalweg voor te stellen als de consequentie van een hogere dapperheid dan die van de eerlijke soldaat, die zijn leven offerde. Velen hoorden hem zwijgend aan, anderen verwijderden zich, maar er waren er ook, die hem bijvielen. Mij steeg de walging naar de keel, maar de leiding van de inrichting duldde de ophitser klaarblijkelijk.

De stiekeme desertie

Wat moest men doen? De leiding moest natuurlijk wel volkomen op de hoogte zijn met deze man, wist, wie en wat hij was. Maar toch gebeurde er niets. Toen ik weer behoorlijk kon lopen, kreeg ik toestemming om naar Berlijn te reizen. De nood was nu kennelijk overal zeer nijpend. De millioenenstad leed honger. Ook de ontevredenheid was groot. In verscheidene door soldaten bezochte tehuizen was de toon van het zelfde kaliber als in het hospitaal. Het zag er volkomen naar uit alsof deze lieden bij voorkeur juist zulke plaatsen opzochten om hun opvattingen te propageren. Maar nog veel, veel ernstiger was de toestand in München zelf. Toen ik, na mijn herstel, uit het hospitaal was ontslagen en bij het reservebataljon werd geplaatst, herkende ik de stad maar nauwelijks. Het was een en al prikkelbaarheid, mistroostigheid en gescheld, waar men ook kwam. Bij het depotbataljon zelf was de stemming beneden alle kritiek. Dit was mede te wijten aan de ongelooflijke tactloze wijze waarop frontsoldaten werden behandeld door de oudere instructieofficieren, die nog geen uur aan het front hadden gestaan, en die er alleen reeds om deze reden slechts gedeeltelijk in konden slagen om een dragelijke verhouding tussen zichzelf en de oude soldaten tot stand te brengen. Maar geheel afgezien daarvan, was de stemming miserabel; de stiekeme desertie werd al bijna ale een teken van hogere wijsheid beschouwd, terwijl trouw en volharding voor symptomen van innerlijke zwakte en bekrompenheid werden aangezien.

De bureaus waren met Joden bezet. Bijna iedere klerk was een Jood, en iedere Jood een klerk. Ik was verbaasd over deze grote menigte van strijders uit het uitverkoren volk, en kon niet nalaten, de invloed van Joden op veilige postjes te vergelijken met de buitengewone schaarste van deze lieden aan het front. Bij de economische afdeling was het nog veel erger gesteld. Hier was het Joodse volk waarlijk "onmisbaar" geworden. De spin begon langzaam het bloed van het volk uit te zuigen. In de inkoopbureaus had men het middel gevonden om de nationale en de vrije handel langzaamaan de nek om te draaien. Men verkondigde met grote nadruk de noodzakelijkheid van absolute centralisatie. Zo ging dus in het jaar 1916/1917 praktisch reeds de gehele nationale productie door Joodse handen. Maar tegen wie richtte zich nu de haat van het volk? In die dagen zag ik met ontzetting een ramp naderen, welke, zo ze niet nog te rechter tijd werd afgewend, een debacle ten gevolg moest hebben. Terwijl de Jood de gehele natie bestal en onder zijn juk dwong, hitste men tegen de "Pruisen". En hier werd al evenmin als aan het front iets gedaan tegen deze noodlottige propaganda. Men scheen volkomen blind te zijn voor het feit, dat de ondergang van Pruisen nog niet de opbloei van Beieren zou betekenen, nee, sterker, dat integendeel het einde van het ene, noodzakelijkerwijze ook de vernietiging van het andere zou betekenen.

Nieuwe hoop bij het leger

Deze blindheid enerzijds en deze nalatigheid anderzijds brandden in mijn hart. Ik kon dit alles niet anders zien dan als een bijzonder geniale truc van de Jood, die de algemene aandacht van zich af wilde leiden, en die op andere wegen bracht. Terwijl Beieren en Pruisen onderling twistten, ontroofde hij aan beiden hun bestaansmogelijkheden. Terwijl men in Beieren op de Pruisen schold, organiseerde de Jood de revolutie, en versloeg Pruisen en Beieren tegelijk. Ik kon deze vloekwaardige ruzie tussen de Duitse stammen onderling niet verdragen en was blij, weer naar het front terug te kunnen; dadelijk na mijn aankomst te München had ik mij weer aangemeld voor de dienst aan het front. Begin maart 1917 was ik dan ook weer bij mijn regiment.

Tegen het eind van het jaar 1917 scheen de ergste neerslachtigheid van het leger voorbij te zijn. Na de ineenstorting van Rusland vatte alles nieuwe hoop en frisse moed. De overtuiging, dat de strijd nu toch met een Duitse overwinning zou eindigen, begon zich in steeds sterkere mate van de soldaten meester te maken. Er werd weer gezongen, en de ongeluksprofeten werden zeldzamer. Men geloofde weer in de toekomst van het vaderland. Voorla de ineenstorting van het Italiaanse front in de herfst van 1917 had de prachtigste uitwerking gehad. Men zag immers in deze overwinning het bewijs, dat het ook mogelijk was om elders dan op Russische slagvelden bressen te slaan in de fronten. Een heerlijk geloof maakte zich nu weer van de harten van de millioenen meester en deed ze met nieuw vertrouwen het voorjaar van het jaar 1918 tegemoet zien. De vijand was kennelijk ontmoedigd. In deze winter bleef het rustiger dan anders. De stilte voor de storm trad in. Maar juist terwijl aan het front alles in gereedheid werd gebracht om nu dan definitief een einde te maken aan deze lange, lange strijd, toen er onafzienbare transporten mensen en materiaal naar het Westelijk front rolden, en de laatste voorbereidselen werden getroffen voor de grote aanval, juist op dat ogenblik haalde men in Duitsland de grootste schurkenstreek van de gehele oorlog uit.

Duitsland mocht niet winnen: te elfder ure, toen het reeds leek, alsof de lauweren van de overwinning de Duitse wapens zouden bekronen, greep men naar een middel, dat wel geschikt scheen om met een slag de Duitse voorjaarsaanval te breken en de overwinning onmogelijk te maken. Men organiseerde een staking in de munitiefabrieken. Indien deze staking slaagde, dan moest het Duitse front ineenstorten, en dan zou de wens van de "Vorwärts" (het belangrijkste dagblad van de Duitse Sociaal-democraten), dat de overwinning ditmaal niet Duitslands deel zou zijn, in vervulling gaan. Het front zou dan, noodgedwongen, na enkele weken door gebrek aan munitie doorbroken worden; het offensief was daarmee dan verhinderd en de "Entente" gered; maar het internationale kapitaal zou daarmee heer en meester van Duitsland zijn geworden en daardoor was het geheime doel van het marxistische volksbedrog dan bereikt. Ruinering van de nationale economie, om op de puinhopen dan de heerschappij van het internationale grootkapitaal te stichten, een doel, dat dank zij de domheid en goedgelovigheid enerzijds en de grenzeloze lafhartigheid anderzijds, nu immers verwerkelijkt is.

De ineenstorting van Rusland

Weliswaar slaagde de munitiestaking er niet in , om haar materiële doel te bereiken, en het front door gebrek aan wapens uit te hongeren; de staking was te kort van duur, dan dat munitiegebrek als zodanig - wat de bedoeling was geweest - de weerbaarheid van het leger had kunnen vernietigen. Maar hoeveel ontzettender was niet de morele schade die men aangericht had! Ten eerste: voor wie streed het leger dan eigenlijk nog, wanneer het vaderland zelf de overwinning niet wilde? Voor wie werden dan al die offers gebracht, voor wiens wil werden al die ontberingen verdragen? De soldaat moet om de overwinning vechten, en het vaderland staakt, om hem dat te beletten. Maar de tweede kwestie was: hoe was de uitwerking op de vijand? In de winter van 1917 op 1918 vertoonden zich voor het eerst donderwolkjes aan de horizon van de geallieerden. Bijna vier jaar lang had men stormgelopen tegen de Duitse heros, maar kon hem niet ten val brengen; daarbij had deze echter enkel de arm en het schild voor de afweer beschikbaar, terwijl de rechterarm nu eens in het Oosten, dan weer in het Westen een houw moest toebrengen. Nu was de reus eindelijk in de rug vrij. Stromen bloed waren er gevloeid, voor het hem gelukt was, die vijand in de rug voorgoed neer te slaan.

Nu zou in het Westen het schild ook de hulp van het zwaard erbij krijgen, en terwijl de vijand er tot dusverre niet in was geslaagd, om die verdediging te breken, zou nu de aanval hem zelf treffen. Men vreesde die aanval en begon te twijfelen aan de overwinning. In Londen en Parijs volgden de beraadslagingen elkaar bijna zonder tussenpozen op. Zelfs de vijandelijke propaganda had het moeilijk; het viel niet meer zo gemakkelijk om te bewijzen, dat de Duitsers geen schijn van kans hadden om te winnen. Datzelfde kon echter ook van de geallieerde fronttroepen worden gezegd, waaronder een suffig zwijgen heerste. De brutaliteit van de heren was plotseling verdwenen. Ook zij begonnen langzamerhand iets te begrijpen, en het hart klopte hen in de keel. Hun eigen oordeel over de Duitse soldaat had zich gewijzigd. Tot dusver mocht hij in hun ogen een dwaas zijn geweest, die eenvoudig moest verliezen, maar nu stond de vernietiger van de Russische bondgenoot voor hen. Onze tegenstanders kregen nu de indruk, alsof het feit, dat wij noodgedwongen onze grote offensieven tot het Oosten hadden moeten beperken, een geniale strategische zet was geweest. Drie jaar lang hadden die Duitsers stormgelopen op Rusland, aanvankelijk zonder het minste resultaat, naar het scheen. Men voelde bijna zijn lachlust opkomen over zo'n onbegonnen werk; want tenslotte moest het er toch immers op uitdraaien, dat de Russische reus met zijn millioenenreserves de overwinning behaalde en dat Duitsland aan bloedverlies te gronde ging. En de werkelijkheid scheen deze hoop te bevestigen.

Neerslachtigheid bij de geallieerden

Sinds de septemberdagen van 1914, toen voor de eerste maal de eindeloze massa's Russische krijgsgevangenen uit de slag bij Tannenberg langs straat- en spoorweg naar Duitsland begonnen te komen, werd deze stroom maar nauwelijks meer onderbroken - maar voor ieder verslagen of vernietigd leger stond een nieuw op. Het reuzenrijk van de Tsaar bracht maar steeds nieuwe soldaten aan, onoverzienbare aantallen, en offerde ze aan de Molog: oorlog. Hoelang zou Duistland deze wedstrijd kunnen volhouden? Zou er niet eenmaal een dag moeten komen, waarop de laatste Duitse overwinning was behaald, maar nog steeds de laatste Russische legers niet in de strijd waren geworpen? En wat dan? Naar menselijke berekening kon de Russische overwinning wel worden uitgesteld, maar niet uitblijven. Nu waren al deze verwachtingen in rook vervlogen: de bondgenoot, die de grootste offers aan bloed had gebracht op het altaar van de gemeenschappelijke belangen, was aan het einde van zijn krachten en lag voor de onverbiddelijke aanvaller op de knieën. Angst en ontzetting slopen binnen in de harten van de soldaten, die tot dusverre rotsvast hadden geloofd in een geallieerde overwinning. Men was dodelijk bang voor de komende lente. Want wanneer men er tot heden niet in was geslaagd, om de Duitser te overwinnen, terwijl hij slechts een gedeelte van zijn kracht aan het Westelijk front had kunnen besteden, hoe zou men dan nu nog op de zege kunnen rekenen, nu de totale kracht van de gevreesde heldenstaat zich scheen te concentreren in een aanval op het Westen?

In Duitsland dreigt revolutie

De schaduwen van de bergen van Zuid-Tirol drukten zwaar op de verbeelding; tot in de nevelen van Vlaanderen toverden de geslagen legers van Cadorna bezorgde gezichten tevoorschijn, en het geloof in de overwinning begon plaats te maken voor de angst voor de komende nederlaag. En toen, terwijl men reeds het eentonige naderrollen van de wagens met de Duitse stormregimenten meende te horen, en met bange zorg het naderende gericht tegemoet zag, toen vlamde er plotseling een schel rood licht uit Duitsland op en wierp zijn schijnsel tot in de laatste granaattrechter van het vijandelijk front: op het ogenblik, dat de Duitse divisies de laatste voorbereiding voor de grote veldslag ontvingen, brak in Duitsland de algemene staking uit. Eerst was de wereld als met stomheid geslagen. Toen echter stortte de vijandelijke propaganda zich met een zucht van verlichting op deze redding te elfder ure. Met een slag was het middel gevonden om het verdwijnende vertrouwen weer te herstellen, om opnieuw de waarschijnlijkheid van een geallieerde overwinning te kunnen verkondigen, en de angst en de bezorgdheid voor de komende gebeurtenissen te veranderen in vastberaden vertrouwen. Nu kon men aan de regimenten, die in de grootste veldslag aller tijden de Duitse aanval afwachten, de overtuiging meegeven, dat niet de stoutmoedigheid van die Duitse aanval, maar hun uithoudingsvermogen en de hardnekkigheid van hun verweer de oorlog zouden beslissen. De Duitsers mochten nu nog zoveel overwinningen behalen als ze maar wilden, in hun vaderland zou spoedig de revolutie en niet het zegevierende leger binnentrekken.

Nu begonnen de Engelse, Franse en Amerikaanse kranten deze overtuiging in de harten van hun lezers te hameren, terwijl een bijzonder knappe propaganda de fronttroepen weer moed gaf. "Duitsland aan de vooravond van een revolutie! De overwinning van de geallieerden onafwendbaar!" Dat was wel het beste geneesmiddel, om de aarzelende poilus en Tommies weer op de been te helpen. Nu konden de geweren en de mitrailleurs opnieuw tot vuren worden gebracht, en in plaats van in panische schrik het hazenpad te kiezen, bood men nu toch nog weerstand, omdat er weer nieuwe hoop was gekomen. Dit was het resultaat van de munitiestaking. Zij versterkte het geloof in de overwinning bij onze tegenstanders en maakte een eind aan de verlammende wanhoop van het geallieerde front - en in de dagen die nu kwamen, moesten duizenden Duitse soldaten dit met hun bloed betalen. De lieden echter, die debet waren aan deze allergemeenste schurkenstreek, waren in het Duitsland van de revolutie de kandidaten voor de hoogste staatsbetrekkingen. En al slaagde men er aan Duitse zijde voorlopig ook in, om in schijn althans, de uiterlijke terugslag van deze daad te boven te komen - aan de andere zijde bleven de gevolgen niet uit. Het verzet had weer een zin en een doel gekregen - wij stonden niet meer tegenover een leger dat alles had opgegeven, maar tegenover een, dat een verbitterde strijd om de overwinning wilde voeren.

De laatste onverwelkbare lauweren

Want naar menselijke berekening moest de overwinning nu komen, wanneer het Westelijk front nog maar enkele maanden tegen de Duitse aanval wist stand te houden. In de parlementen van de Entente zag men, welke mogelijkheden de toekomst in haar schoot borg, en stond men enorme middelen toe om de propaganda tot vernietiging van Duitsland voort te zetten. Ik was zo gelukkig, en de beide eerste offensieven, en het laatste te mogen meemaken. Dit zijn de gebeurtenissen geweest, welke de allerdiepste indruk op mij hebben gemaakt; een indruk, welke daarom zo diep was, omdat de strijd nu voor de laatste maal, evenals in het jaar 1914 het geval was geweest, van verdedigend, aanvallend werd. Er ging een zucht van verlichting door alle loopgraven en mijngangen van het Duitse leger, toen eindelijk, nadat het meer dan drie jaar lang de hel van het vijandelijk vuur had doorstaan, de dag der vergelding aanbrak. Nog eenmaal juichten de zegevierende bataljons en hechtten de laatste onverwelkbare lauweren aan de vanen, welke reeds van de overwinning droomden. Nog eenmaal dreunden de vaderlandse liederen uit de eindeloze marcherende colonnes ten hemel, en voor de laatste maal scheen de Voorzienigheid met deze ondankbare mensenkinderen te zijn.

Meer tekenen van verval

In het midden van de zomer van het jaar 1918 hing er een doffe, zwoele, drukkende sfeer over het front. In het vaderland werd gevochten. Er was burgeroorlog uitgebroken. Om welke reden? In alle regimenten te velde gingen er geruchten over. De kans om de oorlog te winnen zou voorgoed verkeken zijn, en alleen dwazen konden nog geloven in de overwinning. Het volk zou niets meer te winnen hebben bij een voortzetting van de oorlog; dat kon enkel nog in het belang van het kapitalisme en de monarchie zijn - zo luidden de berichten, die ons uit het vaderland bereikten en ook aan het front druk werden besproken. Het front reageerde voorshands nog maar in geringe mate op deze klanken. Wat ging ons het algemeen kiesrecht aan? Hadden wij daarvoor bijna vier jaar lang voor gevochten? Het was een gemene schurkenstreek, om op zo'n manier de dode helden nog te beroven van de reden, waarvoor zij in de oorlog waren gegaan. De jonge regimenten waren destijds in Vlaanderen niet met de kreet: Leve het algemeen en geheim kiesrecht!" de dood ingegaan, maar met de roep: "Deutschland über alles in der Welt!" Een klein, maar niet onbelangrijk verschil. Zij echter, die nu om het kiesrecht riepen, zogenaamd in naam van het gehele front, waren grotendeels nooit daar gewest. Het front kende het gehele politieke partijgespuis niet. Op de plaats, waar alle fatsoenlijke Duitsers stonden, die recht van lijf en leden waren, zag men slechts een opvallend klein gedeelte van de heren parlementsleden.

Zodoende waren de oude kernen van het front slechts weinig ontvankelijk voor het nieuwe oorlogsdoel, dat de heren Ebert, Scheidemann, Barth, Liebknecht, enz. hadden ontdekt. Men begreep helemaal niet, waaraan al die deserteurs-in-het-nette plotseling het recht konden ontlenen zich, met voorbijgaan van het hoofd van het leger, de macht in de staat aan te matigen. Mijn persoonlijke standpunt stond van de aanvang af vast: ik voelde een diepe haat tegen deze hele horde van ellendige volksbedriegers en partijschoften. Bij mij bestond er reeds lang niet de minste twijfel meer, dat het deze horde niet te doen was om het welzijn van de natie, maar om hun eigen lege zakken te spekken. En dat zij nu zelfs bereid bleken, daarvoor het gehele volk op te offeren, en, zo nodig, Duitsland te gronde te laten gaan, dat maakte hen in mijn oog rijp voor de strop. Men hun wensen rekening te houden, betekende de belangen van het werkende volk op te offeren aan de wensen van een stel zakkenrollers; vervullen kon men hun wensen echter alleen, wanneer men bereid was, Duitsland op te geven. Deze opvatting echter was die van verreweg het grootste gedeelte van de soldaten in het strijdende leger. Maar de reservetroepen, die uit het vaderland kwamen, werden zienderogen slechter, zodat deze kwantitatieve versterking al spoedig onze stootkracht verminderde, in plaats van vergrootte. Vooral de aanvulling aan jongeren was grotendeels waardeloos. Het was dikwijls moeilijk te geloven, dat dit zonen waren van datzelfde volk, dat eens zijn jeugd had uitgezonden voor de strijd om Yperen.

De nieuwe lichtingen schieten tekort

In augustus en september namen de tekenen van verval steeds sneller toe, hoewel de uitwerking van de vijandelijke aanvallen niet te vergelijken was met de verschrikkingen van onze verdedigingsslagen uit vroeger dagen. De slag aan de Somme en de strijd in Vlaanderen lagen, hiermee vergeleken, als dreigende ontzettingen in het verleden. Tegen het eind van september kwam onze divisie voor de derde keer op plaatsen, die wij eens als jonge vrijwilligers stormenderhand hadden veroverd. Welk een herinnering. In oktober en november 1914 hadden wij daar de vuurdoop doorstaan. Met een hart, brandend van vaderlandsliefde en met liederen op de lippen was ons jonge regiment in de strijd getrokken, als ging het ten dans. Daar werd het kostbaarste bloed met vreugde ten offer gebracht, in het geloof, dat men zo de onafhankelijkheid en de vrijheid van het vaderland kon redden. In juli van het jaar 1917 betraden wij voor de tweede maal deze voor ons allen zo heilige grond. Want hier sluimerden immers onze beste kameraden, die eens, bijna nog kinderen, met stralende ogen voor het geliefde vaderland in de dood waren gestormd! Wij ouderen, die eens, lang geleden, met het regiment waren uitgetrokken, stonden vol eerbied en ontroering op de plaats, waar de eed: "Trouw en gehoorzaamheid tot in de dood!" was gezworen.

Diezelfde grond, welke ons regiment drie jaar tevoren in een stormloop had veroverd, moest het nu in een zware veldslag verdedigen. Met een trommelvuur, dat drie weken duurde, hadden de Engelsen toen hun grootste offensief in Vlaanderen voorbereid. Toen scheen het, alsof de geesten van de gesneuvelden ons weer vervulden; het regiment klampte zich aan het vuile slijk en beet zich vast in ieder gat, in iedere kuil en iedere gracht, en week niet, en wankelde niet, en werd, zoals reeds eenmaal eerder op deze plaats, steeds kleiner en dunner, totdat de aanval van de Engelsen op 31 juli 1917 eindelijk losbarstte. In de eerste dagen van augustus werden wij afgelost. Van het regiment waren nog maar enkele compagnieën over; die trokken, meer spoken dan mensen, van onder tot boven met modder bedekt, moeizaam, stap voor stap terug. Maar behalve een paar honderd meter granaattrechters had de Engelsman daar niets dan de dood gevonden. Nu, in de herfst van het jaar 1918, stonden wij voor de derde maal op die grond, waar we in 1914 stormliepen. Het stadje Comines, waar wij vroeger kwamen om uit te rusten, was nu strijdterrein geworden. Maar al was het terrein hetzelfde gebleven, de mensen waren anders geworden; nu "deden" ook soldaten "aan politiek". Het vergif uit het vaderland begon ook hier, als overal, te werken. Met de jongste lichting was niets te beginnen - die kwam uit het vaderland.

Gegast met geelkruisgas

In de nacht van de 13e op de 14e oktober begonnen de Engelsen op het Zuidelijk front voor Yperen met gasbommen te werpen; men gebruikte daarbij geelkruisgas, waarvan wij de uitwerking nog niet aan den lijve hadden ondervonden. Ik zou het nog dezelfde nacht leren kennen. Op een heuvel ten zuiden van Wervik hadden wij reeds in de avond van de 13e oktober verscheidene uren achtereen een trommelvuur van gasbommen te doorstaan, en dat werd de gehele nacht in meer of minder hevige mate voortgezet. Reeds omstreeks middernacht viel een gedeelte van ons uit, waaronder enkele kameraden meteen voorgoed. Tegen de ochtend kreeg ook ik pijn, die van kwartier tot kwartier erger werd, en om zeven uur in de vroege morgen verliet ik, strompelend en wankelend, met brandende ogen het front, met mijn laatste rapport uit de oorlog nog bij me. Reeds een paar uur later waren mijn ogen tot gloeiende kolen geworden, en was het nacht om mij heen. Zo kwam ik in het hospitaal te Pasewalk in Pommeren, en daar moest ik - de revolutie beleven.

Er hing reeds lang iets ondefinieerbaars, iets weerzinwekkends in de lucht. Men vertelde, dat het er in de eerstvolgende weken "op los zou gaan"- en ik kon er me alleen geen precies denkbeeld van vormen wat ik daaronder moest verstaan. Ik dacht in de eerste plaats aan een staking, in de trant van die in het voorjaar. Bij de marine moest het gisten - onophoudelijk kwamen er slechte berichten uit de havens. Maar ook dit leek mij nog meer het product van de oververhitte verbeelding van enkele heerschappen, dan een beweging waarbij grotere groepen waren betrokken. In het hospitaal zelf praatte iedereen weliswaar over het einde van de oorlog, en hoopte, dat het maar spoedig zou mogen komen, maar op een "dadelijk" rekende niemand. Kranten kon ik niet lezen. In november nam de algemene spanning nog toe. En toen op een dag gebeurde de ramp, plotseling en op het onverwachtst. Matrozen kwamen op vrachtauto's aanrijden en riepen op tot revolutie; een paar Jodenjongens waren de leiders in deze strijd voor de "vrijheid, schoonheid en waardigheid" van ons volksbestaan. Geen van hen had het front gezien. Via een lazaret voor geslachtsziekten waren deze drie Oosterlingen uit de veilige etappe aan het vaderland teruggegeven. Nu hesen ze daar het rode vod.

Met mij ging het in de laatste tijd wat beter. De knagende pijn in mijn oogholten was wat verminderd; langzamerhand begon ik mijn omgeving in grote lijnen weer te onderscheiden. Ik mocht de hoop koesteren, dat ik tenminste in zoverre weer ziende zou worden, dat ik later het een of ander beroep zou kunnen uitoefenen. Maar ik mocht niet verwachten, dat ik ooit nog weer zou kunnen tekenen. Zo was ik toch aan de beterende hand, toen het vreselijke gebeurde. Ik hoopte nog steeds, dat het bij dit landverraad nog een min of meer plaatselijk optreden betrof. Ik trachtte ook nog, enige kameraden met deze veronderstelling weer moed in te spreken. Vooral mijn Beierse medepatiënten waren daarvoor zeer toegankelijk. De stemming onder hen was allesbehalve "revolutionair". Ik kon me niet voorstellen, dat deze waanzinnige dingen ook te München zouden kunnen gebeuren. Het leek me toe, dat de trouw jegens het Beierse vorstenhuis, het eerbiedwaardige Huis Wittelsbach, nog wel bestand zou blijken tegen de wil van een paar Joden. Daarom kon ik ook niet anders geloven, dan dat het hier ging om een "Putsch" van de marine, die zeker in de eerstvolgende dagen zou worden onderdrukt. De eerstvolgende dagen kwamen, en daarmee de ontzettendste zekerheid, die ik in mijn leven nog had gekend.

De republiek

Steeds somberder werden nu de geruchten. Wat ik voor een plaatselijk oproer had gehouden, zou een algemene revolutie zijn. Daarnaast hoorde ik de oneervolle berichten van het front. Men wilde zich overgeven. Maar was zoiets dan inderdaad mogelijk? De tiende november kwam de dominee in het hospitaal, om enkele woorden tot ons te spreken; en nu kwamen wij van alles op de hoogte. Ik was ook aanwezig bij die korte toespraak en verkeerde in een toestand van de grootste opwinding. De oude eerwaardige heer scheen zeer te beven, toen hij ons mededeelde, dat het Huis Hohenzollern voortaan de Duitse Keizerskroon niet meer mocht dragen, want dat het vaderland nu "republiek" was geworden; dat men de Almachtige moest smeken, om zijn zegen ook aan deze verandering niet te onthouden, en ons volk in de komende dagen niet te verlaten. En toen kon hij het blijkbaar niet over zijn hart verkrijgen, om niet een enkel woord te wijden aan het Vorstenhuis en aan het vele goede, dat het voor Pommeren, voor Pruisen, nee, voor het gehele vaderland had gedaan, en toen - begon hij zacht voor zichzelf te schreien. In de kleine zaal maakte zich een diepe neerslachtigheid van allen meester, en ik geloof niet, dat er iemand zijn tranen kon bedwingen.

Alle offers zijn tevergeefs gebracht

Toen de oude heer echter trachtte verder te vertellen en mede begon te delen, dat wij nu een eind moesten maken aan de lange, lange oorlog, en dat ons vaderland in het vervolg zeer zware verdrukking zou moeten doorstaan, omdat wij de oorlog nu hadden verloren en wij aan de genade van de overwinnaar waren overgeleverd; dat de wapenstilstand zou worden aangenomen in vertrouwen op de grootmoedigheid van diegenen, die totnogtoe onze vijanden waren geweest - toen hield ik het niet langer uit. Het werd mij onmogelijk, om nog langer te blijven. Het werd weer zwart voor mijn ogen, en ik tastte en wankelde terug naar de slaapzaal, waar ik me op mijn bed neerwierp en mijn brandend hoofd in deken en kussen drukte. Ik had niet meer gehuild sinds de dag, dat ik aan het graf van mijn moeder had gestaan. Wanneer het noodlot mij in mijn jeugd hardhandig had aangepakt, dan was daardoor alleen mijn koppigheid wat groter geworden. Wanneer de dood in die lange, lange oorlogsjaren nu een deze, dan weer gene trouwe kameraad en vriend uit onze rijen wegmaaide, dan zou ik het mezelf bijna kwalijk hebben genomen, wanneer ik geklaagd had - zij stierven immers voor Duitsland! En toen ik tenslotte zelf, nog in de laatste dagen van die vreselijke worsteling - door het sluipende gas werd overvallen, en dit in mijn ogen begon te schroeien, en mijn moed me dreigde te begeven bij het ontzettende vooruitzicht, dat ik voor altijd blind zou worden, toen donderde de stem van het geweten me toe: Wat, miserabele kerel die je bent, zou jij willen huilen, terwijl duizenden het oneindig veel erger te verantwoorden hebben dan jij?! - En zo droeg ik dan zwijgend en gelaten mijn lot.

Maar nu kon ik mezelf niet meer bedwingen. Nu eerst zag ik, hoe alle leed volkomen in het niet verzinkt tegenover de nood van het vaderland Alles was dus tevergeefs geweest. Tevergeefs waren al de offers en ontberingen, tevergeefs de honger en de dorst, die ons vaak maanden aaneen had gekweld en uitgeteerd, tevergeefs waren de uren geweest, dat wij onze eigen doodsangst weestonden, en toch onze plicht deden. En twee millioen mannen waren voor niets de dood in gegaan. Was het niet alsof de graven van al die honderdduizenden, die eenmaal waren uitgetrokken in een vast geloof aan het vaderland, om niet weer te keren, nu moesten openbarsten? Was het niet, alsof ze zich moesten openen, en de zwijgende helden, in hun kleed van bloed en modder, als wrekende geesten naar het vaderland moesten zenden, naar dat vaderland, dat hun het grootste offer, dat een man aan zijn volk kan brengen, zo smadelijk en onder een vals voorwendsel ontfutseld had? Waren zij daarvoor gevallen, de soldaten van augustus en september 1914; trokken daarvoor de vrijwilligersregimenten in de herfst van datzelfde jaar dezelfde weg op die hun oude kameraden hun waren voorgegaan? Daalden daarvoor de jongens van 17 jaar in de Vlaamse grond? Was dit de zin van het offer, dat de Duitse moeder aan het vaderland bracht, toen zij met een zo felle pijn in het hart destijds haar liefste jongens liet wegtrekken om ze nimmer weer te zien?

Was dit alles werkelijk gebeurd, opdat nu een troep ellendige misdadigers de hand aan het vaderland zou kunnen slaan? Had de Duitse soldaat dus daarvoor de stekende zon en de sneeuwstormen verdragen? Had hij daarvoor honger, dorst en koude geleden en de vermoeienis van zovele slapeloze nachten, en zo eindeloos lange marsen doorstaan? Had hij daarvoor in de hel van het trommelvuur en in de koortsonrust van de gasbombardementen gelegen, zonder te wijken, met steeds die ene plicht voor ogen, dat hij het vaderland moest beschermen tegen een vijandelijke inval? Waarlijk, ook deze helden verdienden een grafsteen met het opschrift: "Wandelaar, als gij naar Duitsland komt, zeg dan aan het land vanwaar wij kwamen, dat wij hier liggen, trouw aan het vaderland en in trouwe vervulling van onze plicht". Maar wat deed het vaderland? En was dat dan het enige offer, dat wij moesten tellen? Was het oude Duitsland, dat toch ook verloren was gegaan, minder kostbaar dan dit leed en al deze doden? Was er niet ook nog zoiets als een verplichting tegenover onze eigen geschiedenis? Waren wij nog wel waard, de roem van het verleden van de onzen te noemen? En hoe zouden wij deze daad ooit tegenover de toekomst kunnen verantwoorden? Die ellendige ontaarde misdadigers!

Ik besluit, politicus te worden

Hoe meer ik in dit bittere uur trachtte, de gehele betekenis van deze ontzettende gebeurtenis te overzien, des te meer gloeide ik van schaamte en verontwaardiging over zo'n schande. Wat had al die pijn in mijn ogen tenslotte te betekenen tegen deze vreselijke gebeurtenis? Nu volgden er ontzettende dagen en nog ergere nachten - ik wist, dat alles verloren was. Alleen gekken of - leugenaars en misdadigers konden op de genade van de vijand hopen. In deze nachten groeide mijn haat tegen de aanstichters van deze daad. In de daaropvolgende dagen begreep ik ook mijn eigen lot. Ik moest nu lachen bij de gedachte aan mijn eigen toekomst, die mij tot voor kort nog met zo ernstige bezorgdheid had vervuld. Of was het soms niet eenvoudig en belachelijk idee, dat er iemand wilde bouwen op zo'n grond?! Tenslotte werd het mij opeens duidelijk, dat er eigenlijk niets anders was gebeurd dan datgene wat ik al zo vaak had gevreesd, maar dat ik om gevoelsredenen nooit had kunnen geloven. Keizer Wilhelm II was de eerste Duitse Keizer geweest die de marxistische leiders de hand van de verzoening had toegestoken, omdat hij niet begreep, dat schurken geen eer bezitten. Want zodra zij de Keizerlijke hand nog in de hunnen hielden, zocht de linkerhand reeds naar de dolk. Met de Jood kan men geen enkel compromis sluiten. Tussen Jood en niet-Jood kan niets anders bestaan dan het onverbiddelijke "jij-of-ik!" Maar ik besloot, politicus te worden.

Achtste Hoofdstuk / Begin van mijn politieke loopbaan

Nog in het eind van november keerde ik terug naar München. Ik begaf mij weer naar het depotbataljon van mijn regiment, waar de "soldatenraden" de macht in handen bleken te hebben. Dat gehele gedoe stuitte mij zo tegen de borst, dat ik dadelijk besloot om, wanneer het mogelijk was, de stad weer te verlaten. Met een trouwe frontkameraad, Ernst Schmiedt, ging ik naar Traunstein en bleef daar, tot de legerplaats werd opgeheven. In maart 1919 gingen wij weer naar München terug. De toestand daar was onhoudbaar en noodzakelijkerwijs tot een voortzetting van de revolutie leiden. De dood van Eisner verhaastte dit proces nog en hierdoor kwam het tenslotte tot de Radendictatuur, of beter gezegd, tot een voorbijgaande Jodenheerschappij, in de trant zoals het de eigenlijke aanstichters van de revolutie oorspronkelijk voor ogen had gestaan. In deze tijd maakte ik een eindeloos aantal plannen, die ik dan echter telkens, als onuitvoerbaar, weer moest verwerpen. Dagenlang overlegde ik, wat ik toch zou kunnen doen, maar het einde van iedere overdenking was steeds weer de vaststelling van het nuchtere feit, dat ik als naamloze, een uit de zeer velen zelfs, voor de allergeringste doelmatige daad de gelegenheid miste.

De reden, waarom ik ook destijds niet kon besluiten, me bij een van de bestaande partijen aan te melden, zal ik nog nader uiteenzetten. Tijdens de nieuwe Radenrevolutie trad ik voor het eerst zodanig op, dat ik mij de ontevredenheid van de Centrale Raad op de hals haalde. In de vroege morgen van de 27e april 1919 moest ik gearresteerd worden - maar voor de dreigende loop van de karabijn ontbrak het de heren aan moed, en zij trokken weer af, zoals zij waren gekomen. Enkele dagen na de bevrijding van München werd ik opgeroepen om zitting te nemen in de commissie tot onderzoek van de revolutionaire feiten, gepleegd bij het 2e Regiment Infanterie. Dit was de eerste maal, dat mijn daden een tamelijk rechtstreeks politiek karakter droegen. Reeds enige weken later kreeg ik bevel, deel te nemen aan een cursus, welke voor hen, die tot de weermacht behoorden, werd gegeven. Daardoor wilde men de soldaten enige staatsburgerlijke grondbegrippen bijbrengen. Voor mij lag de waarde van deze gehele instelling daarin, dat ik hierdoor in de gelegenheid kwam, enige gelijkgezinde kameraden te leren kennen, met wie ik de toestand van het ogenblik gedetailleerd en diepgaand kon bespreken.

Bespreking tot oprichting van een nieuwe partij

Wij waren allemaal in meerdere of mindere mate de overtuiging toegedaan, dat de partijen, die de Novembermisdaad op hun geweten hadden, het "Zentrum" en de "Sociaaldemocraten", Duitsland niet voor de komende debacle zouden kunnen behoeden, maar dat ook de zogenaamde "burgerlijk-nationale" kongsies, zelfs met de beste wil ter wereld, niet bij machte zouden zijn om de begane fouten weer goed te maken. Daartoe moest aan een gehele reeks van voorwaarden worden voldaan, die nu eenmaal voor het slagen van zulk een werk onmisbaar zijn; en dit gebeurde beslist niet. De gang van zaken in de tijd nadien heeft bewezen, dat onze mening destijds juist was. Daarom bespraken wij in onze kleine kring de mogelijkheid om tot de oprichting van een nieuwe partij te komen. De principes, waarvan wij hierbij wilden uitgaan, waren dezelfde welke later de dragende gedachten van de "Deutsche Arbeiterpartei" vormden. De naam van de te stichten beweging moest een zodanige zijn, dat hij dadelijk al aantrekkingskracht op de massa zou uitoefenen, want zonder dat leek ons iedere arbeid nutteloos en overbodig. Zodoende kwamen wij op de naam "Socialrevolutionäre Partei"; dit, omdat de sociale opvattingen van de nieuwe organisatie immers inderdaad revolutionair waren.

Twee soorten kapitaal

De diepere redenen hiervoor vloeiden uit het volgende voort. Al had ik me vroeger ook reeds tamelijk ernstig met economische vraagstukken bezig gehouden, toch had zich dit alles min of meer beperkt tot die kwesties, welke in rechtstreeks verband stonden met sociale problemen, en ik was hierop ook eigenlijk nooit dieper ingegaan. Eerst later, toen ik de Duitse bondgenootschappolitiek bestudeerde, had zich ook hier mijn gezichtsveld uitgebreid. Want deze bondgenootschappolitiek was immers voor een zeer belangrijk deel te wijten aan het feit, dat men het economische niet op de juiste waarde schatte en zich ook veel te weinig had bezig gehouden met de mogelijkheden om het Duitse volk in de toekomst te voeden. Al deze gedachten echter berustten nog op de mening, dat ieder kapitaal direct uit arbeid was voortgekomen en dus voortdurend onderhevig was aan al die correcties, welke nu eenmaal alles wat van de mens komt, kunnen tegenwerken of stimuleren. Daaraan ontleende het kapitaal immers ook zijn grote nationale betekenis, dat het zelf zo volkomen afhankelijk was van de grootte, de vrijheid en de macht van de staat - dus van de natie - dat het door deze gebondenheid alleen al moest worden gedwongen, om, eenvoudig uit de drang tot zelfbehoud of tot vermenigvuldiging, de staat en de natie voorwaarts te helpen.

Dit feit, dat het kapitaal afhankelijk was van de onafhankelijke vrije staat, dwong dus dit kapitaal om zijnerzijds voor de vrijheid, de macht en de kracht van de natie in de bres te springen. Daardoor was ook de houding, welke de staat ten aanzien van het kapitaal had in te nemen, betrekkelijk duidelijk en scherpomlijnd: hij moest er alleen voor zorgen, dat dit kapitaal steeds een dienende functie in de staat bleef vervullen en zich niet ging inbeelden, dat het over de natie te gebieden had. Deze houding werd dan door twee eisen begrensd: enerzijds de instandhouding van een levenskrachtige nationale en onafhankelijke economie, anderzijds de bescherming van de sociale rechten van de werknemers. Het onderscheid tussen dit zuivere kapitaal, dat het eindproduct van gepresteerde arbeid is, en het andere kapitaal, dat zijn ontstaan geheel aan speculatie te danken heeft en daarvan ook nog het karakter draagt, bleef mij vroeger eigenlijk te zeer verborgen. Ik kwam er eenvoudig niet toe, dit door nadere studie uit te pluizen, omdat ik geen reden tot deze studie zag. Maar dit gebeurde nu op zeer grondige wijze door een van de heren, die lezingen hield binnen het bestek van de reeds genoemde cursus, door Gottfried Feder.

Voor de eerste maal in mijn leven hoorde ik een principiële uiteenzetting over het internationale beurs- en leningskapitaal. Toen ik Feders eerste lezing had bijgewoond, schoot mij ook dadelijk de gedachte door het hoofd, dat ik nu een vingerwijzing had gekregen in welke richting ik een van de belangrijkste grondslagen van de nieuwe partij had te zoeken. Dat was in mijn ogen vooral de verdienste van Feder, dat hij met onverbiddelijke scherpte het karakter van dit beurs- en leningskapitaal had vastgelegd, en zowel de speculatieve kant, alsook de grote invloed, welke dit op de economische toestand van de samenleving uitoefent, duidelijk had aangetoond, terwijl hij anderzijds de vinger legde, op de eeuwige onstilbare honger naar rente. Zijn exposés over alle principiële kwesties waren zo juist, dat degene die met hem van mening verschilden, hun kritiek van het begin af niet zozeer richtten op de meer of minder theoretische juistheid van zijn idee, maar voornamelijk de praktische uitvoerbaarheid ervan betwijfelden. Maar datgene wat in de ogen van anderen een zwak punt van Feders uiteenzettingen was, maakte naar mijn mening juist de kracht daarvan uit. Het is niet de taak van de programmaopsteller om vast te stellen, in hoeverre iets in de praktijk uitvoerbaar is. Hij moet in de eerste plaats de kwestie op zichzelf stellen: hij moet zich meer om het doel dan om de methoden bekommeren.

De taak van de theoreticus

Hierbij is echter de principiële juistheid van een idee het bepalende en zijn de bezwaren, welke aan haar praktische doorvoering zijn gebonden, slechts van zeer gering belang. Op het ogenblik, dat de programmaopsteller tracht, zich niet meer door de absolute waarheid, maar door de zogenaamde "doelmatigheid" en "werkelijkheid" te laten leiden, zal zijn arbeid ophouden een leidende ster voor de zoekende mensheid te zijn, en zal in plaats daarvan tot een alledaags receptje worden. De programmaopsteller van een beweging moet het doel daarvan formuleren - de politicus dient de vervulling daarvan na te streven. Voor de eerste zal dus de eeuwige waarheid het richtsnoer zijn, terwijl de daden van de ander meer door de praktische eisen van het ogenblik worden bepaald. De grootheid van de eerste ligt in de absolute theoretische juistheid van zijn idee; die van de ander in een juiste kijk op de gegeven feiten en een vruchtbare hantering daarvan, waarbij het doel, dat de programmaopsteller heeft geformuleerd, hem tot "leid Ster" moet dienen. Terwijl men de betekenis van een politicus mag afwegen naar de resultaten van zijn plannen en daden - deze dus gezien als de verwerkelijkingen van die plannen - kan het einddoel van de programmaopsteller nooit worden bereikt, omdat het menselijke verstand weliswaar bij machte is om waarheden te doorvoelen, maar de volledige vervulling hiervan door de onvolmaaktheid en ontoereikendheid, die kenmerkend is voor al het menselijke, een schone droom moet blijven. Hoe groter de abstracte juistheid, dus ook hoe geweldiger de idee zal zijn, des te verder zal de volkomen vervulling ervan bij het doel ten achter blijven, voor zover dit van de mens afhankelijk is.

Theoreticus en politicus

Daarom mag ook de betekenis van een programmaopsteller niet aan het bereikte resultaat, maar alleen aan de juistheid van zijn doel worden afgemeten aan de invloed, die dit ideaal op de ontwikkeling van de mensheid heeft gehad. Indien dit niet het geval was, dan zouden de stichters van godsdiensten nimmer tot de grootste mensen op aarde mogen worden gerekend, omdat de vervulling van hun ethische einddoelen immers ook nooit maar ten naastenbij kan worden volbracht. Zelfs de invloed, die van de godsdienst van de liefde uitgaat, is maar een zeer gebrekkige vertolking van de ware bedoeling van haar grote stichter; maar zijn geweldige betekenis ligt juist hierin, dat hij een algemene, culturele, zedelijke en morele ontwikkeling van de mens heeft trachten te geven. Dit buitengewone grote verschil tussen de levenstaak van de programmaopsteller en die van de politicus is ook de reden, waarom men bijna nooit beide functies in een persoon verenigd ziet. Dit laatste geldt wel in het bijzonder voor de zogenaamde "succesvolle" politicus van kleiner formaat, wiens gehele bezigheid meestal inderdaad niets anders is dan een "kunst aan het mogelijke", zoals Bismarck de gehele politiek ietwat bescheiden definieerde. Des te minder zo'n "politicus" zich ophoudt met grote ideeën, des te gemakkelijker, des te sneller zal hij succes hebben, terwijl zulk een leegheid zijn successen ook nog vaak eclatanter doet zijn. Daarmee zijn ze dan echter ook volkomen tot sterflijkheid gedoemd, zoals alles was van deze aarde is, en overleven soms hun vaders niet eens.

Welbeschouwd heeft het werk van zulke politici voor het nageslacht geen betekenis, omdat hun resultaten zo geheel in het heden liggen en immers juist te danken zijn aan het feit, dat hun scheppers zich verre hebben gehouden van alle werkelijk grote en ingrijpende problemen en gedachten, welke als zodanig ook voor latere generaties betekenis hadden gehad. Het streven naar zulk een doel, waarvan nog de verste toekomst nut en profijt zou kunnen trekken, werpt meestal slechts karige vruchten af voor degene, die het verdedigt, en vindt maar zelden waardering bij de grote massa, die het belang van melk- en bierverordeningen veel beter inziet dan dat van grootse toekomstplannen, die eerst later werkelijkheid kunnen worden, maar die eerst aan het nageslacht ten goede zullen kunnen komen. Daarom ook zal - alleen reeds uit hoofde van een zekere ijdelheid, die altijd de zuster van de domheid is - het gros van de politici zich niet wagen aan enig waarlijk moeilijk toekomstplan, om niet de kortstondige sympathie van de grote massa te verspelen.

Het succes en de betekenis van zo'n politicus zijn dan uitsluitend aan het heden gebonden, en zijn voor het nageslacht volkomen van nul en generlei waarde. Voor de lieden van kleiner formaat is dit geen groot bezwaar; zij zijn daarmee wel tevreden. De theoreticus echter verkeert in geheel andere omstandigheden. Zijn betekenis ligt bijna altijd uitsluitend in de toekomst, omdat hij immers niet zelden dat is, wat men met het woord "wereldvreemd" pleegt aan te duiden. Want wanneer van het werk van de politicus gezegd kan worden, dat het de kunst van het mogelijke is, dan is de theoreticus een van diegenen, waarvan het heet, dat ze de goden alleen welgevallig zijn, wanneer ze het onmogelijke eisen en nastreven. Hij zal dan ook bijna nooit door zijn eigen tijdgenoten worden geëerd, maar oogst, wanneer zijn gedachten onsterfelijk zijn, in ruil daarvoor de hulde en bewondering voor het nageslacht. Natuurlijk kan het in lange perioden van de menselijke geschiedenis wel eens een enkele keer voorkomen, dat politicus en theoreticus in een persoon verenigd zijn. Hoe ondeelbaarder in zulk een geval echter de eenheid is, des te groter zal dan ook de remmende werking zijn, welke de politicus ondervindt. Hij werkt nu niet meer voor alledaagse behoeften, waarvan iedere kleine bourgeois dadelijk het nut inziet, maar streeft naar hogere doeleinden, welke slechts enkelen met hem kunnen zien. Daarom is zijn leven dan steeds verscheurd door liefde en haat. Het protest van de mensen van nu, die hem niet begrijpen, kan niet samengaan met de waardering van de toekomstigen, waarvoor hij immers ook werkt. Want hoe groter de werken zijn, welke een mens voor de toekomst verricht, des te minder zal het heden ze weten te waarderen; des te moeilijker zal ook zijn strijd zijn, en des te geringer zijn kansen op persoonlijk succes.

De Marathonlopers van de geschiedenis

Gebeurt het echter toch eens in eeuwen, dat het werk van een groot man nog tijdens zijn leven resultaten afwerpt, dan kan het zijn, dat hem nog in de laatste dagen van zijn leven een flauw schijnsel van zijn komende roem omstraalt. Maar steeds zijn deze groten de "Marathonlopers" van de geschiedenis; de lauweren van het heden raken enkel de slapen van de stervende held. Tot die groten behoren ook de grote strijders op deze wereld, die, zonder door het heden begrepen te zijn, toch voor hun ideeën en idealen willen doorvechten. Zij zijn het, die later eenmaal de grootste invloed zullen hebben op het hart van het volk; het lijkt wel, alsof ieder dan de plicht voelde, om nu goed te maken wat het verleden aan de grote man misdeed. Zijn leven en streven hebben dan de ontroerend dankbare belangstelling van allen, worden door ieder bestudeerd, en weten - vooral in sombere dagen - veel gebroken harten en veel wanhopige zielen weer nieuwe moed te geven. Tot deze groep van grootsten behoren echter niet alleen de waarlijk grote staatslieden, maar ook alle andere grote hervormers. Naast Frederik de Grote staat hier zowel Martin Luther als Richard Wagner. Toen ik de eerste lezing van Gottfried Feder over de "verbreking van de slavenketen van de rente" had aangehoord, wist ik dadelijk, dat hier een theoretische waarheid werd aangeroerd, die van ongelooflijke betekenis voor de toekomst van het Duitse volk zou moeten worden. De scherpe scheidingslijn, die er tussen de belangen van de nationale economie en die van het beurskapitaal liep, stelde ons in de gelegenheid, tegen de "verinternationalisering" van de Duitse economie op te treden, zonder gelijktijdig genoodzaakt te zijn de strijd tegen het gehele kapitaal als zodanig op te nemen, en daardoor de grondslagen van een onafhankelijk volksbestaan aan te tasten.

De ontwikkeling van Duitsland stond mij toen reeds sinds lange tijd zeer scherp omlijnd voor de geest, en daardoor wist ik zeer goed, dat de zwaarste strijd niet meer tegen de vijandelijke volkeren, maar tegen het internationale grootkapitaal geleverd zou moeten worden. In Feders redevoering nu voelde ik een geweldig wapen voor deze komende worsteling. En ook hier weer bewees de latere ontwikkeling, hoe juist destijds reeds ons gevoel was geweest. Heden ten dage worden wij niet meer uitgelachen door de slimmeriken onder onze burgerlijke politici; heden ten dage zien zelfs deze, voor zover ze geen bewuste leugenaars zijn, dat het internationale beurskapitaal niet alleen door zijn stoken de allergrootste schuld draagt aan de oorlog, maar dat het ook thans, nu de strijd is afgelopen, niets ongedaan laat om de vrede in een hel te veranderen. De strijd tegen het internationale grootkapitaal is het allerbelangrijkste programmapunt geworden in de strijd, die het Duitse volk voert voor zijn economische onafhankelijkheid en vrijheid. Wat echter de bezwaren van de z.g. "practici" aangaat, daarop kan het volgende als antwoord worden gegeven: Al die vrees voor de ontzettende gevolgen, welke voor onze economie zouden voortvloeien uit de praktische toepassing van de "verbreking van de ketenen van de renteslavernij" is overbodig; want in de eerste plaats zijn al de andere economische recepten het Duitse volk zeer slecht bekomen, en herinnert de houding, welke men aanneemt tegenover de verschillende vraagstukken die opgelost moeten worden, indien ons volk zich wil kunnen handhaven, ons buitengewoon sterk aan de rapporten, die in vroeger tijden deskundigen van hetzelfde slag over nieuwigheden uitbrachten; zo bijvoorbeeld dat van het Beierse doctorencollege over het vraagstuk, of men al dan niet zou overgaan tot de aanleg van spoorwegen.

Strijd tegen het internationaal grootkapitaal

Van alles, wat deze vroede vergadering vreesde is, zoals bekend, niets uitgekomen: de reizigers, die zich door de kracht van het nieuwe "stoomros" lieten voorttrekken, werden niet duizelig - de toeschouwers werden niet ziek, en van de schuttingen, waardoor men de nieuwe inrichting aan het oog wilde onttrekken, heeft men ook afgezien - alleen de planken voor de hoofden van alle zogenaamde "deskundigen" bleven ook voor het nageslacht bewaard. In de tweede plaats echter dient men het volgende te bedenken: Iedere idee, ook de beste, wordt een gevaar, wanneer ze zich inbeeldt, dat ze doel is, terwijl ze in werkelijkheid slechts een middel ter bereiking van een doel betekent - voor mij echter, en voor alle ware nationaal-socialisten met mij - bestaat er maar een doctrine: volk en vaderland. Het doel, waarvoor wij te strijden hebben, is te zorgen, dat het leven en de vermenigvuldiging van ons ras en ons volk verzekerd zijn, dat er voedsel zal zijn voor onze kinderen, dat hun bloed zuiver zal blijven, en dat het vaderland vrij en onafhankelijk zal zijn, opdat ons volk rijp mag worden om de zending te vervullen, die ook hem door de Schepper van het heelal is toegewezen.

Iedere gedachte en iedere idee, iedere leer en iedere wetenschap moeten aan dit doel dienstbaar zijn. Men moet bij de beoordeling van ieder ding en iedere toestand ook steeds dat doel voor ogen houden, en het, naarmate het in meerdere of mindere mate daaraan dienstbaar is, aanvaarden of verwerpen. Zodoende kan nooit een theorie verstarren tot een dodelijke doctrine, omdat alles immers altijd en overal alleen het leven moet dienen. Daardoor waren de inzichten van Gottfried Feder voor mij aanleiding om dit terrein - dat mij totnogtoe nog slechts weinig bekend was geweest - aan een diepgaande studie te onderwerpen. Ik begon weer te leren en doorzag nu eerst geheel de wil van het levenswerk van de Jood Karl Marx. Nu eerst begreep ik ten volle zijn "Kapitaal", evenals de strijd van de sociaal-democratie, die niets anders wil dan de heerschappij van het waarlijk internationaal grootkapitaal voor te bereiden. Maar nog in een ander opzicht hadden deze cursussen de grootste betekenis voor mijn toekomst.

Officier bij de vorming

Op een dag meldde ik mij voor het debat. Een van de deelnemers meende voor de Joden een lans te moeten breken, en begon hen in lange uiteenzettingen te verdedigen. Dat prikkelde mij, en dwong mij, te antwoorden. Het overgrote deel van de aanwezige leerlingen van de cursus bleek mijns tandpunt te delen. Het gevolg hiervan echter was, dat ik enkele dagen later het bevel kreeg, mij bij een regiment, dat destijds te München lag, te melden, om daar als "officier van de vorming" dienst te doen. De discipline in het leger was destijds nog zeer slap, en had nog steeds te lijden van de nawerkingen van de periode van de soldatenraden. Men kon er niet dan zeer langzaam en voorzichtig toe overgaan om de "vrijwillige" gehoorzaamheid - zoals men de zwijnenstal tijdens Kurt Eisners bewind zo roerend schoon tracht te betitelen - weer te vervangen door de militaire discipline en hiërarchie. En ook moest de soldaat tot nationaal voelen en -denken worden opgevoed. En op deze beide terreinen nu lag mijn nieuwe taak.

Ik begon met ijver en toewijding. Nu zou ik dan toch eindelijk eens de gelegenheid krijgen om voor een groter gehoor te spreken, en wat ik vroeger altijd zuiver intuïtief had verondersteld, bleek nu waar te zijn: ik kon "spreken". Ook mijn stem was reeds zoveel sterker geworden, dat ik tenminste in de kleinere soldatenverblijven tot in de uiterste hoeken behoorlijk verstaanbaar bleef. Geen taak had mij gelukkiger kunnen maken dan deze, want nu was ik in de gelegenheid om nog voor mijn ontslag uit de dienst van nut te zijn aan die instelling, welke mij altijd zeer na aan het hart had gelegen: aan het leger. Ik kon ook zeggen, dat ik succes had. Vele honderden, waarschijnlijk zelfs wel duizenden van mijn kameraden heb ik door mijn lezingen weer tot het vaderland en hun natie teruggebracht. Ik maakte de troep weer nationaal, en kon langs deze weg ook meehelpen om de algemene discipline te verbeteren. Weer leerde ik daarbij een aantal kameraden kennen die net zo dachten als ik, en die later de basis van de nieuwe beweging begonnen te vormen.

Negende Hoofdstuk / De "Deutsche Arbeiterpartei"

Op een dag kreeg ik van een van de boven mij geplaatste instanties bevel, om eens te zien, of ik wat naders te weten kon komen omtrent de "Deutsche Arbeiterpartei", welke eerdaags een vergadering zou beleggen; het was klaarblijkelijk een politieke beweging, en Gottfried Feder zou op deze vergadering ook het woord voeren; ik moest die vergadering bezoeken, de toestand daar eens opnemen en dan rapport uitbrengen. De belangstelling, die het leger destijds had voor de politieke partijen, was maar al te begrijpelijk. De revolutie had de soldaten het recht toegekend om zich met de politiek te bemoeien, waarvan nu natuurlijk de onervarensten het rijkelijkst gebruik maakten. Pas op het ogenblik, dat het "Zentrum" en de sociaal-democratie tot hun diep leedwezen moesten constateren, dat de sympathieën van de soldaten al spoedig de revolutionaire partijen in de steek lieten, en weer de zijde van de nationale beweging en de nationale wederopstanding begonnen te kiezen, zag men zich genoodzaakt om de soldaten het kiesrecht weer te ontnemen en iedere politieke actie te verbieden.

Dat het "Zentrum" en de marxisten deze maatregel namen, was begrijpelijk genoeg, want indien men deze "staatsburgerlijke rechten"- zoals men de politieke emancipatie van de soldaat na de revolutie noemde - niet in deze zin besnoeid had, dan zou de staat reeds enkele jaren later niet meer op de grondslagen van november 1918 hebben gerust, maar dan zou er ook geen verdere nationale ontering en schande mogelijk zijn geweest. Want de soldaten waren destijds reeds hard op weg om de natie van haar bloedzuigers en haar binnenlandse handlangers van de "Entente" te bevrijden. Dat echter ook de z.g. "nationale" partijen vol geestdrift voor die correctie in de opvattingen van de "novembermisdadigers" stemden en zo hielpen om het instrument, dat een nationale wederopstanding tot stand had kunnen brengen, onschadelijk te maken, toonde weer eens overduidelijk, tot welk een waanzin de, steeds strengdoctrinaire, ideeën van deze onnozelsten van aller onnozelen kunnen leiden. Deze bourgeoisie, die werkelijk hevig aan geestelijke ouderdomszwakte leed, geloofde nu in volle ernst, dat het leger weer zou worden wat het was, n.l. een burcht van Duitse weerbaarheid, terwijl het "Zentrum" en de marxisten dat leger enkel zijn gevaarlijke nationale gifttand wilden uittrekken, om dat een leger zonder dat toch altijd slechts politie blijft en geen macht is die tegen de vijand weet te strijden; iets wat de komende dagen wel voldoende hebben bewezen.

Of droomden onze "nationale politici" bijgeval, dat de ontwikkeling van het leger in andere nationale zin had kunnen gebeuren? Dat was inderdaad wel weer echt een idee voor die heerschappen, en dat komt er van, wanneer men in de oorlog in plaats van soldaat, kletser, dus parlementariër is, en er geen flauw vermoeden meer van heeft wat er in het binnenste omgaat van mannen, die steeds weer de stem horen van dat geweldige verleden, toen zij de beste soldaten ter wereld waren. Ik besloot dus om de bovengenoemde partij te gaan bezoeken. Toen ik 's avonds het "Leiberzimmer" in de vroegere "Sterneckerbräu" te München betrad, een zaaltje, dat later historische betekenis voor ons heeft gekregen, vond ik daar een 20-25 personen, grotendeels behorende tot de armste groepen van de bevolking. Feders lezing was mij reeds van de cursussen bekend, zodat ik mijn aandacht geheel wijden kon aan de vereniging zelf. De indruk, welke de partij op mij maakte, was noch goed, noch slecht; een nieuwe partij, zoals er nu eenmaal zoveel waren. Juist in die tijd voelde iedereen zich geroepen om een nieuwe organisatie in het leven te roepen, die niet tevreden was over de huidige gang van zaken en geen vertrouwen meer stelde in de bestaande partijen. Deze verenigingen schoten overal als paddestoelen uit de grond op, om na korte tijd weer met stille trom te verdwijnen. De stichters van die organisaties hadden er meestal geen flauw vermoeden van, hoe men een vereniging tot een partij of zelfs tot een beweging omsmeedt. En daarom gingen deze nieuwe groepjes bijna altijd wel vanzelf te gronde aan hun belachelijke kleinburgerlijkheid.

Toen ik twee uur lang geluisterd had, was mijn oordeel over de "Deutsche Arbeiterpartei", dat ze al in zeer weinig dingen afweek van al haar collega's. Ik was blij, toen Feder eindelijk was uitgesproken. Ik had genoeg gezien, en wilde al weggaan, toen er "vrij debat" werd toegestaan, wat voor mij reden was om nog even te blijven. Maar ook hier scheen niets te gebeuren wat de moeite waard was, tot er plotseling een "professor" aan het woord kwam, die eerst aan de juistheid van Feders principes twijfelde, maar toen - na een zeer juiste repliek van Feder - plotseling over de "praktische werkelijkheid" begon, waarbij hij echter de jonge partij zo dringend mogelijk op het hart drukte, zich toch ook vooral toe te leggen op de "bevrijding" van Beieren van het "Pruisische juk". De man durfde zonder blikken of blozen te beweren, dat het eerste gevolg daarvan zou zijn, dat Duits-Oostenrijk zich bij Beieren zou aansluiten, dat de bepalingen van het vredesverdrag dan ook veel soepeler zouden worden, en meer dergelijke waanzin. Toen moest ik ook wel het woord vragen, om dat hooggeleerd heerschap het mijne te zeggen over dit onderwerp - en dat wel met het gevolg, dat de meneer nog voor ik uitgesproken was, met de kous op de kop het lokaal verliet.

Toen ik sprak, had men met verbaasde gezichten naar mij zitten luisteren, en eerst op het ogenblik, dat ik de vergadering goedenavond wilde zeggen om naar huis te gaan, schoot er nog een man op mij af, stelde zich voor - ik had zijn naam niet eens duidelijk verstaan - drukte mij een klein drukwerkje, kennelijk een politieke brochure, in de hand en verzocht mij dringend, dit toch vooral te willen doorlezen. Dat kwam mij zeer gelegen, want nu had ik reden om te hopen, dat ik die vervelende vereniging misschien op een eenvoudiger wijze zou kunnen leren kennen, dan door nog meer van dergelijke interessante vergaderingen te moeten bezoeken. Overigens had die man, klaarblijkelijk een arbeider, een gunstige indruk op mij gemaakt. Dat waren de gedachten die mij bezig hielden, toen ik wegging. Ik woonde toentertijd nog in de kazerne van het 2e Regiment Infanterie, in een klein kamertje, dat nog zeer duidelijk de sporen van de revolutie vertoonde. Overdag was ik weg, meestal bij het 41e Regiment Jagers, naar een vergadering voor een lezing bij een ander regiment, of om iets anders in die trant uit te voeren. Ik gebruikte dit kwartier alleen 's nachts om er te slapen.

Omdat ik iedere morgen al voor vijf uur wakker was, had ik me als tijdverdrijf aangewend, om voor de muizen, die eveneens in het kamertje verblijf hielden, een paar stukjes overgebleven brood of een paar korsten op de grond te strooien, om dan te liggen kijken, hoe die grappige diertjes om deze lekkernijen heen joegen. Ik had in mijn leven al zoveel nood doorgemaakt, dat ik me de honger en dus ook de blijdschap van die kleine diertjes maar al te goed kon indenken. Ook in de morgen na deze vergadering lag ik om een uur of vijf wakker in mijn kooi en sloeg dat geren en gescharrel gade. Ik kon toch niet meer inslapen, dacht plotseling weer aan de avond te voren en tegelijk aan het drukwerkje, dat die arbeider mij had gegeven. Ik begon het dus te lezen. Het was een kleine brochure, waarin, door diezelfde man van gisteren, beschreven werd, hoe hij uit de frazen-chaos, waaronder de marxisten en de vakverenigingleiders hun onderhorigen begraven, weer tot nationale opvattingen was gekomen; vandaar ook de titel: "Mijn politiek ontwaken". Toen ik er eenmaal mee was begonnen, las ik het brochuretje met veel belangstelling door: daarin werd immers juist zulk een proces geschilderd als ikzelf twaalf jaar vroeger had moeten doormaken. Onwillekeurig zag ik mijn eigen ontwikkeling weer voor me. In de loop van de dag dacht ik nog enige malen over de kwestie na, en had tenslotte zeker geen aandacht meer aan geschonken, wanneer ik niet, minder dan een week nadien, tot mijn grote verbazing een briefkaart ontving met de mededeling, dat ik aangenomen was als lid van de "Deutsche Arbeiterpartei".

Men verzocht mij, om mijnmening dienaangaande kenbaar te maken en om te dien einde aanstaande woensdag de bestuursvergadering van deze partij te willen bijwonen. Ik was over deze manier om leden te winnen meer dan verbaasd, en ik wist niet of ik er om lachen of er me over ergeren moest. Ik was immers in 't geheel niet van plan om me bij een bestaande partij aan te sluiten, maar wilde er zelf een oprichten. Datgene, wat men hier van mij wenste, lag dus wel allerminst in mijn lijn. Ik wilde de heren reeds schriftelijk mijn antwoord doen toekomen, toen mijn nieuwsgierigheid toch de overhand kreeg, en ik besloot, op de aangegeven datum te verschijnen, teneinde mijn beweegredenen mondeling toe te lichten. Het werd woensdag. Het café, waar de bedoelde bijeenkomst plaats zou vinden, was het "Alte Rosenbad" in de Hernstrasse, een zeer armoedige lokaliteit, waar maar eens in de zoveel maanden bij toeval een klant scheen te komen. Wat in het jaar 1919, toen ook de menu's van de grotere hotels nog slechts een zeer karige en zeer weinig aanlokkelijk aanblik boden, geen wonder was. Dit logement was mij echter tot dusverre volkomen onbekend. Ik liep door de slechtverlichte gelagkamer, waar geen mens zat, zocht de deur van de zijkamer, en trof daar de "vergadering" aan.

De "Bestuursvergadering"

Boven de tafel hing een gaslamp, die nog ongeveer half intact was en een schemerig licht verspreidde. Aan die tafel zaten vier jonge mensen, waaronder ook de schrijver van het brochuretje, die mij dadelijk zeer hartelijk begroette en als nieuw lid van de "Deutsche Arbeiterpartei" welkom heette. Ik was nu toch wel min of meer overbluft. Omdat mij werd medegedeeld, dat de "partijvoorzitter" nog kwam, wilde ik ook nog wachten met mijn verklaring. Eindelijk kwam ook deze opdagen. Het was dezelfde, die de vergadering in het "Sterneckerbräu", waar Feder sprak, gepresideerd had. Ondertussen was mijn nieuwsgierigheid weer groter geworden, en ik wachtte op de dingen die komen zouden. De "rijksvoorzitter" van de organisatie was een zekere meneer Harrer; de voorzitter van de afdeling München was Anton Drexler. Nu werden de notulen van de vorige vergadering voorgelezen en hierna nam de vergadering een motie van vertrouwen in het beleid van de secretaris aan. Toen kwam het financiële verslag aan de beurt - de vereniging bleek in totaal de somma van 7 mark 50 te bezitten - en nu nam de vergadering een motie van vertrouwen in het beleid van de penningmeester aan. Ook dit werd door de secreatris op schrift gesteld. Daarna werden de antwoorden voorgelezen, die de voorzitter van de partij had geschreven, en iedereen was het er volkomen mee eens. Nu werd de binnengekomen post behandeld: er waren een brief uit Berlijn, een uit Düsseldorf en een uit Kiel ontvangen; men scheen dit met grote tevredenheid te horen en beschouwde deze omvangrijke correspondentie als het beste en sprekendste bewijs, hoezeer de betekenis van de "Deutsche Arbeiterpartei" groeiende was, en daarna - daarna hield men een lange bespreking over de nieuwe antwoorden, die men hierop zou moeten geven. Het was in een woord: verschrikkelijk!

Dat was toch wel een verenigingsmanie van de ergste soort. En van zo'n club zou ik lied moeten worden? Daarna kwamen de nieuwe lidmaatschapsaanvragen ter sprake, met andere woorden: het feit, dat men mij had gevangen, werd behandeld. Ik begon nu vragen te stellen - maar behalve een formulering van enkele grondbeginselen was er niet aanwezig, geen program, geen strooibiljet, geen velletje bedrukt papier, geen lidmaatschapskaarten, zelfs geen armzalig stempel; alleen kennelijk veel overtuiging en goede wil. Ik vond geen reden meer om te glimlachen, want wat was dit anders dan een sprekend symptoom van de volkomen radeloosheid en het volkomen ongeloof in alle bestaande partijen, in hun programma's, hun plannen en in alles wat zij deden? Datgene wat maakte, dat deze enkele jonge mensen hier bijeenkwamen om dingen te doen, die oppervlakkig bezien enkel bespottelijk waren, was immers niets anders dan die stem in hun binnenste, die hun, zeker veel meer via de intuïtie dan via het bewustzijn, zei, dat de gehele bestaande partijwezen niet kon helpen om de wederopstanding van de Duitse natie en de genezing van de vele innerlijke wonden te bewerkstelligen. Ik las het getypte papier met de eerste grondbeginselen snel door, en voelde daaruit, hoe men meer zocht dan wist. Veel was verward of onduidelijk, ook was het zeer onvolledig, maar toch stond er geen enkel woord in, dat niet getuigde van een eerlijke worsteling om tot inzicht te geraken.

Een definitief besluit

Dat, wat deze mensen voelden, was ook mij bekend: het was dat diepe schrijnende verlangen naar een nieuwe beweging, die meer zou zijn dan een partij, zoals wij totnogtoe steeds hadden gekend. Toen ik die avond weer naar de kazerne ging, was mijn oordeel over deze vereniging reeds gevormd. Ik stond nu voor een vraag, die zeker de moeilijkste was in mijn gehele leven: moest ik me bij deze vereniging aansluiten of niet? Als ik naar mijn verstand te werk ging, dan kon ik niets anders doen dan me afzijdig houden, maar mijn gevoel liet me niet tot rust komen, en telkens wanneer ik trachtte mezelf door de zinledigheid van het gehele gedoe met dit clubje tot een hard "Nee!" te vermannen, dan sprak ook telkens mijn gevoel weer er voor. In de eerstvolgende dagen kon ik geen rust vinden. Ik begon de kwestie van alle zijden te bezien. Het was allang mijn plan geweest, om aan politiek te gaan doen; ik was evenzeer overtuigd, dat dit alleen door middel van een nieuwe beweging kon gebeuren, maar tot dusverre had ik de laatste stoot, die mij tot de daad deed overgaan, nog niet ontvangen.

Ik ben niet een van die mensen, die vandaag met iets beginnen om het morgen weer neer te gooien, en zo mogelijk iets nieuws ter hand nemen. Maar juist dat feit was mede een van de belangrijkste redenen waarom ik zo moeilijk kon besluiten tot zulk een oprichting over te gaan, omdat die immers of alles moest worden, of maar beter helemaal achterwege kon blijven. Ik wist, dat dit voor mij een besluit voor het leven moest worden, en dat ik nooit meer terug zou kunnen. Voor mij was het toen geen tijdelijke liefhebberij, maar bloedige ernst. Ik had reeds altijd een instinctieve afkeer gevoeld van mensen, die met alles beginnen, maar niets weten af te maken. Zulke bemoeiallen mocht ik niet lijden. Naar mijn mening konden deze lieden veel beter niets doen. Het noodlot zelf scheen mij nu een vingerwijzing te geven. Ik zou mij nooit bij een van de bestaande grote partijen hebben aangesloten en zal de reden daarvoor nog nader uiteenzetten. Dit belachelijk klein groepje scheen mij toch dit ene voordeel te bezitten, dat het nog niet tot een "organisatie" verstard was, en dat er hierin nog alle ruimte was voor de enkeling, om zijn activiteit naar eigen inzicht te ontplooien.

Een naamloze

Hier kon men nog werken, en hoe kleiner een beweging was, des te beter zou het mogelijk zijn om haar de juiste vorm te geven. Hier konden de inhoud, het doel en de weg nog volkomen worden bepaald, iets wat bij de bestaande grote partijen uit de aard van de zaak natuurlijk niet het geval was. Hoe meer ik mij in deze kwestie trachtte te verdiepen, des te sterker werd bij mij de overtuiging, dat de wederopstanding van de natie juist alleen door zulk een kleine beweging kon worden voorbereid - en nooit door de parlementaire politieke partijen, die veel te star vasthouden aan allerlei oude begrippen, of die zelfs voordelen plukken van het nieuwe bewind. Want datgene, wat hier moest worden verkondigd, was een nieuwe wereldbeschouwing, en niet een nieuwe verkiezingsleus. Het was wel een heel moeilijk besluit, om dit plan te willen verwerkelijken. En aan welke voorwaarden voldeed ik dan zelf, dat ik meende, zulk een taak op mij te kunnen nemen? Dat ik arm en zonder middelen was, scheen mij nog het minst bezwaarlijke, maar het was veel ernstiger, dat ik nu eenmaal tot de naamlozen behoorde, tot de millioenen die bij toeval leven of sterven, zonder dat ook maar de meest nabij zijnde medemensen zich verwaardigden daarvan kennis te nemen.

Lid nummer zeven

Dan kwam er ook nog het bezwaar bij, dat ik eigenlijk een onvoldoende schoolopleiding achter de rug had. De z.g. "intellectuelen" zien immers toch al altijd met een waarlijk oneindige minachting neer op iedereen, die niet door het vereiste aantal scholen is gesleept, en zich daar de nodige kennis heeft laten instampen. Men vraagt immers nooit: wat kan die man doen? Maar altijd: wat heeft hij geleerd? Voor deze "ontwikkelde mensen" is de grootste leeghoofd, als hij maar genoeg rapporten kan laten zien, meer waard dan de scherpzinnigste jongen, die niet over deze kostbare vodjes papier beschikt. Ik kon me dus gemakkelijk voorstellen, wat de houding van deze "ontwikkelde mensen" tegenover mij zou zijn, en de voorstelling, die ik me daarvan makte, was dan ook enkele in zoverre onjuist, dat ik de mensen destijds voor nog beter hield dan ze helaas in de nuchtere werkelijkheid maar al te dikwijls blijken te zijn. En daardoor komen natuurlijk de weinige uitzonderingen tegen een dergelijke achtergrond des te beter uit. Ik echter leerde door al deze dingen om altijd een scherp onderscheid te maken tussen de eeuwige amateurs en de mensen, die werkelijk iets kunnen. Nadat ik er twee dagen ernstig en moeizaam over had gepiekerd en nagedacht, kwam ik tenslotte tot de overtuiging, dat ik de stap inderdaad moest doen. Dit was het belangrijkste besluit van mijn leven. Een terug kon en mocht er nu niet meer bestaan. Ik gaf mij dus op als lid van de "Deutsche Arbeiterpartei" en kreeg een voorlopig lidmaatschapsbewijs, dat het nummer zeven droeg.

Tiende Hoofdstuk / De oorzaken van de ineenstorting

De weg, welke een vallend lichaam beschrijft, is altijd de afstand tussen het punt, waar het lichaam zich oorspronkelijk bevond en dat, waar het nu is. Datzelfde geldt ook voor volkeren en staten, welker ontwikkeling op enig gebied in dalende lijn is gegaan. Daaruit volgt echter, dat de oorspronkelijke positie - of beter, de oorspronkelijke hoogte - bij het beoordelen van dergelijke gevallen van de allergrootste betekenis is. Alleen datgene, wat zich boven het algemene peil weet te verheffen, kan ook kennelijk diep vallen. En dat maakt de ineenstorting van het Rijk voor ieder, die denkt en voelt, juist zo ontzettend somber en moeilijk te dragen, omdat het Rijk van een zo grote hoogte viel, dat het voor ons, die zo midden in de ellende van de huidige vernedering leven, maar moeilijk voor te stellen is, dat die hoogte werkelijk eens waarheid was. Reeds de stichting van het Rijk scheen de stralenkrans te dragen van een grote historische gebeurtenis, welke de gehele natie doortrilt en verheft. Na een ongeëvenaarde zegetocht ontstaat eindelijk, als loon voor onsterfelijke heldenmoed, voor de zonen en kleinzonen een Rijk.

Of het nu bewust of onbewust was, komt er niet op aan, maar een feit is, dat alle Duitsers het gevoel hadden, dat dit Rijk, dat zijn bestaan niet aan het gekonkel van de een of andere parlementaire fractie te danken had, alleen reeds door de grootsheid van die verheven gebeurtenis, welke zijn stichting geweest was, verre uitstak boven het peil van de andere staten; want de plechtigheid, waarbij de Duitsers volk en vorsten, als hun wil uitspraken, dat er voortaan een Duits Rijk zou bestaan, en dat de keizerskroon als symbool van het Rijk in ere hersteld zou worden, dat grootse moment was niet het gevolg van een snaterende woordenstrijd in een parlement, maar was geboren uit het dreunen en donderen van het front, dat Parijs had omsingeld. En het was niet door sluipmoord ontstaan, dat Rijk, en niet de deserteurs en plichtverzakers waren het, die de staat van Bismarck zijn grondvesten gaven, maar het waren de regimenten van het front. Deze onvergetelijke geboorte en deze doop door vuur alleen al omgaven het Rijk met die vreemde glans van oude historische roem, die alleen zeer oude staten - en dan nog uiterst zeldzaam - ten deel valt.

En welk een opstorm was het, die nu begon. De vrijheid naar buiten zorgde, dat in het binnenland het brood overvloedig werd. De natie werd sterk in tal en rijk aan aardse goederen. Maar voor de eer van de staat en daarmee voor die van het volk, stond wakend en beschermend een leger, dat het duidelijkste blijk was van het verschil tussen dit Rijk en de voormalige Duitse Bond. Zo diep was de val, welke het Rijk en het Duitse volk maakten, dat het wel schijnt alsof alles door een duizeling is overmand, en men ieder gevoel en iedere bezinning heeft verloren; men weet zich nauwelijks meer te herinneren hoe hoog men vroeger heeft gestaan, en als een droom, onwerkelijk, komt ons die vroegere grootheid en heerlijkheid voor. Daaruit is ook alleen te verklaren, dat men maar al te zeer verblind wordt door die grootheid en verhevenheid, en vergeet, om naar vroegere sporen van deze ontzettende ineenstorting te zoeken, die zich toch op de een of andere manier wel moesten hebben vertoond. Natuurlijk spreek ik hier alleen over degenen, die in Duitsland nog iets anders kunnen zien dan enkel een plaats om te wonen, om geld te verdienen en geld op te maken, want voor de anderen is de huidige toestand van het Rijk immers geen ineenstorting maar sinds zo lange tijd zo vurig verlangde vervulling van hun nooit gestilde wensen.

De voortekenen van de ineenstorting

Die voortekenen hadden zich inderdaad vertoond, al waren er maar zeer weinigen, die trachtten uit deze voortekenen enige lering te trekken.. Nu echter is dat nodiger dan ooit. Want men kan een ziekte alleen genezen, wanneer men de oorzaak ervan kent, en diezelfde voorwaarde moet ook worden gesteld voor de genezing van politieke kwalen. Natuurlijk is het veel moeilijker, de diepere oorzaken van een ziekte vast te stellen, dan eenvoudig de uiterlijke verschijnselen te constateren. Dat is immers ook de reden, waarom zovele mensen er al tevreden mee zijn, wanneer ze een bepaalde werking eenvoudig maar hebben geconstateerd en dikwijls kans zien om zulk een uiterlijkheid met de oorzaak te verwisselen, en zelfs nog het liefst helemaal trachten te ontkennen, dat er zoiets als een oorzaak bestaat. Dientengevolge ziet ook heden ten dage het grootste gedeelte van ons volk de ineenstorting van Duitsland voornamelijk in de algemene economische nood en in de gevolgen, welke daaruit voortvloeien. Want die nood is iets, waar bijna ieder persoonlijk mede onder lijdt, en dus is het ook deze nood, welke maakt, dat iedere enkeling zich de ramp bewust wordt. Maar de ineenstorting in politiek, cultureel, zedelijk en moreel opzicht ontgaat de grote massa grotendeels.

Op dit punt schieten bij zeer velen zowel het gevoel alsook het verstand te kort. Dat de grote massa zulke opvattingen kan huldigen, is nog tot daaraan toe, maar dat ook grote groepen van de "intellectuelen" de ineenstorting hoofdzakelijk als een "economische catastrofe" zien, en dientengevolge een verbetering van de toestand ook in de economie menen te moeten zoeken, is mede een van de oorzaken, waarom totnogtoe iedere poging om tot herstel te komen, ten enenmale moest mislukken. Pas wanneer men begrijpt, dat ook hier de economie eerst in de tweede of derde plaats komt, terwijl de politieke situatie, de zedelijkheid, de moraal en de bloedzuiverheid van veel groter en verstrekkender betekenis zijn, zal men de oorzaken van de huidige ellendige toestand kunnen zien en zal daardoor ook de middelen en methoden weten te vinden, welke het herstel kunnen bewerkstelligen. Maar ook, wanneer men zo het verleden doorzoekt, dient men wel zeer er voor te waken, dat men niet uit de aard van de zaak evidente verschijnselen niet met de meer verborgen oorzaken verwisselt.

De oorzaak van het debacle

De gemakkelijkste verklaring voor onze huidige toestand - welke daarom natuurlijk ook het meest verbreid is - is de mening, dat dit alles slechts een gevolg van de verloren oorlog was, m.a.w. dat deze oorlog dus de oorzaak van onze ellende zou zijn. Mogelijk zijn er velen, die werkelijk te goeder trouw geloven aan zulk een waanzinnige bewering, maar er zijn er nog meer, voor wie zulk een motivering niets anders kan zijn dan een leugen en een bewuste onwaarheid. Dat laatste kan op het ogenblik worden gezegd van allen, die van de staatsruif vreten. Want het waren immers juist de paladijnen van de revolutie, dat de goede of slechte afloop van de oorlog voor de grote massa niet het minste verschil zou maken. Zij hebben immers juist zo stellig mogelijk verzekerd, dat hoogstens de "grootkapitalist" er de vruchten van zou plukken, wanneer Duitsland zegevierend uit deze worsteling der volkeren tevoorschijn kwam, maar dat zulk een overwinning voor het Duitse volk als zodanig onmogelijk iets zou kunnen betekenen, en voor de Duitse arbeider "natuurlijk nog veel minder". En zelfs hadden deze apostelen van de wereldverbroedering durven prediken, dat integendeel een Duitse nederlaag alleen het "militarisme" zou vernietigen, maar dat het Duitse volk daardoor een schitterende opstanding zou beleven. Men prees in deze kringen immers de goedheid van de "Entente", en schoof de gehele schuld voor de bloedige strijd op Duitsland. En zou men ooit een bewering hebben durven en hebben kunnen uiten, wanneer men niet voortijd had verklaard, dat ook een militaire nederlaag geen belangrijke gevolgen zou hebben voor de natie?

Was het soms niet waar, dat als een rode draad door deze gehele revolutie de leugenfraze liep, dat zij, de revolutie, weliswaar de schuld droeg van het feit, dat de Duitse wapens niet de overwinning konden behalen, maar dat daardoor juist het Duitse volk eerst waarlijk omhoog zou streven naar zijn innerlijke en uiterlijke vrijheid? Of was dit bijgeval niet waar, heren lafaards en leugenaars? Er is toch wel een waarlijk Joodse onbeschaamdheid voor nodig om nu de schuld van de ineenstorting op rekening van de militaire nederlaag te schrijven, terwijl het centrale orgaan van alle landverraders, de Berlijnse "Vorwärts", toch durfde te laten drukken, dat het Duitse volk ditmaal niet zegevierend uit de strijd zou mogen komen. En nu moet deze nederlaag toch opeens als de reden van onze ineenstorting dienst doen. Het zou natuurlijk volkomen zinloos zijn om een woordenwisseling met zulke vergeetachtige leugenaars te beginnen en ik zou er daarom ook in het geheel geen woorden aan vuil maken, wanneer deze onzin niet door zovele volkomen gedachteloze mensen werd nagesnaterd, zonder dat daar slechtheid of bewuste onwaarheid meespreken.

Verder is het ook de bedoeling van deze uiteenzetting, om wapens te zijn in de handen van al die mannen, die strijden, opdat hun volk weer ziende zal worden; wapens, welke zij wel zeer nodig hebben in een tijd, dat men dikwijls het ongesproken woord reeds in de mond van de spreker weet te verdraaien. Op de bewering, dat de oorzaak van de Duitse ineenstorting gelegen is in de verloren oorlog, kan het volgende worden geantwoord: Inderdaad was het feit, dat wij deze oorlog verloren, van ontzettende betekenis voor de toekomst van ons vaderland, maar deze nederlaag is geen oorzaak, maar is zelfs slechts een gevolg van diepere oorzaken. Natuurlijk zag iedereen, die niet blind of van kwade wil was, zeer goed in, dat een ongunstig einde van deze strijd op leven en dood tot zeer funeste gevolgen zou moeten leiden. Maar helaas waren er ook individuen, die dit inzicht op het juiste ogenblik schenen te missen, of, tegen beter weten in, toch eerst deze waarheid bestreden en loochenden. Dat waren grotendeels dezelfde lieden, die, toen hun geheime wens eenmaal in vervulling was gegaan, plotseling, maar rijkelijk laat, het ware wezen van de catastrofe, welke mede door hun schuld ontstaan was, doorzagen.

Maar zij zijn het, die schuldig zijn aan de ineenstorting, en niet de verloren oorlog, zoals het hun nu plotseling past, te zeggen en te weten. Want die nederlaag was immers enkel het gevolg van hun streven en niet, zoals zij nu willen beweren, het gevolg van de "slechte" leiding. Ook de vijand bestond niet uit lafaards, ook hij wist te sterven, maar zijn getalsterkte was van de eerste dag af groter dan die van het Duitse leger, en alle arsenalen ter wereld voorzagen in zijn behoeften op technisch gebied; zo kan ook het feit, dat de overwinningen, die de Duitsers vier jaar lang tegen de hele wereld wist te behalen, ondanks alle heldenmoed en "organisatie", toch hoofdzakelijk aan de kwaliteit van de leiding te danken was, onmogelijk worden geloochend. De organisatie en de leiding van het Duitse leger waren het formidabelste, dat de aarde nog ooit had aanschouwd. Haar gebreken lagen daarin, dat het nu eenmaal mensen waren, die dit wonderwerk bouwden, en dat alles, wat van de mens is, uit dien hoofde het merk van de onvolmaaktheid draagt. Dat dit leger ineenstortte, was niet de oorzaak van onze huidige ellende, maar was enkel het gevolg van vroegere fouten en misdaden, een gevolg, dat echter zelf weer het begin moest worden van een dieper en ditmaal veel kennelijker verval. De juistheid van deze stelling wordt door het volgende bewezen: Is het onvermijdelijk dat een militaire nederlaag een natie en een staat zo volkomen in de afgrond stort als hier gebeurde? Sinds wanneer leidt een oorlog, die slecht afloopt, tot zulk een resultaat? Kunnen volkeren dan volkomen ten onder gaan aan verloren oorlogen zonder meer? Het antwoord hierop kan zeer kort zijn: Altijd dan, wanneer een militaire nederlaag voor een volk het loon betekent voor zijn luiheid, lafheid en karakterloosheid, kortom voor zijn onwaardigheid, dan is zoiets inderdaad mogelijk. Is dit echter niet het geval, dan wordt een militaire nederlaag eerder een stimulans voor een komende sterkere opbloei, dan tot de grafzerk voor zijn bestaan als volk.

Wie zijn schuldig?

De geschiedenis levert oneindig vele bewijzen voor de juistheid van deze stelling. De militaire nederlaag, welke het Duitse volk leed, was helaas geen onverdiende catastrofe, maar een verdiende afstraffing van de eeuwige gerechtigheid. Wij hebben de nederlaag inderdaad ten volle verdiend. Zij is enkel het grootste en meest evidente uiterlijke blijk van ons verval temidden van zeer vele andere, minder diepere, waarvan de zichtbaarheid minder groot was, waardoor men er misschien geen acht op had geslagen, of waardoor men ze, met de algemeen geliefde struisvogelpolitiek, maar liever niet had willen zien. Laat men toch enkel eens in ogenschouw nemen, op welke wijze het Duitse volk de nederlaag aanvaardde, of beter nog, welke bij-omstandigheden zich hierbij vertoonden. Hadden niet grote groepen van de bevolking op de aller onbeschaamdste wijze hun mening, bijna hun vreugde, geuit over de slagen, welke het vaderland troffen?! Wie is echter tot zulk een vreugde in staat, wanneer hij niet inderdaad zulk een straf verdient? En ging men zelfs niet nog verder, en beroemde er zich op, dat men het front eigenlijk tot wijken had weten te brengen? En dat deed niet de vijand, nee, nee, zulk een schande laadden Duitsers op hun hoofd. En kwam daar het ongeluk soms onverdiend?

En sinds wanneer haalt men het dan ook nog in zijn hoofd, om zichzelf bovendien nog de schuld aan de oorlog toe te schuiven? En dat dan nog tegen beter inzicht en beter weten in?! Nee, en nogmaals nee: de manier, waarop het Duitse volk zijn nederlaag aanvaarde, wees er overduidelijk op, dat de ware oorzaak van ons debacle op een geheel ander gebied gezocht moest worden dan in het zuiver militaire feit, dat wij enkele stellingen verloren hadden of dat een offensief mislukt was; want indien inderdaad het front als zodanig in gebreke zou zijn gebleven, en indien het vaderland werkelijk hierdoor in het ongeluk zou zijn gestort, dan zou het Duitse volk de nederlaag geheel anders hebben opgevat. Dan zou men al de rampen, die nu ons volk kwamen teisteren, met opeengeklemde tanden hebben verdragen, of ze overweldigd door smart hebben beweend; dan zouden de harten vol zijn geweest van toorn en woede tegen de vijand, die door de boosaardigheid van het toeval of door de wil van het noodlot tot overwinnar was geworden; dan zou de natie - als eenmaal de senaat van Rome - de geslagen divisies tegemoet zijn gegaan, en zou haar de dank van het vaderland hebben gebracht voor alle gebrachte offers, en het verzoek om niet te willen wanhopen aan het Rijk.

"Iedere derde Duitser een verrader"

Zelfs de capitulatie zou alleen in die zin zijn ondertekend, terwijl het hart reeds vervuld was geweest met de hoop op de komende opstanding. Zo zou een nederlaag zijn opgevat, welke alleen aan het noodlot te wijten was geweest. Dan zou men niet hebben gelachen en gedanst, zou zich niet op zijn lafheid hebben beroemd en zou de nederlaag niet hebben verheerlijkt, men zou de strijdende troepen niet hebben gehoond en hun vlag en hun kokarde niet door de modder hebben gesleurd, maar dan zou het vooral niet tot dat ontzettende feit zijn gekomen, wat een Engels officier, kolonel Repington, deed zeggen: "Bij de Duitsers is iedere derde een verrader!" Nee, deze pest zou dan nimmer dergelijke ontzettende afmetingen hebben kunnen aannemen als nu gebeurde, en had ook niet, zoals deze laatste vijf jaar moesten zien, het allerlaatste greintje respect, dat de rest van de wereld nog voor ons mocht hebben gevoeld, kunnen vernietigen. Hieraan kan men het duidelijkst zien, hoe uiterst leugenachtig de bewering was, als zou de verloren oorlog de oorzaak zijn geweest van de Duitse ineenstorting. Nee, dit militaire debacle was zelf weer enkel het gevolg van een gehele reeks ziekteverschijnselen en -oorzaken, die reeds in vredestijd de Duitse natie hadden geteisterd. Dit was het eerste catastrofale, algemeen zichtbare uitvloeisel van een zedelijke en morele vergiftiging, van een verzwakking van de wil tot voortbestaan, en van de voorwaarden hiertoe, die reeds sinds vele jaren de fundamenten van het volk en het rijk ondergroeven.

Morele ontwapening van de gevaarlijke aanklager

Maar er was werkelijk de gehele grenzenloze leugenachtigheid van het Jodendom en van zijn marxistische strijdorganisatie voor nodig, om de schuld aan de ineenstorting nu juist te schuiven op de schouders van de man, die geheel alleen met bovenmenselijke wilskracht en energie al het mogelijke had gedaan om de catastrofe te voorkomen, en de natie zulk een tijd van de diepste schande en vernedering te besparen. Door te verklaren, dat Ludendorff de schuld droeg aan de nederlaag, nam men de enige gevaarlijke aanklager, die bij machte zou zijn geweest om tegen de verraders van het vaderland op te staan, het wapen van het morele recht uit handen. Men ging daarbij van het zeer juiste principe uit, dat de grootte van een leugen altijd een zekere invloed uitoefent op haar geloofwaardigheid, omdat de grote massa van een volk in de grond van haar hart eerder bedorven dan bewust en opzettelijk slecht kan zijn, en dus, door de primitiviteit en simpelheid van haar gemoed eerder in een grote dan in een kleine leugen kan geloven, omdat ze zelf immers wel eens een kleine leugen vertelt, maar zich toch voor te grote leugens al te zeer zou schamen. Zulk een onwaarheid zou zij zich eenvoudig niet kunnen voorstellen, en ze zal ook niet kunnen geloven, dat een ander over de nodige brutaliteit beschikt om zulk een allerinfaamste verdraaiing van de werkelijkheid voor waarheid te kunnen verhalen, en ze zal, zelfs wanneer men haar dienaangaande de juiste toedracht van zaken zegt, nog lang twijfelen en aarzelen, en de ene of andere van de oorspronkelijk opgegeven oorzaken toch altijd nog wel voor waar blijven aanvaarden; daarom dan ook, dat van de brutaalste leugen altijd wel iets overblijft - een feit, waarmee alle leugenkunstenaars en leugenverenigingen op aarde maar al te goed bekend zijn, en dat ze daarom ook op gemene wijze uitbuiten.

Degenen echter, die deze waarheid over de mogelijkheden en onwaarheid en laster te benutten door alle tijden het beste kenden, waren de Joden; hun gehele bestaan is immers reeds gebaseerd op een grote leugen, namelijk op die, dat zij een godsdienstige gemeenschap zouden vormen, terwijl ze een ras - en wat voor een ras - zijn. Een van de grootste geesten van de mensheid heeft hen eens als zodanig voor altijd getekend met een zin, waarvan de fundamentele waarde voor eeuwig vaststaat; hij noemde ze: "de grootste meesters van de leugen". Wie de juistheid hiervan niet inziet of niet wil geloven, zal nooit capabel zijn om op deze wereld de waarheid in de goede richting voort te helpen. oor het Duitse volk echter mag men het bijna als een groot geluk beschouwen dat de periode, gedurende welke het aan deze sluipende ziekte moest lijden, werd bekort door die plotselinge en zo verschrikkelijke catastrofe, want anders was de natie wel langzamer, maar daardoor slechts te zekerder te gronde gegaan. De ziekte was dan in een chronische toestand overgegaan, terwijl ze in de acute vorm van de ineenstorting tenminste aan een groot deel van ons volk zichtbaar werd. Het was geen toeval, dat de mens de pest gemakkelijker overwon dan de tuberculose. De ene komt met verschrikkelijke stormen van dood, welke de mensheid geheel verwarren en ontwortelen - de ander sluipt langzaam nader; de ene bezorgt hem een verschrikkelijke angst, de ander maakt hem langzamerhand onverschillig. Het gevolg daarvan was echter, dat hij tegen de ene met al de kracht en onverbiddelijkheid van zijn energie optrad, terwijl hij de tering met halve middelen trachtte te overwinnen. Daardoor versloeg hij de pest, terwijl de tuberculose nu hemzelf beheerst.

Catastrofe wenselijker dan sluipende ziekte

Met ziekten van het volkslichaam is het precies net zo gesteld. Wanneer ze niet zodanig optreden, dat er onmiddellijk rampen uit voortvloeien, dan begint de mens er langzamerhand aan te wennen, en gaat tenslotte - al kan het ook later zijn maar daarom te zekerder - daaraan te gronde. Dan moet het als een geluk - al is het dan een zeer wrang soort - worden beschouwd, wanneer het noodlot besluit om in dit langzame rottingsproces in te grijpen, door plotseling de ogen van degene die door deze ziekte is aangetast, te openen voor het einde, dat hem op deze wijze zeker wacht. Want dat is meer dan eens het gevolg van zulk een catastrofe. Zij kan dan gemakkelijk de oorzaak zijn, dat het herstel nu met alle beschikbare energie wordt nagestreefd. Maar ook in zulk een geval is toch weer de eerste voorwaarde, dat men de diepere reden ziet, welke de ziekte-in-kwestie veroorzaakten. Het belangrijkste blijft ook hier de kunst, om de oorzaken te onderscheiden van de teweeggebrachte toestanden. Dit onderscheid zal des te moeilijker gemaakt worden, naarmate de gifstoffen zich langer in het lichaam van het volk bevinden en naarmate ze daarvan reeds meer en meer een schijnbaar natuurlijk onderdeel zijn gaan uitmaken. Want het kan zeer gemakkelijk voorkomen, dat men na een bepaalde tijd een absoluut schadelijk gif voor een bestanddeel van het eigen volk aanziet - of toch op zijn best als noodzakelijk kwaad duldt, zodat men het in 't geheel niet meer nodig acht om naar de vreemde verwekker van de ziekte te gaan zoeken.

Duitslands verval voor de oorlog

Zo waren er dus in de lange vrede voor 1914 zeer zeker wel bepaalde schadelijke uitingen aan het licht gekomen, en ook als zodanig geïdentificeerd, hoewel men zich praktisch in het geheel niet bekommerde om de verwekkers hiervan, afgezien dan van enkele zeer zeldzame gevallen. En die zeldzame gevallen waren ook hier weer voornamelijk die verschijnselen, welke zich op economisch gebied voordeden, en welke daarom sterker tot iedere enkeling spraken dan de misstanden op zovele andere gebieden. Er waren vele tekenen van verval, welke tot ernstig nadenken hadden moeten prikkelen. Over de economische zijde van de kwestie zou het volgende opgemerkt kunnen worden: Door de buitengewoon snelle stijging, die het Duitse bevolkingscijfer voor de oorlog te zien gaf, kwam het vraagstuk, hoe men aan het nodige brood moest komen, steeds meer in het brandpunt van het gehele economische en politieke denken te staan. Helaas kon men niet besluiten om de enig juiste weg te bewandelen, maar meende, dat men het doel ook op gemakkelijker en goedkopere wijze zou kunnen bereiken. Dat men van de verwerving van nieuwe grond afzag, en het liever zocht in het waandenkbeeld van een economische-verovering-van-de-wereld, was iets, wat tenslotte wel tot een even grenzeloze als schadelijke industrialisatie moest leiden.

Het eerste zeer belangrijke gevolg van deze maatregel was de direct hieruit voortvloeiende verzwakking van de boerenstand. En naarmate deze achteruitgang, groeide de massa van het "grotestadsproletariaat" steeds meer, tot het evenwicht tenslotte volkomen verbroken was. Nu vertoonde zich ook dat scherpe verschil tussen arm en rijk in steeds schrillere kleuren. Overvloed en ellende bestonden zo vlak naast elkaar, dat het tot zeer betreurenswaardige gevolgen kon en moest geven. De nood en de grote werkeloosheid begonnen hun spel te spelen met de mensen en lieten als herinnering overal ontevredenheid en verbittering achter. Het gevolg hiervan scheen te moeten zijn, dat het volk politiek in klassen werd verdeeld. En daardoor werd de ontevredenheid steeds groter en dieper, al maakte het land economisch ook nog zo'n bloeiperiode door; het kwam zelfs zover, dat men algemeen de overtuiging was toegedaan, "dat het zo niet langer ging", maar zonder dat de mensen zich een scherp omlijnde voorstelling maakten van dat, wat dan deze verkeerde toestanden moest komen aflossen, en trouwens ook niet in staat waren zich daar een beeld van te vormen. Het waren de typische symptomen van een algemene ontevredenheid, welke op deze wijze een uitweg zochten. Maar dit concentreren van alle krachten van de natie op het economische had nog erger gevolgen dan alleen de zojuist genoemde. Naarmate de economie meer en meer uitgroeide tot heerseres in de staat, werd het geld tot God, waaraan alles onderworpen was, en waarvoor ieder zich te buigen had. Meer en meer werden de goden des hemels als verouderd en voorbij beschouwd, en daarom van hun voetstukken gehaald; en in hun plaats werd de afgod Mammon alleen nog vereerd en aanbeden.

Nu begon een waarlijk zeer ernstige verwording, die daarom ook te ernstiger was, omdat ergens in de nabije toekomst het kritieke ogenblik moest liggen te wachten, waarop rekenschap afgelegd moest worden, en omdat dan een algemene, heroïsche levenshouding nodigers zou zijn dan ooit. Duitsland moest er op rekenen, dat het spoedig een dag zou beleven, waarop het zijn poging om door "vreedzame economische strijd" het dagelijks brood te veroveren, met het zwaard zou moeten verdedigen. De overheersende positie van de economie werd helaas ook gesanctioneerd door een instantie, die daartegen meer dan wie ook in verzet had moeten komen. Zijne Majesteit de Keizer deed een weinig gelukkige greep, toen hij het jonge grootkapitaal in de adelskringen opnam. Men kon hem echter deze blindheid niet al te zwaar aanrekenen, omdat immers zelfs Bismarck het gevaar, dat hier dreigde, niet had gezien. Maar hierdoor was praktisch het geld van groter gewicht geworden dan de ideële deugden, want het behoeft geen betoog, dat dit systeem er in korte tijd toe moest leiden, dat de nieuwe adel van het geld de oude adel van het zwaard zou verdringen. Het is nu eenmaal veel gemakkelijker om een financiële operatie te doen slagen, dan om een veldslag te winnen. Natuurlijk was het ook een weinig aanlokkelijk vooruitzicht voor de werkelijke held, of de grote staatsman, om in een adem te worden genoemd met de eerste de beste bankjood: een waarlijk verdienstelijk man kon moeilijk prijs stellen op onderscheidingen waarmee zo gestrooid werd, en sloeg dan ook met de verschuldigde eerbied het aangeboden lintje af.

De heerschappij van het geld

Maar ook zuiver van het standpunt van het bloed bezien, was een dergelijke ontwikkeling diep treurig: de adel verloor steeds meer die uiterst belangrijke voorwaarde voor zijn bestaan: zijn raszuiverheid, en verdiende voor een groot deel eerder de naam "imitatie-adel". Een ernstig symptoom van het economische verval was, at langzamerhand het persoonlijk eigendom steeds meer op de achtergrond trad en geleidelijk aan het gehele economische leven in handen van naamloze vennootschappen begon te komen. Want daardoor was de arbeid pas waarlijk gedaald tot een speculatieobject voor gewetenloze sjacheraars; de werknemer zelf echter werd door deze ontwikkeling op waarlijk ongelooflijke wijze en in steeds toenemende mate onteigend. De beurs begon de zege te behalen, en maakte zich gereed om langzaam maar zeker het gehele leven van de natie onder haar controle en curatele te stellen. De internationalisering van het Duitse economische leven was reeds voor de oorlog, door middel van het aandelensysteem, begonnen. Wel trachtte een gedeelte van de Duitse industrie, met alle wil en kracht, om aan dit lot te ontkomen, maar ook dit deel moest tenslotte het hoofd buigen voor de aanval van het totale, uitgehongerde grootkapitaal, dat haar, vooral met behulp van zijn trouwste bondgenoot, de marxistische beweging, te lijf ging.

Internationalisering via het aandelensysteem

De Duitse "zware industrie" was kennelijk het begin van de internationalisering van het Duitse economische leven, een van de einddoelen van het marxisme, hetwelk echter eerst door haar overwinning bij de revolutie volkomen kon worden doorgevoerd. Op het ogenblik dat ik dit schrijf, heeft eindelijk ook de algemene aanval op de Duitse Spoorwegen succes gehad, waardoor ook deze in handen van het internationale grootkapitaal zullen overgaan. De internationale sociaal-democratie heeft weer eens van haar hoogste doelen bereikt. Hoever het met deze blindheid ook alle andere dan economische belangen al is gekomen, blijkt wel het duidelijkste uit het feit, dat eindelijk na de oorlog een van de meest prominente figuren van de Duitse industrie, die een nog grotere rol speelt in de handel, in staat was om als zijn mening te verkondigen, dat Duitsland alleen nog te redden was door een volkomen sanering van zijn economie. En een dergelijke waanzin werd uitgekraamd op een ogenblik, dat Frankrijk zijn gehele onderwijs weer op humanistische grondslagen ging baseren, om de onjuiste mening, als zouden natie en staat hun voortbestaan aan economische omstandigheden en niet aan ideële waarden te danken hebben, met alle kracht te bestrijden. De bewering, die een man als Stinnes destijds durfde te laten horen, stichtte ongelofelijke verwarring; zij werd onmiddellijk aangegrepen en werd nu met verbazingwekkende snelheid tot leidend beginsel van al de kwakzalvers en beunhazen, die het noodlot sinds de revolutie als "staatslieden" op Duitsland had losgelaten.

Halfslachtigheid: gebrek in de opvoeding

Een van de meest nadelige wijzen, waarop het verval zich uitte, was de halfslachtigheid en laksheid, die zich in steeds sterker mate van dit Duitsland van voor de oorlog meester maakten. Zij is steeds het gevolg van eigen onzekerheid en ook van lafheid, welke op haar beurt eveneens weer mede uit deze onzekerheid voortkomt. En deze ziekte werd door de opvoedingsmethode, welke wij er op na hielden, nog steeds verder verbreid. De Duitse pedagogie had voor de oorlog een uitermate groot aantal gebreken. Zij was, zeer eenzijdig, alleen op het aankweken van een zo groot mogelijke hoeveelheid abstracte "wetenschap" ingesteld, en legde er zich in veel mindere mate op toe, om deze jonge mensen ook voor de praktijk waardevol te maken. Aan de karaktervorming van ieder kind individueel - voorzover het dan mogelijk was hieraan iets te kunnen doen - werd nog minder aandacht besteed, het verantwoordelijkheidsbesef werd ook slechts in uiterst geringe mate aangekweekt, terwijl de wil en de vastberadenheid volkomen buiten beschouwing bleven. En degenen, die uit deze school voortkwamen, waren waarlijk niet de sterke mensen die ons volk nodig had, maar waren die inschikkelijke en buigzame "veelweters", waar wij immers voor de oorlog zo algemeen voor werden aangezien en waarop ook steeds iedere bepaling van onze waarde als volk was gebaseerd. Men had veel met de Duitser op, omdat hij zo goed te gebruiken was, maar men had weinig respect voor hem, omdat hij over zo weinig wilskracht beschikte.

Het was geen toeval, dat juist hij het was, die van alle volkeren het gemakkelijkst zijn nationaliteit en zijn vaderland verloor. Het schone spreekwoord: "Met de hoed in de hand, komt men door het hele land", zegt alles. Maar die Duitse opvoeding had bijna noodlottige gevolgen, toen ze ook nog de enig juiste wijze vaststelde, waarop men zich tegenover de monarch mocht gedragen. Dit systeem eiste, dat men nooit tegensprak, maar integendeel letterlijk altijd alles, wat Zijne Majesteit zich verwaardigde te wensen, juist noemde en goedkeurde. En juist hier was de waardigheid van de vrije man zo een onmisbaar goed, omdat de monarchie anders eenmaal aan deze kruiperij te gronde zou moeten gaan; want dit was kruiperij en niets meer. Alleen kruipers en flemers, of in een woord: de gehele decadentie, die zich te allen tijde in de schaduw van de hoogste troon beter op zijn gemakje gevoeld heeft dan de mensen die in de eerste plaats eerlijk en fatsoenlijk waren, alleen dat slag van lieden kan dit gekruip beschouwen als de "enige methode" om zich tegenover gekroonde hoofden te "gedragen".

Doodgravers van de monarchie

Deze "alleronderdanigste" schepsels hebben echter wel - hoe groot hun ootmoed voor hun heer en broodgever ook moge zijn - steeds blijk gegeven, dat ze tegenover de rest van de mensheid met de grootste onbeschaamdheid wisten op te treden, vooral wanneer ze zich met een stalen gezicht als de enig ware "Koningsgezinden" tegenover het resterende uitvaagsel wilden laten gelden; voorwaar een onbeschaamdheid, waartoe enkel zulk een, al dan niet geadelde, spoelworm in staat is. Want in werkelijkheid zijn deze lieden nog altijd de doodgravers van de monarchie, en speciaal van de monarchistische idee geweest. En dit is ook niet anders denkbaar, want een man, die waarlijk bereid is voor een bepaalde zaak in te staan, zal nooit een karakterloos kruiper en sluiper zijn, kan dit trouwens ook niet. Ieder, die werkelijk in ernst wil streven naar de handhaving en de roei van enige institutie, zal met iedere vezel van zijn hart aan haar gehecht zijn, en zal het eenvoudig niet kunnen verdragen, wanneer zich enige fout in haar vertoont. Hij zal dan echter die fout niet alom luidkeels gaan verkondigen, zoals de democratische "vrienden" van de monarchie deden, maar zal wel al zijn invloed aanwenden, om Zijne Majesteit, de drager van de kroon zelf, zo nadrukkelijk mogelijk te waarschuwen en in de juiste richting te stuwen. Hij zal zich daarbij niet op het standpunt stellen, dat het Zijne Majesteit dan toch nog vrij zou staan, om naar eigen wil en inzicht te handelen, wanneer dit kennelijk tot een ramp moet en zal leiden, maar hij zal integendeel in zulk een geval de plicht voelen, om de monarchie tegen de monarch in bescherming te nemen, en dat wel tot elke prijs.

De monarchistische idee

Wanneer inderdaad de waarde van deze instelling afhankelijk zou zijn van de toevallige persoonlijkheid van de monarch, dan zou dit de slechtste institutie zijn, die men zich maar denken kan; want de monarchen zijn niet dan uiterst zeldzaam waarlijk die toonbeelden van wijsheid en verstand of ook maar van karakter, zoals men ze ons mar al te graag pleegt te schilderen. Dat is iets, wat alleen die beroepskruipers en - sluipers geloven; maar alle rechtschapen mensen - en dat zijn toch tenslotte nog altijd de meest waardevolle voor de staat - zullen het beneden hun waardigheid achten, om zulk een waanzinnige stellig te verdedigen. Voor hen is nu eenmaal de geschiedenis geschiedenis, en de waarheid waarheid, ook wanneer het om monarchen gaat. Nee, het geluk, dat zijn grote monarch tegelijkertijd als mens groot is, is een geluk, dat maar zo uiterst zelden aan een volk ten deel valt, dat het zich al gelukkig mag prijzen, wanneer het lot tenminste niet het allerongunstigste geval over zijn hoofd heeft doen komen. Hieruit volgt dus, dat de waarde en de betekenis van de monarchistische idee onmogelijk in de persoon van de monarch zelf kan liggen, uitgezonderd dan in incidentele gevallen, wanneer de hemel het besluit neemt om een geniale held als Frederik de Grote, of een wijze man van het karakter als Wilhelm I de kroon op het hoofd te zetten.

Dit gebeurd eenmaal in eeuwen en maar uiterst zelden vaker. In alle andere gevallen echter is de idee van veel groter belang dan de persoonlijkheid, doordat nu de zin van deze instelling uitsluitend in de institutie als zodanig moet liggen. Daardoor echter komt de monarch zelf ook in een geheel ander licht te staan, en blijkt hij voor alles de plicht te hebben om te dienen. Ook hij is immers niets anders meer dan een raadje in het grote uurwerk, en heeft als zodanig zijn plicht tegenover dat geheel te vervullen. Ook zijn belang moet steeds ondergeschikt zijn aan dat van het hogere doel, en ieder, die de drager van de kroon laat handelen, zonder alles te doen wat in zijn macht licht om dat te verhinderen, heeft niet meer recht zich "koningsgezind" te noemen. Indien immers de zin van deze institutie niet in de idee, maar absoluut en uitsluitend in de "geheiligde" persoonlijkheid lag, dan zou men immers niet eens mogen overgaan tot de afzetting van een kennelijk geestesziek vorst. Het is noodzakelijk, dit nu reeds vast te leggen, omdat immers juist in de laatste tijd steeds in talrijker mate de figuren weer uit het donker opduiken, die niet in de laatste plaats door hun miserabel gedrag de verantwoording voor de ineenstorting van de monarchie hebben te dragen. Met een zekere naïeve schaamteloosheid spreken deze lieden nu weer steeds over "hun koning" - een koning, die ze echter nog voor luttele jaren op het kritieke ogenblik op de aller ellendigste wijze in de steek hebben gelaten - en beginnen iedereen, die niet bereid is om met hun leugenachtige lofzangen in te stemmen, voor een slechte Duitser uit te maken.

De "strijders" voor de monarchie

En in werkelijkheid zijn dit toch precies dezelfde lafaards, die in het jaar 1918 voor iedere rode band-om-de-arm uiteenstoven, opsprongen en wegsnelden, die hun koning maar lieten voor wat hij was, de hellebaard zo schielijk mogelijk voor een wandelstok verwisselden, en als vreedzame "burgers" volkomen spoorloos in de massa verdwenen. Met een slag waren ze destijds verdwenen, die onwankelbare getrouwen van de Koning, en eerst nadat de revolutionaire storm door het werk van anderen weer in zoverre tot bedaren was gekomen, dat ze hun "Leve de Koning, hoera!" weer konden laten schallen, eerst toen begonnen deze "dienaren en raadgevers" van de Kroon voorzichtigjes weer uit hun schuilhoeken tevoorschijn te komen. Maar nu zijn ze allemaal alweer boven water gekomen, en loensen vol verlangen naar de vleespotten van Egypte terug; zij zijn bijna niet te houden van koningsgezindheid en dadendrang, natuurlijk tot er op een goede dag zich weer eens hier of daar een rood dasje zal vertonen, en het hele stelletje profiteurs van de oude monarchie opnieuw als muizen voor de kat in zijn schuilhoeken verdwijnt!

Wanneer de monarchen niet zelf de schuld droegen aan deze dingen, dan kon men hen alleen van ganser harte beklagen over de verdedigers, die hun zaak hadden gevonden. Ze mogen er echter in ieder geval van doordrongen zijn, dat men door ridders van zulk kaliber wel tronen kan verliezen, maar nooit een kroon veroveren. Deze devote houding was een structurele fout van onze gehele opvoeding, die zich echter op dit punt wel op zeer gevoelige wijze wreekte. Want zij was de schuld, dat deze miserabele figuren aan alle hoven ter wereld konden standhouden, en zo de grondslagen van de monarchie langzamerhand ondergraven. Toen het gehele bouwwerk tenslotte begon te wankelen, waren ze plotseling als van de aarde verdwenen. Allicht! Kruipers en stroopsmeerders lieten zich niet doodslaan voor de heer die zij dienden. Dat de monarchen nooit met dit feit bekend zijn, en bijna, als was het een principe van hun kant, ook nooit in staat blijken dit te leren, is reeds van oudsher funest voor hen geweest.

De laffe angst voor verantwoordelijkheid

Een ander uitvloeisel van dat verkeerde opvoedingssysteem was de laffe angst voor iedere verantwoordelijkheid, en de daaruit voortkomende zwakte, welke men zelfs ten aanzien van vitale kwestie aan de dag legde. De diepste oorzaak van deze pest ligt echter voor een zeer groot deel bij het parlement, waar deze onverantwoordelijkheid bijna volkomen zuiver wordt aangekweekt. Helaas ging de ziekte langzaam aan echter ook op geheel het verdere leven over, en wel in de sterkste mate op die gebieden, welke met de leiding van de staat in direct verband stonden. Men begon algemeen iedere verantwoordelijkheid te vermijden, en trof daarom liefst halfslachtige en onvoldoende maatregelen, omdat immers juist in zulke gevallen de verantwoordelijkheid steeds tot het minimum schijnt te zijn teruggebracht. Men moet de houding van iedere regering afzonderlijk tegenover een reeks van bepaald schadelijke verschijnselen in ons openbare leven maar eens hebben gadegeslagen om in te zien, welk een ramp deze algemene halfslachtigheid en lafheid tegenover iedere verantwoordelijkheid voor ons volk betekent. Ik kies hier slechts enkele gevallen uit een overweldigende menigte voorbeelden:

Drie groepen krantenlezers

Vooral in journalistenkringen betitelt men de pers graag als een van de "grootmachten in de staat". Zij is ook van de allergrootste betekenis. Men kan haar eenvoudig niet overschatten; zij is het immers, die naar waarheid de opvoeding van de mensen, die boven de schoolplichtige leeftijd zijn gekomen, voortzet. Men kan haar lezers over het algemeen in drie groepen verdelen: ten eerste, degenen, die alles geloven, wat ze lezen; ten tweede, degenen, die helemaal niets meer geloven; ten derde, de mensen met hersens, die het gelezene kritisch beschouwen en daarna hun oordeel vellen. Numeriek is de eerste groep verreweg in de meerderheid. Hiertoe behoort de grote massa van het volk, en dit is dus het minst begaafde deel van de natie. Men kan haar echter niet vinden, door maar bepaalde beroepen aan te wijzen, doch alleen door het vaststellen van de meerdere of mindere intelligentie van ieder individueel. Tot deze groep behoren allen, die niet van nature begaafd zijn met een zelfstandig denkvermogen, en evenmin daartoe zijn opgevoed, en die nu gedeeltelijk uit gebrek aan kritiek, gedeeltelijk uit geestelijke impotentie alles maar geloven, wat men hen zwart op wit gedrukt voorlegt.

Verder valt hier ook nog die groep van luiaards onder, die wel in staat zijn zelf te denken, maar die eenvoudig uit zuiver geestelijke inertie maar alles dankbaar aannemen, wat een ander al heeft bedacht, in de bescheiden veronderstelling, dat die ander zeker wel de nodige moeite zal hebben gedaan. Op dat soort mensen nu, die samen de grote massa vormen, zal de invloed van de pers buitengewoon groot zijn. Zij zijn niet in staat, of niet bereid, om het gebeurde zelf kritisch te onderzoeken, zodat hun mening ten opzichte van alle kwesties-van-de-dag bijna uitsluitend een gevolg is van beïnvloeding van buitenaf. Dit kan natuurlijk gunstig zijn, wanneer de voorlichting van ernstige en waarheidlievende zijde komt, maar evenzeer moet het tot een ramp leiden, wanneer schoften en leugenaars dit werk ter hand nemen. De tweede groep is numeriek reeds aanzienlijk kleiner. Zij bestaat ten dele uit elementen, die aanvankelijk tot de eerste groep behoorden, en nu na vele bittere teleurstellingen in het tegendeel zijn omgeslagen en nu niets meer geloven van alles, wat hun maar in druk onder ogen komt.

Ze haten iedere krant, en lezen die of in het geheel niet, of ergeren zich steevast aan de inhoud, welke huns inziens immers toch enkel uit leugen en onwaarheid is samengesteld. Deze mensen zijn zeer moeilijk te behandelen, omdat ze ook tegenover de waarheid steeds zeer sceptisch zullen staan. Daardoor kunnen ze voor geen enkele vorm van opbouwende arbeid enige betekenis hebben. De derde groep tenslotte is verreweg de kleinste. Tot haar behoren alle werkelijk begaafde mensen, die door natuurlijke aanleg en opvoeding zelfstandig hebben leren denken, die zich over alles wat we lezen een eigen oordeel trachten te vormen en het nog eens zelf geheel nagaan, en er ook de consequenties uit trekken. Zij zullen geen krant inzien, zonder dat hun hersens voortdurend actief het gelezene volgen, en de schrijver heeft hier geen gemakkelijke taak. De liefde van de journalisten voor deze categorie van lezers is dan ook maar zeer betrekkelijk. Voor hen, die tot de derde groep behoren, is de onzin die een krant bijeen kan kletsen, inderdaad van ieder gevaar en iedere betekenis ontbloot. Ze hebben er zich toch in de loop van hun leven al aan gewend, om principieel in iedere journalist een boef te zien, die enkel zo van tijd tot tijd ter vermaak eens de waarheid spreekt. Helaas ligt echter het gewicht van deze prachtmensen niet in hun aantal, maar in hun intellect - en dat is een ramp in een tijd, waar de wijsheid niets en de meerderheid alles betekent. Tegenwoordig beslist het stembiljet van de grote massa, en daarom is ook de grootste groep de belangrijkste en de toonaangevende; deze groep is die van de lichtgelovigen en de armen van geest.

Staat en pers

Het is een staats- en volksbelang van de eerste grootte, om te verhinderen, dat deze mensen in de handen van slechte, onwetende of kwaadwillige opvoeders komen. De staat heeft daarom de plicht, om steeds een wakend oog te houden op de opvoeding van deze lieden, en er voor te waken, dat hier niets verkeerd gebeurt. Hij moet daarbij vooral de pers scherp onder zijn controle houden; want dit is wel het orgaan, dat de sterksteen diepste invloed op deze massa van onwetenden uitoefent, omdat het ook niet van tijd tot tijd, maar constant werkt. Juist omdat het onderricht van de pers steeds meer met dezelfde aandrang en in eeuwigdurende herhaling aan het volk wordt gegeven, is het van zo buitengewoon grote betekenis. De staat mag daarom in dit geval minder dan in enig ander vergeten, dat alle middelen aan een doel dienstbaar moeten zijn; hij mag zich nooit door het gegoochel met die zogenaamde "persvrijheid" van de wijs laten brengen, of laten bepraten om zijn plicht te verzuimen en om de natie het voedsel te onthouden, dat zij nodig heeft en dat haar versterkt; hij moet met onverbiddelijke vastberadenheid dit middel tot opvoeding van het volk in handen nemen en het in dienst van de natie en van de staat stellen. Maar van welke aard was het geestelijk voedsel, dat de Duitse Pers van voor de oorlog haar lezers voorzette? Was het niet het ergste gif, dat men zich maar bedenken kan? Gaf men ons volk niet injecties met het allerergste pacifisme, op een ogenblik, dat de gehele wereld reeds opstond om Duitsland langzaam maar zeker te worgen?

Had deze pers niet reeds in vredestijd de twijfel aan het recht van de eigen staat in de gedachten van een volk geplant, om het zo reeds van te voren in de keuze van zijn verdedigingsmiddelen te beperken? Was het niet de Duitse pers, die haar kans zag, om ons volk de waanzin van de "Westerse democratie" zolang op zo duidelijke wijze voor te houden, dat dit tenslotte, onder de indruk van al die geestdriftige lofzangen, meende dat het zijn lot inderdaad onbekommerd aan een Volkenbond kon toevertrouwen? Heeft die pers soms niet in belangrijke mate meegeholpen om ons volk tot een miserabele amoraliteit op te voeden? Heeft zij niet moraal en zeden belachelijk gemaakt? Heeft ze niet iedere moraal en iedere zedenleer voor achterlijkheden en kleinburgerlijkheden uitgemaakt, net zolang tot ons volk tenslotte inderdaad "modern" werd? Heeft ze niet door haar onophoudelijke aanvallen zolang de grondvesten van het staatsgezag ondergraven, tot een enkele stoot voldoende was om dit gebouw te laten instorten? Heeft zij zich niet met alle middelen verzet tegen iedere poging om de staat te geven, wat des staats is; heeft ze niet door onophoudelijke kritiek de positie van het leger verzwakt, de algemene diensplicht gesaboteerd, en aangezet om de militaire kredieten niet toe te staan, enz., zodat de gevolgen tenslotte niet meer konden uitblijven?

De activiteit van de z.g. liberale pers deed niets anders dan een graf graven voor het Duitse volk en het Duitse Rijk. De marxistische leugenkranten kan men hierbij gevoeglijk buiten beschouwing laten; voor hen is het liegen een even onoverwinnelijke eigenschap als het muizen voor de kat; het is immers hun taak, om het volk in volks- en nationaal opzicht de ruggengraat te breken, om het rijp te maken voor het juk van het internationale kapitalisme, en van zijn meesters, de Joden. Maar wat heeft de staat gedaan tegen deze massale volksvergiftiging? Niets, absoluut en helemaal niets. Een paar belachelijke wetjes, een paar straffen op al te grote gemeenheden, maar overigens niets. Men hoopte echter, dat men door wat vleierijtjes, door de "waarde" van de pers te erkennen, alsmede haar "grote betekenis", haar "opvoedkundige taak" en meer soortgelijke waanzin, deze pest op zijn hand zou krijgen. De Joden echter aanvaardden dit alles met een sluw lachje, bedankten, en lachten heimelijk in hun vuistje. De eigenlijke reden echter, dat de pers hier op zo smadelijke wijze in gebreke bleef, was niet zozeer gelegen in een blindheid voor het grote gevaar, als wel in een allerschandelijkste lafheid, welke weer leidde tot halfslachtigheid in iedere maatregel en ieder besluit. Niemand bezat de moed om ingrijpende, radicale middelen te benutten, maar men kwakzalverde hier als overal met wat huismiddeltjes, en in plaats van de adder meteen de kop te verpletteren, prikkelde men hem nog - waardoor dus tenslotte niet alleen alles bij het oude bleef, maar waardoor integendeel de macht van de bestrijden lichamen van jaar tot jaar groeide.

De tactiek van de Joodse pers

De strijd, welke de Duitse regering van die jaren voerde tegen de, voornamelijk Joodse, pers, miste iedere vastheid van lijn en iedere dragende vaste wil, maar vooral ieder scherpomlijnd doel. Hier schoten de hersens van alles wat Geheimrat was ten enenmale tekort, zowel waar het inzicht in de betekenis van de strijd, alsook waar het de keuze van de middelen en het uitstippelen van een vast systeem betrof. Men dokterde maar wat aan het geval, nu hier, dan daar, maar het bleef lapwerk, want ook al sloot men wel eens, wanneer men al te venijnig gebeten werd, zo'n journalistieke adder voor een paar weken of maanden op, men waagde zich maar liever niet aan het slangennest zelf. Nu was dit echter ook wel ten dele het gevolg van de grenzeloos sluwe tactiek van het Jodendom enerzijds, en van de grote domheid of onnozelheid aan de andere zijde, welke waarlijk een geheimrat waardig was. De jood was veel te geslepen, dan dat hij zijn gehele pers ineens had laten vallen. Nee, een gedeelte ervan had tot taak, om de rest te dekken. Terwijl de marxistische kranten op de gemeenste wijze van leer trokken tegen alles wat mensen maar heilig kon zijn, en zo staat als regering op de minderwaardigste manier aanvielen, en grote delen van het volk tegen elkaar opzetten, wisten de burgerlijk-democratische Jodenbladen zich met de stralenkrans van die roemruchte objectiviteit te sieren, meden zorgvuldig alle krachttermen, omdat ze maar al te goed wisten, dat leeghoofden nooit anders dan naar de buitenkant weten te oordelen, en nooit bij machte zijn om de diepere dingen te zien, zodat voor hen het uiterlijk van een feit bepalend is, en niet de inhoud; een menselijke zwakte, waaraan zij ook hun eigen positie te danken hebben.

De "fatsoenlijke" pers

Van deze mensen nu was en is de "Frankfurter Zeitung" wel het summum van fatsoenlijkheid. Zij immers gebruikt nooit een ruwe uitdrukking, veroordeelt ieder handtastelijk optreden, en doet steeds weer een beroep op allen, om toch vooral de strijd met de "wapens van de geest" te beslechten - een strijd, die merkwaardigerwijze juist de armsten van geest het liefste is. Dat is het gevolg van onze eenzijdige opvoeding, die het natuurlijke instinct in de mensen doodt en hun een zekere hoeveelheid abstracte kennis instampt, maar zonder hen tot het inzicht van "des levens" diepste kernen te kunnen brengen, omdat hiervoor immers ijver en goede wil alleen niet voldoende zijn, maar ook begrijpen, en wel aangeboren, instinctief begrijpen, vereist wordt. Dit inzicht in de diepste kernen is echter steeds het aanvoelen van de motieven van de instincten - m.a.w. een mens mag nooit in de waanzinnige mening vervallen, dat hij zelf nu werkelijk tot heer en meester van de natuur zou zijn geworden - de man, die het ongeluk heeft, half ontwikkeld te zijn, is spoedig geneigd, dat te geloven - maar hij moet de fundamentele noodzakelijkheid in de gehele werking van de natuur inzien, en ook begrijpen hoezeer zijn bestaan afhankelijk is van deze wetten, welke de eeuwige strijd en het ononderbroken streven om hoger te komen, voorschrijven.

Dan zal hij voelen, dat in een wereld waar planeten hun banen om zonnen beschrijven, waar manen om planeten cirkelen, waar altijd de sterkere de zwakkere overwint, en hem tot dienen dwingt of hem breekt, dat in zulk een wereld voor de mens geen uitzonderingswetten kunnen gelden. Ook in zijn leven beslissen de eeuwige beginselen van deze hoogste wijsheid. Hij kan trachten om ze te begrijpen, maar hij kan zich nooit van hun invloed bevrijden. Maar de Jood geeft zijn zogenaamde "kranten van standing" juist voor onze half-intellectuelen uit. De "Frankfurter Zeitung" en het "Berliner Tageblatt" zijn juist voor deze lieden gefabriceerd; ook de toon ervan is op hen afgestemd, en op hen oefenen deze bladen hun invloed uit. Hoewel ze uiterlijk ruwe vormen zo zorgvuldig mogelijk vermijden, gieten ze toch hun gif wel langs andere kanalen en de harten van hun lezers. Met en stortvloed van schone klanken en uitdrukkingen weten ze de waakzaamheid van hun lezers in slaap te sussen, en het geloof te wekken, alsof hun daden enkel door de drang naar het brengen van zuivere wetenschap, of zelfs door morele beweegredenen werden ingegeven, terwijl het in werkelijkheid niets anders is dan de even sluwe als geniale kunst, om de tegenstander op deze wijze ieder mogelijk wapen tegen de pers uit handen te slaan.

Want juist doordat deze overlopen van fatsoen, gelooft ieder leeghoofd grif hun bewering, dat het bij die anderen slechts enkele onbelangrijke uitwassen zijn, die echter in geen geval tot een aantasting van de vrijheid van drukpers - zoals men dit waanzinnige recht, om het volk straffeloos voor te liegen en te vergiftigen, gelieft te noemen - zo mogen leiden. Daarom treedt men maar liever niet tegen deze bandietentroep op, omdat men immers vreest, dat men in zulk een geval ook dadelijk de "fatsoenlijke" pers tegen zich zou hebben; een vrees die volkomen gegrond is. Want zo gauw men tracht, tegen een van deze schendbladen op te treden, zullen onmiddellijk alle andere voor het blad-in-kwestie in de bres springen, en dat dan niet om de strijdwijze van deze collega goed te praten, nee, verre van daar - dan gaat het alleen nog om het beginsel va de persvrijheid, de openbare mening; dit alleen wil men verdedigen. Maar dit geschreeuw maakt ook de sterkste mannen zwak, omdat het immers uit de mond van louter "fatsoenlijke" bladen komt. Zo kon dit gif zondermoeite in het bloed van ons volk doordringen en daar zijn invloed uitoefenen, zonder dat de staat genoeg was om de ziekte te overwinnen.

De bespottelijke en onvoldoende middelen, welke men aanwendde, getuigden reeds van het dreigende verval van het Rijk. Want een lichaam, dat niet meer bereid is zichzelf met alle middelen te beschermen, heeft daarmee feitelijk zichzelf reeds opgegeven. Iedere halfslachtige maatregel is een symptoom van het innerlijke verval, waarop vroeger of later het uiterlijke moet en zal volgen. Ik geloof, dat de huidige jonge generatie, wanneer ze op juiste wijze geleid wordt, eerder dan de ouderen bij machte zullen blijken, om deze vijand te verslaan. Deze jeugd heeft ettelijke dingen doorgemaakt, welke de zenuwen van ieder. Die ze er niet volkomen bij verloor, ietwat hebben weten te stalen. En ongetwijfeld zal de Jood ook in de toekomst al zijn kranten een luid gegil laten aanheffen, wanneer zijn lievelingsnest zal worden aangepakt, aan de waanzinnige vrijbuiterij van de pers een einde maakt, en men ook dit opvoedingsmiddel, in plaats van het in handen van volksvreemden en vijanden van het volk te laten, in dienst van de staat zal hebben gesteld - maar ik geloof, dat dit ons minder zal raken dan het eens onze vaders deed. Want een dertig-centimeter-granaat siste altijd nog dreigender dan duizend Joodse krantenadders. Laat ze dus maar sissen!

De Syfilis

Een ander voorbeeld van de halfslachtigheid en zwakte , waarvan de autoriteiten van het Duitsland van voor de oorlog blijk gaven, wanneer het om de meest vitale belangen van de natie ging, is het volgende: Reeds vele jaren woekerde er, parallel aan de politieke, zedelijke en morele verpesting van ons volk, een lichamelijke vergiftiging, welke de gezondheid op niet minder afschuwelijke wijze aantastte dan de andere het de geest deden. De syfilis begon zich, voorla in grote steden, steeds meer uit te breiden, terwijl de tuberculose in het zelfde tempo door het gehele land haar lijken strooide. En alhoewel beide gevallen ontzettende gevolgen hadden voor de natie, had men niet de moed, om ingrijpende maatregelen daartegen te treffen. Vooral de houding, welke de leiding van staat en volk tegenover de syfilis innamen, kan men al moeilijk anders noemen dan openbare capitulatie. Indien men in ernst de strijd had willen aanbinden, dan had er nog wel het een en ander meer moeten gebeuren dan wat men nu deed. Tegen zulk een pest helpt het maar weinig, of men een twijfelachtig geneesmiddel uitvindt, en dat op een wijze, die van veel koopmanschap getuigt, aan de man brengt. Ook hier had de strijd zich alleen tegen de oorzaken moeten richten, en niet tegen de uiterlijke verschijnselen.

Verwaarlozing van de natuurlijke huwelijksvoorwaarden

De belangrijkste oorzaak is echter deze: dat wij onze liefde hebben geprostitueerd. Ook wanneer dit niet tot deze ontzettende ziekte had geleid, had het toch nog de meest funeste gevolgen voor ons volk moeten hebben, want de morele verwoestingen, welke deze ontaarding met zich brengt, zijn op zichzelf al groot genoeg om een geheel volk langzaam maar zekere te gronde te richten. De verjoodsing van ons zielenleven, en die ellendige wijze, waarop wij onze paringsdrift aan de Mammon verpandden, zullen, vroeger, of later, onze totale nakomelingschap bederven, want het zullen geen krachtige kinderen meer zijn, die uit een natuurlijk gevoel zijn ontstaan, doch de miserabele producten van fanatieke motieven en overwegingen. Want dit wordt meer en meer de basis en de eerste voorwaarde van onze huwelijken. De liefde echter wordt elders uitgeleefd. Een tijdlang kan men hier vanzelfsprekend ongestraft de natuurwetten met voeten treden, maar de wraak van de natuur blijft niet uit, en zal alleen wat later optreden - of beter: zal door de mens vaak te laat worden herkend. Welke funeste gevolgen echter uit een voortdurende verachting voor de natuurwetten voortkomen, kan men goed zien aan onze adel. Hier ziet men de resultaten van een voortplanting, welke enerzijds door reden van stand - anderzijds door financiële redenen bepaald werd.

Het ene leidt tot algemene verzwakking, het andere tot bloedvergiftiging, omdat ieder warenhuisjodin waardig wordt geacht om de nakomelingschap van Zijne Doorluchtigheid - die er dan ook wel naar uitziet - aan te vullen. Beide gevallen leiden tot volkomen degeneratie. Onze bourgeoisie doet tegenwoordig haar best om dezelfde weg op te gaan, en zal zeker bij hetzelfde punt eindigen. Men tracht met onverschilligheid en haast aan de onaangename feiten voorbij te gaan, alsof men door een zodanig optreden de dingen zelf ongedaan kon maken. Nee, het feit, dat het liefdeleven van onze grotestadsbevolking meer en meer geprostitueerd wordt, en juist daardoor in sterkere mate ten prooi valt aan die ontzettende ziekte, de syfilis, is eenvoudig niet te loochenen, het is nu eenmaal zo. De meest sprekende resultaten van deze mensenvergiftiging kan men enerzijds in de krankzinnigen gestichten, anderzijds onder - onze kinderen vinden. Want deze laatste vooral zijn de rampzalige slachtoffers van de steeds verdergaande verpesting van ons seksuele leven; in de ziekte van de kinderen komen de fouten van de ouders tot uiting.

Er zijn verschillende manieren om deze onaangename, verschrikkelijke feiten op te vatten: een deel van de mensen ziet niets, of, beter gezegd, wil niets zien; dit is de goedkoopste "houding", die men kan aannemen. Een ander deel hult zich in de heilige mantel van een even belachelijke als onwaarachtige preutsheid, behandelt het gehele gebied nooit anders dan als de "grootste zonde", en legt vooral tegenover iedere betrapte zondaar prompt getuigenis af van zijn hartgrondige verontwaardiging, en sluit dan verder vol godvruchtige afkeer de ogen voor deze goddeloze pest, en bid tot God, dat Hij - zo mogelijk na hun dood - toch zwavel en pek over dit gehele Sodom en Gomorra mag uitstorten, om zodoende weer eens een stichtelijk voorbeeld te stellen voor de schaamteloze mensheid.. Nog een ander deel tenslotte ziet de verschrikkelijke gevolgen, die deze pest met zich mee moet en met zich mee zal slepen, zeer wel in, maar haalt slechts zijn schouders op, overtuigd als het is, dat er toch in 't geheel niets tegen dit grote gevaar is te beginnen, zodat men de dingen maar op hun beloop moet laten.

Nu is dit allemaal wel heel simpel en gemakkelijk, maar men mag toch nooit uit het oog verliezen, dat hier een natie het slachtoffer wordt. De uitvlucht "dat het bij andere volkeren immers even erg is", kan natuurlijk ook aan het feit van de eigen ondergang praktisch niets afdoen, tenzij dan enkel het gevoel, broeders-in-de-nood te hebben, voor velen de eigen smart al dragelijk zou maken. Maar juist dan gaat het erom, welk volk uit zichzelf, als eerste en enige bij machte is, deze pest te overwinnen, en welke naties daaraan te gronde gaan. Want dat is tenslotte de kwestie waar het om gaat. Ook dit is enkel een toetssteen voor de waarde van het ras - het ras, dat de proef niet doorstaat, zal dan moeten ondergaan, en zijn plaats moeten afstaan aan gezondere of taaiere en over meer wilskracht beschikkenden. Want omdat deze kwestie in de eerste plaats het nageslacht aangaat, is ze een van de vraagstukken, waarvan met ontzettende juistheid geschreven staat, dat de zonden van de vaderen tot in het tiende geslacht aan de kinderen gewroken zullen worden - een waarheid, welke enkel voor zonden aan bloed en aan ras begaan, opgaat. De zonde tegen bloed en ras is de erfzonde van deze wereld en vernietigt de mensheid die zich aan haar overgeeft.

Hoe miserabel was de houding, welke het Duitsland van voor de oorlog juist tegenover dit nieuwe vraagstuk innam! Wat deed men om de verpesting van onze jeugd in de grote steden tegen te gaan? Wat, om het bederf van ons liefdeleven te bestrijden, en om de steeds sterkere banden, die het aan de geldzucht verbonden, los te snijden? Wat om het daaruit voortvloeiende, steeds stijgende cijfer van de syfilisziekte te laten dalen? Het antwoordt op deze vragen kan men het gemakkelijkst geven, door eerst vast te stellen, wat er had moeten gebeuren. Om te beginnen mocht men deze kwestie niet te licht opvatten, maar diende te begrijpen, dat het geluk of het ongeluk van komende generaties nu zou afhangen van de wijze, waarop men dit vraagstuk oploste, ja, dat het van beslissende betekenis voor de gehele toekomst van ons volk zou kunnen, en misschien zelfs zou moeten zijn. Wanneer men dit inzag, dan nam men daarmee automatisch de verplichting op zich om onverbiddelijk op te treden en in te grijpen. Men diende dan uit te gaan van de overtuiging, dat in de eerste plaats de aandacht van de gehele natie op dit ontzettende gevaar moest worden geconcentreerd, en dat ieder de betekenis van deze strijd en haar draagwijdte tot zich moest laten doordringen.

Inbreuk op de wetten van bloed en ras

Men kan waarlijk ingrijpende maatregelen, die soms zeer moeilijk te verdragen kunnen zijn, alleen dan vrucht laten dragen, wanneer men aan iedere volksgenoot niet alleen die dwang oplegt, maar hem daarnaast diep doordringt van de noodzakelijkheid van die maatregelen. Daartoe is een geweldige voorlichtingscampagne nodig, waarbij men alle andere kwesties van-de-dag, die anders zouden kunnen afleiden, opzij moet schuiven. "Altijd, wanneer het er om gaat een schijnbaar onvervulbare eis of taak te vervullen, dient men zorg te dragen, dat de totale aandacht van een volk alleen en uitsluitend op deze ene kwestie wordt geconcentreerd, zo alsof van de vervulling van deze taak inderdaad het bestaan van de natie onmiddellijk afhankelijk was". Want alleen zo kan men een volk bereid en sterk genoeg maken om waarlijk grote prestaties te verrichten en zich waarlijk grote inspanningen te getroosten. Dat is een principe, dat ook geldt voor iedere enkeling, die grote dingen wil bereiken. Ook hij zal hiertoe trapsgewijze dienen op te klimmen, en zal dan ook steeds al zijn krachten dienen in te spannen, om zulk een bepaald begrensd doel te bereiken, totdat dit eindelijk een feit is geworden, en hij zich op een nieuwe, hogere taak kan werpen. Wie de weg, die hij te gaan heeft, niet in zulke etappen indeelt, en deze dan niet systematisch met de grootst mogelijke concentratie van alle krachten tracht af te leggen, zal nooit zijn einddoel weten te bereiken, maar zal ergens onderweg, of misschien zelfs terzijde van de weg, blijven steken.

Strijd tegen de syfilis als primaire taak

Dit moeizaam benaderen van het doel is een grote kunst, die iedere keer opnieuw de inzet van alle beschikbare energie vereist, om de weg zo stap voor stap te kunnen afleggen. De allereerste voorwaarde, waaraan voor een aanval op zulk een zware etappe van de levensweg van de mens moet worden voldaan, is wel deze, dat de leiding er in slaagt om de grote massa van het volk juist dat voorlopige doel, dat men zich nu voor ogen heeft gesteld, of beter, dat men nu wil veroveren, voor te stellen als het enige, dat de aandacht van de mensheid waardig is, en het enig bepalende voor de toekomst van het volk. Het gros van het volk is toch niet bij machte, de gehele weg te overzien, zonder moe te worden, en te wanhopen aan de vervulbaarheid van zo'n taak. Het zal een bepaald gedeelte van het doel voor ogen kunnen houden, maar zal niet dan uiterst kleine etappen van de weg tegelijk kunnen overzien, zoals ook de wandelaar, die eveneens wel het doel van zijn tocht weet en kent, toch die eindeloze weg gemakkelijker aflegt, wanneer hij die in stukken verdeelt, en op ieder voorlopig doel afmarcheert, alsof dat reeds het verlangde einddoel zelf was. Nu komt hij, zonder dat hij de moed verliest, toch vooruit!

Strijd tegen de prostitutie

Daarom had men nu alle propagandamiddelen moeten inzetten om de strijd tegen de syfilis als de enige belangrijke taak van de natie voor te stellen, en niet als een taak onder vele. Men had daarom juist de verwoestingen, die zij aanricht, als de grootst mogelijke rampen moeten voorstellen en deze idee met alle middelen in hersens en geheugen van de mensen moeten stampen, tot de gehele natie overtuigd was, dat van deze kwestie alles, letterlijk alles afhing, dat het hier ging om toekomst of ondergang. Eerst door zo'n voorbereiding, die zo nodig jaren moet duren, zal de belangstelling en tegelijk de wil van geheel een volk zozeer zijn gemobiliseerd, dat men ook zeer moeilijke en drukkende maatregelen zal kunnen treffen, zonder gevaar te lopen, dat men niet begrepen zal worden, of plotseling door de wil van de natie in de steek wordt gelaten. Want om deze pest met werkelijk effectieve wapens te bestrijden, zijn geweldige offers en is ook zeer zware arbeid nodig. De strijd tegen syfilis vereist de strijd tegen de prostitutie, tegen vooroordelen en oude gewoonten, tegen vastgeroeste begrippen en algemeen gehuldigde meningen, en ook, niet in de laatste plaats, tegen de onwaarachtige preutsheid van bepaalde kringen.

Wanneer men enkel moreel gerechtigd wil zijn, om tegen deze dingen te strijden, is het een eerste vereiste, dat men de komende generaties in staat stelt om vroeg te trouwen. Het late huwelijk op zichzelf brengt al de noodzaak mee, om een toestand te blijven handhaven, die - hoe men het ook keert of wendt - een schande voor de mensheid is en blijft, en die wel heel slecht past bij een schepsel, dat anders graag, vol bescheidenheid, voor het "evenbeeld Gods" wil doorgaan. De prostitutie is een schande voor de mensheid, maar zij is door schone moraliserende lezingen en vrome goede bedoelingen niet te vernietigen. Om haar te beperken en tenslotte een einde aan te maken, moeten eisen worden gesteld. De eerste van deze eisen echter is en blijft, dat er voor wordt gezorgd, dat men - en vooral de man, omdat de vrouw immers toch in ieder geval de meest passieve partij is - in staat wordt gesteld om vroeg te trouwen, zoals dat immers ook in de menselijke natuur ligt. Hoe verdwaasd, en hoe begriploos de meeste mensen tegenwoordig al zijn geworden, kan men afleiden uit de manier, waarop men niet zelden moeders uit de "betere" kringen hoort zeggen, "dat ze zo dankbaar zouden zijn, voor hun kind een man te vinden, die zijn wilde haren al verloren heeft" enz. En omdat er aan dat soort heren meestal minder gebrek is dan aan de anderen, zal het arme meisje dan wel het geluk mogen smaken, om zo'n man zonder wilde haren te vinden, en de kinderen zullen het stempel van dit verstandige huwelijk wel op hun voorhoofd dragen.

Wanneer men bedenkt, dat de voortplanting buitendien nog tot het uiterste wordt beperkt, zodat de natuur niet in staat gesteld wordt om enige selectie toe te passen, omdat natuurlijk ieder schepseltje, hoe misvormd ook, in leven moet worden gehouden, dan moet men zich werkelijk afvragen, waarom zo'n inrichting als dit huwelijk nog bestaat, en aan welk doel het dan zogenaamd moet voldoen. Is het dan niet hetzelfde als onvervalste prostitutie? Heeft de plicht van ieder mens tegenover die na ons komen, dan niets meer te betekenen? Of weet men niet, hoe men kinderen en kindskinderen tekent door een dergelijk misdadig lichtzinnig omspringen met het laatste natuurrecht - maar dat betekent ook: met de laatste plicht, die wij nog tegenover de natuur hebben te vervullen? Zo verworden de cultuurvolkeren en gaan langzaam onder. Ook het huwelijk mag geen doel zijn, maar moet dienstbaar zijn aan dat ene, grotere doel, de vermeerdering en instandhouding van ras en soort. Daarin en daarin alleen ligt zijn taak en zijn betekenis. Indien men dit echter vooropstelt, dan kan men de meer of mindere juistheid van een huwelijk alleen afmeten aan de manier, waarop het aan dat doel beantwoordt. Daarom alleen is het vroege huwelijk, dat de kracht heeft om een gezonde nakomelingschap voort te brengen, welke ook tegen enige stormen bestand is, beslist goed, juist en gunstig te noemen.

Het vroege huwelijk

Dan moet er echter aan een gehele reeks sociale voorwaarden worden voldaan, eer men ook maar denken kan aan de algemene verwerkelijking van het vroege huwelijk. Zo kan deze, toch betrekkelijk weinig omvattende kwestie al niet worden opgelost zonder ingrijpende sociale maatregelen. Hoe belangrijk deze sociale kwesties zijn, behoorde men voorla te begrijpen in een tijd, dat de zogenaamd "sociale" republiek, alleen al door haar onmacht om het huisvestingsprobleem op te lossen, talrijke huwelijken eenvoudig verhindert, en zo de prostitutie bevordert. De waanzin van ons salariëring systeem, dat veel te weinig rekening houdt met het gezin en zijn behoeften, is eveneens een reden, waarom in onze tijd zovele vroege huwelijken niet gesloten worden. Men kan dan in ernst de strijdt tegen de prostitutie aanbinden, wanneer men door principiële wijziging van de sociale toestanden een vroeger huwelijk mogelijk maakt. Dit is de allereerste voorwaarde, waaraan voldaan dient te worden, eer men deze kwestie tot oplossing kan brengen. In de tweede plaats echter dient men door opvoeding en opleiding een gehele reeks fouten op te heffen, die men tegenwoordig maar laat voortwoekeren.

Voor alles moet ons opvoedingssysteem in die zin worden veranderd, dat het geestelijke en lichamelijke op meer evenwichtige wijze worden verdeeld. Dat wat wij heden "gymnasium" noemen, spot eenvoudig met het Griekse voorbeeld. Bij onze opvoeding heeft men volkomen vergeten, dat tenslotte een gezonde geest alleen in een gezond lichaam kan wonen. Vooral, wanneer men bij deze stelling de uitzonderingen buiten beschouwing laat, en vooral aan de grote massa van het volk denkt, bevat ze een absolute waarheid. Er was een tijd, in het Duitsland van voor de oorlog, dat men zich in 't geheel niet meer om deze waarheid bekommerde. Men verwaarloosde het lichaam op alle mogelijke manieren en verbeeldde zich, dat de eenzijdige ontwikkeling van de "geest" alleen wel voldoen garantie was, dat de natie groot was en groot bleef. Maar deze dwaling wreekte zich sneller dan men dacht. Het was geen wonder, dat de bolsjewistische golf nergens dieper doordrong dan op de plaatsen, waar een bevolking leeft, welke door honger en door voortdurende ondervoeding gedegenereerd is: n.l. in Midden-Duitsland, Saksen en het Roergebied.

In al deze streken weten echter ook de z.g. intellectuelen maar nauwelijks meer enige weerstand te bieden aan deze Joodse ziekte, alleen al omdat ook de intellectuelen lichamelijk volkomen aan de grond zitten, al is dit dan ook meer een gevolg van de opvoeding dan van materiele nood. Het feit, dat de ontwikkeling van de beter gesitueerde kringen van ons volk zich zo uitsluitend op het geestelijke concentreert, heeft tot gevolg, dat deze kringen, in tijden dat niet de geest maar de kracht de doorslag geeft, niet bij machte zijn om ook maar staande te blijven, laat nog staan om in de strijd de overwinning te behalen. Persoonlijke lafheid is niet zelden vooral een gevolg van lichamelijke tekortkomingen. De overdreven nadruk, welke op het geestelijk deel van het onderwijs wordt gelegd, en de verwaarlozing van de lichamelijke opvoeding leiden ook al veel te vroeg tot het ontstaan van seksuele voorstellingen. De jongen, die door sport en turnen stevig gehard is, voelt niet zo gauw de behoefte aan zinnelijke prikkels, en geeft er ook niet zo gauw aan toe als de jongen, die zijn gehele leven enkel met geestelijk voedsel vult, en die nacht en dag op zijn kamer zit te blokken. Een verstandige opvoeding moet zich dit steeds voor ogen houden.

"Mens sana in corpore sano"

Ze mag verder ook nooit vergeten, dat de verwachtingen, die een gezonde jonge man ten opzichte van de vrouw koestert, van geheel andere aard zullen zijn dan die van de vroegtijdig bedorven zwakkeling. Daarom moet de gehele opvoeding er op gericht zijn, dat de jongen zijn vrije tijd gebruikt om zijn lichaam zo bruikbaar en sterk mogelijk te maken. Hij heeft niet het recht om in deze jaren maar rond te hangen en niets te doen, om de straat en de bioscopen onveilig te maken, maar hij moet, wanneer zijn bepaalde dagtaak gedaan is, zijn jonge lichaam stalen en hard maken, zodat het leven hem straks niet te zwak zal vinden. Het moet de taak zijn van iedere opvoeding op dit mogelijk te maken, te besturen en te leiden, en niet om het kind uitsluitend met zogenaamde wijsheid vol te proppen. Zij moet ook de idee, dat de behandeling van het lichaam de zaak van de enkeling zou zijn, definitief uitroeien. Niemand is vrij om ten koste van zijn nakomelingschap, dat wil dus zeggen ten koste van zijn ras, te leven. Parallel met de lichamelijke opvoeding moet ook de strijd tegen de vergiftiging van de geest worden gevoerd. Ons gehele publieke leven lijkt tegenwoordig wel een broeikas voor seksuele voorstellingen en prikkels.

Strijd tegen de vergiftiging van de ziel

Laat men toch de programma's van onze bioscopen, variétés en theaters eens aandachtig doorlezen, en men zal tot de conclusie moeten komen, dat dit zeker voor de jeugd geen aanbevelenswaardige kost is. Ook de etalages en de aanplakbiljetten werken met de gemeenste middelen om de aandacht van de menigte maar te trekken. Dat dit de jeugd buitengewoon veel kwaad moet doen, is iets, wat ieder, die niet volkomen buiten staat is zich in de kinderziel in te denken, onmiddellijk duidelijk moet zijn. Deze zwoele, zinnelijke sfeer leidt tot fantasieën en prikkels in jaren, dat de jongen van zulke dingen nog helemaal geen begrip zou mogen hebben. Het niet bepaald verblijdende resultaat van dit opvoedingssysteem kan men in onze tegenwoordige jeugd maar al te duidelijk waarnemen. De jeugd is vroeg rijp en daarmee ook veel te vroeg ouwelijk geworden. Af en toe worden door de rechtzalen gebeurtenissen bekend, die ons een afschuwelijke kijk geven op het zielenleven van onze 14- en 15- jarige kinderen. Wie verwondert het dan nog, dat de syfilis reeds op deze leeftijd haar offers telt? En is het niet bitter om te moeten constateren, dat zo menig jong mens, dat zwak van lichaam en bedorven van geest was, door een grote stadshoer in het huwelijk wordt ingeleid? Nee, wie de prostitutie wil bestrijden, moet in de eerste plaats zorgen, dat haar de geestelijke voedingsbodem wordt ontnomen.

Hij moet een einde maken aan die zedelijke verpesting, die de "cultuur" van de grote stad voor ons meebrengt, en dat wel onverbiddelijk, zonder zich in het minst te laten beïnvloeden door het geschreeuw en gegil, dat zich natuurlijk zal laten horen. Wanneer wij de jeugd niet uit het moeras, waarin zij zich nu bevindt, weten te redden, dan zal zij daarin geheel verzinken. Wie zijn ogen sluit voor deze feiten, helpt ze bestendigen, en staat daardoor mede schuldig aan de prostituering van onze toekomst, die tenslotte afhankelijk is van het opgroeiende geslacht. Deze grote schoonmaak moet bijna op alle gebieden van onze cultuur plaats vinden. Schouwburg, kunst, literatuur, bioscoop, pers, reclamebiljetten en etalages moeten bevrijd worden van de uitingen van een rottende wereld, en moeten in die van een zedelijk hoogstaande cultuur en staatsidee worden gesteld. Het openbare leven moet verlost worden van de verstikkende, zwoele odeur van onze moderne erotiek, en eveneens van al die weinig mannelijke, preutse onoprechtheid. Bij al deze dingen moeten doel en weg worden voorgeschreven door de vaste wil om ons volk lichamelijk en geestelijk gezond te houden. Het recht op vrijheid van de enkeling vervalt tegenover de plicht tot instandhouding van het ras. Eerst nadat deze maatregelen getroffen zijn, kan men met enige kans op slagen de zuiver medische strijd tegen de ziekte zelf aanbinden.

Maar ook daarbij mag men geen halve maatregelen treffen, maar zal ook hier de belangrijkste en ingrijpendste besluiten dienen te nemen. De eis, dat het aan de defecte mensen onmogelijk moet worden gemaakt om andere even defecte nakomelingen voort te brengen, is een eis van gewoon gezond verstand en zal, wanneer ze systematisch wordt nagekomen, de meest humane daad zijn, die nog ooit aan de mensheid werd bewezen. Dat zal millioenen ongelukkigen onverdiend lijden besparen, en zal mettertijd het gezondheidspeil van de gehele bevolking weten op te voeren. De vaste wil, welke hier voorzit, zal ook de geslachtsziekten weten te beperken. Want hier zal men, zo nodig, tot de onbarmhartige afzondering van ongeneeslijk zieken moeten overgaan - een maatregel, die voor de ongelukkigen zelf uitermate hard is, maar die een zegen zal zijn voor tijdgenoten en toekomst. Een eeuw zal pijn dienen te lijden, maar deze pijn zal voorbijgaan en daardoor van veel smarten worden verlost. De strijd tegen de syfilis en haar gangmaakster, de prostitutie, is een van de moeilijkst te vervullen taken van de mensheid, een taak, die juist daarom zo moeilijk is, omdat het hier niet gaat om een enkele kwestie op te lossen, maar een gehele reeks van fouten te vernietigen, welke samen tot het ontstaan en de verbreiding van deze ziekte hebben geleid.

Sterilisatie van ongeneeslijk zieken

Want de ziekte van het lichaam is hier slechts het gevolg van het feit, dat onze zedelijke, sociale en rasinstincten zijn aangetast. Indien deze strijd echter uit gemakzucht of uit lafheid niet wordt uitgevochten, dan moet men over 300 jaar de volkeren eens weer bekijken. Evenbeelden Gods zal men dan maar weinigen meer kunnen noemen, tenzij dan, dat men het in godslasterlijke zin zou bedoelen. Maar wat had nu het oude Duitsland gedaan, om deze besmettelijke ziekte te vernietigen? Wanneer men dat rustig nagaat, komt men tot een echt bedroevend antwoord. Ongetwijfeld was men in de verschillende regeringskringen op de hoogte met de ontzettende verwoestingen, die de syfilis aanrichtte, al was men misschien ook niet bij machte geweest om de gevolgen in hun gehele omvang te overzien; maar de strijd, die men daartegen voerde, was nu eenmaal onvoldoende: men had niet de moed tot ingrijpende hervormingen en probeerde het maar liever eens met ellendige lapmiddeltjes. Men knoeide wat aan de ziekte en liet de oorzaken maar voor wat ze waren. Men liet een medische controle uitoefenen op de prostituees en ging hun gangen na, zo goed en zo kwaad dat ging. Wanneer men dan ergens een geval van syfilis of iets van die aard constateerde, stopte men de zieke in het een of andere hospitaal, tot ze uiterlijk weer wat genezen was, en liet haar dan weer op haar medemensen los.

Het beschermde wetsartikel

Nu had men wel een "beschermd wetsartikel" ingelast dat aan niet volkomen gezonde of niet volkomen herstelde personen verbood, om seksuele omgang te hebben, en zulk een maatregel is in principe ook volkomen juist, maar de resultaten ervan waren praktisch gelijk aan nul. Ten eerste zal de vrouw, die door een dergelijk ongeluk getroffen wordt - alleen reeds op grond van onze, of beter: van haar opvoeding - in de meeste gevallen weigeren, om zich ook nog de rechtzaal binnen te laten slepen, teneinde daar te getuigen tegen de man, die - meestal toch onder zeer pijnlijke bijomstandigheden - haar van haar gezondheid beroofde. Juist haar zal dit maar uitermate weinig helpen, terwijl zij toch meestal wel degene zal zijn, die er het meeste onder te lijden heeft, omdat zij de minachting van haar liefdeloze omgeving nog veel scherper voelt, dan dit bij de man het geval zou zijn. Tenslotte moet men zich eens indenken, wat dit voor haar zou betekenen, wanneer het haar eigen echtgenoot is, die haar heeft besmet. Hoe moet ze hem nu aanklagen? Of wat moet ze anders doen? Bij de man komt hier nog bij, dat hij helaas maar al te dikwijls na overvloedig alcoholgebruik met deze ellendige ziekte kennis maakt, omdat hij in zo'n toestand het minst in staat is om de kwaliteiten van zijn "liefje" te beoordelen, wat de prostituees, die al ziek zijn, natuurlijk maar al te goed weten, en wat voor haar reden is om speciaal mannen te lokken, die in deze ideale staat verkeren.

Het resultaat is echter, dat de man, die later onaangenaam verrast wordt door ziektesymptomen, zich met de beste wil ter wereld niet meer weet te herinneren, hoe zijn barmhartige goede fee er eindelijk uitziet, wat in een stad als Berlijn of zeker als München niemand hoeft te verbazen. Daar komt nog bij, dat het dikwijls bezoekers uit de provincie zijn, die toch al volkomen vreemd tegenover de bekoring van de grote stad staan en daaraan moeilijk weerstand weten te bieden. En tenslotte: wie kan nu eigenlijk weten, of hij ziek dan wel gezond is? Zijn er niet talrijke gevallen bekend van schijnbaar volkomen herstelden, waar de ziekte opnieuw uitbrak, waardoor ze, zonder het zelf te weten, ontzettend veel onheil aanrichtten? Daardoor zijn dus de praktische resultaten, welke dit wetsartikel opleverde, in werkelijkheid gelijk aan nul. Van de controle die op de prostituees wordt uitgeoefend kan precies hetzelfde worden gezegd, en tenslotte is ook de genezing zelf vandaag de dag nog altijd iets onzekers en twijfelachtigs. Een ding slechts staat vast: niettegenstaande alle maatregelen breidde de ziekte zich steeds meer uit. Dat was wel het beste bewijs, hoe weinig de waarde was, die aan die maatregelen kon worden toegekend.

Want alles wat men verder nog deed, was even ontoereikend als belachelijk. Men belette de geestelijke prostituering van het volk niet, en liet trouwens over de gehele linie van dit terrein alle nodige dingen na. Wie echter geneigd is om zich met een schouderophalen en een glimlach van dit alles af te maken, doet er goed aan om het statistische materiaal over de verbreiding van deze ellendige pest eens te bestuderen en om haar groei in de laatste honderd jaren eens goed te bezien, en om tenslotte ook eens te bedenken hoe het er zal uitzien wanneer deze ontwikkeling in dit tempo voortgang vindt - en dan zou hij toch dommer dan een ezel moeten zijn, waneer er hem dan niet een rilling over de rug liep. In de slapheid en halfslachtigheid, waarmee men reeds in het vooroorlogse Duitsland tegen zo'n vreselijk verschijnsel optrad, moet men kennelijk symptoom van de nationale verwording zien.

De prostituering van de volksziel

Wanneer de kracht om zijn eigen gezondheid te verdedigen niet meer aanwezig is, is het in deze wereld van strijd ook met het recht op leven gedaan. De wereld behoort alleen aan de sterken, aan de kerels uit een stuk en niet aan de slappen en de "halven". Een van de meest sprekende tekenen van verval was wel het langzame dalen van het algemene cultuurpeil in het oude Rijk, waarbij ik dan onder cultuur nog iets anders zou willen verstaan, dan datgene, wat men heden met het woord civilisatie aanduidt. Reeds voor het jaar 1900 begon zich in onze kunst een element te vertonen, dat tot die dag toe daar volkomen vreemd en onbekend was geweest. Natuurlijk had men ook vroeger van tijd tot tijd wel verkeerde wegen ingeslagen, maar in zulke gevallen betrof het toch altijd artistieke vergissingen, waaraan de komenden tenminste een zekere historische waarde konden toeschrijven, en ontstonden nooit producten van een absoluut niet meer kunstzinnige mentaliteit, van een geestelijke verwording, die aan geesteloosheid grensde. In deze nieuwe kunst vond het politieke debacle, dat later nog beter zichtbaar werd, haar voorloopster en heraut op cultureel gebied.

Het Bolsjewisme in de kunst

Het bolsjewisme in de kunst is de enige culturele levensvorm en de enige geestelijke uiting, waartoe het bolsjewisme bij machte is. Wie dit niet zo maar voetstoots wil aannemen, moet maar eens de kunst van de staten, waar het bolsjewisme aan de macht wist te komen, beschouwen, en hij zal met ontzetting moeten vaststellen, dat de ziekelijke uitwassen van waanzinnige en gedegenereerde mensen, die wij sinds het jaar 1900 onder de verzamelnaam "cubisme" en "dadaisme" samenvatten, daar als de enige officiële staatskunst worden erkend. Zelfs tijdens de korte periode, dat in Beieren de radenrepubliek bestond, had zich dit al vertoond. Daar kon men reeds vaststellen, hoe alle officiële aanplakbiljetten en propagandatekeningen in de kranten, het stempel droegen van culturele, zowel als van de politieke verwording. En evenmin als men bijvoorbeeld voor een jaar of zestig geloof had geschonken aan de man, die een politieke catastrofe van een dergelijke omvang als we nu beleven, voorspeld had, evenmin had men zich een aftakeling op cultureel gebied, zoals er zich na 1900 in vormen als Futurisme en Cubisme bij ons begon te vertonen, kunnen voorstellen.

Zestig jaar geleden zou een tentoonstelling van zogenaamde dadaistische "belevenissen" eenvoudig tot de onmogelijkheden hebben behoord, en zouden de geestelijke vaders ervan in een krankzinnigengesticht zijn terecht gekomen, terwijl deze lieden thans zelfs voorzitters van kunstkringen zijn. Deze infectie kon destijds nog niet opduiken, omdat de openbare mening dit niet geduld had en ook de staat niet werkeloos zou hebben toegezien. Inderdaad behoort het mede tot de taak van een regering om zorg te dragen, dat het volk niet ten prooi valt aan algehele culturele waanzin. Want daarop moest zo'n ontwikkeling tenslotte uitlopen. De dag namelijk, dat deze kunstopvatting werkelijk algemeen was geworden, zou een van de belangrijkste mijlpalen in de geschiedenis van de mensheid zijn geweest, dan was n.l. het bewijs geleverd, dat de geestelijke vermogens van de mens hun hoogste ontwikkeling achter de rug hadden en zich nu weer in dalende lijn bewogen. Wat het einde zou zijn van die ontwikkeling, dat was iets, wat men zich maar nauwelijks kon voorstellen. Wanneer men van dit standpunt de wijze beziet, waarop ons cultureel leven zich in de laatste 25 jaar heeft ontwikkeld, dan zal men met schrik moesten vaststellen, hoezeer deze dalende lijn reeds onmiskenbare werkelijkheid is geworden.

Het verval op toneelgebied

Overal zien wij microben, die tekens weer gezonde gedeelten aansteken en tenslotte zal hieraan na kortere of langere tijd onze gehele cultuur ten onder gaan. Ook deze kiemen moeten we zien als symptomen van een wereld, die reeds in staat van ontbinding verkeert, zij het dan ook, dat dit proces in zeer langzaam tempo verloopt. Wee dan de volkeren, die niet meer de kracht bezitten, over deze ziekte heen te komen! Zulke ziektekiemen kon men in Duitsland bijna op alle gebieden van kunst en cultuur aantreffen. Het scheen wel, alsof alles zijn hoogtepunt reeds achter de rug had en nu reeds sneller voortging op de weg naar de ondergang. Het toneel daalde zienderogen in betekenis, en zou zeker destijds reeds iedere betekenis als cultuurfactor hebben verloren, wanneer de Koninklijke Schouwburgen zich niet tegen die prostituering van de kunst hadden verzet. Maar afgezien van hen en van nog enkele loffelijke uitzonderingsgevallen, was het gehalte van de vertoonde stukken van een dergelijke aard, dat het ongetwijfeld veel nuttiger voor de natie was geweest, wanneer ze maar van ieder bezoek aan toneelvoorstellingen had afgezien.

Men hoont met het grote verleden

Het was een triest teken van de algemene verwording, dat het niet meer verantwoord was om de jeugd van deze zogenaamde "kunst" te laten "genieten", wat ook volkomen schaamteloos werd erkend door de bordjes "Geen toegang beneden de 18 jaar", die overal hingen, en sterk aan het wassenbeeldenspel herinneren. Nu moet men nog bedenken, dat men deze voorzorgsmaatregelen moest treffen ten aanzien van instellingen, die zich juist meer dan enig ander er op hadden moeten toeleggen, om de jeugd de nodige ontwikkeling te verschaffen, en niet om reeds al te zeer verwende ouderen te amuseren. Wat zouden de grote onsterfelijke dramaturgen van zo'n maatregel hebben gezegd, en wat van de redenen, welke hiertoe hadden geleid? Hoe zou Schiller zijn opgestoven, en Goethe zich verontwaardigd hebben afgewend. Maar wat betekenen Schiller, Goethe of Shakespeare tenslotte tegenover de helden, die de wereld van onze huidige Duitse literatuur bevolken? Daarnaast zijn het toch niets dan oude, versleten figuren, die hun tijd hebben gehad. Want dat was wel een van de meest typerende eigenschappen van deze tijd: niet alleen wist hij zelf enkel vuil voort te brengen, maar bovendien bevuilde hij alles, wat het verleden aan ware grootheid bezat.

Nu is dat een verschijnsel, dat men altijd in dergelijke perioden kan constateren. Hoe gemener en minderwaardiger de eigen kunst van een bepaalde periode is, des te dieper zal de haat zijn, die tijd koestert tegenover de exponenten van vroegere, hogere grootheid en waardigheid. In perioden als deze zou men nog het liefst iedere herinnering aan het verleden vernietigen, om zo, door iedere mogelijkheid tot vergelijking uit te schakelen, het eigen geknoei nog voor "kunst" te laten doorgaan. Daarom zal ieder nieuw systeem, naarmate het miserabeler en onbetekenender is, met meer vuur trachten, de laatste sporen van het verleden te doen verdwijnen, terwijl iedere werkelijk waardevolle vernieuwing van de mensheid rustig kan voortbouwen op de grondslagen, die vroegere generaties legden, en dikwijls kunnen eerst de kunstenaars uit deze tijd proberen, om het werk van hun grote voorgangers die waardering te geven, die ze verdienen. Ze hoeven niet te vrezen, dat hun werk naast dat van het verleden zal verbleken, maar ze dragen reeds uit zichzelf zoveel waardevols bij tot de grote algemene schat van de menselijke cultuur, dat zij dikwijls juist de herinnering aan het verleden levend zouden willen houden, opdat het heden eerst in het licht van vroegere meesterwerken de ware grootte van hun werk zal kunnen zien.

Alleen hij, die zelf niet bij machte is om de wereld iets waardevols te geven, en die zich alleen maar wil aanstellen, alsof hij haar iets uitermate bijzonders zou willen schenken, kan al het grote, dat het verleden voor ons droeg, haten, en kan de waarde ervan betwisten of zelfs vernietigen. Dit is iets, wat niet alleen voor algemeen culturele, maar ook voor politieke nieuwelingen opgaat. Revolutionaire, nieuwe bewegingen zullen de oude vormen des te feller haten, naarmate zij zelf van minder allooi zijn. Ook hier kan men weer zien, hoe de angst, dat het eigen knoeiwerk misschien niet belangrijk genoeg geacht zou kunnen worden, leidt tot blinde haat tegen de vaststaande grootheid van dingen uit het verleden. Zolang bijvoorbeeld de historische herinnering aan Frederik de Grote niet verwaaid is, zal Friedrich Ebert zelchts een beperkte hoeveelheid bewonderende verbazing weten op te wekken. De held van Sanssouci staat ongeveer in dezelfde verhouding tot de emeritus-kroegbaas uit Bremen als de zon staat in verhouding tot de maan; eerst wanneer de stralen van de zon zijn verdwenen, kan de maan haar schijnsel vertonen. Daarom is de haat, die alle nieuwe manen onder de mensen tegen de vaste sterren voelen, maar al te begrijpelijk.

In het politieke leven hebben zulke nullen de gewoonte, om, wanneer het noodlot hun voor enige korte tijd de macht in de schoot werpt, niet alleen het verleden met onuitputtelijke ijver te bevuilen en te bekladden, maar zich ook nog door uiterlijke middelen aan de algemene kritiek te onttrekken. Als voorbeeld hiervoor kan de Wet tot bescherming van de Republiek, een van de producten van het nieuwe Duitse Rijk, worden genoemd. Wanneer daarom de een of andere nieuwe idee, een doctrine, een nieuwe wereldbeschouwing, of ook een politieke of economische beweging, het gehele verleden tracht te ontkennen, te belasteren en van zijn waarde te beroven, dan moet dit alleen al een reden zijn, om de uiterste voorzichtigheid in acht te nemen, en om haar met een zekere wantrouwende reserve in het oog te houden. Meestal komt zo'n haat uit het eigen minderwaardigheidsbesef of uit een slecht geweten voort. Een vernieuwing van de mensheid, die werkelijk gunstige resultaten wil afwerpen, zal onveranderlijk altijd zijn voortbouwend werk dienen te beginnen op het punt, waar het laatste goede fundament ophoudt.

Zij hoeft zich er nooit voor te schamen, dat ze reeds gevonden waarheden benut. De gehele menselijke cultuur, inclusief de mens zelf, is niets anders dan het voorlopige eindproduct van een lange ontwikkeling, waartoe iedere generatie haar steen bijdroeg en vastmetselde. Daarom beantwoordt een revolutie ook nooit aan haar doel, en is ze immer van grote betekenis, wanneer ze enkel maar platweg het gehele bouwwerk afbreekt; zij moet integendeel al datgene wat gemetseld is of niet op zijn juiste plaats ligt, wegbreken, en moet nu, naast of op de laatste goedliggende steen die nu weer is blootgelegd en waar de rij weer kan beginnen, de volgende juiste steen metselen. Alleen in dat geval zal men met recht van de "vooruitgang van de mensheid" kunnen spreken. In alle andere gevallen zou de wereld nooit uit de chaos worden verlost, omdat immers ieder geslacht opnieuw het recht zou hebben, het verleden te verloochenen, en ieder dus ook, eer hij zelf zou beginnen te werken, eerst de arbeid van het verleden zou mogen verwoesten. Het treurigste aan deze toestand, waarin onze gehele cultuur zich voor de oorlog bevond, was nog niet alleen onze volslagen impotentie, waar het de schepping van artistieke en algemene culturele waarden betrof, maar vooral de haat, waarmee men de herinnering aan een groter verleden bevuilde en uitwiste. Bijna op alle terreinen van de kunst, maar vooral bij het toneel en in de literatuur, stelde men in de schepping van nieuwe grootse werken slechts matig belang, maar was met de grootste energie en geestdrift aan de arbeid, om nu het beste van het bestaande naar beneden te halen en voor verouderd en minderwaardig uit te maken; alsof er nog iets minderwaardiger kon zijn ten opzichte van een tijd als deze, waar de meest beschamende minderwaardigheid hoogtij vierde.

Geestelijke voorbereiding van het Bolsjewisme

Maar uit dit streven, om het heden blind te maken voor het verleden, bleek overduidelijk de boze bedoeling van deze toekomstapostelen. Daaruit had men moeten afleiden, dat hier geen kwestie was van nieuwe culturele opvattingen, die mogelijk onjuist, maar in ieder geval eerlijk gemeend waren, doch dat er hier naar werd gestreefd om letterlijk iedere basis aan de kunst te ontnemen, om zodoende het gezonde gevoel voor de kunst op dwaze dwaalwegen te brengen en zo tenslotte tot de geestelijke voorbereiding van het politieke bolsjewisme te komen. Want wanneer de eeuw van Pericles in het Pantheon belichaamd is, dan is het een of ander onbegrijpelijk kubistisch misbaksel de meest ideale belichaming van ons bolsjewistische heden. In dit verband dient ook de nadruk te worden gelegd op de lafheid, die hierbij weer betoond werd door dat deel van ons volk, dat door zijn ontwikkeling en zijn positie de plicht had gehad, om zich tegen deze cultuurverkrachting te verzetten. Enkel uit angst voor de grote mond van de apostelen van de bolsjewistische kunst, die een ieder, die niet bereid was, in hen onmiddellijk de ware kroon van de schepping te zien, op de meest venijnige wijze aanvielen en voor achterlijke bourgeois uitmaakten, zag men maar van ieder ernstig verzet af, en berustte in datgene, wat onvermijdelijk scheen.

Allerpersoonlijkste emoties

Men vreesde notabene, om door deze halve gekken of bedriegers voor "begriploos" te worden uitgescholden, alsof het een schande was, dat men de voortbrengselen van geestelijk gedegenereerden of van sluwe bedriegers niet begreep. Deze apostelen van het "enig ware geloof" op cultureel gebied hadden nu nog een uiterst eenvoudig middeltje, waarmee ze hun waanzinnigheden tot onoverzienbaar geweldige dingen wisten te maken; alles, wat volkomen onbegrijpelijk en kennelijk krankzinnig was, presenteerden ze aan de bewonderende goegemeente als een zogenaamd "allerpersoonlijkste emotie", wat inderdaad een wel zeer goedkope manier was, om ieder protest van te voren reeds te laten verstommen. Want dat ook dit het product van een allerpersoonlijkste emotie was kon bezwaarlijk worden betwijfeld, maar in dit verband mocht men toch wel de vraag stellen, of het te pas komt om de gezonde mensheid op de hallucinaties van geesteszieken of misdadigers te vergasten. Ook de werken van een Moritz von Schwind of van een Böcklin waren uitingen van allerpersoonlijkste emoties, alleen met dit verschil, dat het de emoties van begenadigde kunstenaars en niet van kwasten waren. Maar daar kon men weer eens de gehele miserabele lafheid van onze z.g. intellectuelen bewonderen, die ieder verzet tegen de vergiftiging van de gezonde instincten van ons volk angstvallig vermeden, en het maar liever aan het volk zelf overlieten om deze brutaliteiten en waanzinnigheden te verwerken. En om toch maar vooral niet voor "lieden-zonder-verstand-van-kunst" door te gaan, vond men maar iedere belediging tegen de kunst goed, en begon tenslotte werkelijk te twijfelen bij de beoordeling van een kunstwerk. En dit alles tezamen waren tekenen, dat er zwaar weer op komst was.

Moderne opeenhopingen van mensen

Als bedenkelijk symptoom moet ik nog het volgende constateren: In de 19e eeuw begonnen onze steden steeds meer het karakter van cultuurcentra te verliezen en zakten af tot zuivere opeenhopingen van mensen. Het gebrek aan liefde van ons moderne 'grotestadsproletariaat' voor zijn woonplaats vloeit voort uit het feit, dat het hier inderdaad uitsluitend gaat om de toevallige plaats, waar zich de enkeling bevindt, en om niets meer. Gedeeltelijk staat dit ook weer in verband met de sociale omstandigheden, die een veelvuldige verandering van woonplaats noodzakelijk maken, en de mens niet de tijd laat om in een nauwer contact met zijn stad te komen, maar anderzijds moet dit toch ook worden geweten aan de algemene culturele leegheid en armzaligheid van onze huidige steden. Nog ten tijde van de vrijheidsoorlog van 1813 waren de Duitse steden zowel gering in getal als bescheiden in omvang. De enkele werkelijk grote steden waren grotendeels residenties, bezaten als zodanig bijna steeds een zekere culturele waarde en konden zich meestal ook in artistiek opzicht op een bepaalde vorm en opvatting beroemen. De enkele plaatsen met meer dan 50.000 inwoners, die men destijds telde, waren, in vergelijking met even grote steden van tegenwoordig, rijk aan wetenschappelijke en artistieke waarden.

Toen München zestigduizend zielen telde, begon het reeds een van de eerste kunstcentra van Duitsland te worden; tegenwoordig heeft bijna iedere industriestad dat cijfer bereikt of het zelfs reeds vele malen overschreden, soms zonder dat ze ook maar in de allergeringste mate op het bezit van zulke schatten kan bogen. Het zijn enkel nog verzamelingetjes woon- en huurkazernes, verder niets. Men moet zich ook niet afvragen, hoe bij een dergelijke leegheid en platheid nog een band met de woonplaats zou kunnen ontstaan. Niemand zal zich bijzonder voelen aangetrokken tot een stad, die in geen enkel opzicht iets anders kan bieden dan welke andere ook, die absoluut geen eigen karakter heeft, en waarin alles wat maar enigszins naar kunst of iets in die trant zou kunnen zwemen, angstvallig vermeden is. Maar bovendien worden ook de werkelijk grote steden met het stijgen van het inwonertal in verhouding steeds armer aan werkelijke kunstwerken. Al onze steden teren op de faam en de schatten van het verleden. Laat men zich nu eens alles uit München wegdenken wat daar onder Ludwig I tot stand werd gebracht, en men zal met ontzetting moeten constateren, hoe gering het aantal werkelijke kunstwerken is dat er sindsdien bijgekomen is. Datzelfde kan ook van Berlijn en de meeste andere grote steden worden gezegd. Het kernpunt ligt echter in het volgende: Onze hedendaagse grote steden bezitten geen monumenten die het gehele stadsbeeld beheersen, en die op de een of andere wijze voor onze gehele tijd een symbool konden zijn en blijven. Dit was echter het geval in de steden van de oudheid, waar bijna iedere stad een bijzonder monument bezat dat haar trots was.

Monumentale staatsgebouwen van vroeger

Het meest karakteristieke van de antieke steden was niet gelegen in de particuliere gebouwen, maar in de monumenten van de gemeenschap, die niet voor een ogenblik maar voor de eeuwigheid gebouwd schenen, omdat ze niet de rijkdom van een enkele eigenaar, maar de grootte en betekenis van het gemenebest moesten uitdrukken. Op deze wijze ontstonden monumenten, die zeer geëigend waren om de bewoners aan hun stad te binden en wel met zo sterke banden, dat het aan ons tegenwoordig dikwijls onbegrijpelijk lijkt. Want datgene, wat hem, deze burger van de oudheid, met zijn stad verbond, waren niet zozeer de particuliere huizen, die armelijk waren, maar voornamelijk de prachtige gebouwen van de gehele gemeenschap. Naast deze prachtige gebouwen verzonk het woonhuis werkelijk tot een onbetekenende bijzaak. Wanneer men de verhouding van de grootte van de staatsgebouwen in de oudheid vergelijkt met de woonhuizen uit die tijd, dat begrijpt men eerst hoe buitengewoon belangrijk en zwaarwichtig men dit beginsel achtte, dat de werken van de gemeenschap beslist in de eerste plaats moesten komen. De weinig monumentale gebouwen, die nu nog uit de puinhopen en ruïnes van de antieke wereld voor onze bewonderende blikken zijn overgebleven, zijn geen voormalige handelspaleizen, maar tempels en staatsgebouwen, dus monumenten die aan de gemeenschap toebehoren. Zelfs de pracht en praal van het Rome van de laatste jaren bestond niet uit hoofdzaak uit villa's en paleizen van de burgers zelf, maar uit de tempels en thermen, de stadions, de arena's, aquaducten, basilieken, enz. welke aan de staat, dus aan het gehele volk toebehoren. Zelfs de Germaanse middeleeuwen bleven, ook al waren opvattingen van kunst geheel andere, aan datzelfde beginsel trouw.

Warenhuis en hotel

Datgene, wat in de Oudheid de Akropolis en het Pantheon had laten ontstaan, vond nu zijn uitdrukking in de vormen van de Gotische dom. Als reuzen staken deze monumentale bouwwerken op uit het kleine gewemel van de uitpaneeltjes, uit hout of uit baksteen opgetrokken huisjes van de middeleeuwse stad, en werden tot symbolen, die zelfs nu nog, nu naast hen de huurkazernes hoger en hoger stijgen, steeds het karakter en het stadsbeeld van deze plaatsen bepalen. De domkerken, raadhuizen en markthallen, evenals de vestingtorens, zijn de zichtbare tekenen van een kunstopvatting, die tenslotte weer aan de oudheid ontleend was. Hoe allermiserabelst is de verhouding tussen dat wat van staatswege en dat wat van particuliere zijde werd gebouwd, nu geworden. Indien Berlijn hetzelfde lot beschoren zou zijn dat destijds Rome trof, dan zou ons nageslacht eens de warenhuizen van een paar Joden en de hotels van een paar naamloze vennootschappen als de meest typerende architectonische staaltjes van de cultuur van onze dagen kunnen bewonderen.

Laat men die stotende wanverhouding eens zien, die zelfs te Berlijn bestaat, tussen datgene wat door het Rijk en datgene wat door de handel en geldwezen werd gebouwd. Dan begint er meestal al mee, dat men voor de openbare bouwwerken een belachelijk laag, en ten enenmale onvoldoende bedrag uittrekt. Men bouwt geen monumenten meer voor de eeuwigheid - men maakt tegenwoordig enkel nog datgene, wat men direct nodig heeft. Geen enkele verheven gedachte spreekt meer daarbij mee. Het Slot te Berlijn was, in de tijd dat men bouwde, een werk van geheel andere betekenis dan bijvoorbeeld heden de nieuwe bibliotheek is. En terwijl een enkel slagschip een waarde had van ruim zestig millioen, werd voor het voornaamste prachtgebouw van het Rijk, het Rijksdaggebouw, dat toch voor de eeuwigheid bedoeld was geweest, nauwelijks de helft toegestaan. En toen de kwestie van de binnenarchitectuur ter sprake kwam en ter beslissing werd voorgelegd, toen stemde de Eerste Kamer tegen het gebruik van steen en gaf opdracht, de wanden met gips te bepleisteren; ditmaal hadden de heren parlementariërs nu eens werkelijk juist gehandeld: het was inderdaad zonde, wanneer voor de omgeving van hun hoofdjes iets beters dan het allergoedkoopste werd gebruikt.

De uitingen van de moderne cultuur

Daarom missen onze tegenwoordige steden dat alles overheersende teken van de gemeenschap, en moet zich dan ook niet verbazen, wanneer het volk op zijn beurt weer geen symbool van zichzelf kan zien in de steden. Zodoende moet het leven in de steden wel leeg en karakterloos worden; en de gevolgen daarvan komen in het volkomen gebrek aan medeleven van de moderne grote-stadsmens met het wel en wee van zijn stad, tot uiting. Ook dit is een bewijs voor de dalende lijn welke onze cultuur beschrijft en van de algemene ruïne die op alle gebieden heerst. Maar dan mag men zich ook niet verbazen, wanneer bij zulk een godheid slechts weinig zin voor heroïek overblijft. Het heden oogst tenslotte niets anders dan wat het jongste verleden heeft gezaaid. Al deze degeneratieverschijnselen zijn in de grond van de zaak slechts de gevolgen van het feit, dat een bepaalde, algemeen gehuldigde wereldbeschouwing ontbreekt, en ook van het hier weer uit voortvloeiende feit, dat men geen houvast heeft bij het bepalen van zijn standpunt tegenover de grote vraagstukken. Daarom is ook alles reeds van de opvoeding af even halfslachtig en twijfelachtig, bang voor verantwoordelijkheid, en zal tenslotte zo laf en tolerant zijn, om gebreken die men heeft geconstateerd, maar liever te laten voor wat ze zijn. Het gedweep met humanisme wordt mode, men laat de uitwassen oogluikend toe omdat het gemakkelijker is, men spaart de enkeling tot iedere prijs, en het resultaat is dat men de toekomst van millioenen verwoest.

Toestanden op religieus gebied

Hoe erg het reeds gesteld was met die verscheurdheid op alle gebieden, blijkt wel zeer duidelijk, wanneer wij de verdeeldheid die op religieus terrein voor de oorlog heerste aan een nadere beschouwing onderwerpen. Ook op dit gebied was de gemeenschappelijke actieve wereldbeschouwing reeds lang verloren gegaan. Daarbij speelden de aanhangers die officieel uit de kerk traden een heel wat minder belangrijke rol dan degenen die volmaakt onverschillig tegenover dit alles stonden. Terwijl de beide godsdiensten in Azië en Afrika bekeringspogingen in het werk stellen om nieuwe aanhangers te winnen voor hun leer - een werk, wat vooral op de plaatsen waar het zich tegen het groeiende Mohammedanisme heeft te verweren slechts op uiterst schamele resultaten kan bogen - verliezen zij in Europa zelf millioenen en nog eens millioenen overtuigde aanhangers, die of volkomen vreemd zijn komen te staan tegenover iedere vorm van godsdienstig leven, of hun eigen wegen zijn gegaan. De gevolgen van dit renegatisme zijn, vooral redelijk gezien, niet gunstig.

Opmerkelijk is ook de strijd tegen de dogmatische basis van de kerken, die steeds scherpere vormen aanneemt, maar die tenslotte toch de godsdienst zelf aantast, omdat op deze menselijke wereld een godsdienst zonder dogmata praktisch niet bestaanbaar is. De grote massa van een volk bestaat niet uit filosofen: maar juist voor de massa is het geloof dikwijls de enig denkbare basis voor zedelijke wereldbeschouwing. De verschillende middelen, die men ons er voor in de plaats heeft willen geven, bleken in de praktijk niet zodanige vruchten af te werpen dat men werkelijk van hen kan verwachten dat zij de religieuze belijdenissen op juiste en afdoende wijze zouden kunnen vervangen. Indien echter de religieuze leer en het geloof waarlijk tot levensbasis voor grote groepen van de bevolking willen worden, dan is de allereerste voorwaarde hiertoe, dat de inhoud van dit geloof onbeperkt gezag geniet. Wat voor het leven in 't algemeen de levensstijl is, welke weliswaar enkele honderdduizenden hoogstaande mensen niet onmiddellijk nodig hebben om goed en verstandig te kunnen leven, maar welke voor millioenen anderen absoluut eerste voorwaarde is, dat is het staatsprincipe voor de staat en dat zijn de dogmata voor iedere godsdienst.

Eerst door deze dogmata wordt de onzekere en voor duizenderlei uitleggingen vatbare, zuiver theoretische idee nader bepaald en krijgt ze vaste vorm, wat voor haar onmisbaar is indien zij ooit tot een geloof wil uitgroeien. Anders zou de idee nooit meer kunnen worden dan een metafysische opvatting, of beter, dan een bepaalde filosofische these. De aanval op het dogma als zodanig heeft daarom al zeer veel van de strijdt tegen de algemene wettelijke basis van de staat weg, en terwijl het slagen van deze laatste strijd onherroepelijk op volkomen anarchie in de staat zou uitlopen, zo leidt de eerste tot een waardeloos religieus nihilisme. De politicus echter mag de waarde van een religie niet afmeten naar haar eventuele fouten, maar moet zich steeds in de eerste plaats afvragen of er iets anders is te vinden wat kennelijk beter is. Zolang dat echter klaarblijkelijk mankeert, kunnen alleen dwazen of misdadigers het in hun hoofd halen om het aanwezige af te breken. Nu is het een feit, dat de tamelijk bedroevende toestanden op religieus gebied, mede voor een belangrijk deel te wijten zijn aan degenen, die de religieuze ideeën teveel met zuivere aardse dingen bezwaren en hen dikwijls in een volkomen onnodig conflict met de "zogenaamde exacte wetenschappen" brengen. In zulk een geval zullen het bijna altijd de godsdiensten zijn welke de vlag moeten strijken, en daardoor in de ogen van allen, die niet bij machte zijn tot meer, hoger en dieper dan een zuiver oppervlakkig weten, veel van hun grootheid inboeten.

Politiek misbruik van de godsdienst

Maar de ergste verwoestingen zijn die, welke diegenen teweegbrengen die de godsdienstige overtuiging voor politieke doeleinden misbruiken. Tegen deze ellendige zwendelaars, die in de godsdienst een middeltje wensen te zien om hun politieke, of beter nog, hun zuiver zakelijke belangetjes te dienen, kan eenvoudig niet scherp genoeg worden opgetreden. Deze politiek onbeschofte leugenaars schreeuwen weliswaar met stentorstem, zodat al de andere zondaars het kunnen horen, hun geloofsbelijdenis, maar dat niet om er zo nodig voor te sterven, doch om hierdoor beter te kunnen leven. Voor één enkel politiek zwendeltje - mits de voordelen welke er mee gepaard gaan maar groot genoeg zijn - versjacheren zij hun godsdienst; voor tien kamerzetels sluiten ze een bloedsbroederschap met de marxisten, de doodsvijanden van alles wat godsdienst heet, en voor een ministersportefeuille zouden ze een huwelijk met de duivel aangaan, wanneer ze althans niet meer over een toevallig rest fatsoen beschikken, dat Satan van zoiets kon weerhouden.

Het feit, dat het religieuze leven in het Duitsland van voor de oorlog een onaangename bijklank had gekregen, was te wijten aan het misbruik, dat een zekere z.g. "Christelijke" partij van het Christendom maakte, en tevens aan de onbeschaamde wijze waarop men trachtte het katholieke geloof te identificeren met een politieke partij. Deze valse voorstelling had weliswaar enerzijds tot gevolg dat een ander stelletje nietsnutten met kamerzetels gezegend werd, maar bracht anderzijds aan de kerk zelf schade toe. En onder het resultaat van dit alles moest de gehele natie gebukt gaan, omdat de gevolgen van de verslapping van de religieuze banden, welke door dit optreden werd veroorzaakt, zich juist deden gevoelen in een tijd, dat toch reeds alles wankelde en week, en dat de oude traditionele grondslagen van zeden en moraal hun vastheid dreigden te verliezen. Ook dit waren barstjes en scheurtjes in het lichaam van ons volk, die, zolang er geen bijzondere dingen te verrichten waren, geen gevaar opleverden, maar die tot een ramp moesten leiden, wanneer grote gebeurtenissen bijzondere eisen gingen stellen aan de innerlijke hechtheid van de natie.

Doelloosheid van de Duitse politiek

In dezelfde trant waren ook op politiek terrein fouten en tekortkomingen, welke, indien er althans niet binnen afzienbare tijd verandering in kwam, ook als symptomen van het naderhand verval des Rijks gezien moesten worden. De richtingloosheid van de Duitse binnenlandse en buitenlandse politiek moest een ieder, die niet opzettelijk zijn ogen er voor sloot, duidelijk zijn. Dat halve gedoe scheen het beste te rijmen met Bismarcks opvatting, als zou "de" politiek "de kunst van het mogelijke" zijn. Maar nu bestond er tussen Bismarck en de latere Duitse kanseliers een luttel onderscheid, dat maakte, dat de eerste zulk een woord over het wezen van de politiek kon laten vallen, terwijl diezelfde mening in de mond van zijn opvolgers een geheel andere klank en betekenis kreeg. Want Bismarck had door deze zin alleen willen zeggen, dat men voor het bereiken van een politiek doel alle mogelijkheden moet gebruiken, of met alle mogelijkheden rekening dient te houden; zijn opvolgers echter beschouwden deze uiting als een soort plechtigheid, waarbij ze ontslagen werden van de plicht, er voortaan nog enig politiek idee of politiek doel op na te houden.

En de leiding van het Rijk had in deze tijd dan ook inderdaad geen enkel politiek doel meer voor ogen, omdat hiertoe de nodige basis: een bepaalde wereldbeschouwing, ontbrak, en omdat ook het nodige inzicht in de diepere wetten, waaraan de ontwikkeling van het politieke leven gehoorzaamt, ten enenmale mankeerde. Er waren er niet weinigen die dit alles met lede ogen aanzagen, het gebrek aan systeem en aan ideeën in de politiek van het Rijk met scherpe woorden geselden, en die de zwakte en holheid ervan dus zeer wel inzagen, maar dit waren allen mensen, die buiten het politieke leven stonden: de officiële regeringsinstanties begrepen al evenmin als heden ten dage (1924) ook maar in de allergeringste mate het grote belang van de dingen, welke een Houston Chamberlain gezien had. Deze lieden zijn te dom, om zelfs iets te kunnen denken, en veel te verwaand, om het nodige van anderen te willen overnemen - een eeuwige waarheid, die Oxenstierna deed uitroepen: "De wereld wordt maar door een bitter nietig brokje wijsheid geregeerd!", een brokje, waarvan dan bijna geen enkele referendaris aan het ministerie meer dan een atoom uitmaakt. Sinds Duistland een republiek is geworden, heeft dit woord natuurlijk zijn juistheid verloren - daarom is het ook bij de "Wet tot bescherming der republiek" verboden om zoiets uit te spreken of ook maar te geloven.

Het Parlementarisme in gebreke

Voor Oxenstierna echter is het maar een geluk, dat hij reeds destijds leefde en niet heden in onze snuggere republiek. Reeds voor de oorlog zagen velen in, dat onze grootste zwakte juist gelegen was in die inrichting, waarin de kracht van de staat belichaamd had moeten zijn; in het parlement, de Rijksdag. Hier waren lafheid en onverantwoordelijkheid op waarlijk onovertrefbare wijze verenigt. Men hoort tegenwoordig dikwijls de ondoordachte bewering uiten, dat het parlementarisme in Duitsland "sinds de revolutie in gebreke is gebleven". Daardoor wordt maar al te licht de indruk gewekt, alsof het voor de revolutie bijgeval anders was geweest. In waarheid echter is deze instelling niet bij machte om anders dan vernietigend te werken - en dit deed ze dan ook wel degelijk reeds in de tijd, dat de meeste mensen nog met oogkleppen rondliepen en niets konden of niets wilden zien. Want wat in Duitsland het huidige laagtepunt bereikte, is niet in de laatste plaats aan deze instelling te danken: dat de catastrofe echter niet eerder plaats vond, kan ook al niet op de debetzijde van het parlement worden geschreven, maar moet toegeschreven aan het verzet, dat er voor de oorlog nog steeds bestond tegen de werkzaamheid van deze doodgravers van de Duitse natie.

Reeds voor de oorlog in gebreke

Uit de grote massa van de rampen en onjuiste maatregelen, die deze inrichting direct of indirect op haar geweten heeft, wil ik slechts één enkel geval kiezen, dat het duidelijkste karakter van dit onverantwoordelijkste instituut aller tijden laat zien: de ontzettende slapheid en halfslachtigheid, waarmee de politieke leiding van het Rijk zowel naar buiten als naar binnen optrad, welke een van de hoofdoorzaken voor de ineenstorting werd en voornamelijk aan de invloed van de Rijksdag te wijten is. Half was alles wat ook maar in de allergeringste mate afhankelijk was van het parlement, wat het ook was. Halfslachtig en slap was de bondgenootschappolitiek van het Rijk. Terwijl men notabene bedoelde de vrede te bewaren, voerde men een politiek, waardoor men onherroepelijk bij een oorlog moest belanden. Halfslachtig was de politiek ten opzichte van Polen. Men irriteerde, zonder de zaak ooit werkelijk aan te pakken. Het resultaat was, dat men enerzijds geen overwinning voor het Duitse bloed wist te behalen en zich anderzijds niet wist te verzoenen met de Polen, terwijl men zich wel de vijandschap van Rusland op de hals haalde.

Halfslachtig was ook de oplossing van de Elzas-Lotharingse kwestie. In plaats van eens en voor altijd met onverbiddelijk geweld de kop van de Franse hydra te verpletteren, maar de Elzassers nadien dezelfde rechten toe te staan als de andere burgers van het Rijk genoten, deed men zomin het een als het ander. Men kon immers ook niet, omdat de grootste partijen ook de grootste landverraders herbergden - zoals b.v. de heer Wetterlé in het Zentrum. Maar dit alles was nog te verdragen geweest, wanneer de algemene slapheid zich ook niet van die macht had meester gemaakt, welke tenslotte de waarborg voor het bestaan van het Rijk betekende: van het leger. Wat de z.g. "Duitse Rijksdag" op dit gebied heeft misdaan, zou op zichzelf al voldoende zijn geweest om voorgoed de vervloeking van de Duitse natie over zijn schuldig hoofd uit te storten. Om de miezerigste redenen hebben deze parlementaire partijschoften openlijk en in het geheim alles in het werk gesteld, om onze natie dit wapen, waarmee ze zich kon verdedigen, het enige, dat altijd voor de vrijheid en de onafhankelijkheid van ons volk bereid stond, uit de hand te slaan.

Parlementaire halfslachtigheid

Indien de graven in de vlakten van Vlaanderen zich nu konden openen, dan zouden daaruit de onvermurwbare aanklagers opstaan, honderdduizenden van de beste jonge Duitsers, die door de gewetenloosheid van deze parlementaire misdadigers slecht en onvoldoende voorbereid in de armen van de dood werden gejaagd; het vaderland heeft hun millioenen jonge levens verloren en millioenen andere zonen slechts als verminkte wrakken teruggezien, enkel en alleen om het aan een paar honderd volksbedriegers mogelijk te maken, om politieke zwendelzaken, chantage of zelfs maar het afdreunen van doctrinaire theorieën mogelijk te maken. Terwijl het Jodendom door middel van zijn marxistische en democratische pers de leugen van het "Duitse militarisme" in de gehele wereld verkondigde, en zodoende met alle middelen trachtte, de schuld op Duitsland te werpen, weigerden de marxistische en democratische partijen haar steun te geven aan enige, waarlijk afdoende bundeling en consolidering van de Duitse volkskracht!

Bovendien moest een ieder, die maar even bedacht, dat in een eventuele komende oorlog toch de gehele natie de wapens zou moeten dragen, dadelijk inzien, dat het meer dan misdadig optreden van deze prachtige "volksvertegenwoordiging" mede ten gevolge moest hebben, dat millioenen Duitsers slecht en onvoldoende opgeleid en voorbereid, in de bajonetten van de vijand werden gestuurd. Maar zelfs wanneer men deze gevolgen van de platte en grove gewetenloosheid van onze parlementaire souteneurs geheel buiten beschouwing zou laten, dan zou men nog moeten erkennen, dat dit tekort aan geoefende soldaten aan het begin van een oorlog maar al te licht kon maken dat wij hem zouden verliezen, wat in de wereldoorlog ook op vreselijke wijze werd bewezen. Dat wij deze strijd om de vrijheid en onafhankelijkheid van de Duitse natie hebben verloren, is het gevolg van de stelselmatige slapheid en halfslachtigheid, welke zich reeds in vredestijd steeds weer vertoonden, zo gauw het er om ging, om nu inderdaad de gehele volkskracht paraat te doen zijn voor de verdediging van het vaderland.

Parlementarisme vergrijpt zich aan het leger

Terwijl men van de landmacht kon zeggen dat het aantal rekruten dat men opleidde te gering was, was diezelfde slapheid ook ter zee in de weer om onze verdedigingswapens min of meer van hun kracht te beroven. Helaas wist die futloosheid zich van de leiding van de marine zelf meester te maken. Het systeem, om alle op stapel gezette schepen altijd een beetje kleiner te houden dan de Engelse, welke terzelfder tijd werden gebouwd, getuigde van weinig inzicht en van nog minder genialiteit. Juist een vloot die zich van de beginne af bewust is dat het aantal eenheden, waarover zij kan beschikken, nooit het peil van een andere vloot, die waarschijnlijk haar tegenstander zal worden, kan bereiken, dient alles in het werk te stellen om dat numerieke nadeel zo goed mogelijk op te heffen, door de weerbaarheid van de eenheden op te voeren. Het gaat hier om de weerbaarheid en niet om een legendarische "betere kwaliteit". Door moderne techniek is het tegenwoordig zover gekomen, en is een zo grote uniformiteit van de ontwikkeling in alle grote beschaafde landen bereikt, dat men het rustig als onmogelijk kan beschouwen om schepen van de ene macht een waarlijk grotere gevechtswaarde te geven dan aan die van een andere.

Onjuiste vlootpolitiek

Maar nog veel minder is het mogelijk om die grotere gevechtswaarde te bereiken, wanneer men bovendien ook nog over minder ruimte beschikt. Die kleinere tonnage van de Duitse schepen moest inderdaad wel op kosten van de snelheid en de bewapening plaats vinden. De frase welke men gebruikte om dit feit toch nog te rechtvaardigen, toonde wel heel duidelijk, welk een kwalijk tekort aan logica er school bij de instantie welke hiervoor in vredestijd verantwoordelijk was. Men beweerde namelijk, dat het Duitse geschut van zo aanmerkelijk betere kwaliteit was dan het Britse; dat de Duitse 28 cm-kanonnen, technisch gezien, niet achterstonden bij de Britse 30,5 centimeters! Maar dat had nu juist reden moeten zijn om ook tot het aanschaffen van 30,5 cm-geschut over te gaan, omdat het immers niet de bedoeling is om aan een ander gelijk te worden, doch integendeel, om hem in gevechtswaarde te overvleugelen. Anders zou het immers ook overbodig zijn geweest voor het leger om de 42 cm-mortieren aan te schaffen, omdat geen enkel type van het toen aanwezige Franse krombaangeschut tegen de Duitse 21-cm-mortieren op kon, en de vestingen ongetwijfeld een bombardement uit de 30,5 cm-mortieren niet hadden kunnen verduren.

Maar de leiding van de landmacht redeneerde zuiver, en dat deed die van de marine helaas niet. De enige reden echter, dat men er reeds van tevoren van afzag om de kwaliteit van de artillerie tot het maximum op te voeren, en anderzijds al evenmin trachtte om dan tenminste de grootst mogelijke snelheid te bereiken, lag echter geheel aan de z.g. "risico-idee", welke ten enenmale onjuist was. De leiding van de marine bouwde een vloot van zodanige kwaliteit en afmeting, dat aan een aanval eenvoudig niet gedacht kon worden, waardoor de werkzaamheid van dit wapen reeds van het begin af aan noodzakelijkerwijze op defensiegebied moest worden gezocht. Mede daarmee deed men tevens afstand van het uiteindelijk succes, dat toch steeds enkel en alleen in de aanval kan liggen. Een schip, dat minder snel en zwakker bewapend is, zal door de snellere tegenstander, die over zwaarder geschut beschikt, meestal van de afstand die deze laatste het beste past, in de grond worden geboord. Dat was iets, wat een aanzienlijk aantal van onze kruisers aan den lijve moest ondervinden.

Hoe door en door fout die mening was, welke de leiding van de marine er in de vredesjaren op na hield, bleek wel tijdens de oorlog, toen wij gedwongen werden om met alle macht oude schepen weer te bewapenen en nieuwe van een betere uitrusting te voorzien. Indien de Duitse schepen echter in de slag bij het Skagerrak dezelfde tonnage, uitrusting en beweeglijkheid hadden bezeten als de Engelsen, dan zou de Britse vloot het onderspit hebben moeten delven door de orkaan van effectieve Duitse 38 cm-granaten, welke onze scherpschietende vuurmonden op haar hadden doen neerkomen. Japan heeft destijds een heel andere vlootpolitiek gevoerd. Het zorgde er stelselmatig voor, dat ieder nieuw schip over grotere gevechtswaarde beschikte dan die van de macht, waartegen men het waarschijnlijk zou moeten gebruiken. Maar daardoor werd het ook mogelijk, dat de vloot later als aanvalswapen kon worden gehanteerd. Terwijl de landmacht zich bij de opbouw van zijn instrument nog vrij wist te houden van zo principieel onjuiste gedachtegangen, werd de marine, die helaas ook al "beter" vertegenwoordigd was in de Rijksdag, het slachtoffer van de parlementaire geest.

De strijd van de landmacht tegen halfslachtigheid

De marine was volgens halfslachtige beginselen opgebouwd, en ook toen men haar tenslotte in de strijd wierp, deed men dat zonder de moed tot consequentie in enige richting. De onsterfelijke roem welke onze marine, niettegenstaande al deze tegenwerkende factoren, toch nog wist te behalen, was enkel te danken aan de goede soldatengeest en aan de onvergelijkelijke heldenmoed van de officieren en manschappen op zichzelf. Indien de generale staf van de marine in die jaren even geniaal was geweest als haar ondergeschikten dapper, dan waren deze offers niet vergeefs gebracht. Zodoende was het misschien juist de parlementaire knapheid en vaardigheid van de vooroorlogse leiders van de marine, welke dit wapen in het verderf voerde, doordat deze leiders nu ook bij de opbouw niet meer van zuiver militaire oogmerken, maar van parlementaire uitgingen. De halfslachtigheid en zwakte, en ook het gebrek aan logisch denkvermogen, waarmee dit parlementaire instituut behept is, sloegen maar al te gemakkelijk over op de leiding van de vloot. Zoals ik reeds zei, wist de landmacht zich nog verre te houden van dergelijke principieel onjuiste ideeën. Vooral Ludendorff, die destijds kolonel bij de grote generale staf was, streed met de moed der wanhoop tegen de misdadige halfslachtigheid en futloosheid, welke alle daden van de Rijksdag kenmerkte, wanneer deze over de levenskwesties van de natie moest beslissen.

Natuurlijk waren de meeste van die beslissingen regelrecht in strijd met de Duitse belangen. Dat de strijd, welke deze officier destijds uitvocht, toch niet met succes bekroond mocht worden, was enerzijds aan het parlement te wijten maar anderzijds aan de, zo mogelijk nog droeviger en slapper houding van de rijkskanselier Bethmann Hollweg. Dit belet natuurlijk de heren, die schuldig staan aan de ineenstorting van Duitsland, toch in het geheel niet, om de schuld nu juist op de schouders te schuiven van de enige man, die zich tegen deze verwaarlozing van de nationale belangen verzette. Tenslotte maakt voor zulke geboren zwendelaars een leugen meer of minder ook al niets uit. Hij die bedenkt hoeveel offers de misdadige lichtzinnigheid van deze aller onverantwoordelijkste lieden ons volk heeft gekost, hoeveel mensenlevens doelloos vernietigd werden en hoeveel onnodig als wrakken terugkwamen, dat al die smaad en schande en mateloze ellende die heden ons deel is ook voorkomen had kunnen worden, en dan weet, dat al deze offers enkel er toe hebben gediend om een horde gewetenloze eerzuchtige baantjesjagers aan ministersportefeuilles te helpen, die zal begrijpen, dat men deze individuen inderdaad niet anders dan als schoften, schurken, schooiers en misdadigers kan betitelen, want zo er één slag lieden is die deze kwalificaties verdient, dan zijn dezen het wel. Naast deze volksverraders is iedere souteneur nog een man van eer.

De deugden van Duitsland

Het was zeer merkwaardig, dat alle werkelijke fouten van het oude Duitsland enkel dan onder de algemene aandacht werden gebracht, wanneer de innerlijke kracht van de natie daaronder te lijden kon hebben. Ja, wanneer zoiets het geval was, dan werden die onaangename waarheden eenvoudig met geweld aan de massa opgedrongen, terwijl men anders vele dingen maar liever beschaamd verzweeg en sommige zelfs platweg ontkende. Dit laatste zag men speciaal dan gebeuren, wanneer door openlijke behandeling mogelijk verbetering in een toestand had kunnen komen. Bovendien hadden de gezaghebbende functionarissen over het algemeen niet het minste begrip van de waarde en het karakter van de propaganda. Dat een verstandige en ononderbroken propaganda zelfs in staat is om een volk te doen geloven dat de hemel een hel, en omgekeerd, dat het ellendigste bestaan een paradijs is, dat was iets, wat alleen de Jood wist, en waarmee hij dan ook rekening hield; De Duitser, of beter, de Duitse regering, had daar niet het allerflauwste benul. En dit zou zich tijdens de oorlog nog op zeer bittere wijze wreken.

Tegenover al die fouten welke hier genoemd werden, en de talloze ongenoemde, stonden ook weer vele deugden. Wanneer men de fouten in een juist daglicht beziet, zal men moeten erkennen, dat de andere landen ook in sterke mate behept zijn met de meeste van onze gebreken en zelfs op vele punten nog veel heviger aan deze ziekten lijden dan wij, terwijl ze vele van onze werkelijke deugden niet bezitten. Als eerste van deze deugden kan men onder meer het feit noemen, dat het Duitse volk in bijna geheel Europa nog het meeste deed om het nationale karakter van zijn staatshuishouding te handhaven, en niettegenstaande vele slechte voortekenen toch het minst van alle aan de leiband van het internationale grootkapitaal liep. Dat was inderdaad wel een gevaarlijke deugd, die later ook de belangrijkste aanleiding tot de wereldoorlog werd. Indien men echter hiervan en van vele andere zaken van minder belang afziet, dan dient voorla de nadruk te worden gelegd op drie instellingen, die temidden van een zeer groot aantal gezonde krachtbronnen van de natie uitmuntten, en elke werkelijk voorbeeldig, gedeeltelijk zelfs ongeëvenaard waren.

In de eerste plaats de staatsvorm zelf en de speciale vorm, die men hiervoor in het moderne Duitsland had gevonden. Men kan hierbij de persoon van de vorsten rustig buiten beschouwing laten, omdat deze tenslotte mensen zijn, en dus ook met alle gebreken behept zullen kunnen zijn die nu eenmaal het deel zijn van deze aarde en van alles wat er tot deze aarde behoort - anders zou men iedere hoop op een gunstige ontwikkeling uit de huidige toestand moeten opgeven, omdat immers juist de moraal en het geestelijk peil van onze hedendaagse regeerders van zodanige aard zijn, dat het werkelijk ernstige moeite en een levendige verbeeldingskracht vereist, om zich levende wezens voor te stellen, die in nog mindere mate met deze kostelijke goederen zijn begiftigd. Wie de "betekenis" van de Duitse revolutie afmeet naar de betekenis en het formaat van de personen, die zij sinds november 1918 aan ons volk heeft geschonken, die zal zich bitter schamen voor het oordeel van onze nakomelingen, die niet meer door wetten-tot-bescherming-van-de-republiek enz. de mond gesnoerd zal kunnen worden, en die daarom datgene zullen zeggen, wat wij heden immers allen reeds inzien, namelijk dat de hersens en de deugd van onze Duitse leiders van het jaar 1918 en volgende, omgekeerd evenredig zijn met de grootte van hun mond en het aantal van hun fouten.

Vertegenwoordigers van oud en nieuw regime

Ongetwijfeld was de monarchie van velen, en vooral van de grote massa, volkomen vervreemd. Dat was het gevolg van het feit, dat de omgeving van de vorsten nu niet bepaald altijd bestond uit de allerintelligentste, en vooral niet uit de allereerlijkste figuren. Velen van hen stelden meer prijs op vleiers dan op rechtschapen kerels, en daardoor werden ze ook door deze vleiers van alles "op de hoogte gesteld". Dit was wel van zeer groot nadeel in een tijd, dat de wereld zojuist vele oude inzichten radicaal had gewijzigd, iets, wat natuurlijk ook ten opzichte van vele oude tradities van het hof was gebeurd. Zo kon bijvoorbeeld de doorsnee-man omstreeks het jaar 1900 geen bijzondere bewondering meer voelen voor de prinses, die in uniform langs het front van de troepen reed. Men was blijkbaar absoluut niet bij machte om zich voor te stellen, wat voor uitwerking zo'n parade op het volk zou moeten hebben, want in dat geval had men er zich wel voor gehoed om zulke ongelukkige gebeurtenissen in scène te zetten. Ook het gedweep met het humanisme van deze kringen, dat ook dikwijls een tamelijk gekunstelde indruk maakte, werkte eerder afstotend dan sympathiek. Wanneer het prinses X bijvoorbeeld behaagde om in de een of andere volksgaarkeuken eens te gaan proeven hoe het eten smaakte - natuurlijk met het beklende resultaat - dan had dat mogelijk vroeger een diepe indruk kunnen maken, maar in deze tijd was de uitwerking van zo'n scènetje min of meer anders.

Natuurlijk kan men hierbij als zeker aannemen, dat Hare Hoogheid er werkelijk geen flauw benul van had, dat het eten op de dag dat zij het kwam "onderzoeken", een ietsje anders was dan gewoonlijk; maar het feit dat de andere mensen dit wél wisten, was meer dan voldoende. Op die manier werkte ook de beste bedoeling belachelijk, of zelfs bijna prikkelend. Al die beschrijvingen waarop men ons vergastte, van de spreekwoordelijke soberheid van de vorst, hoe hij steeds voor dag en dauw opstond en hoe hij dan tot laat in de nacht letterlijk zat te zweten en te zwoegen, wat nog dubbel ernstig was met het oog op het steeds dreigende gevaar dat hij ondervoed zou raken, wekte tamelijk bedenkelijke reacties. Men wenste niet te weten, wat en hoeveel het de vorst behaagde te eten; men gunde hem zeker wel een 'voldoend' maal; men was er al evenmin op uit om hem de nodige slaap te roven; men was tevreden wanneer hij alleen maar als mens en man van karakter de naam van zijn geslacht en van zijn natie eer aandeed, en als regeerder zijn plicht vervulde. Al dat sprookjes vertellen baatte maar uiterst weinig, maar schaadde des te meer. Dit en veel andere kleine strubbelingen waren niet zo van belang. Maar het was veel erger, dat zich helaas van grote groepen van de natie de overtuiging meester maakte, dat men toch van bovenaf geregeerd werd, en dat de enkeling zich dus ook verder om niets behoefde te bekommeren.

Psychologische fouten van het oude regime

Zolang de regering inderdaad goed, of tenminste van goede wille was, viel dat nog wel mee. Maar het werd gevaarlijk, wanneer er eenmaal in plaats van de oude regering, die inderdaad het goede wilde, een nieuwe zou komen, die minder fatsoenlijk was; dan waren die willoze gedweeheden dat kinderlijke geloof de eerste rampen, die men zich maar kon denken. Maar tegenover dit gebrek en de vele andere stonden toch ook weer grote deugden. In de eerste plaats de stabiliteit van de gehele leiding van de staat, en het feit, dat tenminste de hoogste posities in de staat voor het doel van de eerzuchtige en berekenende politici onbereikbaar waren. Dit waren tenminste deugden, die aan de monarchistische staatsvorm te danken waren. Dan de eerwaardigheid van die laatste inrichting, en het gezag, dat er reeds daardoor van uitging; ook het feit, dat het ambtenarencorps en vooral het leger aan de invloed van partijpolitiek waren onttrokken. Bovendien was er nog het grote voordeel, dat de monarch als persoon de eerste macht in de staat betekende, en als zodanig steeds iedereen als voorbeeld kon worden gesteld als de drager van een zeer grote verantwoordelijkheid, wat men met de toevallige horde, die een parlementaire meerderheid is, nooit kan - en de spreekwoordelijke rechtschapenheid van de Duitse bestuursinstanties was ook in de eerste plaats daaraan toe te schrijven. Tenslotte was ook de culturele invloed, die de monarchie op het Duitse volk uitoefende, zeer groot, en was ook zeker wel van zo groot belang, dat andere fouten door dit voordeel werden gecompenseerd. De Duitse residentiesteden herbergden nog steeds een grote liefde voor de kunst, die in onze vermaterialiseerde tijd meer en meer dreigt te zullen uitsterven. Datgene, wat de Duitse vorsten juist in de 19e eeuw deden voor de kunst en wetenschap, was echt voorbeeldig. Onze tijd is in ieder geval niet in staat daar ook maar bij te halen.

Het leger - de onvervangbare school

Maar toch moet het leger worden beschouwd als de grootste positieve factor in deze tijd, toen de ontbinding van ons volkslichaam inzette en in steeds sterkere mate voortgang vond. Het leger was de grootste en beste school van de Duitse natie, en het was niet voor niets, dat de haat van al onze vijanden zich juist altijd richtte tegen deze muur, die voor onze nationale vrijheid en ons volksbestaan stond. Deze ongeëvenaarde instelling kan toch waarlijk niet op betere wijze gehuldigd worden, dan door het vaststellen van het feit, dat zij door alle minderwaardige individuen belasterd gehaat, bestreden of gevreesd werd. Dat te Versailles de woede van de internationale uitbuiters der volkeren zich in de eerste plaats concentreerde op het oude Duitse leger, was een bewijs temeer, hoezeer dit onze vrijheid tegenover de macht van het beurskapitaal had verdedigd. Indien deze ijzeren wil niet waarschuwend gereed had gestaan, dan was de bedoeling van Versailles al lang aan ons volk voltrokken. Wat het Duitse volk aan zijn leger te danken heeft, kan zeer kort, in één woord worden samengevat, namelijk: alles.

Het leger voedde de man op tot onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid in een tijd, dat deze eigenschap reeds zeer zeldzaam was geworden, en het steeds meer mode werd om zich zoveel mogelijk daaraan te onttrekken, in navolging van het prototype van alle onverantwoordelijkheid dat parlement werd genoemd; het voedde verder op tot persoonlijke moed in een periode, dat de lafheid een steeds meer voortwoekerende ziekte dreigde te zullen worden, toen de offervaardigheid, om eigen lijf en leven voor het algemeen welzijn te wagen, al bijna voor een domheid werd aangezien, en men enkel nog die man voor wijs aanzag, die zijn 'ikheidje' het beste wist te sparen en te verwennen: het was de school die de Duitsers stuk voor stuk nog wist in te prenten, dat het heil van de natie in onwaarachtige frasen over de internationale verbroedering tussen negers, Duitsers, Chinezen, Fransen, Engelsen enz., maar in de kracht en eendracht van het eigen volk. Het leger voedde op tot vastberadenheid, terwijl zich overal elders reeds twijfel en besluiteloosheid van de mensen hadden meester gemaakt. Het wilde wat zeggen dat het leger kans zag om het principe, dat een bevel beter was dan geen bevel, hoog te houden in een tijd, dat overal de lieden die zeer sluw alleen op eigen voordeel uit waren, de boventoon voerden. Dit ene principe was nog vol van die onbedorven, robuuste gezondheid, die ons leven op andere gebieden reeds lang had verloren, wanneer het leger en zijn opvoedingssysteem niet voor de altijddurende vernieuwing van deze veerkracht had gezorgd.

Men behoeft enkel maar de ontzettende besluiteloosheid van onze huidige regering te zien, die nooit de moed weet te vinden tot een werkelijke daad, tenzij dan, wanneer ze, door geweld gedwongen, een nieuw uitplunderingsverdrag moet ondertekenen; in dat geval schuift zij iedere verantwoordelijkheid van zich af en tekent met de vlotheid van een stenograaf in het parlement, alles, wat men haar maar wil voorleggen; in zo'n geval kan ze makkelijk besluiten, omdat daarbij het besluit immers wordt opgelegd. Het leger voedde de mens op tot idealisme en tot offervaardige liefde voor het vaderland en zijn grootheid, terwijl overal elders hebzucht en materialisme de boventoon voerden. Het leger stelde door zijn opvoeding weer een eendrachtig volk tegenover de klasseverdeeldheid, en er was slechts één instelling binnen het leger, die men misschien als een fout had kunnen beschouwen: de vrijwilligers-met-één-jaar-diensttijd. Dit was daarom een fout, omdat hiermee inbreuk werd gemaakt op het principe van de absolute gelijkheid, en de meer-ontwikkelde hier weer werd geplaatst buiten het kader van zijn algemene omgeving, terwijl juist het tegendeel nuttig zou zijn geweest. Omdat onze beter gesitueerde kringen toch al zo bedroevend weinig met hun beide voeten op de grond stonden en steeds meer van hun eigen volk vervreemden, had juist ons leger hier zeer zegenrijk werk kunnen verrichten, wanneer het alleen maar in zijn rijen de scheiding tussen de zogenaamde intellectuelen en de andere volksgenoten had vermeden. Dat deze scheidingslijn toch werd getrokken, was een fout, maar welke inrichting op aarde kan geheel en al zonder fouten zijn?

Bij deze instelling echter was het goede zozeer in de meerderheid tegenover het slechte, dat de invloed van de enkele gebreken veel kleiner is dan meestal bij mensen en bij menselijke instellingen het geval pleegt te zijn. Maar als de grootste van alle deugden van het oude leger moet toch het feit worden beschouwd, dat het, in een tijd waarin alles en iedereen naar meerderheden rekende en telde, de mensen hoger wist te schatten dan het stomme cijfer. Het leger handhaafde tegenover de Joodsdemocratische idee, dat een blinde aanbidding van het getal betekende, het geloof in de betekenis van de persoonlijkheid. Zodoende wist het ook datgene voort te brengen wat de nieuwe tijdmeer nodig had dan iets ter wereld: mannen. Terwijl zich elders in het leven de verwijfdheid en verweking als een moeras uitbreidde, leverde het leger ieder jaar 350.000 oersterke jonge mannen, die in een diensttijd van twee jaar de weekheid van de jeugd hadden verloren en staalharde lichamen hadden gekregen. De jongeman echter, die in deze tijd had leren gehoorzamen, kon nu leren te commanderen. Alleen reeds aan de pas kon men de man herkennen, die zijn diensttijd achter de rug had. Dit was echter de hogeschool van de Duitse natie, en het was niet voor niets dat de grimmige woede van al degenen, die uit jaloezie en hebzucht het Rijk zwak en zijn burgers weerloos wensten, zich geheel concentreerde op onze weermacht. Dat, wat vele Duitsers uit verblindheid of kwaadwilligheid niet wilden zien, zag het buitenland maar al te duidelijk: het Duitse leger was het geweldigste wapen, waarover de Duitse natie beschikte om haar vrijheid en het brood van haar kinderen te verdedigen.

Het onvergelijkelijke ambtenarencorps

Het derde grote bezit van het oude Rijk naast de staatsvorm en het leger was het ongeëvenaarde ambtenarencorps. Duitsland was het beste georganiseerd en het best bestuurd van alle landen op aarde. Men kon gemakkelijk van de Duitse ambtenaar zeggen, dat hij bureaucratisch en pedant was, maar dat was in andere landen even erg en eerder nog erger. Maar wat die andere landen misten, was de prachtige solidariteit van dat apparaat en de onomkoopbaarheid en eer van de ambtenaren. Beter wat pedant, maar eerlijk en trouw, dan verlicht en modern, maar slecht van karakter, en - zoals men heden zo vaak ziet - zonder capaciteiten en zonder ergens van af te weten. Want wanneer men het nu zo graag doet voorkomen, alsof de Duitse bestuursambtenaren van oor de oorlog wel goede bureaucraten maar slechte kooplieden waren, dan kan daarop maar één antwoord worden gegeven: Welk land ter wereld bezat enige instelling die zo goed geleid was en, uit zakenoogpunt bezien, zo goed georganiseerd was, als de Duitse rijksspoorwegen? Er was een revolutie nodig om dit voorbeeldige apparaat zo grondig te vernielen, dat het tenslotte rijp scheen te zijn, om uit handen van de natie genomen en "gesocialiseerd" te worden, op de manier zoals de heren stichters der republiek socialisatie verstonden, d.w.z. om dienstbaar te worden gemaakt aan de lastgever van de Duitse revolutie: het internationale beurskapitaal.

Het Staatsgezag

Datgene, waardoor het Duitse beambtencorps en het Duitse bestuursapparaat vooral uitmuntten, was de onafhankelijke positie, die het tegenover iedere regering innam, zodat de toevallige politieke overtuiging van de regering geen invloed uitoefende op politieke kleur van de ambtenaren. Hierin is sinds de revolutie wel een zeer scherpe wijziging gekomen. De mensen werden niet meer naar hun capaciteiten, maar naar de partij waarvan ze lid waren, beoordeeld en uitgezocht, en de man die een zelfstandig onafhankelijk karakter bezat, ondervond daar eerder schade dan voordeel van. De grote kracht en sterkte van het oude Rijk waren geheel gebaseerd op deze drie kostbare bezittingen: zijn staatsvorm, zijn leger en zijn ambtenarencorps. Dat waren ook de hoofdoorzaken, dat die staat in zo hoge mate datgene bezat, wat aan deze ontbreekt: staatsgezag! Want staatsgezag berust nooit op geklets in parlementen of provinciale staten, ook niet op de wetten die haar beschermen, ook niet op vonnissen van rechtbanken, waarbij lieden, die het gezag al te brutaal ontkennen, veroordeeld worden, maar alleen op het algemene en rechtvaardige vertrouwen in de leiding en het bestuur van een gemenebest. Maar dit vertrouwen op zijn beurt kan weer alleen ontstaan uit de onwrikbaar diepe overtuiging, dat de regering en het landsbestuur onbaatzuchtig en eerlijk zijn, en uit het feit, dat de zin van de wetten overeenstemt met de algemeen heersende opvattingen over recht en moraal. Want op den duur kan geen enkel regeringssysteem door geweld gehandhaafd blijven, maar kan alleen het algemeen geloof, dat zij uit juiste motieven handelt en dat zij de belangen van het volk waarachtig steunt en bevordert, haar instandhouden.

De diepste oorzaak van de ineenstorting

Hoezeer dus de verschillende fouten Duitslands innerlijke kracht bedreigden, toch mag men nooit uit het oog verliezen, dat andere staten in nog veel ernstiger mate aan deze ziekten leden dan Duitsland, en toch op het kritieke moment niet in gebreke bleven en niet ten onder gingen. Wanneer men echter daarnaast bedenkt, dat de fouten, welke Duitsland voor de oorlog bezat, door even grote deugden rijkelijk werden gecompenseerd, dan kan en moet de diepste oorzaak van de ineenstorting toch nog op een ander terrein liggen; en dit was dan ook het geval. De diepste en uiteindelijke reden waarom het oude Rijk te gronde moest gaan, was gelegen in het feit, dat men het rassenprobleem niet zag, en niet begreep, wat een geweldige invloed dit uitoefent op de historische ontwikkeling van de volkeren. Want alle gebeurtenissen in het leven van de volkeren zijn geen toevalligheden, maar zijn natuurnoodzakelijke uitvloeisels van de wil tot instandhouding en vermeerdering van ras en soort, ook wanneer de mensen zelf zich vaak niet bewust zijn van de eigenlijke drijfveren, die hen bewogen.

Elfde Hoofdstuk / Volk en Ras

Er bestaan waarheden, die zozeer voor het grijpen liggen, dat ze juist daarom door de gewone mensheid niet worden gezien, of althans niet als zodanig worden herkend. De 'gewone man' gaat aan zulke waarheden als koeien dikwijls volkomen als een blinde voorbij en is hoogst verbaasd, wanneer plotseling iemand datgene ontdekt wat allen reeds lang behoorden te weten. De eieren van Columbus liggen overal bij honderdduizenden voor het grijpen, maar het enige is, dat de Columbussen zeldzamer zijn. Zo gaan alle mensen zonder uitzondering door de tuin van de natuur, verbeelden zich dat ze schier alles weten en kennen, en lopen toch als blinden aan één van de meest evidente grondslagen, waarop de werkzaamheid van die natuur berust, voorbij: n.l. het feit, dat alle soorten, waarin alle op aarde levende wezens zijn onderverdeeld, op zichzelf een afgesloten eenheid vormt. Reeds de meest oppervlakkige beschouwing laat duidelijk zien, dat er een bijna nooit overtreden grondwet is, waaraan al de ontelbare uitdrukkingsvormen van de levenswil van de natuur gehoorzamen, n.l. dat de voortplanting en de vermenigvuldiging van ieder afzonderlijk gebonden is aan de grenzen van de soort. Ieder dier paart zich alleen met een ander exemplaar van zijn eigen soort. Mezen met mezen, vinken met vinken, ooievaars met ooievaars, veldmuizen met veldmuizen, huismuizen met huismuizen, wolven met wolvinnen enz.

Alleen onder buitengewone omstandigheden kan er op deze regel inbreuk worden gemaakt voornamelijk door de dwang van gevangenschap, of in 't algemeen, wanneer er geen mogelijkheid bestaat om zich met een ander exemplaar van dezelfde soort te paren. Maar dan verzet de natuur zich ook met alle middelen hiertegen, en haar duidelijkste protest bestaat dan of in een afbreken van de verdere voortplantingsmogelijkheden of door de vruchtbaarheid van de volgende generaties te beperken; in de meeste gevallen echter ontneemt ze aan deze bastaards de weerstandskracht tegen ziekten of tegen aanvallen van vijanden. En dat is dan ook niet meer dan vanzelfsprekend. Iedere kruising tussen twee wezens van niet precies dezelfde hoogte van ontwikkeling levert als product een wezen, met een ontwikkeling die het midden houdt tussen die van de beide ouders. Dat wil dus zeggen, dat het jong wel hoger zal staan dan de ouder, welke qua ras het laagste stond, maar niet zo hoog als de andere ouder. Daarom zal in de strijd tegen dit hogere ras ook natuurnoodzakelijkerwijze het onderspit moeten delven. Zulk een paring gaat echter ook lijnrecht tegen de bedoeling van de natuur in, die er steeds op gericht is om het gehele leven op aarde tot steeds hogere ontwikkeling te brengen.

Het ras

Hiertoe is het echter noodzakelijk, dat niet het hogere met het lagere wordt verbonden, maar dat het alleen om het eerste gaat. De sterkere moet heersen en mag niet met de zwakkere samensmelten om zo zijn eigen grootheid te verspelen. Alleen een geboren zwakkeling kan deze natuurwet wreed vinden, maar daar is hij dan ook slechts een zwak en bekrompen mens voor; want indien deze wet niet van kracht was, dan zou er immers geen veredeling van de levende natuur denkbaar zijn. Het gevolg van deze overal in de natuur heersende drang tot zuiverheid van ras is niet alleen de scherpe begrenzing van elk ras, maar ook, dat de individuen van een bepaald ras allen een zelfde bepaald karakter hebben. De vos blijft steeds een vos, de gans een gans, de tijger een tijger, enz. en het onderscheid tussen de individuen kan hoogstens bestaan in een verschil in kracht, in scherpzinnigheid, in behendigheid of uithoudingsvermogen. Maar het zal bepaald een onmogelijkheid zijn om ooit een vos te vinden, die van nature humane gevoelens koestert ten aanzien van het geslacht van de ganzen, net zomin als er een kat bestaat, die door vriendschapsbanden met muizen is verbonden. Daarom ontstaat ook hier onderlinge strijd, niet zozeer ten gevolge van innerlijke afkeer, maar voornamelijk door honger en liefde.

In beide gevallen ziet de natuur rustig en zelfs tevredengesteld toe. De strijd om het dagelijks brood vernietigt alles wat zwak en ziekelijk en minder vastberaden is, terwijl de strijd van de mannetjes om het wijfje alleen aan het allergezondste exemplaar het recht op voortplanting, of althans de voortplantingsmogelijkheden, geeft. Steeds echter is de strijd een middel om de gezondheid en de weerstandskracht van de soort te verhogen, en is daardoor dus mede een middel ter veredeling van de soort. Indien het hierbij anders toeging, dan zou van geen vooruitgang en van geen veredeling sprake kunnen zijn, en zou men eerder het tegendeel kunnen constateren. Want omdat het minderwaardige altijd sterker in aantal is dan het meerwaardige, zou, indien levenskracht en voortplantingsmogelijkheid gelijk waren, het slechte element zich zo sterk vermeerderen, dat het meerwaardige tenslotte volkomen op de achtergrond werd gedrongen. Er moet dus een connectie in deze toestand komen ten gunste van de meerwaardigen. Dit doet de natuur nu echter door het leven van de zwakkere elementen aan zoveel zwaardere levenscondities te onderwerpen, dat alleen reeds daardoor het aantal wordt beperkt, en tenslotte door de rest niet zonder uitzondering in staat te stellen, zich te vermenigvuldigen, maar integendeel hier opnieuw een onverbiddelijke selectie maakt naar kracht en gezondheid. Terwijl ze dus enerzijds een paring van sterkere met zwakkere individuen ongewenst acht, staat ze anderzijds nog veel scherper afwijzend tegenover de samensmelting van hoger ras met lager, omdat anders immers haar gehele selectiearbeid van mogelijk honderdduizenden jaren met één slag weer ongedaan zou worden gemaakt. De geschiedenis geeft hiervoor talloze bewijzen. Zij toont met ontstellende duidelijkheid, dat overal, waar de Ariër zich met lagerstaande volkeren vermengde, dit zijn ondergang als cultuurdrager tengevolge had.

Het resultaat van een kruising van rassen

De bevolking van Noord-Amerika, dat voor het grootste deel uit Germaanse elementen bestaat, die zich slechts in zeer geringe mate met de lagerstaande kleurlingenvolkeren hebben vermengd, bezit een geheel andere cultuur en een geheel andere aard dan die van Middel- en Zuid-Amerika, waar de - hoofdzakelijk Latijnse - kolonisten zich soms in zeer sterke mate met de oorspronkelijke bewoners hebben vermengd. Dit ene voorbeeld toont reeds duidelijk de werking van een rassenvermenging. De Germaan op het Noordelijke vasteland van Amerika bleef onvermengd van bloed en raszuiver, en werd de heerser van het land; hij zal zolang heerser blijven tot ook hij zich aan bloedschande overgeeft. Het gevolg van iedere rasvermenging is dus, in het kort, altijd het volgende: a. het niveau van het hoogste van beide rassen wordt niet weer bereikt; b. er treedt een lichamelijke en geestelijke achteruitgang op, en daarmee het begin van een langzaam, maar zeker verkwijnen. Indien men zo'n ontwikkeling tot stand brengt, doet men niets anders dan inbreuk maken op de wil van de Eeuwige Schepper.

Doordat de mens tracht zich tegen de ijzeren logica van de natuur te verzetten, komt hij in strijd met de principes, waaraan hij ook zelf zijn bestaan als mens te danken heeft. Daardoor moet zijn optreden tegen de natuur tot zijn eigen ondergang leiden. Maar hier brengt de moderne pacifist even dom als Joodsbrutaal tegen in, dat "de mens daar dan eenvoudig de natuur overwint". Millioenen kletsen deze Joodse onzin gedachteloos na en beelden zich tenslotte ook nog in, dat ze zelf een soort "overwinnaars van de natuur" zijn, waarbij ze echter over geen andere wapen beschikken dan over een idee van zo miserabel allooi, dat het echt moeilijk is om zich een wereld voor te stellen die volgens dit principe is opgebouwd. Maar nog volkomen afgezien van het feit, dat de mens de natuur nog in geen enkel opzicht heeft overwonnen, maar totnogtoe er hoogstens nog in slaagde om het een of andere tipje van de geweldige, reusachtige sluier, die over haar eeuwige raadsels en geheimen ligt, in handen te krijgen, en nu kan proberen dit tipje op te heffen, dat hij in werkelijkheid niets uitvindt, maar alleen allerlei dingen ontdekt; dat hij niet de natuur beheerst, maar alleen, doordat hij enkele natuurwetten en geheimen kent, de heerser is geworden van degenen van de levende wezens, die deze wetten en geheimen niet wisten te doorgronden - dus nog geheel afgezien van al deze feiten, kan een idee nooit voorwaarden voor ontstaan en leven van de mens overwinnen, omdat de idee immers zelf slechts van de mens afhankelijk is.

Zonder mensen zou er geen menselijke idee op aarde mogelijk zijn; de idee als zodanig is dientengevolge nog altijd afhankelijk van de aanwezigheid van de mensen, en daardoor dus weer van al de wetten, die dit bestaan mogelijk maakten. Maar dat niet alleen! Bepaalde ideeën zijn zelfs aan bepaalde mensen gebonden. Dit geldt vooral voor zulke gedachten welke inhoud niet een exacte wetenschappelijke inhoud, maar een gevoelswaarheid behelzen, of die, zoals men dat heden ten dage zo mooi uitdrukt, "een innerlijk beleven" weergeven. Al deze ideeën, welke met de koude logica op zichzelf niets uitstaande hebben, maar zuivere gevoelsuitingen zijn, of producten van ethische overwegingen, zijn afhankelijk van het bestaan van de mensheid, omdat ze immers hun gehele bestaan te danken hebben aan haar geestelijke voorstellingskracht en scheppend vermogen. Maar dan is immers juist de handhaving van deze bepaalde rassen een eerste eis voor het voortbestaan van deze ideeën. Wie bijvoorbeeld werkelijk met geheel zijn hart zou wensen, dat de pacifistische gedachte in de wereld zou overwinnen, die moest met alle middelen er naar streven, dat de Duitsers de gehele wereld veroverden: want, wanneer het anders liep dan zou het maar al te licht kunnen zijn, dat met de laatste Duitser ook de laatste pacifist uitstierf, omdat geen enkel volk ter wereld te eniger tijd zo volkomen geloof heef gehecht aan deze tegennatuurlijke en hersenloze waanzin dan juist het onze.

Men zou dus, of men het nu plezierig vond of niet, wel moeten besluiten tot oorlog, teneinde het pacifisme werkelijkheid te doen worden. Dit, en niets anders was het ook, wat Wilson, de wereldheiland uit Amerika, nastreefde, tenminste, dat meenden onze Duitse fantasten - en het was er immers juist om begonnen, dat zij dat zouden geloven. Het is zeer goed mogelijk, dat de pacifistische - humanistische idee misschien op een bepaald ogenblik in de toekomst van grote waarde zal zijn, n.l. wanneer de hoogstaande mens er voordien in geslaagd is om een zo groot deel van de wereld te veroveren, dat hij van nu af heer en meester van de aarde is. Naarmate de kansen van deze idee, om schadelijk te werken, afnemen, neemt de mogelijkheid van een pacifistische toepassing toe. Dus eerst strijd en dan misschien pacifisme. Anders heeft de mensheid het hoogtepunt van haar ontwikkeling overschreden, en dan zal het niet op de heerschappij van de een of andere ethische idee uitlopen, maar op barbarendom, en tenslotte op de chaos. Mogelijk lacht hier iemand, maar hij moet dan bedenken, dat deze planeet al millioenen jaren lang zonder mensen door het heelal zweefde en misschien wel eens weer zo zal kunnen voortzweven, wanneer de mensen vergeten, dat ze het leven op aarde niet aan een paar krankzinnige ideologen, maar aan het inzicht in en de toepassing van onwrikbare natuurwetten te danken hebben.

Al datgene wat wij heden ten dage op deze wereld bewonderen - wetenschap en kunst, techniek en uitvindingen - is niets anders dan het voortbrengsel van slechts enkele volkeren, en oorspronkelijk misschien wel van één ras. Van deze volkeren hangt nu ook het voortbestaan van deze cultuur af. Indien zij ten onder gaan, dan zinkt met hen de schoonheid van deze aarde het graf in. Hoe sterk ook de invloed mag zijn die de bodem op de mensen weet uit te oefenen, toch zal de uitwerking van deze invloed steeds een geheel andere zijn, naar gelang het beïnvloede volk tot een ander ras behoort. In de levensruimte waarover een ras beschikt slechts zeer weinig vruchtbaar is, dan kan dat het ene ras tot de hoogste prestaties brengen, terwijl het bij een ander slechts tot bittere armoede en ondervoeding op het eind, met al de gevolgen van dien, zal leiden. Het karakter van het volk is steeds verantwoordelijk voor de invloeden, die uiterlijke omstandigheden uitoefenen. Wat de een doet verhongeren, brengt de ander tot harde arbeid. Alle grote beschavingen in het verleden gingen alleen te gronde, omdat het oorspronkelijk scheppende ras door bloedvergiftiging stierf. Steeds was een zelfde ding de diepste oorzaak van zo'n ondergang: men vergat, dat iedere cultuur van de mens afhankelijk is en niet omgekeerd; dat men dus, om een bepaalde cultuur te handhaven, de mens dient te handhaven, die deze beschaving voortbracht.

De Ariër als cultuurschepper

Maar deze beschaving is geboden aan de eeuwige wet van de noodzaak en aan het recht van de beste, van de sterkste, op de overwinning. Wie wil leven, moet dus vechten, en wie in deze wereld van eeuwige strijd niet vechten wil, die zal het leven niet kunnen houden, want hij verdient het niet. En zelfs wanneer dit wreed was, dan kunnen wij het toch hebben te aanvaarden, omdat de toestanden nu eenmaal zo zijn, en niet anders. Maar zeker is wel, dat het wreedste lot dat is van de man, die zich verbeeldt, dat hij de natuur zou kunnen overwinnen, en haar in werkelijkheid alleen maar bespot. Nood, rampen en ziekten zijn dan zijn deel. De mens die de wetten van het ras niet ziet of overtreedt, berooft zichzelf van het geluk, dat toch voor hem weggelegd schijnt. Hij belet het beste ras zijn zegetocht te volbrengen en werkt daarmee de eerste voorwaarde voor alle menselijke vooruitgang tegen. Vanaf nu zal hij, belast met de susceptibiliteit van de mens, in de wereld van het hulpeloze dier leven. Het is onbegonnen werk om te gaan ruziën over de vraag, welk ras of welke rassen nu de oorspronkelijke dragers van de menselijke cultuur waren, en daarmee dus de werkelijke stichters van al datgene, wat wij onder het woord "mensheid" verstaan.

Het is veel eenvoudiger, om deze vraag voor onze tijd te stellen, en dan is het antwoord ook gemakkelijk en duidelijk. Al datgene wat wij vandaag aan menselijke cultuur, aan kunstvoortbrengselen, aan producten van wetenschap en techniek voor ons zien, is bijna uitsluitend te danken aan het scheppend genie van de Ariër. Maar juist dit feit leidt ons tot de niet ongemotiveerde conclusie, dat hij ook de stichter van de eerste generatie hoger ontwikkelde mensen zal zijn geweest, en dus het oertype is van datgene, wat wij onder "mens" verstaan. Hij is de Prometheus van de mensheid; van zijn blanke voorhoofd sprong te allen tijde, door de gehele geschiedenis, de goddelijke vonk van het genie, en ontstak steeds opnieuw dat vuur, dat het licht van het inzicht en het begrijpen in de nacht van de zwijgende geheimen droeg, en dat de mens maakte tot wat hij is: de heerser over al de andere wezens op aarde.

Indien de Ariër werd uitgeschakeld, dan zou zich reeds na enkele duizenden jaren wederom de diepste duisternis over de aarde uitspreiden, de menselijke cultuur zou ten onder gaan en de wereld werd weer woest en ledig. Wanneer men de mensheid in drie soorten wilde indelen, in cultuurscheppende, cultuurdragende en cultuurvernietigende, dan zou men waarschijnlijk tot de eerste soort wel alleen de Ariër kunnen rekenen. De fundamenten en muren van alle scheppingen van de mensheid komen uit zijn handen en enkel de uiterlijke vorm en kleur hebben hun bestaan te danken aan de karaktertrekken van het een of andere toevallige volk. Maar de Ariër levert de geweldige bouwstenen en de plannen voor iedere vooruitgang van de mensen, en alleen de toevallige uitvoering is naar het beeld van een der willekeurige andere rassen gevormd. Over enige decennia zal b.v. heel Oost - Azië zich op een cultuur kunnen beroemen, waarvan de eigenlijke basis evenzeer aan de geest ver Hellenen en de techniek der Germanen ontleend is als bij onze cultuur het geval is. Alleen de uiterlijke vorm zal - gedeeltelijk althans - de trekken van het Aziatisch karakter dragen. Het is niet, zoals velen menen, dat Japan naast zijn cultuur de Europese techniek heeft aangeleerd, nee, de Europese wetenschap en techniek worden onveranderd toegepast, slechts met enkele Japanse eigenschappen versierd.

De werkelijke levensbasis is niet meer de specifiek Japanse cultuur, hoewel deze - omdat ze uiterlijk is en tengevolge van het grote verschil met het gelaat, dat zijn eigen land vertoond, de Europeaan meer treft - de kleur van het leven bepaalt, maar deze basis is de geweldige wetenschappelijke en technische arbeid, die Europa en Amerika, dus Arische volkeren, presteerden. En dit is ook de enige manier waarop het Oosten in de stroom van de algemene vooruitgang kan worden opgenomen. Door de zo aanvaarde principes wordt ook de strijd om het dagelijks brood mogelijk, en ontstaan de wapens en werktuigen daarvoor en alleen de buitenkant wordt langzamerhand een beetje aan het Japanse karakter aangepast. Indien van vandaag af aan iedere verdere inwerking van Arische invloeden op Japan achterwege zou blijven, dus gesteld dat Europa en Amerika ten onder gingen, dan zouden de Japanse wetenschap en techniek nog gedurende een korte periode in stijgende lijn kunnen blijven; maar reeds na enige jaren zou de bron opdrogen en het specifiek Japanse weer de overhand krijgen, maar de huidige cultuur zou verstarren en weer in de droom terugzinken, waaruit ze, zeven decennia geleden, door de invloed van de Arische cultuur gewekt werd.

Daarom zijn het, evenzeer als de Japanse ontwikkeling in onze dagen van Arische oorsprong is, ook vroeger in het grijs verleden vreemde invloeden en een vreemd genie geweest, die sindsdien de Japanse cultuur deden ontstaan. Het beste bewijs hiervoor is de wijze, waarop deze cultuur later verstarde en versteende. Dit is iets wat alleen kan optreden, wanneer het eigenlijk scheppend genie verloren ging, of de uiterlijke invloeden, die de aanstoot en het materiaal voor de eerste ontwikkeling op cultureel gebied, niet bleven werken. Wanneer men dus kan vaststellen, dat een volk de essentiële delen van zijn cultuur aan vreemde rassen heeft ontleend, en die in zich heeft opgenomen en verwerkt en dat het, wanneer geen andere aanvoer van buiten komt, steeds weer verstart, dan kan men zo'n ras wel "cultuurdragend", maar nooit "cultuurscheppend" noemen. Als men alle volken op deze wijze onderzoekt, dan moet men tot de conclusie komen, dat er bijna nooit sprake kan zijn van "cultuurscheppende", maar bijna altijd slechts van "cultuurdragende" naties. Steeds komt men weer tot één bepaald schema van hun ontwikkeling: Arische stammen -dikwijls in uiterst gering aantal - onderwerpen vreemde volken, en ontwikkelen nu, gestimuleerd door de bijzondere levensomstandigheden van het nieuwe gebied (vruchtbaarheid, klimaatomstandigheden) en door de grote menselijke hulp waarover zij beschikken, de organisatorische en geesteseigenschappen die in hen sluimeren.

Zij scheppen dikwijls in enkele duizenden jaren of zelfs in enkele eeuwen dan een cultuur, die oorspronkelijk geheel hun karaktertrekken vertoont, zij het dan ook, dat deze enigszins aan de genoemde eigenschappen van de grond en aan het karakter van de mensen zal zijn aangepast. Maar tenslotte overtreden de veroveraars het principe, dat zij aanvankelijk steeds wisten hoog te houden; zij houden hun bloed niet meer zuiver, gaan zich met de onderworpen volkeren vermengen, en maken daarmee een einde aan hun eigen bestaan; want de zondeval werd nog steeds gevolgd door de verjaging uit het paradijs. Na duizend en meer jaren spreken dan dikwijls de laatste sporen, welke met het bloed van het eens heersende volk in dat van het onderworpen ras achterliet, nog uit de lichtere huidskleur, en uit de verstarde cultuur, welke ééns door het oude herenvolk gewekt en gebouwd was. Want zoals het bloed van degenen, die door geest en zwaard overwonnen en heersten, verzonk in dat van die overwonnen en onderworpen, zo verloor ook de fakkel van de menselijke culturele vooruitgang zijn brandstof! Zoals de huiskleur door het bloed van het oude herenvolk een lichtere tint als herinnering behield, zo is ook de nacht van het culturele leven even verhelderd door de scheppingen, die zij, die eenmaal het licht droegen, hier achterlieten.

En deze scheppingen blijven en werpen hun licht dwars door al de weergekeerde barbaarsheid, en wekken bij de argeloze beschouwer maar al te vaak de indruk, dat het het beeld van het huidige volk is wat hij ziet, terwijl hij slechts de spiegel van het verleden voor zich heeft. Dan kan het gebeuren, dat zo'n volk voor de tweede maal in de loop van zijn geschiedenis of vaker nog in aanraking komt met het ras van diegenen, die eens zijn cultuur brachten, zonder dat er ook maar de minste herinnering aan vroegere ontmoeting boven hoeft te komen. Onbewust zal het overschot van het meerderwaardige bloed zich naar deze nieuwe invloed richten, en wat eens alleen door dwang mogelijk was, kan nu door eigen vrije wil geschieden. Een nieuwe cultuurstroom houdt zijn intocht en blijft zolang voortduren, tot zijn dragers opnieuw in het bloed van de vreemde volken ten onder gaat. De cultuur en wereldgeschiedenis van de toekomst zal deze gang van zaken dienen na te gaan, en mag niet omkomen in de overvloed van het uiterlijk feitenmateriaal, zoals wij het helaas maar al te vaak bij onze tegenwoordige geschiedeniswetenschap moeten constateren. Alleen al uit deze schets van de ontwikkeling van de "cultuurdragende" naties volgt echter ook het beeld van het ontstaan, de invloed en de ondergang van het enige, waarlijk cultuurscheppende ras van deze aarde: de Ariërs.

Evenals het zogenaamde genie in het dagelijkse leven een speciale reden, ja dikwijls waarlijk een dierlijke aanstoot nodig heeft om zijn gaven tot ontplooiing te brengen, zo heeft het in het leven van de volkeren het geniale ras dit ook nodig. In de grauwe alledaagsheid van ons leven schijnen dikwijls ook belangrijke mensen onbetekenend te zijn en maar nauwelijks boven het gemiddelde van hun omgeving uit te steken; zo gauw ze echter in omstandigheden komen, waar anderen tekort schieten of hun zekerheid verliezen, komt de geniale natuur voor alleen zichtbaar uit die onaanzienlijke doorsneemens tevoorschijn, niet zelden tot stomme verbazing van al degenen, die hem totnogtoe nog slechts in de kleinheid van het dagelijks leven hadden aanschouwd - daarom ook, dat een profeet in eigen land maar zelden geëerd wordt. Men heeft nergens een betere gelegenheid om dit te constateren dan in de oorlog. Uit schijnbaar onbetekende, onnozele kinderen stormen plotseling, in uren van nood, als alle anderen versagen, helden op met doodsmoed op het gelaat, met stalen vastbeslotenheid en met een ijzig koel overleg. Als dit uur van de beproeving niet gekomen was, dan zou waarschijnlijk wel niemand ooit hebben gedacht aan de mogelijkheid, dat in die baardloze jongen een jeugdige held verborgen was. Bijna steeds is er zo'n aanstoot nodig om het genie te wekken. De slag van de moker van het noodlot die de een neerslaat, springt bij de ander plotseling klinkend van staal terug, het verbergend kleed van alledag valt af en de verbaasde ogen van de wereld zien de kern open en bloot voor zich liggen.

Dan gelooft ze haar ogen niet, en wil niet aannemen, dat dit wezen, dat zo aan al die anderen gelijk scheen, plotseling een geheel ander wezen zou zijn; en op deze wijze geschiedt waarschijnlijk de ontwikkeling van ieder belangrijk mensenkind. Hoewel een uitvinder bijvoorbeeld de grondslag voor zijn roem eerst op de eigenlijke dag van die uitvinding legt, mag men toch niet menen, dat de man ook eerst op dit moment een genie zou zijn geworden - nee, de vonk van het genie is sinds zijn geboorte in het hoofd van de waarlijk scheppende mens aanwezig. Ware genialiteit is altijd aangeboren en nooit een product van opvoeding of onderricht. Dit gaat echter, zoals gezegd, niet alleen voor de enkeling, maar ook voor het ras op. Volken, die scheppend werk verrichten, moeten vanaf het begin hiertoe begaafd zijn geweest, ook als is dat mogelijk niet dadelijk opgemerkt door de man, die het oppervlakkig beschouwde. Ook hier moeten grote daden zijn volbracht, voordat men op erkenning kan rekenen, omdat de rest van de wereld immers niet bij machte is, genie als zodanig te herkennen, maar enkel de zichtbare uitingen daarvan, in de vorm van uitvindingen, ontdekkingen, bouwwerken, beeldhouwwerken, enz. kan zien; maar ook hier duurt het dikwijls nog zeer lange tijd, voordat de rest van de wereld tot het inzicht van de genialiteit weet te komen.

Evenals in het leven van de belangrijke enkeling de geniale of in ieder geval buitengewone aanleg eerst onder de invloed van bepaalde omstandigheden in de praktische werkelijkheid tot uitdrukking kan worden gebracht, zo kan het ook in het leven van de volken gebeuren, dat men pas vruchten kan plukken van reeds lang bestaande scheppende krachten en scheppend genie, wanneer hiertoe bijzondere aanleidingen bestaan. Het duidelijkst is dit wel gedemonstreerd aan dat ras, wat de drager van de menselijke culturele ontwikkeling was en is - aan de Ariërs. Nauwelijks brengt het noodlot hen in bijzondere omstandigheden, of hun steeds aanwezige capaciteiten beginnen zich sneller te ontplooien en zich in tastbare vormen uit te drukken. De culturen, die zij in zulke gevallen scheppen, worden bijna altijd in hun eigenheden bepaald door bodem, klimaat - en de onderworpen mensen. Nu is dit laatste inderdaad van de bijzaken bijna het belangrijkste. Hoe primitiever de gegeven technische omstandigheden zijn, waaronder een cultuur zal groeien, des te noodzakelijker is de aanwezigheid van menselijke hulpkrachten, die dan georganiseerd en benut worden om de kracht van de machines te vervangen. Indien de Ariër deze mogelijkheid, om lager staande mensen te benutten, niet had gehad, dan had hij ook nooit de eerste wankele schreden op het pad naar zijn cultuur kunnen zetten; evenmin als hij zonder de hulp van bepaalde daarvoor geschikte dieren, die hij wist te temmen, ooit in staat was geweest om tot een techniek te komen, die nu maakte dat hij juist deze dieren langzamerhand kon missen.

Het oude spreekwoord: "De moor heeft zijn plicht gedaan, de moor kan gaan", bevat helaas een maar al te grote waarheid. Duizend jaar lang moest het paard de mens dienen en helpen, het eerste begin te volbrengen van een ontwikkeling, die nu door de auto het paard zelf overbodig maakte. Binnen enkele jaren zal het nu geheel zijn uitgeschakeld, maar zonder hulp in de vroeger jaren zou de mens waarschijnlijk nooit het stadium, waarin hij zich nu bevindt, hebben bereikt. Zo was dus voor het ontstaan van een hogere cultuur de aanwezigheid van lagerstaande mensen een van de meest dwingende eisen, omdat alleen deze menselijke kracht de technische hulpmiddelen, die nu eenmaal nodig zijn voor iedere hogere ontwikkeling, kan vervangen. De eerste menselijke cultuur was heel zeker in de eerste plaats gebaseerd op het benutten van de kracht van lagerstaande mensen, en eerst daarna op de exploitatie van die getemde dieren. Eerst nadat de onderworpen rassen volkomen dienstbaar waren gemaakt, begon ditzelfde lot ook dieren te treffen en niet omgekeerd, zoals zoveel mensen menen te moeten geloven. Want eerst werd de ploeg getrokken door de overwonnene, en eerst later door het paard. Maar alleen pacifistische dwazen kunnen ook hierin weer een symptoom van de menselijke verdorvenheid zien, zonder te begrijpen dat deze ontwikkeling eenvoudig moest plaats vinden om het punt te bereiken, waarop heden deze apostelen hun kwakzalverij kunnen staan te verkondigen.

De vooruitgang van de mensheid lijkt veel op het beklimmen van een eindeloze ladder; men kan nu eenmaal nooit hoger op komen wanneer men niet eerst zijn voet op de onderste sporten heeft gezet. Daarom moet de Ariër die weg gaan, die de werkelijkheid hem dwong te gaan, en niet die welke een fantastische pacifist zich droomt. De weg van de werkelijkheid echter is moeilijk en hard, maar hij leidt tenslotte naar dat punt, waar de andere zo graag droomde de mensheid te willen brengen. Maar in werkelijkheid leidt die droomweg eerder van dat punt af dan er naar toe. Het is dus ook geen toeval, dat de eerste culturen daar ontstonden waar de Ariër in botsing kwam met de vreemde volken, deze onderwierp en hun zijn wil oplegde. Zij vormden het eerste technische instrument in dienst van een wordende cultuur. Maar daarmee was de weg, die de Ariër moest gaan, reeds scherp aangegeven. Als veroveraar onderwierp hij lagerstaande volken en regelde dan hun praktische werkzaamheid, die onder zijn bevelen plaats moest vinden, zoals hij dat wilde, en met het oog op de doeleinden die hij nastreefde. En doordat hij deze onderworpenen zo aan een nuttig, maar hard werk zette, spaarde hij niet alleen hun levens, maar gaf hun zelfs nog een lot, dat waarschijnlijk beter was dan hun vroegere zogenaamde "vrijheid".

Gevolgen van de bloedvermenging

Zolang hij onverbiddelijk op zijn heersersstandpunt bleef staan, bleef hij niet alleen heerser, maar ook de handhaver van bestaan en vooruitgang van de cultuur. Want deze cultuur was uitsluitend het product van zijn capaciteiten en was dus ook direct afhankelijk van zijn voortbestaan als zodanig. Zogauw echter de onderworpenen zich begonnen te ontwikkelen, en waarschijnlijk ook de taal van hun heersers overnamen, vielen de scherpe grenzen tussen heer en knecht weg. De Ariër gaf de reinheid van zijn bloed op, en verloor daarom het paradijs, dat hij om zich had geschapen. Hij verzonk in het moeras van de rasvermenging, verloor langzamerhand steeds meer zijn culturele kracht, tot hij tenslotte niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk meer op de onderworpen oorspronkelijke bewoners begon te lijken, dan op zijn voorvaderen. Een tijdlang kon hij nog teren op de aanwezige cultuurgoederen, maar daarna verstarde het alles en verzonk hij in vergetelheid. Zo storten culturen en rijken ineen, om vrij baan te maken voor nieuwe vormen. De bloedvermenging en de daardoor ontstane daling van het peil van het ras is de enige oorzaak dat zovele oude culturen ten onder zijn gegaan; want de mensen gaan niet ten gronde aan verloren oorlogen, maar aan het verlies van die weerstandskracht, die alleen het zuivere bloed kan schenken. Alles wat op deze aarde niet van zuiver ras is, is zonder waarde.

Alle grote gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis zijn slechts uitingen van de drang tot zelfbehoud, die, in de goede of in de kwade zin, aan ieder ras eigen is. De vraag naar de diepere oorzaken van het feit, dat de Ariër in betekenis zozeer boven de andere aardbewoners uitsteekt, kan enigszins nader worden bepaald door het feit vast te stellen, dat deze niet zozeer in een sterkere ontwikkeling van de levenswil op zichzelf gezocht moet worden, maar juist in de specifieke wijze van uiting. De levenswil is, subjectief gezien, overal even groot, en verschilt alleen in de vorm waarin deze zich vertoont. Bij de vroegste levende wezens concentreert de levenswil zich uitsluitend op het eigen ik. Het "egoïsme", zoals wij deze drang noemen, gaat hier zover, dat het zelfs zijn invloed doet gelden op de tijd, zodat ieder ogenblik voor zich weer aanspraak maakt op alles wat er te krijgen is, en niet bereid is, om ook maar het allerminste aan de toekomstaf te staan. Ieder dier leeft in dit stadium alleen voor zich, zoekt alleen voedsel voor zijn actuele honger en vecht alleen voor zijn eigen leven. Zolang de levenswil zich echter in deze vorm uit, ontbreekt iedere basis, waarop een gemeenschap gebouwd had kunnen worden, zelfs de meest primitieve gezinsvorm. Om de gemeenschap tussen mannetje en wijfje langer te laten duren dan alleen de ogenblikken van de paring, moet de levenswil reeds een hogere trap van ontwikkeling hebben bereikt, zodat de zorg en de strijd voor eigen ik ook een tweede individu kan omvatten; het mannetje zocht soms ook voor het wijfje voedsel, maar meestal zoeken ze beiden voedsel voor de jongen.

Oorzaken van de betekenis van de Ariër

Het ene exemplaar komt bijna altijd voor het andere op, zodat we hier de eerste, uiterst primitieve vormen van offervaardigheid kunnen constateren. Zogauw deze band zich uitbreidt buiten de nauwe grenzen van het gezin op zichzelf, ontstaat de mogelijkheid om grotere gemeenschappen en tenslotte staten te vormen. Bij de laagst ontwikkelde mensen op aarde is deze eigenschap slechts in zeer zwakke mate aanwezig, zodat dikwijls het gezin reeds de grootste gemeenschap is. Naarmate men dan echter weer bereid wordt om de zuiver persoonlijke belangen opzij te schuiven, wordt ook de kansop de vorming van meer omvattende gemeenschappen groter. Deze offervaardigheid, dus de bereidheid om de eigen arbeid, en zonodig het eigen leven te offeren voor het geheel van de anderen, is bij de Ariër het sterkst ontwikkeld. De grootheid van de Ariër is niet in de eerste plaats gelegen in het feit dat hij over zo grote geestesgaven beschikt, maar vooral in zijn grote bereidwilligheid, om al zijn capaciteiten in dienst van de gemeenschap te stellen. De levenswil is bij hem tot de hoogste, edelste ontwikkeling gekomen, doordat hij uit vrije wil het leven van de gemeenschap boven zijn eigen individuele bestaan stelt, en dit zo nodig zelfs opoffert. De reden, dat de Ariër culturen schept en opbouwt, is dus niet gelegen in zijn intellectuele begaafdheid.

Indien hij niets anders had bezeten dan dat, dan had hij daarmee alleen vernietigend kunnen werken, maar in geen geval organiserend; want de eerste voorwaarde voor het ontstaan van een organisatie is toch wel, dat de enkeling zijn mening en zijn eigen belangen ondergeschikt maakt aan de persoon en het belang van een bepaald aantal organisch verbonden mensen. Hij krijgt zijn deel dan eerst weer terug langs een omweg, n.l. via het algemeen belang. Hij werkt nu b.v. niet meer onmiddellijk voor zichzelf, maar zijn werk vormt een onderdeel van het door het geheel verrichte, dus niet meer uitsluitend voor zijn eigen belang, maar in het voordeel van het geheel. Deze mentaliteit komt het beste tot uitdrukking in de opvatting die deze man heeft van het begrip "arbeid". Hij verstaat daaronder namelijk zeer bepaald niet slecht de willekeurige bezigheid waarmee hij in zijn levensonderhoud voorziet, maar alleen een inspanning, die niet in tegenspraak is met de belangen van het algemeen. En die menselijke bezigheid die alleen gericht is op de instandhouding van de eigen persoon, zonder in het minst rekening te houden met het belang van de anderen, heet voor hem diefstal, woeker, roof, inbraak, enz. Deze mentaliteit, die eist dat het belang van het eigen ik ten bate van dat van de gemeenschap aan belangrijkheid inboet, is werkelijk de eerste voorwaarde voor iedere menselijke cultuur, die wezenlijk die naam waardig is.

Dienstbaarheid aan de gemeenschap

Alleen uit zo'n voedingsbodem kunnen de grote werken van de mensheid opgroeien, die hun schepper weinig loon brengen, maar die voor het nageslacht de rijkste vruchten zullen afwerpen. En alleen deze mentaliteit doet ons begrijpen hoe het mogelijk is, dat veel mensen een sober, streng en eerlijk leven kunnen leiden, dat voor henzelf niets dan armoede en karigheid meebrengt, maar dat de grondslagen van de gemeenschap in stand houdt en beschermt. Iedere arbeider, iedere boer, iedere uitvinder, ambtenaar, enz., die werkt zonder ooit zelf tot geluk en welstand te kunnen geraken, is een drager van deze verheven idee, ook al blijft hem mogelijk de diepere betekenis van zijn arbeid voor altijd verborgen. Maar wat van de arbeid als grondslag voor de menselijke voeding en voor iedere menselijke vooruitgang kan worden gezegd, is nog veel meer waar voor de bescherming van de mens en de door hem ge bouwde cultuur. De opoffering van het eigen leven voor het bestaan van de gemeenschap is het hoogste blijk van offervaardigheid, dat een mens kan geven. Alleen die eigenschap, die bereidheid, om ook het hoogste te offeren, kan verhinderen, dat datgene wat door mensenhanden werd gebouwd ook weer door mensenhanden wordt afgebroken of door de natuur wordt vernietigd.

En nu bezit juist onze taal een woord, dat dit streven op krachtige wijze aanduidt, zij spreekt van "plichtsvervulling"; dat wil zeggen, niet zichzelf zoeken, maar de gemeenschap dienen. De levenshouding die zulke daden doet verrichten, noemen wij - als tegenstelling tot egoïsme, zelfzucht - idealisme. Daaronder verstaan wij alleen de offervaardigheid van de enkeling voor het geheel, voor zijn medemensen. Hoe nodig is het echter, dat men zich steeds weer bewust wordt, dat het idealisme niet zomaar een overbodige gevoelsuiting vormt, maar dat het in werkelijkheid de eerste voorwaarde, het eerste bouwmateriaal was, is, en zal zijn voor datgene, wat wij menselijke cultuur noemen, en nog sterker, dat dit idealisme eigenlijk pas het begrip "mens" heeft geschapen. De Ariër heeft zijn plaats in de wereld aan deze levenshouding te danken, en de wereld dankt hieraan op haar beurt het bestaan van de mens: want deze opvatting alleen heeft uit zuivere geest de scheppende kracht doen ontstaan, die de ruwe vuist op ongeëvenaarde wijze verbond met het geniale intellect en zo doende de monumenten van de menselijke beschaving schiep. Indien hij, de Ariër, deze idealistische levenshouding niet had ingenomen, dan zouden al deze geesteseigenschappen, hoe schitterend ook, slechts geest zijn gebleven, uiterlijke schijn zonder innerlijke waarde, en zouden zij nooit scheppende kracht hebben bezeten.

Maar omdat het ware idealisme niets anders wil dan eenvoudig de belangen en de levens van de enkelingen achter te stellen bij die van de gemeenschap, en omdat deze offervaardigheid op haar beurt weer de onmiskenbare basis is voor iedere vorm van organisatie, kan men zeggen, dat deze gang van zaken waarlijk naar de natuur der dingen is, dus in overeenstemming is met de wil van de natuur. Dit idealisme alleen maakt dat de mens vrijwillig het hogere recht, waarop de kracht aanspraak kan maken, erkent en dat hij zodoende tot een microscopisch klein deeltje wordt in dat organisme, dat het gehele heelal schept en vorm geeft. Het zuiverste idealisme valt onbewust samen met het hoogste inzicht. Hoezeer dit waar is en hoe weinig het ware idealisme met speelse fantasieën te maken heeft, is iets, wat men dadelijk kan constateren, wanneer met het onbedwongen kind, een gezonde jongen b.v., laat oordelen. Dezelfde jongen, die niet het minste begrip heeft voor de "idealistische" tirades van een pacifist, en daar dan ook een instinctieve en besliste afkeer van heeft, is bereid, zijn jonge leven te offeren voor het ideaal, dat zijn volk voor hem betekent. Onbewust wordt hier het instinct geleid door het weten, dat de instandhouding van de soort, zonodig ten koste van de enkeling, een diepere noodzaak is, en even onbewust protesteert dat instinct tegen de luchtkastelen van de pacifistische kletstante, die haar egoïsme weliswaar achter een menslievend masker verbergt, maar die in de grond van de zaak een laf egoïst blijft en als zodanig de eeuwige wetten van de ontwikkeling overtreedt; want deze ontwikkeling is afhankelijk van de offervaardigheid van de enkeling ten bate van het algemeen belang en niet van de ziekelijke voorstellingen van lieden die het beter willen weten dan de natuur en haar menen te moeten bekritiseren.

Het zuiverste idealisme is het diepste inzicht

Daarom zullen wij ook juist in tijden, waarin deze idealistische mentaliteit dreigt te verdwijnen, steeds onmiddellijk kunnen constateren, dat de gemeenschapvormende kracht, en daarmee dus ook de cultuurscheppende, afneemt. Wanneer het egoïsme eenmaal de overhand krijgt in een volk, dan verliezen de banden van de orde hun kracht, en al jagend naar eigen geluk komen de mensen uit de hemel pas werkelijk in de hel terecht. En het nageslacht vergeet de mannen, die enkel eigen voordeel zochten, en eert de helden die hun eigen geluk opofferden voor de gemeenschap. Het scherpst denkbare contrast met de Ariër vormt de Jood. Er bestaat nauwelijks een ander volk op aarde, waar de drang tot voortbestaan zo sterk ontwikkeld is, als juist bij datgene, wat zich het uitverkorene noemt. Het beste bewijs hiervoor is alleen al het feit, dat dit ras nog steeds bestaat. Is er één ander volk te vinden, dat in de laatste tweeduizend jaar zo weinig verandering in zijn aanleg, in zijn karakter, enz. heeft gekend als het Joodse? Welk volk tenslotte heeft groter omwentelingen doorgemaakt dan dit - en is toch steeds onveranderd uit de meest ontzettende catastrofen tevoorschijn gekomen? Wat toch een oneindig taaie wil tot leven, tot behoud van de soort spreekt uit deze feiten! De intellectuele capaciteiten van de Joden zijn in de loop van de jaren geschoold. Nu gaat hij voor "pienter" door, en was dat in zekere zin ook te allen tijde. Maar ... zijn verstand is niet een product van zijn eigen ontwikkeling, maar geheel te danken aan het aanschouwelijk onderwijs, dat hij van vreemden heeft genoten.

Ariër en Jood

Ook de menselijke geest is niet bij machte om zonder trapsgewijze indeling van zijn weg op te klimmen; hij heeft voor iedere hogere stap de basis van het verleden nodig, en juist bij belangrijke cultuurvraagstukken blijkt, hoe volkomen onmiskenbaar deze basis is. Ieder denken berust slechts voor een uiterst klein deel op eigen waarneming, maar voor verreweg het grootste deel op de ervaringen van de voorafgaande tijd. Het algemeen cultuurpeil maakt, dat de enkeling - meestal zonder dat hij opmerkt hoe weinig dit zijn eigen verdienste is - over zo'n grote voorraad materialen kan beschikken, dat hij met die steun gewapend, gemakkelijk zelf enkele stappen verder kan doen. De jongen van vandaag de dag bijvoorbeeld, groeit op te midden van een ware stortvloed van technische wonderen, die het resultaat zijn van de noeste vlijt van de laatste eeuwen, zodat hij veel, wat voor honderd jaren voor de grootste geesten nog een raadsel was, vanzelfsprekend vindt, en er als zodanig geen gedachte meer aan besteedt, hoewel al deze vraagstukken voor hem van primaire betekenis zijn, indien hij bij machte wil zijn om de vooruitgang die wij op dat gebied maken, te volgen en te begrijpen. Indien iemand, zelfs een geniale figuur uit de twintiger jaren van de vorige eeuw nu plotseling uit zijn graf zou kunnen opstaan, dan zou het voor hem moeilijker zijn om ook maar in de gedachtewereld van onze tijd thuis te raken, dan voor een middelmatige vijftienjarige jongen uit onze tijd.

Want hij zou al die oneindig veelsoortige voorbereidingen missen, die onze tijdgenoot praktisch gesproken onbewust toebedeeld krijgt, doordat hij temidden van de verschijnselen van de huidige vorm is opgegroeid. Omdat nu de Jood - om redenen, die straks duidelijk zullen worden - nooit een eigen cultuur bezat, zijn de fundamenten van zijn geestelijke arbeid steeds aan anderen ontleend. Zijn intellect heeft zich te allen tijde gebaseerd op de hem omringende cultuurwereld. Het omgekeerde vond nimmer plaats. Want al is ook de levenswil van het Joodse volk niet kleiner maar eerder groter dan bij andere volken, al kunnen zijn geestelijke capaciteiten ook zeer gemakkelijk de indruk wekken, dat ze van dezelfde kwaliteit waren als die van de andere rassen, toch ontbreekt hier ten enenmale de meest essentiële voorwaarde voor het scheppen van enige culturele waarde: de idealistische levenshouding. De offervaardigheid van het Joodse volk is niet zo sterk, dat zij de primaire wil tot voortbestaan van de enkeling weet te overwinnen. Het schijnbaar zo grote saamhorigheidsgevoel berust op een zeer primitief kudde-instinct, zoals vele andere wezens op aarde ons ook laten zien. Opmerkelijk is hierbij het feit, dat dit kudde-instinct slechts zolang leidt tot wederzijdse ondersteuning, als er een gemeenschappelijk gevaar bestaat, dat dit nuttig of onvermijdelijk doet schijnen.

Dezelfde troep wolven, die zojuist nog gemeenschappelijk zijn prooi overmeesterde, valt, wanneer de honger gestild is, weer in de afzonderlijke dieren uiteen. Datzelfde kan ook van de paarden worden gezegd, die eendrachtig proberen zich tegen de aanvaller te verdedigen om, nadat het gevaar geweken is, weer uiteen te stuiven. In diezelfde trant gat het ook met de Jood. Zijn offervaardigheid is maar schijn. Deze bestaat slechts zolang, als ze absoluut noodzakelijk is voor het bestaan van iedere enkeling. Nauwelijks echter is de gemeenschappelijke vijand overwonnen, is het gevaar, dat allen dreigt, voorbij, is de prooi in veiligheid gebracht, of de schijnbare harmonie onder de Joden houdt op, om weer plaats te maken voor de oorspronkelijke mentaliteit. Het Jodendom is enkel dan eensgezind, wanneer een gemeenschappelijk gevaar het daartoe dwingt of wanneer een gemeenschappelijke buit lokt; worden deze beide redenen opgeheven, dan vertoont zich het meeste krasse egoïsme, en het eensgezinde volk ontaardt in een handomdraai in een troep ratten, die elkaar onderling bloedig bevechten. Indien de Joden alleen waren op deze wereld, dan zouden ze enerzijds volkomen in hun eigen vuil en viezigheid, en anderzijds vol haat tegenover elkaar staan en wederzijds trachten elkaar te bezwendelen en uit te roeien, voorzover niet hun volkomen gebrek aan offervaardigheid, dat zijn uitdrukking vindt in hun lafheid, ook hier de strijd uitschakelde en door schijn verving. Het is dus volkomen onjuist, om uit het feit, dat de Joden eensgezind zijn in de strijd, of beter, in de uitplundering van hun medemensen, te willen concluderen, dat zij over een zeker idealistische offervaardigheid zouden beschikken.

De gevolgen van het Joodse egoisme

Ook hier is weer niets anders dan het platste egoïsme de drijfveer voor de Jood. Daarom is ook de Joodse staat - welke het levende organisme moet vormen, dat zorg draagt voor de instandhouding en vermeerdering van het ras - territoriaal volkomen onbegrensd. Want om een bepaald vast territorium te kunnen bezitten, is steeds in de eerste plaats nodig, dat het hier wonende ras een idealistische levenshouding huldigt, maar is het vooral ook een eerste vereiste, dat het het begrip "arbeid" in de juiste zin verstaat. Naarmate de levenshouding van het volk sterker afwijkt van de hierboven geschetste ideale mentaliteit van deze levenshouding, zal ook iedere poging om een territoriaal beperkte staat te vestigen, of zelfs te handhaven, meer kans op mislukking hebben. Maar daarmee wordt de basis, die onmiskenbaar is voor iedere cultuur, vernietigd. Daarom is het Joodse volk, over welke intellectuele eigenschappen het schijnbaar ook mag beschikken, toch van iedere ware cultuur, maar wel in 't bijzonder van iedere eigen cultuur verstoken. Want wat de Jood heden ten dage aan schijncultuur bezit, is het geestelijk goed van vreemde volken, dat meestal reeds onder zijn aanraking in verval geraakt. Als een zeer waardevol criterium voor de beoordeling van de positie, die het Jodendom ten aanzien van de menselijke cultuur inneemt, dient men steeds te onthouden, dat er nooit een Joodse kunst bestond, en dientengevolge ook heden niet bestaat, en dat het vooral op het gebied van de beide koninginnen onder de kunst - architectuur en muziek - geen enkel oorspronkelijk werk heeft weten voort te brengen.

De schijncultuur van het Jodendom

Wat het op kunstgebied presteert, is of vergroving of geestelijke diefstal. Maar dat betekent, dat het Jodendom juist die eigenschappen mist, waarmee de scheppende en daardoor cultureel hoogstaande rassen getekend zijn. Hoezeer de Jood altijd en overal de cultuur van anderen overneemt. En hoezeer hij daarbij zijn kunstontroeringen uit de tweede hand heeft, of beter nog, hoe verderfelijk hij daarbij optreedt, blijkt wel uit het feit, dat men hem het meeste aantreft in die kunst, die ooit het minste met eigen scheppend werk heeft uit te staan: het acteren. Maar zelfs hier si hij niets anders dan de "potsenmaker", of beter, de "na-aper"; want zelfs hier mist hij datgene, wat zou kunnen maken dat hij een werkelijk grote figuur ging betekenen; zelfs hier is hij geen scheppend genie, maar oppervlakkige na-aper, waarbij alle trucjes en listigheidjes die hij daarbij gebruikt, toch niet in staat zijn, het zo te laten lijken, alsof hij inderdaad wel over scheppende kracht beschikte. Maar hier komt de Joodse pers nu barmhartig te hulp door over iedere 'kunststumper', hoe middelmatig ook, wanneer hij maar Jood is, zo'n gejubel aan te heffen, dat de rest van de wereld tenslotte gelooft, een kunstenaar voor zich te zien, terwijl het in werkelijkheid slechts een miserabele kunstenmaker is. Nee, de Jood bezit niet de minste cultuurscheppende kracht, omdat hij het idealisme, dat de enig mogelijke basis is voor een werkelijk hogere ontwikkeling van de mensheid, niet kent, en ook nooit heeft gekend. Daarom zal zijn intellect nooit opbouwend werken, maar altijd vernietigend, en hoogstens, in uiterst zeldzame gevallen stimulerend, maar dan nog slechts als typisch voorbeeld van die "kracht die steeds het kwade wil en steeds het goede verricht".

De Jood is geen nomade

Het is niet door hem, wanneer de mensheid een stap vooruit zet, maar niettegenstaande alles, wat hij deed. Omdat de Jood nooit een stat met een vastomlijnd grondgebied bezat en er daardoor ook nooit sprake kon zijn van een eigen Joodse cultuur, kwam men tot de opvatting, dat dit volk er een was, dat tot de nomaden gerekend moest worden. Dit is een even grote als gevaarlijke vergissing. De nomade bezit zeer bepaald wel een eigen, vast omlijnde levensruimte, alleen met dien verstande, dat hij zich niet als boer heeft gevestigd en de grond bebouwt, maar dat hij leeft van de opbrengst van zijn kuddes, waarmee hij door zijn gebied rondzwerft. De meest in het oog springende reden hiervoor ligt in het feit van de geringe vruchtbaarheid van de bodem, waardoor het hem niet mogelijk is een vaste woonplaats te kiezen en door landbouw in zijn behoeften te voorzien. De diepere oorzaak echter moet gezocht worden in de wanverhouding tussen de technische cultuur ban een tijd of van een volk, en de natuurlijke armoede van zijn levensruimte. Er zijn gebieden, waar ook de Ariër geheel zijn speciale, in de loop van meer dan duizend jaren opgebouwde techniek nodig heeft, om er nederzettingen te vestigen, en om langzamerhand de weerbarstige uitgestrekte grond te kunnen dwingen, het brood voor de mensen voort te brengen. Als hij niet over deze techniek beschikte, dan moest hij of deze gebieden mijden, of eveneens in een eeuwig zwervend nomadenleven vervallen, als hij, die nu al meer dan duizend jaar lang gewend is aan de vaste woonplaatsen en nederzettingen, en wie zijn hele opvoeding-als-volk steeds op een "gevestigd" bestaan was gericht, zo'n lot tenminste nog zal kunnen verdragen.

De Jood is een parasiet

Men moet bedenken, dat in de tijd, dat het Amerikaanse vasteland mensen begon te trekken, talrijke Ariërs als jagers, vallenzetters, enz., hun dagelijks brood verdienden, en dan dikwijls in grotere groepen, vergezeld van hun vrouwen en kinderen, steeds rondzwierven, zodat hun bestaan volkomen identiek was met die van de nomaden. Zo gauw ze echter talrijk genoeg waren en over voldoende technische hulpmiddelen beschikten om de woeste grond te ontginnen en zich te verdedigen tegen de oorspronkelijke bewoners, zag men steeds meer vaste nederzettingen ontstaan. Waarschijnlijk was ook de Ariër aanvankelijk nomade, en werd hij eerst in de loop van de tijd tot wat hij nu is, maar dat wil toch niet zeggen dat hij ooit Jood was. Nee, de Jood is geen nomade: want ook de nomade had reeds een bepaalde opvatting van het begrip "arbeid", een opvatting als basis voor een latere ontwikkeling kon dienen, voor zover daartoe dan de nodige geestelijke voorwaarden aanwezig waren. Het fundament van zijn opvattingen, hoe gering deze ook nog ontwikkeld mogen zijn, is bij de nomade idealistisch, daarom is ook zijn gehele wezen van de Ariër misschien vreemd, maar toch niet onsympathiek. Bij de Jood daarentegen ontbreekt deze opvatting ten enenmale; daarom heeft hij ook nooit een eigenlijk nomadiserend leven geleid, maar was slechts een parasiet op het lichaam van andere volkeren. Dat hij daarbij soms van woonplaats verandert, is niet iets opzettelijks, maar is het gevolg van het feit, dat hij er weer eens is uitgegooid, een lot, dat al zijn gastheren hem van tijd tot tijd laten ondergaan.

Het feit echter, dat hij zijn gebied steeds uitbreidt, is typerend voor alle parasieten; hij zocht steeds nieuwe voedingsbodem voor zijn ras. Maar dit heeft daarom met nomadendom nog niets uit te staan, omdat het eenvoudig niet in de Jood opkomt om en eenmaal bezet gebied weer te ontruimen, maar hij steeds blijft waar hij is en zich met zo'n kracht op die plaats vastklemt, dat het zelfs zeer moeilijk is om hem met geweld te verjagen. Hij begint zich eerst in een ander land neer te zetten, wanneer daar aan bepaalde voorwaarden voor zijn bestaan is voldaan, zonder dat hij daardoor - zoals de nomade doet - daarom nu zijn oorspronkelijke woonplaats zou ontruimen. Hij is en blijft een typische parasiet, die ten koste van zijn gastheer leeft, die zich als een schadelijke bacil over een groter terrein uitbreidt, waar maar een goede voedingsbodem voor hem te vinden is: maar waar hij verschijnt, daar sterft na kortere of langere tijd het volk dat hem herbergt. Zo leefde de Jood te allen tijde in de staten van de andere volkeren en vormde daar zijn eigen staat in de staat, die dan zolang onder de naam "godsdienstige sekte" doorging, als het hem niet geraden scheen om het masker te laten zakken en zijn ware gelaat te tonen. Wanneer hij echter eenmaal tot de overtuiging was gekomen dat hij dit beschermende masker kon missen, dan deed hij het steeds af, en bleek plotseling datgene te zijn, wat voordien velen niet in hem had willen zien en hadden willen geloven: de Jood.

Joden geen "godsdienstige sekte"

Het leven dat de Jood als parasiet op het lichaam van andere staten en naties leidt, is oorzaak van een typische eigenschap, die Schopenhauer eens tot de reeds genoemde uitspraak bracht, dat de Jood de "grote meester van de leugen" was. De levensomstandigheden van de Jood dwingen hem tot die leugen, en wel tot een altijddurende leugen, zoals de levensomstandigheden van de mensen uit de koude streken hen dwingen om warme kleren te dragen. Zijn leven binnen andere volkeren is op den duur alleen mogelijk, wanneer hij kans ziet de suggestie te wekken, dat hij niet een volk, maar een bepaalde "godsdienstige sekte" van bijzondere aard vormt. Dit is nu de eerste grote leugen. Hij moet, om als parasiet op de volkeren te kunnen blijven voortleven, zijn eigen karakter verloochenen. En hoe intelligenter een Jood nu is, des te beter zal hij hierin slagen. Ja, het kan zelfs zover komen, dat de grote groepen van het volk, dat hem herbergt, in volle ernst geloven, dat de Jood werkelijk Fransman of Engelsman, Duitser of Italiaan is en dat hij zich alleen door zijn godsdienst van de anderen onderscheidt. Vooral staatsinstanties, die immers altijd slechts door het historische greintje wijsheid bezield schijnen te zijn, vallen maar al te gemakkelijk ten prooi aan deze infame zwendel. In deze kringen vat men het immers dikwijls als een zware zonde tegen de heilige promotie op, wanneer iemand het in zijn hoofd haalt om zelfstandig te gaan denken. Men moet er zich dan ook niet over verwonderen, dat b.v. een Beiers ministerie er ook heden (1924) nog niet het flauwste begrip van heeft, dat de Joden een bepaald volk en niet een bepaalde "godsdienstige sekte" vormen, hoewel een blik in de typisch Joodse krantenwereld voldoende behoorde te zijn, om dit zelfs de meest bekrompen geest onmiddellijk duidelijk te maken.

De Joodse godsdienst

Maar de "Judische Echo" is nu eenmaal nog niet tot staatsblad verheven en heeft als zodanig ook nog niet de minste waarde voor zo'n regeringspotentaat. Het Jodendom was steeds een volk, dat zich door bepaalde raskenmerken onderscheidde, en nooit een godsdienstig; maar zijn streven om hogerop te komen werd aanleiding, dat het al vroegtijdig naar een middel zocht, om te maken, dat men het wat minder algemeen op de vingers zou kijken; en welk middel was nu doelmatiger en tegelijk onschuldiger dan dit: om het van ouds gewaarborgde begrip "godsdienstige sekte" hier te benutten? Want ook hier is alles van elders ontleend - of beter: gestolen - op grond van zijn eigen karakter kan de Jood reeds daarom geen religieus leven hebben, omdat iedere vorm van idealisme hem vreemd is, en ook het geloof aan een hiernamaals. Men kan zich echter als Ariër geen godsdienst indenken, die iedere overtuiging, dat er een voortbestaan na de dood zal zijn, mist. De Talmud is dan ook niet een boek, dat voorbereidt op het hiernamaals, maar is een handleiding, hoe men aan deze zijde van het graf een praktisch en dragelijk leven kan leiden. De Joodse godsdienst is in de eerste plaats een aanwijzing voor de Joden, hoe ze hun bloed zuiver kunnen houden, daarnaast ook, hoe ze zich onderling, maar meer nog, hoe ze zich ten aanzien van de niet-Joodse wereld hebben te gedragen. Maar ook hier gaat het in 't algemeen niet over ethische vraagstukken, maar over zeer bekrompen zakelijke kwesties. Over de morele waarde van het Joodse godsdienstonderwijs bestaan heden, en bestonden trouwens te allen tijde reeds, tamelijk diepgaande studiewerken (niet van Joodse hand; het geklets van de Joden zelf over dit thema is natuurlijk volkomen propagandistisch bedoeld en als zodanig waardeloos), welke alle stuk voor stuk tot de conclusie komen, dat een dergelijke godsdienst, van Arisch standpunt gezien, bijna benauwend is te noemen. De beste definitie echter vindt men in het product van deze godsdienstige opvoeding, in de persoon van de Jood zelf.

De "wijzen van Zion"

Zijn leven is volkomen op het aardse gericht, en hij staat even vreemd tegenover het ware Christendom als hij tweeduizend jaar geleden stond tegenover de grote stichter ervan. Nu verborg deze zijn mening over het Joodse volk ook niet onder stoelen of banken en greep zonodig naar de zweep, om deze vijanden van iedere menselijkheid uit de Tempel des Heren te verdrijven, die ook destijds reeds de godsdienst slechts beschouwden als een middel om zaken te doen. Daarom werd Christus dan ook aan het kruis geslagen; maar ons tegenwoordige politieke Christendom acht het niet beneden zijn waardigheid om bij de verkiezingen te bedelen om Joodse stemmen, en om later te trachten met atheïstische Jodenpartijen politieke zwendelzaken op touw te zetten, en dat dan nog tegen het eigen volk. Op de basis van deze eerste en grootste leugen, dat het Jodendom geen ras, maar een godsdienstige sekte zou zijn, kan dan noodzakelijkerwijze niet anders ontstaan dan een geheel bouwwerk van leugens. Daaronder ook de leugen over de taal van de Joden, die voor hen geen middel is om hun gedachten uit te drukken, maar integendeel, om ze te verbergen. Hij spreekt Frans maar hij denkt Joods, en wanneer hij Duitse gedichten in elkaar timmert, doet hij toch niet anders, dan zijn eigen volkskarakter uitleven.

De ontwikkeling van het Jodendom

Zolang de Jood nog niet meester is geworden over de andere volkeren, moet hij goedschiks of kwaadschiks hun talen spreken. Zo gauw hij deze volkeren echter zou hebben onderworpen, zouden ze allen een wereldtaal (b.v. Esperanto) moeten leren, zodat het Jodendom hen hierdoor reeds des te gemakkelijker zou kunnen onderdrukken. Hoezeer het gehele bestaan van dit volk op een voortdurende leugen gebaseerd is, wordt op ongeëvenaarde wijze aangetoond in de "Wijzen van Zion", een werk, waartegen alles wat Joods is gloeiende haat koestert. "Het is een vervalsing!" kreunt keer op keer luidop de "Frankfurter Zeitung" en dat is wel het beste bewijs voor de echtheid ervan. Het komt er in het geheel niet op aan, welk Jodenbrein deze onthullingen heeft verkondigd, een feit is echter, dat ze met bijna ontzettende juistheid het karakter en het streven van het Joodse volk bloot leggen en het innerlijke verband zo goed als het hoogste einddoel uiteenzetten. De werkelijkheid echter is de meest reële toetssteen voor de echtheid. Wie aan de hand van dit werk de geschiedkundige ontwikkeling van de laatste honderd jaren nagaat en onderzoekt, die zal ook onmiddellijk begrijpen waarom de Joodse pers zo schreeuwt. Want wanneer dit boek eenmaal geestelijk bezit van het gehele volk is geworden, dan kan men het Joodse gevaar al wel als gebroken beschouwen.

Om de Jood te leren kennen, kan men het beste de weg nagaan, die hij in de loop van de eeuwen door de andere volkeren is gegaan. Men hoeft slechts een geval volkomen na te gaan, en weet dan reeds dadelijk, wat voor vlees men in de kuip heeft, om tot het nodige inzicht te komen. Omdat zijn ontwikkeling te allen tijde dezelfde was, zoals het immers ook steeds dezelfde volkeren zijn die hij aantast, is het aan te raden om bij zo'n beschouwing de ontwikkeling in bepaalde stadia te verdelen, die ik in dit geval voor het gemak met letters aanduid. De eerste Joden zijn in de Romeinse tijd naar Germanië gekomen en dat wel, als altijd, als handelaars. In de stormen van van de volksverhuizing zijn ze echter naar het schijnt, weer verdwenen, en daarom kunnen wij de tijd, dat de eerste Germaanse staten ontstonden, aannemen als het tijdstip, waarop Centraal- en Noord Europa opnieuw, en ditmaal definitief, verjoodst begon te worden. Nu begint een ontwikkeling die steeds dezelfde of een soortgelijke was, wanneer ergens Joden en Arische volkeren met elkaar in aanraking kwamen.

Met het ontstaan van de eerste vaste nederzetting is de Jood plotseling aanwezig. Hij komt als handelaar, en stelt er aanvankelijk nog maar weinig prijs op, om het volk waartoe hij behoort, te verloochenen. Hij is nog Jood, misschien ook ten dele, omdat het uiterlijke verschil in ras tussen hem en het gastherenvolk te groot is, omdat hij nog te weinig van de taal afweet, en omdat het andere volk nog een al te scherp afgesloten geheel is, dan dat hij zou kunnen wagen, om voor iets anders te willen doorgaan dan een vreemde handelaar. Door zijn gladheid en de onervarenheid van het volk, waarop hij leeft, betekent het voor de Jood ook geen nadeel, wanneer hij zijn vreemdheid niet verbergt, doch eerder voordeel; men komt de vreemdeling vriendelijk tegemoet.

Dan begint hij langzamerhand ook in het economische leven zijn werkzaamheid uit te oefenen, niet als producent, maar uitsluitend als tussenpersoon. Met zijn duizend jaar oude geslepenheid als handelsman is hij de nog onhandige, maar vooral grenzeloos eerlijke Ariër, verreweg de baas, zodat reeds na korten tijd de gehele handel dreigt in zijn handen te zullen komen. Hij begint met het uitlenen van geld, en wel, zoals altijd, tegen woekerrente. Inderdaad voert hij hier voor het eerst de rente in. Aanvankelijk ziet men in het geheel geen gevaar in deze nieuwe instelling, maar begroet haar zelfs dankbaar, vanwege de ogenblikkelijke voordelen, welke men in haar ziet.

De Jood heeft zich nu voorgoed gevestigd, dus hij bewoont bepaalde wijken in steden en in dorpen. De handel en alle financiële kwesties beschouwt hij als zijn onvervreemdbaar privilege, en buit dit gebied meedogenloos uit.

Alle geldzaken en de gehele handel zijn nu uitsluitend in zijn handen. Zijn woekerrente wekt uiteindelijk verzet, zijn groeiende onbeschaamdheid geeft aanleiding tot verontwaardiging, zijn rijkdom tot jaloezie. Wanneer hij nu ook nog met de grond gaat handelen, en deze zodoende dus tot een verhandelbaar goed vernedert, dan is de maat vol. Omdat hij zelf nooit de grond bebouwt, maar deze slechts als uitbuitingsobject beschouwt, waarop de boer gerust mag blijven werken, maar waar hij zich de bitterste onderdrukking van zijn nieuwe heer zal moeten laten welgevallen, groeit de afkeer tegen hem langzamerhand tot openlijke haat. Zijn bloedzuigende tirannie wordt zo groot, dat men zich aan hem gaat vergrijpen. Men begint de vreemdeling steeds scherper te bezien, en ontdekt steeds meer afstotende karaktertrekken en -eigenschappen, tot de kloof tenslotte onoverbrugbaar wordt. In tijden van den bitterste nood breekt uiteindelijk woede tegen hem los, en de uitgeplunderde en materieel ten ondergang gedoemde massa's besluiten tot zelfverdediging, om zich te verweren tegen die gesel Gods. In de loop van enkele eeuwen hebben ze hem leren kennen, en reeds voelen ze het blote feit van zijn aanwezigheid als een verschrikking van even grote afmetingen als de pest.

Nu begint de Jood echter zijn ware eigenschappen te vertonen. Met stotende vleierij kruipt hij naar de regeringen, laat zijn geld werken, en bezorgt zich zodoende steeds opnieuw een vrijbrief, welke hem het recht geeft, om ongestraft nieuwe slachtoffers uit te plunderen. En al vlamt de volkswoede tegen de bloedzuiger ook van tijd tot tijd hoog op, toch is dat voor hem in het minst geen bezwaar, om na enkele jaren opnieuw op te duiken op de plaats, welke nog maar nauwelijks koud was, en het oude leventje weer op dezelfde voet voort te zetten. Geen vervolging is in staat te maken, dat hij zijn systeem van mensenuitbuiting opgeeft, geen vervolging kan hem verdrijven. Na korte tijd is hij terug, en is weer volkomen de oude. Om het allerergste tenminste te voorkomen, begint men hem bij de wet te verbieden, grond te kopen.

Naarmate de macht van de vorsten begint toe te nemen, begint hij zich meer aan deze op te dringen. Hij bedelt "vrijbrieven" en "privileges" af, en de heren, die aan voortdurende geldnood lijden, staan hem het gewenste tegen passende betaling maar al te graag toe. Welke prijs hij hiervoor ook betaalt, het brengt hem na luttele jaren het uitgegeven geld met rente op rente weer terug. Een ware bloedzuiger is hij, die zich op het lichaam van het ongelukkige vastzet, en niet te verwijderen is, tot de vorsten zelf weer geld nodig hebben, en hem het uitgezogen bloed hoogst persoonlijk weer aftappen. Dit spel herhaalt zich onophoudelijk, waarbij de rol van de zogenaamde "Duitse vorsten" al geen greintje beter is, als die der Joden zelf. Deze heren waren waarlijk straffen Gods voor hun geliefde volkeren, en hun weerga is eerst in onze tijd in verschillende ministers terug te vinden. Het is aan de Duitse vorsten te wijten, dat de Duitse natie geen kans zag, om zich definitief van het Joodse gevaar te verlossen. Helaas kwam er ook later in die toestand niet de minste wijziging, zodat de Jood hun enkel het duizendvoudig verdiende loon betaalde voor de zonden, die zij een met hun volkeren begingen. Ze sloten een verbond met de duivel, en vielen daarom tenslotte ook in zijn handen.

Zo spant hij langzaam zijn net en dit wordt de vorsten noodlottig. Langzaam maar zeker verliezen zij het contact met hun volkeren, en wel des te sterker, naarmate ze de belangen van hun onderdanen meer verwaarlozen, en in steeds sterkere mate ten koste van deze mensen gaan leven. De Jood weet precies, waar zoiets op uitloopt en doet al het mogelijke, om dit proces te verhaasten. Hij zelf vergroot hun voortdurende financiële nood door hen steeds meer te vervreemden van hun ware taak, door op de allerergste manier de stroopkwast te hanteren, door hen tot ondeugden te verleiden en zich zodoende tegelijkertijd steeds onontbeerlijker te maken. Zijn handigheid, of beter zijn onscrupuleusheid in alle geldzaken doet hem steeds nieuwe middelen vinden, om de uitgeplunderde onderdanen, steeds nieuwe geldmiddelen af te persen, ja om ze in de meest ware zin des woords te villen. En al dit geld gaat dan steeds kortere tussenpozen de weg van alle stof. Zo heeft ieder hof zijn "hofjood", zoals men die monsters noemt, die het volk tot wanhoop drijven en het vermaak van de vorsten op zo grandioze wijze weten te verzorgen. En het zal wel niemand verbazen dat deze sieraden van het menselijke geslacht tenslotte ook de uiterlijke tekenen van hun belangrijkheid ontvangen, en in de erfelijke adelstand worden verheven, waardoor ze bovendien ook nog weer helpen, om deze inrichting niet alleen bespottelijk te maken, maar ook te vergiftigen. Nu kan hij natuurlijk pas goed zijn positie benutten, om vooruit te komen. Tenslotte behoeft hij immers niets anders te doen, dan zich eenvoudig maar even te laten dopen, om in het bezit van alle mogelijkheden te komen, welke voor het volk zelf openstaan, en evenzo van al zijn rechten. Hij regelt dit zaakje ook niet zelden, op die manier, waarbij de kerk zich verheugt over de nieuw verworven zoon, en Israël over de gelukte zwendelarij.

In het Jodendom begint zich nu ook een verandering te voltrekken. Totnogtoe waren zij allen Joden d.w.z. men stelde er geen prijs op, om zich als iets anders voor te doen en kon dit ook niet, omdat de wederzijdse rassenkenmerken al te duidelijk spraken. Nog ten tijde van Frederik de Grote komt het bij niemand meer op, om in de Joden iets anders te zien dan het "vreemde volk", en Goethe is nog ontzet bij de gedachte, dat in de toekomst een huwelijk tussen Christenen en Joden niet meer bij wet verboden zou zijn. En Goethe was toch waarlijk geen conservatief en geen heloot; uit hem sprak enkel de stem van het bloed en die van het gezonde verstand. Zo zag het volk - niettegenstaande het schandelijk optreden van de hoven - instinctief in de Jood het vreemde element in het eigen lichaam, liet zijn houding ook door dit instinct bepalen. Maar nu zou dit alles dan anders worden. In de loop van meer dan duizend jaren is hij de taal van het volk, waarbij hij woont, in zoverre machtig geworden, dat hij meent het nu wel te kunnen wagen, om eens wat minder de nadruk te leggen op zijn Jood-zijn, en nu eens wat meer op de voorgrond stellen dat, wat de anderen ook mogen denken, hij zich tenminste als Duitser wenst te beschouwen, want, hoe belachelijk en krankzinnig het aanvankelijk ook schijnt, toch heeft hij de brutaliteit, zich in een "Germaan", in dit geval dus in een "Duitser" te veranderen. Dat is het begin van één der brutaalste bedriegerijen, die men zich denken kan. Omdat hij werkelijk letterlijk niets van het Duitse volkseigen bezit, en alleen de truc verstaat, de taal op afschuwelijke wijze te radbraken, is dus zijn gehele Duitser-zijn enkel gebaseerd op de taal. Maar het ras is niet gelegen in de taal, doch uitsluitend in het bloed, iets, wat niemand beter weet dan de Jood, die slechts weinig waarde hecht aan het behoud van zijn taal, maar er daartegen buitengewoon prijs op stelt, dat zijn bloed zuiver blijft. Een mens kan zonder moeite zijn taal veranderen, d.w.z. hij kan een andere gebruiken; maar hij zal in zijn nieuwe taal zijn oude gedachten uitdrukken; zijn karakter wordt niet veranderd. Dat kan men het duidelijkst gedemonstreerd zien aan een Jood, die duizend talen kan spreken, en toch altijd precies dezelfde Jood blijft. Zijn karaktereigenschappen zijn dezelfde gebleven, of hij nu voor tweeduizend jaar als graanhandelaar in Ostia Romeins sprak, of dat hij in onze tijd als meelspeculant een Duits met Joodse tongval laat horen. Het is dus steeds dezelfde Jood. Dat een normaal referendaris of hogere politieambtenaar van onze tijd iets zo vanzelfsprekends niet inziet, is nu echter ook weer vanzelfsprekend, omdat er maar weinig op deze aardbodem rondloopt met een groter tekort aan instinct en geest dan juist deze dienaren van ons voorbeeldig hedendaags staatsgezag. De reden, waarom de Jood besluit, plotseling "Duitser" te worden, is duidelijk genoeg. Hij voelt dat de macht van de vorsten langzaamaan begint te tanen, en streeft er daarom naar, nog bijtijds een andere vastere grond onder de voeten te krijgen. Overigens heeft zijn financiële hegemonie in het gehele economische leven reeds een zodanig stadium bereikt, dat hij, om dit reuzengebouw in stand te houden, en in ieder geval, om het verder uit te breiden, absoluut alle "staatsburgerlijke" rechten moet bezitten. En hij wenst enerzijds in stand te houden, en anderzijds uit te bouwen, want hoe hoger hij komt, des te nader en des te verlokkender stijgt uit de nevelen van het verleden zijn oude, hem eenmaal beloofde doel; en met koortsachtig verlangen zien de scherpsten uit Juda de droom van de wereldheerschappij weer in grijpbare nabijheid komen. Daarom is zijn gehele streven er op gericht, om in het volle bezit van de "staatsburgerlijke" rechten te komen. Dit is de reden, waarom hij uit het getto emancipeert.

Zo ontstaat uit de hofjood langzamerhand de volksjood, d.w.z. de Jood blijft natuurlijk als voorheen in de omgeving van de hogere heren, en hij probeert zelfs eerder nog meer in hun kring te worden opgenomen; maar tezelfdertijd tracht een ander deel van zijn ras goede maatjes te worden met het volk. Wanneer men bedenkt, hoeveel hij in de loop van de eeuwen aan de massa misdeed, hoe hij die massa telkens opnieuw genadeloos uitperste en uitzoog, wanneer men verder bedenkt, hoe diep daardoor de haat van het volk voor hem geworden was, en hoe het tenslotte in hem enkel een straf van de hemel kon zien, dan kan men enigszins begrijpen, hoe moeilijk deze koerswijziging de Jood moest vallen. Het is inderdaad een zware taak, om de zo vlijtig gevilde slachtoffers nu opeens te doen geloven, dat hij nu een "mensenvriend" is. Hij begint dan ook, met in de ogen van het volk weer goed te maken, wat hij vroeger aan dat volk misdeed. Omdat zijn pas ontdekte goede hart uit zeer zakelijke redenen geboren is, kan hij zich bezwaarlijk laten leiden door het oude Bijbelwoord, dat de linkerhand niet mag weten wat de rechterhand doet, maar is wel genoodzaakt, om aan een zo uitgebreid mogelijk auditorium te laten weten, dat het lijden van de massa hem toch zo innig bedroeft, en dat hij daartegen zijnerzijds zoveel mogelijk doet, om de nood te lenigen. En door zijn aangeboren bescheidenheid trompet hij zijn eigen weldaden zolang in de oren van zijn medemensen, tot deze er werkelijk in beginnen te geloven. Wie er niet in gelooft, doet hem bitter onrecht aan. Na korten tijd reeds begint hij het zo te verdraaien, dat het lijkt, alsof hij tenslotte nog steeds het slachtoffer van grof onrecht was geweest, en niet omgekeerd steeds de bedrijver ervan. En vooral domoren geloven dit grif en voelen zich nu gedrongen tot diep medelijden met de arme "ongelukkige". Overigens moet hier nog worden opgemerkt, dat de Jood, hoe groot zijn offervaardigheid ook mag zijn, toch wel zorg draagt, dat hij nooit zelf verarmt. Hij weet goed wat hij doet; en dikwijls is zijn liefdadigheid alleen te vergelijken met de mest, die immers ook niet uit liefde voor het land wordt uitgestrooid, maar alleen uit voorzorgsmaatregel, opdat later de baat des te groter zal zijn. In ieder geval echter te weten allen na korte tijd reeds, dat de Jood een "weldoener en vriend der mensheid" is geworden. Welk een vreemde verandering! Nu is het echter zo gesteld, dat de verschillende eigenschappen, welker aanwezigheid bij een ander als min of meer vanzelfsprekend wordt beschouwd, de grootste verbazing, en bij velen zelfs kennelijke bewondering oproepen, wanneer ze zich bij den Jood schijnen voor te doen, omdat het nu eenmaal niet vanzelfsprekend is, dat hij ze bezit. Langzaamaan wordt hij zo de woordvoerder van een nieuwe tijd. Nu verwoest hij echter ook steeds grondiger alle grondslagen voor een economie, die echt aan het volk dienstbaarder zou zijn. Via het aandeel weet hij ook in de kringloop van de nationale productie te komen, en maakt ook deze tot een koopbaar of beter tot een versjacherbaar object, en maakt, dat de bedrijven de betrekkelijke zekerheid, welke ze toch altijd hebben, indien ze persoonlijk bezit zijn, verliezen. Daardoor eerst ontstaat tussen werkgever en werknemer die diepe vervreemding, die later de politieke splitsing van de klassen ten gevolge heeft. Maar nu begint de Joodse invloed in het economisch leven, via de beurs, benauwend snel aan te groeien. Hij wordt de eigenaar van de gehele nationale arbeidskracht, of houdt althans al de touwtjes in handen. Om nu zijn politieke positie te versterken, tracht hij de grenzen, welke tussen hem en de andere bewoners bestaan, de verschillen in ras en in staatsburgerrechten, welke hem voorlopig nog bij al zijn doen en laten beperken, weg te vagen. Om deze reden vecht hij met alle taaiheid waarover hij beschikt voor religieuze verdraagzaamheid - en de vrijmetselarij, welk een willig werktuig is in zijn handen, kan hiertoe prachtig dienen, en kan hem trouwens ook overigens nog goede diensten bewijzen bij de doelen, welke hij al zwendelend nastreeft. De regeringskringen en ook de meest gegoede milieus van de politieke en economische bourgeoisie raken in zijn netten verward en worden met gebonden handen en voeten aan hem uitgeleverd, dikwijls zonder dat ze er ook maar het flauwste vermoeden van hebben.Alleen het volk als zodanig, of beter de stand, welke bezig is te ontwaken en om zelf zijn rechten en vrijheden vecht, is nog te ongezond, om in grote getale deze listen ten prooi te vallen. Dat het echter ook in Joodse handen komt, is noodzakelijker dan enige andere kwestie; want de Jood voelt wel, dat hij alleen dan tot een overheersende positie kan opklimmen, wanneer zich voor hem een "baanbreker" bevindt; en hij meent die baanbreker in de bourgeoisie, en wel in de meest talrijke groepen ervan te moeten vinden. Maar de handschoenmakers en de wevers kan men niet in de fijne netten der vrijmetselarij vangen, daarvoor zijn grovere, maar daarom niet minder sterk werkende middelen nodig. Daarom is het tweede wapen, waarvan het Jodendom zich bedient naast de vrijmetselarij, de pers. Hij gebruikt al zijn taaiheid en handigheid om haar in handen te krijgen. Daarmee begint hij langzaamaan het gehele publieke leven te omklemmen en in te spinnen, te leiden en te sturen, omdat hij nu in staat is, die macht voort te brengen en te dirigeren, welke men thans sinds enige tientallen jaren goed kent onder de naam "openbare mening". Daarbij doet hij zich persoonlijk altijd onbeschrijflijk weetgierig voor, prijst iedere vooruitgang en hij die omstandigheden tot de ondergang van anderen moet leiden wel het meest; want hij bezielt alle wetenschap en alle ontwikkeling enkel en alleen met het oog op de kwestie, hoe hij hierdoor zijn volk kan dienen; en wanneer dit hierdoor niet mogelijk is, is hij de onverbiddelijke doodsvijand van alle licht, de hater van ieder vonkje ware cultuur. Zo benut hij alle wetenschap, welke hij in de scholen van de anderen in zich opneemt, enkel ten dienste van zijn eigen ras. Dit eigen bloed echter beschermt hij als nooit tevoren. Terwijl hij schijnt over te vloeien van "Aufklärung", "Vooruitgang", "Vrijheid", "Menswaardigheid", sluit hij zelf zijn ras zo streng mogelijk af. Weliswaar benut hij zijn vrouwen wel eens om invloedrijke Christenen in te palmen, maar de mannelijke lijn houdt hij principieel raszuiver. Hij vergiftigt het bloed van anderen, maar behoedt zijn eigen bloed. Een Jood zal bijna nooit met een Christin trouwen, maar de Christen trouwt wel met een Jodin. De bastaards echter aarden toch steeds naar den Jood. Er is een bepaald deel van de hogere adel, dat volkomen ten gronde gaat. De Jood weet dat heel precies, en bedient zich daarom ook stelselmatig van de methode, om de geestelijke leiders van de tegenstanders van zijn ras te "ontwapenen". Ter verberging van zijn bedoeling, en om de aandacht van zijn slachtoffers af te leiden, praat hij echter steeds meer over de gelijkheid van alle mensen, zonder onderscheid te maken van ras of kleur. En de domme begint zijn woorden te geloven. Omdat zijn gehele uiterlijk echter nog steeds al te duidelijk verraadt, hoezeer hij afwijkt van het type van de oorspronkelijke bewoners, dan dat speciaal het gros van het volk aan die "Gelijkheid" maar zonder meer zou willen geloven, laat hij door zijn pers een beschrijving van zichzelf geven, welke enerzijds volkomen onwaar en anderzijds dienstbaar is aan het nagestreefde doel. Vooral de humoristische bladen zijn onophoudelijk in de weer, om de Joden als een onschuldig volkje voor te stellen, dat nu eenmaal zijn eigenaardigheden bezit - als ieder ander - maar dat toch, zelfs al schijnt zijn gedrag dikwijls wat vreemd, blijk geeft, een misschien grappige, maar toch steeds door en door eerlijke en goedhartige ziel te bezitten. Men doet trouwens steeds overal al het mogelijke om hem toch maar vooral meer als onbeduidend dan als gevaar voor te stellen. Zijn voorlopig einddoel in dit stadium is de overwinning van de democratie, of in de vorm waarin hij dat verstaat: de heerschappij van het parlementarisme. Dat is het meest in overeenstemming met zijn noden en behoeften; het schakelt immers de persoonlijkheid uit - en vervangt die door een meerderheid, gevormd uit domheid, onmacht, en nog meer uit lafheid.

De fabrieksarbeidersstand

De buitengewone economische ontwikkeling leidt tot een wijziging in de sociale structuur van het volk. Terwijl de kleine zelfstandigen als stand langzaam uitsterven, wordt tegelijkertijd ook de mogelijkheid voor de arbeider, om ooit een zelfstandig bestaan te bereiken, steeds geringer en verproletariseert deze laatste zienderogen. De "fabrieksarbeider" van de industrie ontstaat, en zijn voornaamste kenmerk is, dat hij praktisch nooit in de gelegenheid komt, om zich tot een zelfstandig bestaan op te werken. Hij is in de meest ware zin des woord bezitloos, zijn oude dag is een kwelling, die nauwelijks de naam "Leven" nog verdient. Reeds vroeger werd eens een dergelijke toestand geschapen, die dringend een oplossing eiste, en die dan ook vond. Naast de boer en de handwerkman waren twee nieuwe standen ontstaan, die van de ambtenaar en de employee - speciaal de staatsemployee. Ook zij waren bezitlozen in de meest ware betekenis van het woord. De staat wist tenslotte een eind te maken aan deze ongezonde toestand, door zichzelf te belasten met de zorg voor de oude dag van de rijksambtenaar, die zelf niet bij machte was dat te doen, en het pensioen, het salaris voor de jaren der rust, in te voeren. Langzamerhand begonnen steeds meer privé-bedrijven dit voorbeeld na te volgen, zodat tegenwoordig bijna iedere hoofdarbeider, die voor vast is aangesteld, later recht op pensioen heeft, althans in die bedrijven, die een bepaalde grootte reeds bereikten of overschreden. En pas de zekerheid voor de rijksambtenaar, dat hij op zijn oude dag geen nood hoefde te lijden, was in staat, om deze tot dat onzelfzuchtige plichtsbesef op te voeren, welke in de jaren voor de oorlog het voornaamste kenmerk van de Duitse ambtenaar was. Zodoende wist men een gehele stand, die overigens zonder bezit bleef, door een verstandige maatregel voor sociale ellende te behoeden, en zo in het volk als volwaardig en gezond orgaan in te schakelen. Nu was dezelfde kwestie weer opgedoken voor staat en natie, en dit maal in veel grotere omvang. Steeds nieuwe mensenmassa's, miljoenen in tal, begonnen uit de plattelandsdorpen naar de grotere steden te trekken, om als fabrieksarbeiders in de nieuw gevestigde industrieën hun dagelijks brood te verdienen. De omstandigheden, waaronder deze nieuwe stand werkte en leefde, waren meer dan treurig. De min of meer mechanische toepassing van de vroegere arbeidsmethodes van de landwerkman of de boer op de nieuwe vorm, was iets wat niet lukte. De werkzaamheden van de boer en de ambachtsman waren in het geheel niet te vergelijken met de inspanning, die de fabrieksarbeider zich moest getroosten. In het oude ambacht kwam de tijd er misschien minder op aan, maar bij de nieuwe methoden deed ze dat des te meer. Toen het industriële grootbedrijf de oude arbeidstijden ongewijzigd overnam, werd dat bijna noodlottig, want de werkelijke hoeveelheid arbeid, die men vroeger had gepresteerd was slechts gering, doordat men de toen benutte, uiterst intensieve arbeidsmethodes niet kende. Wanneer men dus voordien een werkdag van 14 of 15 uur had kunnen verdragen, dan was dat nu in een tijd en met een andere productiemethode, waarbij iedere minuut zo productief mogelijk moest worden gemaakt, ten enenmale onmogelijk. Inderdaad bleek dit zinloze toepassen van oude werktijden op industriële arbeid in twee opzichten funest te zijn: de gezondheid werd vernietigt, en tegelijk daarmee het geloof aan een hoger recht. Tenslotte kwam hier nog bij, dat enerzijds de arbeiders schandelijk slecht werden betaald en dat de werkgever hier zo kennelijk wel bij voer. Op het land was geen sociale kwestie bestaanbaar, omdat heer en knecht hetzelfde werk verrichten en vooral omdat ze van één tafel eten. Maar ook hierin kwam verandering. Het schijnt wel, alsof heden ten dage de kloof, die op alle gebieden van het leven tussen werknemer en werkgever gaapt, onoverbrugbaar is geworden. Hoe ver het daarbij reeds is gekomen met de innerlijke verjoodsing van ons volk, kan men hier al zien aan de geringe achting, zo het niet minachting moet heten, welke men voor de handenarbeid als zodanig voelt. Duits is dit niet. Pas de verwereldlijking van ons leven, die in werkelijkheid een verjoodsing was, veranderde de oude eerbied voor het handwerk in en zekere minachting voor alle lichamelijke arbeid. Zo ontstaat dan een nieuwe, zeer weinig gerespecteerde stand, en op een dag zal da natie voor de vraag worden gesteld, of zij inderdaad zelf bij machte is, om die stand tot een volwaardig deel der maatschappij te maken of dat het standsonderscheid zich zozeer moet verbreden, dat de stand tot klasse wordt, en daarmede de natuurlijke afstand tussen de standen tot klassenhaat. Maar hoe het ook zij, één ding is zeker: de nieuwe stand telde niet de slechtste elementen in zijn rijen, maar in tegendeel altijd de meest actieve. De al te ver gaande verfijningen van de zogenaamde cultuur hadden hier hun ontbindende en verwoestende werking nog niet uitgeoefend. Het gros van de nieuwe stand was nog niet aangetast door het gif van het pacifisme van de zwakkelingen, maar was robuust, en zo nodig, ook bruut in zijn optreden. Terwijl de bourgeoisie zich in het geheel niet om deze kwestie bekommert, maar onverschillig Gods water over Gods akker laat lopen, ziet de Jood de geweldige onafzienbare mogelijkheden, die de toekomst hier biedt, en terwijl hij enerzijds de kapitalistische middelen om mensen uit te buiten, volkomen consequent ten uitvoer brengt, gaat hij anderzijds tot de slachtoffers van zijn eigen werk en zijn eigen gedachten, en weet na korte tijd reeds de leiding in handen te krijgen van de strijd, die zij tegen hemzelf voeren.

De tactiek van het Jodendom

Dat is dan slechts figuurlijk gesproken "tegen hemzelf", want de grote meester van de leugen weet zich steeds als lelieblank voor te doen en alle schuld op anderen te werpen. Omdat hij zo brutaal is, zelf de massa te leiden, komt deze ook in 't geheel niet op het idee dat ze hier en op zo ondenkbaar gemene wijze bedrogen zou kunnen zijn. En toch was het dat geval. Nauwelijks is de nieuwe stand uit den nieuwen economische chaos geboren, of de Jood heeft hem reeds duidelijk herkend als zijn baanbreker, waardoor hij hogerop kan komen. Eerst gebruikte hij de bourgeoisie als stormram tegen de feodale wereld en nu de arbeider tegen de burgerlijke. En terwijl hij eens, in de schaduw van de bourgeoisie verborgen, door kruipen en sluipen de burgerrechten wist te bemachtigen, hoopte hij nu de strijd van de arbeider om zijn bestaan te kunnen gebruiken om zelf de macht te veroveren. Van nu af aan heeft de arbeider geen andere taak meer, dan te strijden voor de toekomst van het Joodse volk. Zonder het te weten, wordt hij gebruikt als werktuig voor diezelfde macht, welk hij meent te bestrijden. In schijn laat men hem stormlopen op het kapitaal en kan men hem op deze manier juist het beste voor datzelfde kapitaal laten strijden. Daarbij gaat men voortdurend tegen het internationale grootkapitaal te keer en bedoelt de nationale economie. Die moet afgebroken worden en op de ruïnes daarvan zal dan het internationale beurskapitaal kunnen zegevieren.

De Jood gaat hierbij als volgt te werk: hij gaat naar de arbeiders en geeft voor, diep begaan te zijn met hun lot, en doet zelfs verontwaardigt over hun armoede en ellende, om op deze wijze het vertrouwen te winnen. Hij spant zich in, om alle werkelijke of ingebeelde moeilijkheden van hun leven te bestuderen - en bij hen het verlangen naar verlossing uit zo'n bestaan sterk te maken. Het verlangen naar sociale rechtvaardigheid, dat in elke Ariër latent aanwezig is, weet hij het op meesterlijk sluwe wijze op te zwiepen tot haat tegen degenen, die door het geluk beter zijn bedacht, en geeft daarbij aan die strijd tegen het sociale onrecht de vorm van een wereldbeschouwing. Hij verkondigt de leer van het marxisme. Hij wekt de indruk, alsof deze leer onafscheidelijk met een gehele reeks rechtvaardige sociale eisen verbonden is, en eist daarom dat ze met deze eisen verbreid zal worden, evenals ook de haat tegen de fatsoenlijke mensheid; eisen, welke, in zulk een vorm en in dergelijk gezelschap op tafel bracht, principieel onvervulbaar en onrechtvaardig moet lijken. Want onder die dekmantel van zuiver sociale ideeën zijn waarlijk duivelse bedoelingen verborgen en die worden ook wel met de grootste onbeschaamdheid in het openbaar verkondigd. Deze leer is een onontwarbaar mengsel van gezond verstand en krankzinnigheid, maar dat veranderlijk in zulk een vorm, dat altijd enkel de waanzinnige punten verwerkt zullen worden, en dat het gezond verstand volkomen buiten spel blijft. Door de principiële ontkenning van de betekenis van de persoonlijkheid en daarmee van de natie en van raseigenschappen, verwoest ze de meest elementaire grondslagen voor de gehele menselijke cultuur, die juist geheel en al op deze factoren berust.

Kern van de marxistische wereldbeschouwing

Dit is de ware diepste kern van de marxistische wereldbeschouwing - wanneer men dit misproduct van een misdadig brein althans nog als "wereldbeschouwing" mag aanduiden. Met de vernietiging van de persoonlijkheid en het ras valt het belangrijkste bezwaar, dat nog aan een heerschappij van de minderwaardigen in de weg stond - deze minderwaardige is echter de jood. De betekenis van deze leer ligt juist in de economische en politieke waanzin, die zij verkondigt. Want daardoor worden juist alle werkelijke intelligente lieden ervan weerhouden, om zich in dienst van deze idee te stellen, terwijl de mensen die geestelijk minder hoog staan en weinig inzicht hebben in economische vraagstukken, met vlag en wimpel naar haar overlopen. Het intellect voor de beweging echter - want ook deze beweging heeft intellect nodig om te bestaan - komt bij elkaar, doordat de Jood hiertoe uit zijn eigen rijen een "offer" brengt. Zodoende ontstaat er een beweging van uitsluitend handarbeiders onder Joodse leiding, die schijnbaar het doel heeft, om de toestand van de arbeider te verbeteren, maar in werkelijkheid niets anders wil dan alle niet-joodse volkeren in de boeien te slaan, en daardoor te vernietigen. Het werk, dat de vrijmetselarij in de kringen van de z.g. "intellectuelen" verricht, en waardoor zij dit deel van ons volk op een pad brengt, dat door middel van het pacifisme tot een algemene verlamming van de drang tot zelfbehoud zal leiden, wordt door de activiteit van de grote pers, die tegenwoordig alom Joods is, ten aanzien van de grotere groepen en wel voornamelijk ten aanzien van de bourgeoisie verricht.

Bij deze beide vernietigingswapens komt nu nog een derde, die verreweg de vreselijkste is: de organisatie van het brute geweld. Het marxisme moet als aanvals- en stormtroep, het werk, waarmee de beide wapens reeds waren begonnen, voleindigen. Zij vraten alles stuk en ondergroeven alle grondslagen: het marxisme brengt de volledige ruïne. Dit alles gebeurt door een waarlijk meesterlijke samenwerking, zodat men zich niet behoeft te verwonderen wanneer juist die instituten die zich altijd zo graag aanstellen als de dragers van het min of meer legendarische staatsgezag, meer nog dan andere organen van staat en volk in de afweer tegen deze ramp van onwaarde blijken. De Jood heeft ten allen tijde in ons hogere en hoogste ambtenarencorps, (afgezien van enkele zeer zeldzame uitzonderingen) de gewilligste dienaar van zijn verwoestingwerk gevonden. Kruipende onderworpenheid voor "meerderen", en arrogante hoogmoed tegenover "minderen" zijn de kenmerken van deze stand, en kenmerken hem hiermee als vaak uiterst bekrompen en daarnaast dikwijls nog ongelooflijk verwaand. Maar dit zijn eigenschappen, die de Jood nodig heeft in onze autoriteiten, en daarom ziet hij zulke lieden dan ook graag op hoge posten. De strijd, die nu begint, verloopt in de praktijk in grote lijnen als volgt: in overeenstemming met het einddoel van de strijd van het Jodendom, dat immers niet alleen de economische, maar ook de politieke verovering der wereld nastreeft, splitst de Jood de organisatie van het marxisme in twee helften, die slechts in schijn vreemd aan elkaar zijn, maar in werkelijkheid een ondeelbaar geheel vormen: de politiek en de vakbeweging.

De organisatie van de marxistische wereldleer

De vakbeweging wint leden. Zij biedt de arbeider hulp en steun in de zware strijd om het bestaan, die hij door de kortzichtigheid en de hebzucht van vele ondernemers moet voeren, en stelt hem daarmee in de gelegenheid betere levensvoorwaarden te veroveren. Als de arbeider zijn rechten als mens op het leven niet aan de blinde willekeur van deels onverantwoordelijke, deels harteloze mensen wil uitleven, in een tijd, dat de staat - wat dus wil zeggen: de organisatie van de volksgemeenschap - zich praktisch in het geheel niet om hem bekommert, dan zal hij zijn lot in eigen handen moeten nemen. En naarmate nu de zogenaamde nationale bourgeoisie, verblind door financiële belangetjes, hem deze strijd om het leven moeilijker maakt, door alle pogingen, om de onmenselijk lange arbeiderstijden te verkorten om de kinderarbeid te verbieden, om de vrouw te beveiligen en te beschermen, om de hygiëne in de werkplaatsen en woningen te verbeteren, door al deze strevingen niet alleen tegen te werken, maar dikwijls zelfs te saboteren, gaat de Jood, die scherpzinniger is, zich weer met het lot van de zo onderdrukten bemoeien. Hij weet zich op te werpen tot leider van de vakbeweging en dit is des te gemakkelijker, omdat het er voor hem niet om te doen is, om werkelijk sociale misstanden op te heffen, maar om een economische strijdgroep op te fokken, die zich door hem als instrument laat gebruiken, om de nationale economische onafhankelijkheid te vernietigen. Want terwijl de leiding van een gezonde sociale politiek steeds bepaald zal worden door de wil tot het behoud van de volksgezondheid enerzijds, en die van de zorg voor een onafhankelijke nationale economie anderzijds, blijven deze beide punten voor de Jood niet alleen buiten beschouwing, maar is het een onderdeel van zijn levensdoel, om aan deze twee toestanden een einde te maken of, zo ze er niet zijn, om hun ontstaan te verhinderen.

Dientengevolge kunnen we er ook geen gewetensbezwaren bestaan, die hem beletten, om als leider van de vakbeweging eisen te stellen, die niet alleen in het geheel niet aan het doel beantwoorden, maar die ook of onvervulbaar zijn, of de ineenstorting van de nationale economie tengevolge hebben. Hij wil echter ook niet met een gezond en sterk geslacht te doen hebben, maar met een vermoeide kudde, die gemakkelijk onderworpen kan worden. Deze wens maakt het echter nogmaals mogelijk voor hem, om de meest zinloze eisen te stellen, waarvan hij zeer goed weet, dat ze praktisch niet te verwezenlijken zijn, en er trouwens ook niet tot enige verandering zouden leiden, maar op zijn best de massa tot woede konden opzwiepen. Daarom is het hem te doen, en niet om haar sociale omstandigheden waarlijk en eerlijk te verbeteren. Daardoor zal het Jodendom zolang onbetwist heerser zijn in alles, wat de vakbeweging betreft, totdat een enorm uitgebreide voorlichting de grote massa beïnvloedt, haar de waarheid zegt over haar eeuwige ellende, of totdat de staat een einde maakt aan de Jood en zijn werk. Want zolang het inzicht van de massa zo gering blijft als nu, en de staat zo onverschillig als nu, zal deze massa steeds in de eerste plaats die man volgen, die op economisch gebied het meeste belooft, hoe brutaal ook. Maar daarin toont zich de Jood een meester, omdat er nergens morele bezwaren voor hem opduiken, die zijn werkzaamheid op de één of andere wijze zouden kunnen remmen. Hieruit volgt, dat hij noodzakelijkerwijze na korte tijd iedere concurrentie verslaat. In overeenstemming met zijn eigen roofzuchtig binnenste bouwt hij de vakbeweging op zo'n wijze, dat ze voor de meest brutale geweldmaatregelen gebruikt kan worden. De man, die aan de Joodse verleiding weerstand weet te bieden, zal zijn inzicht en koppigheid door de terreur gebroken zien. De resultaten van een dergelijk optreden zijn ontzettend. De Jood weet inderdaad door middel van de vakbeweging, die een zegen voor de natie had kunnen zijn, de basis van de nationale economie te vernielen. En in dezelfde geest gaat de politieke organisatie haar weg. Zij werkt gedeeltelijk met de vakbeweging samen, want deze bereidt de politieke organisatie van de massa's voor, en weet hen zelfs met dwang en geweld hiertoe te brengen, en is ook steeds de vloeiende financiële bron, waaruit de politieke organisatie haar enorme apparaat weet te voeden.

Ze is het orgaan, dat de politieke activiteit van de enkeling controleert, en dat haar alle grote politieke demonstraties levert. Tenslotte komt het dan zover, dat ze in het geheel niet meer voor economische belangen optreedt, maar enkel haar belangrijke wapen, de algemene staking, in dienst van het politieke idee stelt. Door een pers, welke volkomen berekend is op de geestelijke horizon van de minst ontwikkelde mensen, krijgt de politieke organisatie en de vakbeweging nu tenslotte het wapen in handen, waarmee zij de armste groepen van de natie tot de grootste stoutmoedigheid weten op te zwiepen. Het is niet de taak van deze pers om de mensen uit het moeras van een minderwaardige mentaliteit te halen, en hen tot een hogere op te voeden, maar om op hun slechte instincten te werken. Dit is een even spectaculaire als voordelige zaak, omdat de massa nu eenmaal evenzeer geestelijk is als aanmatigend. Deze pers is het vooral, die een bijna fanatieke lastercampagne voert, en daarbij alles besmeurt, wat de nationale onafhankelijkheid, het culturele peil, en de economische zelfstandigheid van de natie op enige wijze zou kunnen steunen of bevorderen. Ze pakt vooral uit tegen die karakters, die niet buigen willen voor aanmatigende aanspraken van het Jodendom op de macht, of tegen die aanspraken van het Jodendom op de macht, of tegen diegene die enkel al door hun genialiteit al de Jood gevaarlijk voorkomen. Want om door de Jood te worden gehaat, is het niet nodig, dat men hem bestrijdt, maar is het voldoende, wanneer men ervan verdacht wordt, dat men het Jodendom eventueel later eens zou kunnen bestrijden, of wanneer de persoon in kwestie eenvoudigweg door zijn genialiteit een versterker is van kracht en de grootheid van een anti-joods volk. Zijn op dit punt nooit misleidend instinct speurt dadelijk overal de oorspronkelijke, en ieder wiens geest niet naar de zijnen is geaard, kan rekenen op zijn vijandschap. Omdat de Jood niet aangevallene, maar aanvaller is, beschouwt hij niet alleen de man, die hem aanvalt, als zijn vijand, maar ook de man, die zich teweer stelt. Het middel echter, waarmee hij zo stoutmoedige, maar rechtgeaarde geesten tracht te breken, heet niet eerlijke strijd, maar leugen en laster.

Hier schrikt hij voor absoluut niets terug en zijn gemeenheid neemt hier dergelijke afmetingen aan, dat het niemand hoeft te verbazen, wanneer voor ons volk de personifiëring van de duivel als zinnebeeld van het kwade, de gestalte van de Jood aanneemt. De onwetendheid van de grote massa over het innerlijke wezen van de Jood, de instinctloze bekrompenheid van onze beter gesitueerde volksgenoten maken, dat ons volk een maar al te gemakkelijke prooi wordt van deze Joodse leugenveldtocht. De onwetendheid van de grote massa over het innerlijke wezen van de Jood, de instinctloze bekrompenheid van onze beter gesitueerde volksgenoten maken, dat ons volk een maar als te gemakkelijke prooi wordt van deze Joodse leugenveldtocht. Terwijl de beter gesitueerde kringen zich uit aangeboren lafheid keren tegen een man, die op zodanige wijze door de Jood met leugen en laster wordt bevuild, gelooft de domme massa letterlijk alles uit domheid of onnozelheid. De autoriteiten echter hullen zich of in ondoordringbaar zwijgen , of - wat meestal gebeurt, om een einde te maken aan de Joodse perscampagne - ze vervolgen de ten onrecht aangevallene, wat zo'n ezel met een ambt als de handhaving van het gezag en van rust en orde beschouwt. Langzamerhand begint de angst voor het marxistische wapen van het Jodendom de harten en hoofden van alle fatsoenlijke mensen als een nachtmerrie te benauwen. Men begint te sidderen voor die vreselijke vijand en is daarmee voorgoed in zijn klauwen gevallen.

Palestina als organisatiecentrale

De macht van de Joden in de staat schijnt nu reeds zozeker te zijn gevestigd, dat hij zich nu niet enkel meer Jood kan noemen, maar ook aan zijn volkse en politieke gedachtegangen geen enkel beperking meer hoeft op te leggen. Een deel van zijn ras geeft reeds zeer open toe, dat het een vreemd volk is, natuurlijk niet, zonder ook daarbij weer te liegen. Want terwijl het Zionisme aan de rest van de wereld tracht wijs te maken, dat de volkse zelfbezinning van het Jodendom tevreden zou zijn met de schepping van een Palestijnse staat, houden de Joden die domme gojim nog weer eens op zeer sluwe wijze voor de gek. Er is geen haar op hun hoofd, dat er aan denkt, om inderdaad in Palestina een Joodse staat op te bouwen, om hem bijgeval te bewonen, maar zij wensen een wereldcentrale, welke met hoogheidrechten is uitgerust, en veilig is voor de macht van andere staten, van waaruit zij dan hun internationale wereldzwendelarij kunnen bedrijven: een toevluchtsoord voor betrapte schoften en een hogeschool voor de leerlingen. Maar het is een teken, dat ze niet alleen de toekomst hoopvol tegemoet zien, doch zich ook reeds veilig beginnen te voelen, wanneer ze zich in een strijd, dat het ene deel nog zo onwaarachtig is, om zich voor de Duitsers, Fransen of Engelsen uit te geven, het andere al openlijk zijn Joodse ras erkent. Hoe nabij zij de naderende overwinning reeds zien, blijkt wel uit de verschrikkelijke vormen, die hun omgang met de andere volkeren begint aan te nemen. De zwartharige Jodenjongen loert urenlang, met duivelse vreugde op het gelaat, op het meisje dat hij dan met zijn bloed schendt, en daarmee aan haar volk ontrooft. Met alle ten dienst staande middelen tracht hij het bloed van het volk, dat hij wil onderwerpen te bederven. En zoals hij zelf stelselmatig vrouwen meisjes in het verderf stort, zo schrikt hij er ook niet voor terug, om zelf overal de grenzen van het bloed voor anderen op te heffen. Het waren en zijn de Joden, die de negers aan de Rijn deden komen, steeds met diezelfde geheime ideeën bezield en met dezelfde scherp omlijnde doeken voor ogen, n.l. om door verbastering, die door zo iets noodzakelijkerwijze moet optreden, het gehate blanke ras te vernielen, van zijn culturele en politieke hoogte neer te halen, en aan zichzelf te onderwerpen. Want een raszuiver volk, dat zich van zijn bloed bewust is, zal nooit door de Jood kunnen worden onderworpen. De Jood zal op deze wereld altijd alleen over bastaards kunnen regeren. De dictatuur van het proletariaat

Daarom probeert hij systematisch het peil van het ras te doen dalen door voortdurend en op alle manieren de enkeling te vergiftigen. Maar plotseling begint hij de democratische gedachte te vervangen door die van de dictatuur van het proletariaat. Hij heeft in de georganiseerde massa van het marxisme het wapen gevonden, waar door hij de democratie kan missen en nu de volkeren dictatoriaal met ijzeren vuist kan onderwerpen en regeren. Hij gaat systematisch te werk, om op economisch evenals op politiek gebied een omwenteling tot stand te brengen. Volkeren die zich tegen zijn aanval van binnenuit al te heftig verzetten, weet hij door zijn internationale invloeden met een net van vijanden te omgeven, hitst ze in een oorlog en weet tenslotte, zonodig nog op de slagvelden de vaan van de revolutie op te steken. Economisch weet hij de staten zolang in crisistoestand te houden, tot de sociale bedrijven niet meer renderen: die worden dan uit handen van de staat genomen en onder zijn financiële controle geplaatst. Op politiek gebied weigert hij de volkeren de middelen om zich in stand te houden, vernietigt de grondslagen van alle nationale zelfhandhaving en zelfverdediging, vernietigt het geloof in de leiding, hoont hun geschiedenis en hun verleden, en besmeurt alles, wat waarlijk groot is. Op cultureel gebied bederft hij kunst, literatuur en toneel, leidt het natuurlijke gevoel op dwaalwegen, werpt alle begrippen van schoonheid en verhevenheid, van al wat edel en goed is, omver en trekt de mens omlaag tot zijn eigen laag-bij-de-grondse wereld. De godsdienst wordt belachelijk gemaakt, zeden en moraal worden als verouderd voorgesteld, totdat tenslotte de laatste steunpunten voor het volkseigen in de strijd om het bestaan zijn gevallen.

Van Joods volk tot Joods ras

Nu begint de laatste grote revolutie. De Jood verovert de politieke macht en werpt nu zijn laatste omhulsels van zich af. De democratische man uit het Joodse volk wordt een Jood-naar-ras, en een tiran van de volkeren. Na korte tijd reeds probeert hij de dragers van het nationale intellect uit te roeien, en maakt de volkeren, door ze van hun natuurlijke geestelijke leiding te beroven, rijp voor het slavenlot van een voortdurende onderdrukking. Het vreselijke voorbeeld op dit gebied levert Rusland, waar hij met waarlijk fanatieke woestheid te keer ging, en om en bij de dertig miljoen mensen, deels door onmenselijke martelingen, doodde en anderdeels liet verhongeren, omdat een troep Joodse schrijvers en beursbandieten de macht over een groot volk in handen kreeg. Het eind - echter niet alleen het einde van de vrijheid van het onderworpen volk, maar ook van deze volkerenparasiet. Want na de dood van het slachtoffer sterft, vroeg of laat, ook de vampier.

Verbasterde volken

Als wij de oorzaken, waaruit de ineenstorting van Duitsland is ontstaan aan ons geestesoog laten voorbij gaan, dan blijft als laatste en belangrijkste, deze over: dat men het rassenvraagstuk en vooral het Joodse gevaar niet zag. De nederlagen op de slagvelden in augustus 1918 zouden zonder de minst ernstige gevolgen te dragen zijn geweest. Ze vielen immers geheel in het niet naast de overwinningen van ons volk. Niet deze nederlagen braken ons, maar die macht, die deze nederlagen voorbereidde, door ons volk reeds sinds vele jaren stelselmatig te beroven van zijn politieke en morele instincten en krachten, die alleen bij machte zijn, om een volk de kracht en capaciteiten en daarmee ook het recht tot bestaan te geven. Het oude Rijk had geen oog voor het vraagstuk hoe de rasgrondslagen van ons volk het beste gehandhaafd konden worden, en daardoor veronachtzaamde het ook de enige waarheid op deze wereld recht op leven kan geven. Volken die zich verbasteren of laten verbasteren, zondigen tegen de wil van de eeuwige Voorzienigheid, en wanneer ze dan door een sterkere worden vernietigd, dan is dat niet een onrecht, dat hen overkomt, maar enkel een herstel van het Recht. Wanneer een volk geen respect meer wil hebben voor de eigenschappen van zijn eigen wezen, die de natuur hem heeft geschonken en die uit zijn bloed voortkomen, dan heeft het geen recht meer om zich te beklagen over het verlies van zijn aardse bestaan. Alles op deze aarde kan verbeterd worden. Iedere nederlaag kan de vader van een latere overwinning worden. Iedere verloren oorlog kan tot een wederopstanding, iedere nood tot een bevruchting van de menselijke energie leiden en uit iedere onderdrukking kunnen de krachten voor een nieuwe wedergeboorte van de zielen opgroeien - zolang het bloed zuiver blijft.

Alleen de verloren zuiverheid van bloed maakt voorgoed ieder dieper geluk onmogelijk, laat de mensen voor altijd tot een lager peil afdalen, en de gevolgen hiervan zijn nooit meer uit lichaam en geest te verwijderen. Wanneer men naast deze kwestie alle andere levensproblemen stelt, deze onderzoekt, en ook vergelijkt, dan zal men eerst kunnen zien, hoe belachelijk klein al deze alledaagse problemen zijn, vergeleken met dit ene grote vraagstuk. Zij alle zijn slechts een bepaalde tijd van belang - de kwestie van de zuiverheid van het bloed echter zal van belang zijn, zolang er mensen bestaan. Alle werkelijk belangrijke symptomen van verval in de oorlogsjaren zijn tenslotte op rasoorzaken terug te voeren. Of het nu om algemene juridische kwesties gaat, of om uitwassen van het economisch leven, om symptomen van een daling van onze cultuur, of om politieke ontaardingsverschijnselen, over kwesties van een mislukte schoolopvoeding, of om het feit, dat volwassenen door de pers in slechte zin worden beïnvloed, enz. - altijd en overal is de diepste reden, de meest eigenlijke fout een verwaarlozing van de belangen van het eigen volk, of blindheid voor een bedreiging van ons ras door vreemd bloed.

De schijnbare bloei van het oude rijk

Daarom waren ook alle pogingen tot hervorming, alle sociale hulpbetoon en politieke bemoeienissen, alle economische vooruitgang en alle schijnbare vooruitgang op het gebied van de geesteswetenschappen, en al de gevolgen van dien, toch in de grond van de zaak zonder groot belang. De natie en het organisme, hetwelk haar leven op deze aarde mogelijk maakt, de staat, werden uiterlijk niet gezonder, maar integendeel kennelijk zwakker en zieker. Geen schijnbare bloei van het Rijk kon deze innerlijke zwakte verbergen, en iedere poging om het Rijk waarlijk te versterken, strandde steeds weer op de verwaarlozing van deze allerbelangrijkste kwestie. Het zou onjuist zijn, nu te denken, dat de aanhangers van de verschillende politieke richtingen die aan het Duitse volkslichaam knoeiden, allemaal stuk voor stuk slechte of kwaadwillige mensen waren geweest, en dat kon zelfs niet van alle leiders worden gezegd. Hun werk was alleen daarom tot onvruchtbaarheid gedoemd, omdat ze in het gunstigste geval alleen maar de uiterlijke vormen van onze algemene ziekte zagen, en hiertegen trachtten te vechten, maar geen oog hadden voor de ware oorzaken. Wie de politieke ontwikkelingsgang van het oude Rijk nagaat, moet, wanneer hij de verkregen gegevens rustig controleert, tot de conclusie komen, dat zelfs in de tijd van de eenwording en daarmee van de opbloei van de Duitse natie het innerlijke verval reeds in volle gang was, en dat de algemene toestand, niettegenstaande alle groeiende economische macht en alle schijnbare politieke successen, van jaar tot jaar slechter werd. Zelfs de Rijksdagverkiezingen wezen, door het dadelijk constateerbare aangroeien van de marxistische stemmen, op de steeds meer naderende innerlijke en daarom ook uiterlijke ineenstorting.

Blindheid voor de binnenlandse vijand

Alle successen van de zogenaamde burgerlijke partijen waren waardeloos, niet alleen, omdat ze het wassen van de marxistische vloed, zelfs bij zogenaamde burgerlijke stembusoverwinningen, niet wisten tegen te gaan, maar vooral omdat ze zelf reeds de kiemen van de ontbinding in zich droegen. Zonder dat ook maar te vermoeden, was de burgerlijke wereld zelf inwendig reeds aangetast door het lijkgif van de marxistische waandenkbeelden en het verzet tegen dat marxisme was dikwijls een gevolg van de concurrentiestrijd van de eerzuchtige burgerlijke leiders, dan een principiële afkeer, zoals tegenstanders, die tot het laatste bereid zijn, gevoelen. Slechts een was er, die door al deze jaren met onwrikbare gelijkmatigheid streed, en dat was de Jood. Zijn Davidsster steeg in dezelfde mate waarin de levenswil van ons volk afnam. In augustus 1914 was het dan ook niet een strijdbereid volk dat het slagveld instormde, maar vlamde de nationale wil tot zelfbehoud voor het laatst op, in de verdediging tegen de pacifistisch - marxistische paralyse van ons volkslichaam. Omdat men zelfs in deze noodlottige dagen de vijand binnen eigen grenzen niet zag, was alle uiterlijke tegenstand tevergeefs, en de Voorzienigheid schonk de zegepalm dan ook niet aan het zwaard, dat zovele overwinningen had bevochten, maar gehoorzaamde aan de wet van de eeuwige vergelding. En uit dat diepere bewustzijn zouden nu voor ons de beginselen en ook de tendens van de nieuwe beweging worden geboden, die naar onze mening alleen bij machte waren, om de dalende lijn, die onze ontwikkeling reeds sinds enige tijd vertoonde, weer in een stijgende te veranderen, en om het granieten fundament te bouwen, waarop eenmaal een staat zal kunnen leven, die niet meer een volksvreemd mechanisme ten dienst van economische belangen zal zijn, maar een volks organisme. Dit grote ideaal is: een Germaanse Duitse Staat.

Twaalfde Hoofdstuk / De eerste groeitijd van de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij (N.S.D.A.P)

Wanneer ik aan het eind van dit deel de eerste groeitijd van onze beweging beschrijf en een aantal, daarmee in direct verband staande vraagstukken behandel, dan doe ik dat niet om hiermee de geestelijke doelstellingen van de beweging uiteen te zetten. De doelstellingen en de taken van de nieuwe beweging zijn zo geweldig, dat er een heel apart boekdeel nodig is, om deze in hun volle omvang weer te geven. Daarom zal ik in een tweede deel van dit boek de ideële basisbeginselen van de beweging aan een diepgaand onderziek onderwerpen, en proberen een beeld te vormen van datgene, wat wij onder het woord "staat" verstaan. Ik bedoel hierbij met "ons" al de honderdduizenden, die eigenlijk zo vurig naar hetzelfde verlangen, zonder ieder voor zich in staat te zijn, de woorden te vinden om dat, wat hen voor de geest staat, te beschrijven. Want dat is het merkwaardige van alle grote hervormingen, dat ze dikwijls slechts door een enkeling worden verdedigd, maar dat hun ideeën reeds door millioenen worden gedragen. Vaak is hun doel reeds door de eeuwen heen, de hete hartenwens geweest van honderdduizenden, tot er een opstaat en de verkondiger wordt van zo'n droom van allen, en als vaandrager heit oude verlangen in de vorm van een nieuwe idee tot de overwinning voert. Maar dat millioenen diep in hun hart het verlangen koesteren naar een volkomen, principiële wijziging van de tegenwoordige toestand, bewijst wel, hoe groot alom de ontevredenheid is. Deze ontevredenheid uit zich in duizend verschillende vormen, bij de een in moedeloosheid en wanhoop, bij de ander in afkeer, in woede en verontwaardiging, bij deze in onverschilligheid en bij genen in uitbarstingen van woede.

De toestand na de revolutie

Als getuigen voor deze diepe ontevredenheid moeten evenzeer degenen worden beschouwd die genoeg hebben van de verkiezingen, als ook de velen, die bij de allerfanatiekste uiterste linkerzijde rechtvaardigheid zoeken. En tot deze ontevredenen moet de jonge beweging zich in de eerste plaats wenden. Ze mag niet een organisatie van de tevredenen, van de zatgevenden zijn, maar moet een zwaard smeden uit de onderdrukten en de rustelozen, en uit degenen die niet kunnen slapen van pijn, uit de altijd ongelukkigen en uit die, van wie de ontevredenheid niet te stillen schijnt, en ze mag niet enkel de alledaagse wensen van het volk willen vervullen, maar moet haar doel, haar karakter en haar grondslagen in het diepste wezen van ons volk vinden. Zuiver politiek beschouwd, bood het jaar 1918 het volgende beeld. Een volk dat in twee delen gescheurd was. Het ene deel - verreweg het kleinste - omvat de intellectuelen van de natie en geen enkele van al degenen, die door handenarbeid hun brood verdienen. Deze groep dient zich aan als nationaal, maar weet daaronder niets anders te verstaan, dan een zeer zwakke en flauwe vertegenwoordiging van zogenaamde staatsbelangen, die dan weer identiek zouden zijn met dynastieke belangen. Zij tracht haar ideeën en doelstellingen met geestelijke wapens te verdedigen, wapens die even gebrekkig als oppervlakkig zijn en tegenover de bruutheid van de tegenstander al van tevoren iedere betekenis verliezen.

Deze klasse, die zo kort geleden nog regerend was, wordt met een enkele ontzettende slag neergeslagen, en verdraagt nu, sidderend en lafhartig, iedere vernedering, die de onbarmhartige overwinnaar haar maar wil doen ondergaan. Als tweede klasse staat hier tegenover de grote massa van de handarbeiders. Deze is in verschillende bewegingen gebundeld, die alle in meer of mindere mate radicaal marxistisch zijn, en is vastbesloten, om ieder geestelijk verzet met geweld te breken. Deze groep wil niet nationaal zijn, maar verwerpt integendeel bewust alles, wat in het belang van de natie zou kunnen zijn, en is ook bereid om iedere vreemde onderdrukking op het paard te helpen. Zij is numeriek verreweg de sterkste, maar omvat in de eerste plaats die elementen, die voor iedere nationale wederopstanding volkomen onmisbaar zijn. Want dat was iets wat men in het jaar 1918 moest inzien: Een wederopstanding van het Duitse volk is alleen mogelijk, indien men voordien de uiterlijke macht weet te heroveren. De eerste voorwaarde voor zo'n herovering is echter niet - zoals onze burgerlijke "Staatslieden" maar steeds kletsen - wapens, maar de krachten van de wil. Wapens bezat het Duitse volk destijds meer dan genoeg, die konden onze vrijheid niet redden, omdat de natie de stootkracht van de wil tot voortbestaan miste. Het beste wapen is dood en waardeloos materiaal, zolang de geest ontbreekt die bereid is, gezind is, en vastbesloten is, om dat wapen te hanteren. Duitsland werd weerloos, niet omdat het aan wapens mankeerde, maar omdat de wil ontbrak, die dat wapen voor het voortbestaan als volk had weten in stand te houden. Wanneer vandaag de dag vooral onze linksstaande politici ons gebrek aan wapens aanvoeren als de eigenlijke oorzaak, die hen tot die willoze, toegeeflijke, in werkelijkheid echter verraderlijke buitenlandse politiek had gedwongen, dan moet men daarop antwoorden: "Nee! Het omgekeerde is juist."

Door uw antinationale, misdadige politiek, die alle nationale belangen verwaarloosde, heeft u destijds de wapens uit handen gegeven. En nu tracht u het te doen voorkomen, alsof dit gebrek aan wapens de reden was voor uw miserabel en treurig gedrag. Dit is, zoals alles wat u doet en laat: onwaarachtig geknoei en gedraai. Maar dit verwijt treft ook de politici van de rechterzijde. Want door hun treurige lafheid kon het Joodse uitschot, dat zich van de macht had meester gemaakt, de wapens uit de handen van de natie stelen. Daarom hebben ook dezen geen recht en geen reden, om de huidige weerloosheid voor te stellen als motief voor hun wijs beleid (lees: voor hun lafheid) want deze weerloosheid is ook het gevolg van hun minderwaardig gedrag. Daardoor moet de vraag, hoe Duitsland weer tot macht kan komen, niet luiden: Hoe fabriceren wij wapens?, maar: Hoe wekken wij de geest, die dit volk weer de kracht geeft om de wapens te kunnen dragen? Wanneer deze geest een volk beheerst, dan vindt de wil duizend wegen, en elk van die wegen eindigt bij een wapen! Men kan een lafaard wel tien pistolen geven - hij zal bij een aanval toch geen schot weten te lossen. Daarom hebben ze voor hem minder waarde dan een doodgewone knuppel voor een moedig man. De kwestie, hoe ons volk weer tot politieke macht kon komen, is reeds daarom hoofdzakelijk terug te brengen op de vraag, hoe wij onze nationale wil tot voortbestaan kunnen doen herleven, omdat iedere vooruitziende buitenlandse politiek en iedere bepaling van de waarde van een staat, zoals bekend, niet zozeer gebaseerd is op de aanwezige voorraad wapens, als wel op de bekende of vermoede morele weerstandskracht van de natie.

De herwinning van politieke macht

De waarde als bondgenoot, die een volk vertegenwoordigt, wordt niet zozeer bepaald door de aanwezigheid van levenloze massa's wapens, als wel door de kennelijke aanwezigheid van een brandende nationale levenswil en een heldhaftige moed tot in de dood. Want een bondgenootschap wordt niet met wapens, maar met mensen gesloten. Zo zal men bijvoorbeeld het Engelse volk zolang als een uiterst waardevol bondgenoot moeten beschouwen, als men kan verwachten, dat de leiding en de grote massa die kordaatheid en die taaiheid zal betonen, die maakt dat een eenmaal begonnen strijd, onverschillig hoe lang die duurt, onverschillig wat voor offers dat vraagt, met alle middelen tot het goede eind zal worden doorgezet, waarbij de bewapening, die toevallig op dat moment aanwezig is, ten opzichte van die van de andere staten, in het geheel geen rol hoeft te spelen. Als men echter inziet, dat de wederopstanding van de Duitse natie rechtstreeks afhankelijk is van de herwinning van onze nationale wil tot zelfbehoud, dan is het ook duidelijk, dat het hiertoe niet voldoende is dat men elementen aan zijn zij krijgt die op zijn minst naar de wil reeds nationaal waren, maar dat men hiertoe de bewust antinationale massa naar het nationale kamp moet weten te brengen. Een jonge beweging die mee tot doel heeft, weer een Duitse staat met eigen soevereiniteit te doen ontstaan, zal haar strijd geheel op de verovering van de grote massa's moeten richten. Hoe miserabel onze zogenaamde "nationale bourgeoisie" ook is en hoe volmaakt onvoldoende haar nationale opvattingen ook mogen lijken, toch is er van deze zijde tenminste geen ernstige tegenwerking te verwachten tegen een dan te voeren krachtige nationale binnenlandse en buitenlandse politiek.

Zelfs als de Duitse bourgeoisie om de bekende, bekrompen en kortzichtige redenen, zoals reeds eenmaal onder Bismarck, opnieuw een komende bevrijding passief en roerloos zou afwachten, dan zou men toch, gezien de spreekwoordelijke lafheid van deze categorie, nooit een actief verzet hoeven te vrezen. Anders is het gesteld met de grote massa van onze internationaal ingestelde volksgenoten. Niet alleen dat ze, door hun primitieve oerkracht, meer gewend zijn aan de idee, geweld te gebruiken, maar hun Joodse leiding is ook hardhandiger en meedogenlozer. Zij zullen iedere Duitse wederopstanding op dezelfde brute manier neerslaan, als ze reeds eenmaal de ruggengraat van het Duitse leger braken. Het belangrijke feit is echter, dat ze in deze parlementair geregeerde staat, uit hoofde van hun getals meerderheid, niet alleen iedere nationale buitenlandse politiek de pas afsnijden, maar ook ieder hoger aanslaan van de krachten van Duitsland, en iedere mogelijkheid om ooit een bondgenootschap te sluiten, tot een onmogelijkheid maken. Want niet alleen wijzelf weten van dat zwakke punt, dat onze 15 millioen marxisten, democraten, pacifisten en politieke katholieken vormen, maar het buitenland ziet nog veel beter in dan wij, dat de waarde van een eventueel bondgenootschap met ons wordt bepaald door de druk van deze last.

De verovering van de grote massa's

Men sluit geen bondgenootschap met een staat, waarvan het actieve volksdeel op zijn best lijdelijk staat tegenover iedere vastbesloten buitenlandse politiek. Daarbij komt nog het feit, dat de aanhangers van deze partij-van-het-verraad allen reeds uit hun drang tot zelfbehoud vijandig moeten en zullen staan tegenover iedere wederopstanding. Het is historisch eenvoudig niet denkbaar, dat het Duitse volk nogmaals zijn vroegere positie zou kunnen innemen, wanneer het niet afrekent met degenen, die oorzaak en aanleiding waren van de ongekende ineenstorting, die ons volk doormaakte. Want voor de rechterstoel van het nageslacht zal november 1918 niet als hoogverraad, maar als landverraad worden beschouwd. Zodoende is iedere poging, om Duitsland weer de kracht te geven om zelfstandig naar buiten op te treden slechts mogelijk, als de wil tot eenheid weer in ons volk wakker wordt. Ook zuiver technisch beschouwd, lijkt de gedachte aan een bevrijding van Duitsland uit zijn buitenlandse benauwenissen volkomen onzinnig, zolang niet de grote massa bereid is, zich onder de vrijheidsvanen te scharen. Van zuiver militair standpunt beschouwt, zal vooral elke officier na enig nadenken inzien, dat men een buitenlandse oorlog niet met studentenbataljons kan voeren, maar dat men daartoe behalve de hersens van een volk ook de vuisten nodig heeft. Daarbij mag men ook niet uit het oog verliezen, dat een verdediging van de natie, die alleen steunt op de kringen van de zogenaamde intellectuelen, een ware roofbouw ten aanzien van onvervangbaar goed zou zijn.

De jonge Duitse intellectuelen die in de herfst van het jaar 1914 in de vlakte van Vlaanderen als vrijwilligersregimenten de dood vonden, werden later maar node gemist. Zij waren het beste wat de natie bezat, en dit verlies was in de loop van de oorlog niet meer goed te maken. En niet alleen, dat de strijd zelf onuitvoerbaar is, wanneer de stormlopende bataljons niet de grote massa's van de arbeiders in hun rijen zien, maar ook de technische voorbereiding is een onmogelijkheid wanneer de wil tot een eenheid in ons volk ontbreekt. Juist een volk, dat onder de scherpe controle van duizend ogen van het Verdrag van Versailles ongewapend moet voortbestaan, kan alleen dan technische voorbereidselen ter hervorming van zijn vrijheid en zijn menselijke onafhankelijkheid treffen, wanneer het leger van de binnenlandse spionnen beperkt wordt tot een aantal van diegenen, die van nature karakterloos genoeg zijn om alles en iedereen wel voor de bekende dertig zilverlingen te willen verkopen. Met deze lieden kan men echter wel afrekenen. Maar onoverwinnelijk schijnen de millioenen, die zich uit politieke overtuiging tegen de nationale wederopstanding verzetten - en deze schijn van onoverwinnelijkheid blijft net zolang bestaan als men er zich van laat weerhouden om de oorzaak van hun vijandschap, de internationale marxistische wereldbeschouwing, te bestrijden, en dit gif met alle middelen uit hun hart en hersenen te verwijderen. Het is dus volkomen onverschillig, van welk standpunt men de bestaande mogelijkheden, om onze onafhankelijkheid als staat en volk te heroveren, beschouwt, hetzij van het standpunt van de buitenlands politieke voorbereiding, van dat van de technische bewapening, of uit dat van de strijd zelf, steeds blijft de eerste voorwaarde, waaraan voldaan moet worden, dat men de grote massa van ons volk weer tot de idee van onze nationale zelfstandigheid moet brengen.

De massa's weer in het nationale kamp

Als wij echter die vrijheid ten opzichte van het buitenland niet terug krijgen, dan zal iedere binnenlandse verbetering zelfs onder de gunstigste omstandigheden niets anders betekenen, dan dat wij als kolonie meer zouden produceren. De winsten van deze zogenaamde economische vooruitgang komen dan aan de internationale legers ten goede, die ons controleren, en iedere sociale verbetering betekent in het gunstigste geval, dat wij meer voor hen presteren. Culturele vooruitgang zal de Duitse natie in het geheel niet kennen, daartoe is zoiets te zeer gebonden aan de politieke onafhankelijkheid en waardigheid van een volk. Wanneer dus de toekomst van de Duitse natie onafscheidelijk is aan een nationale gezindheid bij de grote massa van ons volk, dan moet het aankweken van zo'n overtuiging ook de hoogste en geweldigste taak zijn van een beweging, die geen genoegen neemt met het voldoen aan enkele momentele behoeften, maar die alles alleen doet en laat met het oog op de uitwerking van haar daden op de toekomst. Zo wisten wij ook al in het jaar 1919 zeer goed, dat het eerste voorlopige doel van de beweging moet zijn, de massa's hun nationaal gevoel terug te geven. Dit doel stelde een aantal tactische eisen, en wel de volgende:

1

Om de massa voor de nationale revolutie te winnen, is geen sociaal offer te zwaar. Wat men vandaag de dag ook voor economische concessies kan doen aan onze werknemers, deze concessies vallen geheel in het niet bij de vruchten, die de gehele natie plukt, als in ruil de grootste groepen van het volk hun volksbewustzijn terug krijgen. Alleen kortzinnigheid en bekrompenheid, zoals men die helaas in de kringen van onze ondernemers maar al te vaak ziet, kunnen blind zijn voor het feit, dat er op den duur geen economisch herstel mogelijk is, en dus ook geen bedrijfswinst, als de binnenlandse solidariteit van onze natie niet in ere wordt hersteld.

Als de Duitse vakverenigingen tijdens de oorlog de belangen van de arbeiders zo onverbiddelijk mogelijk hadden gediend; als ze, zelfs tijdens de oorlog, de dividendhongerige heren ondernemers duizendmaal door stakingen hadden gedwongen om voor de eisen van de arbeiders te zwichten, maar daarnaast, in het belang van de nationale verdediging, even fanatiek voor Duitsland waren opgekomen en even onvoorwaardelijk aan het vaderland hadden gegeven wat aan het vaderland toekomt, dan zou de oorlog niet met een nederlaag zijn geëindigd. Hoe onbetekenend zouden echter alle economische concessies, ook de grote, zijn geweest tegenover het geweldige feit van de overwinning. Zo moet een beweging, die er naar streeft, om de Duitse arbeider weer aan het Duitse volk terug te geven, er zich zeer goed van bewust zijn, dat economische offers bij deze kwestie in het geheel niet van betekenis zijn, zolang ze althans niet van zodanige aard of omvang zijn, dat het behoud en de onafhankelijkheid van de nationale economie er door in gevaar worden gebracht.

2

De opvoeding van de massa kan alleen via een sociale verheffing plaats vinden, die de individu in staat stelt, om ook van de culturele goederen van de natie te genieten.

3

De grote massa kan nooit door halfslachtigheden tot een nationale overtuiging worden opgevoed, en evenmin door het slappe poneren van een zogenaamd objectief standpunt, maar alleen en uitsluitend door een campagne, die zich onvoorwaardelijk en fanatiek - eenzijdig richt op het te bereiken doel. Dat betekent dus, dat men een volk niet "nationaal" kan maken in de zin zoals onze huidige bourgeoisie "nationaal" verstaat, dus niet nationaal-met-driehonderdvijfenzestig-maren, maar enkel nationalistisch, met de gehele woeste oerkracht, die aan het extremisme eigen is.

Gif kan alleen door tegengif worden geneutraliseerd, en men moet een halfslachtig bourgeois zijn, om de middenweg als de weg naar de hemel te kunnen beschouwen. Het gros van een volk bestaat niet uit professoren, en ook niet uit diplomaten. Het luttele beetje abstracte kennis, waarover het beschikt, bewijst, dat het meer voor emotionele, dan voor mentale ervaringen vatbaar is. Daarom komt zijn standpunt ook uit zijn gevoel voort, en zal of pertinent positief of pertinent negatief zijn. Het is alleen ontvankelijk voor een van deze beide richtingen, en nooit voor een halfslachtig standpunt, dat op de een of andere manier het midden houdt tussen deze beide. Maar het feit, dat het zich laat leiden door zijn gevoel, verklaart meteen de ongewoon grote stabiliteit van zijn overtuiging. Het geloof is moeilijker te vernietigen dan het weten. Liefde is standvastiger dan eerbied, haat is sterker dan wrevel, en het was altijd de bezieling van een fanatisme, soms de zweep van de hysterie, die de geweldige omwentelingen van deze aarde liet ontstaan, en zo goed als nooit een, door de gehele massa gedeeld, wetenschappelijk inzicht. Wie de grote massa wil winnen, moet de sleutel weten te vinden, die de poorten naar haar hart opent. De sleutel heet niet objectiviteit, dus zwakte, maar wil en kracht.

4

Men kan het hart van een volk pas dan helemaal veroveren, wanneer men er zich niet toe beperkt, om de positieve strijd ter bereiking van het eigen doel te voeren, maar wanneer men ook de vijand van dit doel vernietigt. Het volk beschouwt te allen tijde een onverbiddelijke aanval op een tegenstander als een bewijs van het goed recht van de aanvaller, en het heeft het gevoel, dat een ontzien van de ander een bewijs is voor de twijfel aan het eigen goed recht, of zelfs een teken van het eigen onrecht.

De grote massa is niets dan een stuk natuur, en haar oergevoel kan niet vatten, hoe mensen, die beweren naar volkomen tegenstrijdige werelden te streven, elkaar de hand kunnen drukken. Zij wenst de overwinning van de sterkste en de vernietiging of de volkomen onderwerping van de zwakste. Het zal alleen dan lukken de massa in het nationale kamp te brengen, wanneer wij naast alle positieve strijd voor de ziel van ons volk, de internationalistische gifmengers, die het op die ziel hebben voorzien, weten uit te roeien.

5

Alle grote vraagstukken van onze tijd zijn vraagstukken van het ogenblik, en zijn slechts gevolgen van bepaalde oorzaken. Slechts één van die alle is de oorzaak, namelijk het vraagstuk van de zuiverhouding van het volk. Het bloed alleen bepaalt de kracht en de zwakte van de mens. Volkeren, die de betekenis van het ras als fundament voor hun bestaan miskennen, zijn als mensen, die mopshonden tot windhonden zouden willen opvoeden, zonder te begrijpen, dat de snelheid van de windhond evenals b.v. de schranderheid van de poedel geen aangeleerde eigenschappen maar raskenmerken zijn. Volkeren, die hun raszuiverheid te grabbel gooien, doen daarmee tevens afstand van de eenheid van hun ziel in al haar uitingen. De verscheurdheid van hun wezen is het natuurnoodzakelijke gevolg van de chaos in hun bloed, en de verandering in hun geestes- en scheppingskracht is slechts een gevolg van de werking van deze verandering in hun ras. Wie het Duitse volk wil verlossen van de huidige uitingen en ondeugden, die aan zijn eigenlijk volkskarakter vreemd zijn, die zal het eerst moeten bevrijden van het vreemde element, dat deze uitingen en ondeugden verwekte. Indien men het rassenvraagstuk en daarmee de Jodenkwestie niet volkomen onder de knie heeft, zal men ook de Duitse natie niet meer op de been kunnen helpen. Het rassenvraagstuk geeft niet alleen de sleutel voor de wereldgeschiedenis, maar ook voor de menselijke cultuur zelf.

6

Het terugbrengen van de grote massa uit het internationale kamp in de nationale volksgemeenschap betekent daarom nog helemaal niet, dat die massa van haar gerechtvaardige standsbelangen moet afzien. Integendeel. De onderlinge tegenstrijdigheid van de verschillende stands- en beroepsbelangen is niet identiek met de splitsing in klassen, maar een natuurlijk gevolg van de toestanden in onze economie. Die indeling in beroepen is in geen enkel opzicht in strijd met de idee van een waarlijke volksgemeenschap, want deze bestaat immers juist door de eensgezindheid van het volk in alle vraagstukken, die het leven van dat volk als zodanig betreffen. De inschakeling van een stand, die tot klasse is geworden in het lichaam van de volksgemeenschap, of ook maar in de staat, kan niet worden bewerkstelligd, door de hogere klassen naar beneden te halen, doch integendeel, door de lagere op te heffen. De stuwende kracht in dit proces kan wederom nooit van de hogere klasse uitgaan, maar steeds van de lager staande, die voor haar gelijkberechtigdheid vecht. De huidige bourgeoisie verwierf haar positie in de staat niet door maatregelen van de zijde van de adel, maar door eigen energie en onder eigen leiding. De Duitse arbeider wordt niet via zoetelijke verbroederingsscènes tot een deel van de Duitse natie gemaakt, maar alleen door een bewuste verbetering van zijn culturele en sociale toestand, en dat net zolang tot de diepste verschillen als opgelost kunnen worden beschouwd. Een beweging, die een dergelijke ontwikkeling tot stand wil laten komen, dient haar aanhang in de eerste plaats in arbeiderskringen te zoeken. Ze mag alleen op dat deel van de intellectuelen steunen, dat het nagestreefde doel reeds volledig heeft begrepen.

Deze richtingverandering en toenadering zullen niet in tien of twintig jaar volbracht zijn, maar, naar de ervaring ons leert, vele generaties duren. De grootste hinderpaal voor het samengroeien van de huidige arbeider met de nationale volksgemeenschap is niet gelegen in het feit, dat zijn belangen als stand, afgescheiden van die van de andere standen vertegenwoordigd worden, maar in zijn internationale antivolkse, antivaderlandse leiding en levenshouding. Indien diezelfde vakverenigingen fanatiek nationaal waren ingesteld, overal waar het politieke en volkse belangen betrof, dan zouden zij millioenen arbeiders tot uiterst waardevolle mannen in hun volk maken, waaraan de zuiver economische meningsverschillen in het geheel niets afdoen. Een beweging, die de Duitse arbeider op eerlijke wijze aan zijn volk wil teruggeven en hem uit de internationale verdwazing wil redden, moet zich zo scherp mogelijk verweren tegen de opvattingen, die vooral in ondernemingskringen leven - als zou het begrip "volksgemeenschap" betekenen, dat de werknemer in economisch opzicht aan handen en voeten gebonden aan de werkgever zou worden uitgeleverd; en ook tegen de mening uit diezelfde bron, als zou iedere verdediging van arbeidersbelangen - ook van volkomen gerechtvaardigde - een aanslag op die volksgemeenschap zijn. Wie deze opvatting verdedigt, kiest daarmee de partij van een bewuste leugen; de volksgemeenschap heeft immers niet alleen aan de ene, maar zeer zeker ook an de andere zijde verplichtingen op te leggen. Net zo goed als het vaststaat, dat een arbeider tegen de geest van de werkelijke volksgemeenschap zondigt, wanneer hij de vervulling van eisen tracht af te dwingen, zonder daarbij rekening te houden met het algemeen welzijn en met de belangen van de internationale economie, evenzeer echter is ook een ondernemer in gebreke tegenover deze gemeenschap, wanneer hij zijn bedrijf op onmenselijke wijze en uitbuitend leidt, want daardoor misbruikt hij de arbeiderskracht van de natie, en de methode, om zo uit dit zweet millioenen bijeen te vergaren, kan niet anders dan roof genoemd worden.

Zo'n man heeft ook zeer zeker niet het recht, zich nationaal te noemen, niet het recht om van een volksgemeenschap te spreken, maar is een egoïst en een schoft, die door zijn gedrag de sociale vrede verstoort, en later problemen uitlokt, die, hoe ze ook aflopen, ten koste van de natie moeten gaan. Het reservoir, waaruit de jonge beweging haar aanhang zal moeten putten, zal dus in de eerste plaats de massa van onze werknemers zijn. Daarom moeten deze uit hun internationale verdwazing en sociale nood worden bevrijd, uit hun culturele armoede worden gered, en als eendrachtige, waardevolle, nationaal voelende en nationaal willende factor in de volksgemeenschap worden ingeschakeld. En al die intellectuelen van de natie, waarvan hun hart warm klopt voor hun volk en zijn toekomst, en die zich diep bewust zijn van de betekenis van de strijd om de ziel van die massa, zullen in de rijen van deze beweging, als kostbare geestelijke ruggengraat, hartelijk welkom zijn. Onze beweging mag er zich echter nooit op toeleggen om de kudden burgerlijk stemvee naar zich toe te trekken. In zo'n geval zou ze een last op zich laden, die zo geaard is, dat ze de werfkracht van de beweging ten opzichte van de grote massa's zou verlammen. Want hoe mooi in theorie de idee ook mag lijken, om reeds binnen het kader van de beweging zelf een zo groot mogelijke, natuurlijk geordende massa mensen bijeen te brengen, toch moet daartegenover het praktische bezwaar worden gezien, dat men wel door psychologische beïnvloeding, door algemene demonstraties stemmingen kan scheppen onder de burgerlijke massa's, maar geen karaktereigenschappen, of beter gezegd, dat men door zulke demonstraties geen ondeugden kan wegvagen, die in de loop van eeuwen zijn ontstaan.

Op het ogenblik is het verschil tussen de verschillende bevolkingsgroepen, wat het culturele peil en het ingenomen standpunt ten opzichte van economische kwesties betreft, nog zo groot, dat dit, zodra de roes van de demonstraties verwaaid is, alleen als een blok aan het been zou werken. Tenslotte is het echter ook niet het doel, om in het nationale kamp een andere verdeling van de beschikbare krachten teweeg kan brengen, maar om antinationale krachten over te halen. En dit standpunt moet tenslotte ook bepalend zijn voor de tactiek van de gehele beweging.

7

Dit eenzijdige, maar daardoor duidelijke standpunt moet ook in de propaganda van de beweging tot uitdrukking komen, en is op zijn beurt om propagandistische redenen noodzakelijk. Als de propaganda van de beweging effectief wil zijn, dan moet ze zich slechts naar een kant richten, omdat ze anders - door het grote verschil in ontwikkeling tussen beide groepen - of door de ene kant niet zal worden begrepen, of door de andere kant als vanzelfsprekend en daarom niet belangwekkend, naast zich worden neer gelegd. Zelfs de terminologie en de toon van ieder stuk zal op twee zo volkomen verschillende groepen nog verschillend werken. Als de propaganda van een krachtige manier van uitdrukken afziet, dan zal zij het hart van de grote massa niet weten te vinden. Als ze daarentegen in woord en gebaar de realistische gevoelswereld van het volk tracht te bereiken en ook de uitingen daarvan gebruikt, dan zal ze door de zogenaamde intellectuelen, als ruw en ordinair worden verworpen. Op iedere honderd zogenaamde sprekers zijn er nauwelijks tien, die in staat zouden zijn, om met hetzelfde succes vandaag voor een publiek van putjesscheppers, slotenmakers, polderwerkers, enz. te spreken, en morgen een rede te houden met noodzakelijkerwijze dezelfde geestelijke inhoud voor een gehoor van professoren en studenten.

Misschien is er echter op de duizend sprekers maar één enkele in staat, om tegelijk voor slotenmakers en professoren te spreken in zo'n vorm, dat het niet alleen voor beider voorstellingsvermogen bevattelijk is, maar dat het ook beide partijen even sterk beïnvloedt, of zelfs beide groepen tot laaiende geestdrift weet te brengen. Men mag echter nooit uit het oog verliezen, dat zelfs de mooiste gedachte van een verheven theorie in de meeste gevallen toch alleen door eenvoudige en onbelangrijke mensen kan worden verspreid. Het bepalende is niet datgene, wat de geniale schepper van een idee daarbij voor ogen stond, maar het beeld, dat de verkondigers van deze idee op de grote massa weten over te brengen, en ook, hoe, en met welk succes zij dit doen. De sterke aantrekkingskracht, die de sociaal democratie en trouwens de gehele marxistische beweging weet uit te oefenen, lag ook voor een groot deel aan de eenvormigheid, en daardoor ook de eenzijdigheid van het publiek waartoe zij zich wendde. Hoe beperkter en bekrompener haar gedachtegangen daarbij schenen te zijn, des te gemakkelijker werden ze begrepen en verwerkt door de massa, omdat het gesprokene juist op haar geestelijk peil was berekend. Daaruit volgde voor de nieuwe beweging eveneens een eenvoudige en duidelijk richtlijn. In een volksvergadering voor de meest talrijke groepen van de bevolking kan men het best niet die man laten spreken die geestelijk het naast bij de aanwezige intellectuelen staat, maar een man die het hart van de massa weet te veroveren. Een intellectueel heerschap, dat zo'n vergadering bezoekt, dat de kennelijke werking ziet, die de uitgesproken rede op de te veroveren minder ontwikkelde volkslagen uitoefent, en het toch nodig vindt het geestelijk peil van de rede aan te vallen, bewijst alleen, hoe weinig hij tot denken in staat is en hoe weinig waarde zijn persoon voor de jonge beweging heeft. Voor de beweging gaat het alleen om die intellectuelen, die zich de taak en het doel van de beweging reeds zozeer eigen hebben gemakt, dat zij geleerd hebben, ook de propaganda uitsluitend uit een oogpunt van doelmatigheid te bezien, en niet naar de indruk, die die op hen individueel maakt. Want de propaganda heeft niet als doel om mensen die reeds nationaal gezind zijn te onderhouden, maar moet de vijanden van ons volk, die van ons eigen bloed zijn, overtuigen.

In het algemeen moeten nu voor de jonge beweging die ideeën, die ik reeds bij de oorlogspropaganda in het kort opsomde, bepalend en toonaangevend worden voor de methode en tactiek van haar eigen voorlichtingswerk. Dat deze ideeën juist waren, heeft het succes bewezen.

8

Het doel van een politieke beweging zal nooit worden bereikt door voorlichting en al evenmin door de heersende machten te beïnvloeden, maar uitsluitend en alleen door de verovering van de politieke macht. Iedere grote, belangrijke idee heeft niet alleen het recht, maar ook de plicht, om zich al die middelen te verschaffen, die de verwerkelijking van haar ideeën mogelijk maken. Het succes is de enige aardse rechter over de meer of mindere juistheid van zo'n streven, waarbij men onzer succes niet zoals in 1918 alleen de verovering van de macht als zodanig mag begrijpen, maar de zegenrijke invloed, die van deze verovering van de macht uitgaat. Zo kan een staatsgreep nog niet als gelukt beschouwd worden - zoals hersenloze procureurs generaal vandaag de dag (1924) in Duitsland menen - wanneer de revolutionairen de staatsmacht wisten te veroveren, maar alleen dan, wanneer de natie meer baat vindt bij de bedoelingen en doelwitten waarop de revolutionaire handeling is gebaseerd, dan bij de methoden van de vorige regering. Iets, wat moeilijk kan worden beweerd van de "Duitse revolutie", zoals die schurkenstreek in de herfst van 1918 zich pleegt te noemen. Wanneer echter de verovering van de politieke macht de voorwaarde moet zijn voor de praktische verwerkelijking van hervormingsplannen, dan moet de beweging, die deze plannen koestert, zich reeds van de eerste dag van haar bestaan af voelen als een massabeweging, en niet als een literair theekransje of een kleinburgerlijke kegelclub.

Hoogste gezag - hoogste verantwoordelijkheid

9

De jonge beweging is naar wezen en naar organisatie anti parlementaristisch, dat wil zeggen, zij verwerpt zowel bij de algemene als bij haar eigen opbouw het principe van de meerderheid, die "gelijk heeft en beslist", wat immers de leider verlaagt tot uitvoerder van de wil en de opvatting van anderen. De beweging staat, zo in de kleine als in de grote vraagstukken, op het standpunt, dat de leider tegelijk het absolute gezag bezit en de hoogset verantwoordelijkheid draagt. De praktische gevolgen van dit beginsel in de beweging zijn de volgende: De eerste voorzitter van een plaatselijke afdeling wordt door de man, die dadelijk daarboven staat, benoemd, en is nu de verantwoordelijke leider van deze afdeling. Alle raden en besturen staan onder zijn gezag, en niet omgekeerd hij onder een raad. Raden en besturen hebben alleen te werken, niet te stemmen of te kiezen. De verantwoordelijke leider, de eerste voorzitter, wijst ieder zijn deel van de arbeid toe. Hetzelfde principe is van kracht voor de hogere organisatorische eenheden, voor district, provincie of gouw. Alleen de algemene leider van de partij wordt op grond van de statuten door de algemene ledenvergadering gekozen. Hij is nu echter ook alleen en met uitsluiting van alle anderen, de leider van de beweging. Alle raden en besturen staan onder zijn gezag, en niet hij onder hen. Hij beslist en draagt daardoor ook de verantwoording. Het staat de aanhangers vrij, om hem door middel van een nieuwe algemene verkiezing ter verantwoording te roepen en hem uit zijn ambt te zetten als hij tegen de beginselen van de beweging gezondigd heeft of de belangen van de beweging slecht heeft gediend. Dan komt er een nieuwe man op zijn plaats die het beter kan, en die over hetzelfde gezag beschikt en dezelfde verantwoordelijkheid draagt. Het is een zeer belangrijke taak, en een van de hoogste die de beweging te vervullen heeft, om te zorgen, dat deze stelregel niet alleen in haar eigen rijen, maar ook voor de gehele staat van kracht wordt.

Tegen godsdiensttwisten

Wie leider wil zijn, draagt, naast het hoogste, onbeperkte gezag, ook de laatste verantwoordelijkheid. Wie daartoe niet capabel is, of te laf is om de consequenties van zijn daden te dragen, is niet geschikt om leider te zijn. Alleen de held is daarvoor geschikt. De vooruitgang en de cultuur van de mensheid zijn niet ontstaan door de wil van de een of andere toevallige meerderheid, maar uitsluitend te danken aan de genialiteit en de energie van de persoonlijkheid. Het is een van de eerste voorwaarden, waaraan moet worden voldaan, als mens ons volk weer tot grootheid en macht wil brengen, dat wij zulke persoonlijkheden moeten kweken, en hun de hun toekomende rechten te geven. Maar, dat betekent, dat de beweging antiparlementair is, en dat haar deelnemen aan een parlement geen ander doel mag hebben, dan om deze inrichting, die wij als een van de ergste tekens van het verval van de mensheid moeten beschouwen, op te ruimen. 10. De beweging weigert beslist, een standpunt in te nemen, ten opzichte van kwesties, die of buiten het kader van haar politieke arbeid liggen, of voor haar niet van voldoende belang zijn. Het is niet haar taak, om een godsdienstige hervorming te veroorzaken, maar om ons volk in politiek opzicht te reorganiseren. Ze beschouwt de beide belijdenissen als steunpilaren, die voor het leven van ons volk beide een precies even grote waarde bezitten en bestrijdt daarom al die partijen, die dit fundament, waar zo hoge waarden voor ons volk als religie, zeden en moraal op rusten, willen verlagen tot en instrument voor hun partijbelangetjes.

Niet monarchistisch, niet republikeins

Tenslotte gelooft de beweging, dat het niet haar taak is om de ene staatsvorm te bestrijden en een andere te herstellen, maar om die principiële fundamenten te geven, die op den duur zowel voor de republiek als voor de monarchie onmiskenbaar zijn. Het is niet de taak van de beweging om een monarchie te vestigen of een republiek te stichten, maar zij wil een Germaanse staat scheppen. De kwestie, hoe de uiterlijke vorm van de staat, dus de bekroning van het werk, er uit zal zien, is niet van principieel belang, maar wordt slechts bepaald door de meer of mindere doelmatigheid van het een boven het ander. Voor een volk, dat eenmaal de grote vraagstukken en opgaven van zijn leven heeft begrepen, zullen de formele vraagstukken over de uiterlijkheden, niet meer belangrijk genoeg zijn om tot binnenlandse onenigheden aanleiding te geven. 11. De kwestie, hoe de inwendige organisatie van de beweging moet zijn, is geen principiële kwestie, maar is er een, waarbij absoluut die oplossing moet worden gekozen, die het grootst mogelijke nuttig effect heeft. De beste organisatie is niet die, die tussen de leiding van de beweging en de aanhangers het grootste, maar die, die daar het kleinste aantal tussenpersonen zet. Want de organisatie heeft tot doel, om enerzijds een bepaalde idee - die aanvankelijk steeds uit de hersens van de enkeling geboren wordt - tot leven te brengen, en anderzijds om er op toe te zien, dat deze idee op de juiste wijze verwerkelijkt wordt. Daardoor is de organisatie van het begin tot het eind een noodzakelijk kwaad. Ze is in het gunstigste geval alleen middel, in het ongunstigste geval zelfs doel. Omdat de wereld nu eenmaal meer mechanisch werkende mensen voortbrengt, dan mensen, die ideeën hebben, ontstaan gewoonlijk de vormen van een organisatie gemakkelijker dan de ideeën.

Organisatie, een noodzakelijk kwaad

De ontwikkeling van elke idee, die verwerkelijkt wil worden, i het bijzonder, wanneer zij een hervormend karakter vertoont, is in grote lijnen steeds de volgende: Er ontstaat een groots idee in het brein van een mens, die zich geroepen voelt, om dit inzicht aan de rest van de mensheidmede te delen. Hij verkondigt deze overtuiging en weet zo langzamerhand een zekere aanhang te verwerven. Deze gang van zaken, waarbij dus een mens zijn ideeën direct en persoonlijk overdraagt op anderen, is de meest ideale en natuurlijke. Wanneer het aantal van de aanhangers van deze nieuwe leer groeit, dan begint het langzamerhand onmogelijk te worden voor de geestelijke vader van de idee, om ook verder direct, door persoonlijk contact, invloed uit te oefenen op het overgrote deel van de aanhangers, en is al evenmin in staat hen nog langer persoonlijk te begeleiden. En naarmate nu, tengevolge van de groei van de beweging, de mogelijkheid tot direct contact in meer of mindere mate wordt uitgeschakeld, wordt een verbindend lichaam meer of minder nodig. Daardoor komt er een einde aan de ideale toestand, en treedt het noodzakelijke kwaad: de organisatie op. Er ontstaan kleinere groepen, die in de politieke beweging bijvoorbeeld in de vorm van plaatselijke afdelingen, de oercellen worden van de latere organisatie. Deze onderverdeling mag echter, als men tenminste niet de eenheid van de leer wil vernietigen, steeds eerst dan plaats vinden, wanneer het gezag van de geestelijk vader en zijn school als onomstreden gevestigd kan worden beschouwd.

De politieke betekenis van een centraal gelegen middelpunt van de beweging kan daarbij eenvoudig niet te hoog worden aangeslagen. Alleen de aanwezigheid van zo'n plaats, die met de magische stralenkrans van een Mekka of een Rome is omgeven, is op den duur in staat, om een beweging de kracht te schenken, die nodig is, om de inwendige eenheid en de erkenning van de man aan het hoofd, die deze eenheid vertegenwoordigt, mogelijk te maken. Zo mag men bij de stichting van de eerste oercellen voor de organisatie nooit vergeten, dat het oorspronkelijke uitgangspunt van de idee niet alleen zijn betekenis moet behouden, maar dat deze betekenis dient toe te nemen, dat ze die van al de andere ver achter zich laat. Deze toename van het ideologische, morele en werkelijke overwicht van het uitgangspunt - hoofdkwartier van de beweging moet steeds groter worden, naarmate de nu talloos geworden kleinste cellen van de beweging nieuwe vertakkingen van de organisatie nodig maken. Want, zoals het groeiend getal van de aanhangers, en de onmogelijkheid, om nog langer direct met hen in contact te staan, leidt tot de eerste bundelingen, dwingt ook tenslotte de steeds sterkere vermeerdering van deze kleinste organisatorische vormen weer tot grotere bundelingen, die men dan politiek bijvoorbeeld gouw- of districtsorganisaties zou kunnen noemen. Hoe gemakkelijk het ook nog mag zijn, om het gezag van de oorspronkelijke centrale tegenover de kleinste plaatselijke groepen te handhaven, het wordt moeilijker om zich tegenover de nu ontstane grotere delen van de organisatie in deze sleutelpositie te handhaven.

Het gezag van de centrale

Dit is echter een eis, waaraan absoluut moet worden voldaan, indien men de eenheid van de beweging in stand wil houden, wat dus betekend, dat hiermee het al of niet slagen van de idee gemoeid is. Wanneer tenslotte ook hier de verbindende organisaties weer tot aparte administratieve eenheden zijn uitgegroeid, wordt het ook steeds moeilijker, om zelfs tegenover hen het absoluut leidende karakter van het oorspronkelijke punt van uitgang, alsook van zijn school enz., te bewaren. Daarom mag de uitbouw van de mechanische vormen van een organisatie op zijn hoogst gelijke tred houden met de groeiende absoluutheid van het gezag van de centrale in geestelijk en ideëel opzicht. Bij politieke formaties kan men dit gezag dikwijls alleen als gevestigd beschouwen, wanneer de centrale inderdaad praktisch de macht in handen heeft. Hieruit volgen voor de inwendige opbouw van de beweging deze richtlijnen: a. Voorlopig moet men de gehele activiteit concentreren op een enkele plaats, namelijk München, een kern van absoluut betrouwbare aanhangers vormen, en een bepaald aantal hiervan opleiden, zodat zij later in staat zullen zijn, de idee uit te dragen. Het noodzakelijk gezag voor later te krijgen, door op dit brandpunt zo groot mogelijke evidente successen te behalen. Om de beweging en haar leider bekend te maken, was het nodig, om het geloof aan de onoverwinnelijkheid van de marxistische leer niet alleen voor alle, op haar gerichte, ogen te schokken, maar te bewijzen, dat het mogelijk was, een tegenstrijdige beweging in het leven te roepen. b. Tot de vorming van plaatselijke afdelingen mag men niet eerder overgaan, voor het gezag van de centrale leiding in München absoluut erkend kan worden genoemd. c. Een districts-, gouw-, of provinciale organisatie mag eveneens niet in het leven worden geroepen op het ogenblik dat daaraan behoefte wordt gevoeld, maar eerst op het ogenblik, dat men volkomen zeker kan zijn, dat het gezag van de centrale als absoluut is erkend. Overigens echter is de vorming van een organisatorische vertakking afhankelijk van het aantal voor leidende functies geschikte figuren, waarover men beschikt.

De inwendige opbouw van de beweging

Daarbij kan men twee wegen bewandelen: a. Als de beweging over de nodige financiële middelen beschikt, leidt ze de geschikte figuren op, zodat die later als leiders kunnen optreden. Het daarbij verkregen materiaal wordt dan stelselmatig benut, naarmate de tactiek dat vereist. Deze methode is de eenvoudigste en de snelste; maar hij vereist grote sommen geld, omdat deze leiders betaald moeten worden, om zich inderdaad volledig aan de beweging te kunnen geven. b. Als de beweging door geldgebrek niet in staat is betaalde leiders aan te stellen, moet ze dus voorlopig vertrouwen op degenen, die hun ambt als een erepost beschouwen. Deze methode is langzamer en moeilijker. De leiding van de beweging moet in zo'n geval soms grote gebieden braak laten liggen, als er tenminste niet uit de aanhangers een figuur opstaat die bij machte en genegen is om zich ter beschikking van de leiding te stellen en om de beweging in het gebied-in-kwestie te organiseren en te leiden. Het kan gebeuren dat er in een zeer groot deel van het arbeidsveld geen enkele man gevonden wordt, terwijl op een andere plaats twee of drie ongeveer even waardevolle mannen aanwezig zijn. De moeilijkheden, die uit zo'n situatie voortvloeien, zijn vele, en kunnen vaak pas na jaren worden overwonnen. Altijd echter is en blijft het een eerste vereiste voor de vorming van een organisatorische eenheid, dat er een figuur wordt gevonden die bij machte is haar te leiden. En evenzeer als een leger in al zijn organisatorische vormen zonder officieren waardeloos is, is dit ook het geval met een politieke organisatie, die de nodige leiders mist. Voor de beweging is het ook veel beter dat een plaatselijke afdeling niet tot stand komt, dan dat zij wel tot stand komt, maar mislukt door het ontbreken van een leidende en vooruitstrevende leidersfiguur.

Om leider te zijn, is alleen de wil daartoe niet voldoende, maar wordt ook kundigheid vereist, waarbij echter wilskracht en energie noodzakelijker zijn dan genialiteit als zodanig, en men een man waarin kundigheid volharding en besluitvaardigheid verenigd zijn, wel als de meest ideale figuur kan beschouwen. 12. De toekomst van een beweging wordt bepaald door het fanatisme en zelfs de onverdraagzaamheid, waarmee haar aanhangers haar, als enig juiste, vertegenwoordigen en verdedigen tegenover alle andere formaties van overeenkomstige aard. Het is de grootste fout, die men kan begaan, om te menen, dat de kracht van een beweging toeneemt door fusie met een andere van analoge aard. Weliswaar betekent zo'n vergroting een voorlopige toename in kwantitatief opzicht, en daarmee in het oog van oppervlakkige lieden ook van macht, maar in werkelijkheid neemt ze alleen de kiemen in zich op van een eerst later merkbaar wordende verzwakking. Want wat men ook mag praten over gelijkwaardigheid van twee bewegingen, in werkelijkheid is deze toch nooit een feit. Want anders zou er immers in de praktijk niet van twee, maar slechts van een beweging sprake zijn. En het doet er in het minst toe, waarin het verschil ligt - al was het alleen maar in de gaven van de beide leidingen - maar het bestaat. De natuurwet, die iedere ontwikkeling bestuurt, eist nu eenmaal, dat twee ongelijke formaties niet worden aaneengekoppeld, maar dat integendeel de sterkste van beide overwint, omdat alleen de hiertoe nodige strijd de overwinnaar tot grotere kracht en macht weet op te voeren. Uit de samenvoeging van twee partijformaties, die veel gemeen hebben, kunnen misschien voor het moment wel enkele voordelen uit opbloeien, maar op den duur is toch elke overwinning, die op zo'n wijze wordt behaald, de oorzaak van later optredende interne zwakheden.

Onverdraagzaam fanatisme

De grootheid van de beweging wordt uitsluitend en alleen gewaarborgd door de onbelemmerde ontwikkeling van haar innerlijke kracht, en door een onophoudelijke toename van die kracht, tot zij tenslotte alle concurrenten definitief weet te verslaan. Ja, men kan wel zeggen, dat haar kracht en daarmee haar recht op bestaan slechts zullen toenemen, zolang zij het principe van de strijd als basis voor haar ontwikkelingsgang aanvaardt, en dat haar kracht het hoogste punt heeft overschreden op het ogenblik, dat zij de algehele overwinning weet te behalen. Daarom is het voor een beweging ook niet anders dan zeer gunstig, wanneer zij deze overwinning nastreeft in een vorm, die mogelijk niet tot groe successen leidt, maar die door een lange strijd - op zijn beurt veroorzaakt door onvoorwaardelijke onverdraagzaamheid - tot een langdurige groeiperiode dwingt. Bewegingen die hun groei alleen aan een zogenaamde fusie-van-gelijksoortige-formaties te danken hebben, en waarvan de kracht dus het gevolg is van compromissen, lijken op kasplanten. Ze schieten wel op, maar missen de kracht om de eeuwen en de zware stormen te weerstaan. De grootheid van iedere geweldige organisatie op deze wereld, die de belichaming is van een idee, is gelegen in het religieuze fanatisme waarmee zij zich, zonder de minste verdraagzaamheid, tegen al de anderen teweer stelt, in de vaste overtuiging van het goed recht van haar eigen zaak. Wanneer een idee als zodanig juist is, en, zo gewapend, de strijd op deze aarde opneemt, is zij onoverwinnelijk, en iedere vervolging die zij ondergaat zal haar alleen innerlijk sterker kunnen maken.

Opvoeding tot de strijd

De grootheid van het Christendom was niet gelegen in de conferenties, waarbij de nieuwe leer trachtte, met verwante filosofische opvattingen van de Ouden tot een vergelijk te komen, doch integendeel in het onverbiddelijke fanatisme, waarmee de Christenen hun leer verkondigden en verdedigden. Het verlies dat een beweging, die een fusie met een andere vermijdt, schijnt te lijden, wordt ruimschoots vergoed door de voortdurende toename van krachten, die het deel is van die leer en die organisatie, die onafhankelijk blijven en alleen op eigen kracht vertrouwen. 13. De beweging moet, van het begin af aan, zorg dragen dat ze haar leden zodanig opvoedt, dat ze in de strijd niet iets gaan zien waartoe ze zijn opgevoed en wat ze zich maar laten aanleunen, maar dat ze het strek als hun eigen levensdoel voelen. Ze moeten daarom geen angst koesteren voor de vijandschap van hun tegenstanders, maar integendeel juist leren, hierin de eerste voorwaarde voor hun eigen recht op bestaan te zien. Ze moeten de haat van de vijanden van ons volk en van onze wereldbeschouwing, en de uitingen van die haat niet duchten, maar moeten daarnaar juist verlangen. En ook leugen en laster behoren tot de uitingen van deze haat. Wie door de Joodse kranten niet wordt bestreden - dat wil dus zeggen: niet wordt belasterd en beklad - is geen fatsoenlijk Duitser en geen waar nationaal-socialist. De beste toetssteen voor de waarde van zijn mening, voor de oprechtheid van zijn overtuiging en de kracht van zijn wil, is de vijandschap, die de doodsvijanden van ons volk hem toedragen. Men moet de aanhangers van onze beweging en in ruimere zin het gehele volk, er steeds weer op attent maken dat de Jood altijd liegt in zijn kranten, en dat hij, zelfs wanneer hij toevallig eens de waarheid spreekt, toch bedoelt te liegen, omdat dit dan immers alleen dient om een nog groter bedrog te dekken. De Jood is de grote meester in het liegen, en leugen en bedrog zijn wapens in de strijd. Iedere Joodse lastering en iedere Joodse leugen zijn littekens van eer op het lichaam van onze strijders. Hij die zij het meest belasteren staat ons het naast en de man die zij het felst haten is onze beste vriend.

Opvoeding tot eerbied voor de persoonlijkheid

Wie 's morgens een Joodse krant inziet en zich in haar kolommen niet belasterd ziet, die heeft de voorafgaande dag niet goed besteed; want had hij dat wel gedaan, dan zou hij door de Jood belasterd, belaagd, beklad en uitgescholden worden. En alleen de man die tegen deze doodsvijand van ons volk en van de gehele Arische mensheid en cultuur zo scherp mogelijk optreedt, mag verwachten, dat dit ras zijn laster en zijn andere wapens ook tegen hem zal richten. Wanneer deze gedachten in onze aanhangers levend worden, dan zal de beweging onaantastbaar en onoverwinnelijk worden. 14. De beweging moet alles doen om het respect voor de persoonlijkheid te laten toenemen, en mag nooit vergeten, dat de waarde van al het menselijke in het persoonlijke besloten ligt, dat iedere idee en iedere prestatie het gevolg is van de scheppingsdrang van één enkeling, en dat de bewondering voor grootheid niet alleen een soort van eerbetoon is aan de overwinnaar, maar dat zij tegelijkertijd de dankende met sterke banden samen bindt. De persoonlijkheid is niet te vervangen, allerminst dan, wanneer hij niet het mechanisme, het cultureel scheppende element vertegenwoordigt. Zomin als het mogelijk is dat een beroemd meester wordt vervangen en dat een ander in zijn plaats zijn half voltooid schilderij afmaakt, evenmin is de grote dichter en denker, de grote staatsman en de grote veldheer te vervangen. Want hun werk is steeds kunst, het is nooit een product van hun opvoeding, maar het is hun door de gratie Gods geschonken. De grootste omwentelingen en verworvenheden die deze aarde beleefde en behaalde, haar grootste culturele prestaties, de onsterfelijke daden op het gebied van de staatsmanskunst, enz., zijn alle voor eeuwig verbonden met de een of andere naam, en worden door hem vertegenwoordigd. Indien men de huldiging van een bepaalde grote geest afziet, dan laat men daarmee een geweldige kracht, die uit de namen van alle grote mannen en vrouwen stroomt, verloren gaan. Dit weet de Jood beter dan wie ook.

Men bemerkte ons niet

Juist hij, van wie de zorgen alleen groot zijn als verwoesters van de mensheid, draagt zorg, dat al deze als afgoden worden aanbeden. Maar de vereniging van andere volkeren voor hun eigen grote figuren tracht hij als iets onwaardigs voor te stellen en kwalificeert hij als "persoonsverafgoding". Zo gauw een volk zo laf wordt dat het zich buigt voor deze Joodse aanmatiging en onbeschaamdheid, doet het afstand van de geweldigste kracht die het bezit; want het is niet de eerbied voor de massa, maar de bewondering voor het genie, dat door zijn voorbeeld sticht en verhoogt, die ons kracht en moed schenkt. Wanneer de mensenharten breken en de mensenzielen wanhopen, dan stijgen uit de schemeringen van het verleden de groten op, die nood en zorg, smaad en ellende, geestelijke onvrijheid en lichamelijke slavernij wisten te overwinnen, en steken de versagende stervelingen hun eeuwige handen toe! En wee het volk dat zich schaamt om deze handen te grijpen. In de eerste groeitijd van onze beweging was er niets waaronder wij zo hadden te lijden als onder het feit dat wij nog niets betekenden en dat onze namen niet bekend waren, omdat dit alleen al deed twijfelen aan de mogelijkheid van succes. Het moeilijkste in deze eerste tijd, toen vaak niet meer dan zes, zeven of acht mensen kwamen opdagen om naar de woorden van een spreker te luisteren, was, om in deze kleine kring toch het geloof aan de geweldige toekomst van onze beweging te wekken en levend te houden. Men moet eens bedenken wat het betekent, dat hier zes of zeven mannen, stuk voor stuk naamloze kerels, zich verenigden om een beweging te stichten die er in zou moeten slagen om datgene te volbrengen, wat toch nog toe aan al de geweldige, grote massapartijen mislukt was, namelijk, om weer een Duits Rijk van hoger pracht en macht en heerlijkheid dan ooit tevoren bestond, te doen opstaan.

Als men ons destijds maar had aangevallen, of alleen maar had bespot, het zou ons allebei welkom zijn geweest. Want het was juist zo beklemmend, dat niemand ons opmerkte, en ik leed hier wel het ergst van allen onder.

Jammerlijk mislukte "vergaderingen"

Toen ik mij bij deze enkele mannen schaarde, kon er van een partij of van een beweging nog geen sprake zijn. Ik heb de gedachten, die bij mijn eerste kennismaking met dit groepje in mij opkwamen, reeds weergegeven. Ik had in de eerst volgende week de tijd en de gelegenheid, om de voorlopig al te bespottelijke verschijningsvorm van deze partij nader te bekijken. Het beeld dat zich voor mij ontrolde was echt tamelijk benauwend, en wel in staat iemand neerslachtig te maken. Er was niets, maar dan ook werkelijk helemaal niets aanwezig. Hier was een partij, waarvan het bestuur praktisch door het gehele ledental werd gevormd, en die toch al, of ze wilde of niet, datgene was, wat ze trachtte te bestrijden: een parlement, al was het dan ook een van het allerkleinste formaat. Ook hier werd gestemd; en terwijl de grote parlementen zich tenminste nog over grotere vraagstukken maanden achterelkaar de kelen hees schreeuwen, zette men in deze kleine kring reeds over beantwoording van een enkele, toevallig, tot algemene vreugde, binnengekomen brief, omvangrijke bomen op. Natuurlijk was er in de stad van dit alles niets bekend. Geen mens in München op haar enkele aanhangers en het geringe aantal van hun kennissen na, kende ook maar de naam van de partij. Iedere woensdag vond in een Münchener café een zogenaamde bestuursvergadering plaats, en eens per week een avond, waar een redevoering werd afgestoken.

Omdat het totale ledental van de 'beweging' voorlopig nog in het bestuur zitting had, zag men natuurlijk steeds dezelfde gezichten. Nu was het zaak om deze kleine kring te verruimen en om nieuwe aanhangers te winnen, maar vooral om de naam van de beweging te promoten. Wij gingen daarbij als volgt te werk:

De eerste vergadering

Een keer per maand, later een keer per veertien dagen, trachtten wij een "vergadering" te houden. De uitnodigingen hiervoor werden op strooibiljetten getypt of geschreven en de eerste keren door onszelf uitgedeeld of verspreid. Ieder wendde zich tot zijn kring van kennissen, om de een of ander over te halen, een van deze vergaderingen te bezoeken. Het succes was erg droevig. Ik herinner me nog, hoe ikzelf in de eerste tijd eens een keer bijna tachtig biljetten had verspreid, en hoe wij nu die avond wachtten op de volksmassa's die zouden komen opdagen. Een uur later dan anders moest de voorzitter tenslotte de "vergadering", waar weer zeven man, het oude zevental, aanwezig was, openen. Wij gingen er nu toe over om de uitnodigingskaarten in een Münchener kantoorboekhandel te laten typen en vermenigvuldigen. Het resultaat hiervan was, dat er bij de volgende vergadering enige toehoorders méér aanwezig waren. Zo steeg het aantal langzaam van elf tot dertien, tenslotte zelfs tot zeventien, tot drieëntwintig, tot vierendertig toehoorders. Door collectes op heel kleine schaal, onder ons arme duivels onderling, kregen wij de middelen bij elkaar, om tenslotte een vergadering door een advertentie in de destijds onafhankelijke "Münchener Beobachter" te kunnen aankondigen. Ditmaal was het resultaat echt verbluffend. Wij hadden voor de vergadering de "Munchener Hofbräuhauskeller" uitgekozen (niet te verwarren met de Münchener Hofbräuhaus Testsaal), een zaaltje, waar net voor een honderd dertig personen plaats was. Mijzelf leek dit lokaal een grote hal toe, en ieder van ons vreesde, dat het niet zou lukken, om die avond deze 'indrukwekkende' lokaliteit met mensen te vullen. Om zeven uur waren honderd elf personen aanwezig en werd de vergadering geopend. Een Münchener professor was de belangrijkste spreker van de avond, en ik zou als tweede spreker optreden, en daarmee voor het eerst in het openbaar het woord voeren. De heer Harrer, die destijds de functie van partijvoorzitter vervulde, beschouwde dit als een groot waagstuk. Deze overigens volkomen rechtschapen kerel liep nu eenmaal rond met de vaste overtuiging, dat ik wel het een en ander kon, maar dat ik heel bepaald geen sprekerstalent had. En dit was een overtuiging waar hij nadien steeds bleef houden.

Soldaten als kern van de beweging

Maar het liep anders af. In de eerste vergadering, die de naam "openbaar" verdiende, waren mij twintig minuten spreektijd toegestaan. Ik sprak een halfuur, en wat ik vroeger, zonder het te weten, instinctief had gevoeld, werd nu bewaarheid: ik kon spreken! Na dertig minuten waren de mensen in deze kleine zaal als geëlektriseerd, en die geestdrift kwam voorlopig hierin tot uiting, dat mijn beroep op offervaardigheid aan de aanwezigen ons driehonderd mark opleverde. Nu was daarmee een zware last van onze schouders genomen. Onze financiële nood was in deze tijd zo groot, dat wij zelfs niet bij machte waren geweest om beginselprogramma's of strooibiljetten voor de beweging te laten drukken. Maar nu was dan de basis gelegd voor een klein fonds, waaruit tenminste het allerhoogste en alleronmisbaarste kon worden betaald. Maar in een ander opzicht was het succes van deze eerste grotere vergadering van betekenis. Destijds was ik begonnen, een aantal onverbruikte jonge krachten voor ons te winnen. In de loop van mijn lange diensttijd had ik een groot aantal trouwe kameraden leren kennen, dat zich nu langzamerhand, op mijn aansporing, onder de vanen van onze beweging begon te scharen. Het waren allemaal energieke jonge kerels, die aan discipline gewend waren, en die in hun diensttijd hadden geleerd, dat niets onmogelijk is, en dat alles wat men werkelijk wil, gebeurt. Hoe nodig zo'n aanvoer van nieuwe krachten was, merkte ik zelfs reeds na slechts enkele weken van samenwerking. De heer Harrer, die destijds de eerste voorzitter van de partij was, bekleedde in het burgerlijk leven het beroep van journalist, en was als zodanig zeker zeer veelzijdig ontwikkeld. Maar hij had een gebrek, dat voor de leider van een partij buitengewoon nadelig is: hij was helemaal geen volksredenaar. Hoe pijnlijk precies en nauwgezet zijn werk ook was, toch ontbrak er - misschien juist tengevolge van het ontbreken van een groot sprekerstalent - de wijde blik aan.

De heer Drexler, die destijds de functie van voorzitter van de afdeling München bekleedde, was een gewone arbeider, had als spreker al evenmin veel te betekenen als Harrer, en was overigens ook geen soldaat. Hij had niet gediend en was ook in oorlogstijd geen soldaat geweest, zodat hij, met zijn door en door zwakke, onzekere karakter, de enige school had gemist die uit mensen van zijn slag kerels weet te maken. Zo waren beide mensen niet van het soort waaruit de mannen die wij nodig hadden voortkwamen, want die moesten niet alleen fanatiek kunnen geloven aan de overwinning van de beweging, maar ook met onverwoestbare energie, en zonodig met de onverbiddelijke meedogenloosheid de hinderpalen, die de vooruitgang van de nieuwe idee had kunne belemmeren, uit de weg ruimen. Daarom hadden wij mensen nodig, die geestelijk en lichamelijk over die soldatendeugden beschikken, die misschien wel het beste zo kunnen worden aangeduid: snel als windhonden, taai als leer, en hard als staal van Krupp.

Destijds was ikzelf nog soldaat. Mijn uiterlijk en innerlijk was bijna zes jaar lang zodanig door het soldatenleven omgesmeed, dat ik ongetwijfeld in deze kring een enigszins vreemde indruk moest maken. Ook voor mij hadden de woorden: "Dat kan niet", "Dat zal niet lukken", "Dat mag je niet proberen, dat is toch te gevaarlijk", hun betekenis verloren. Want gevaar was er natuurlijk bij. In de jaren 1919 en 1920 waren er veel streken in Duitsland, waar het eenvoudig tot de onmogelijkheden behoorde dat men een vergadering van een nationale organisatie uitschreef, en het hart had, zich tot de grote massa te richten en openlijk aan te sporen tot bezoek. De deelnemers aan zo'n vergadering werden met bebloede koppen uiteengeslagen en verjaagd. Nu kostte zo'n prestatie van linkse zijde ook niet zo vreselijk veel moeite, want zelfs de grootste zogenaamde "massabijeenkomst" van de burgerlijke partijen spatte voor een dozijn communisten uiteen, en de bezoekers vluchtten haastig weg, als muizen voor de kat. Maar terwijl de 'roden' van zo'n burgerlijk theekransje-in-het-groot niet de minste notitie namen, omdat ze veel beter dan de leden zelf, wisten, hoe onnozel en hoe ongevaarlijk deze geschiedenis voor henzelf was, stond hun besluit, om iedere beweging die hun gevaarlijk voorkwam met alle middelen een einde te maken, des te meer vast - en het meest succesvolle wapen was toch te allen tijde de terreur, het geweld.

De tweede vergadering

De marxistische volksbedriegers moesten echter wel de diepste haat voelen voor een beweging, die ere zich kennelijk speciaal op toelegde, om juist die massa op haar hand te krijgen, die tot nog toe uitsluitend in dienst van de internationale marxistische beurs - en Jodenpartijen had gestaan. Alleen de naam "Deutsche Arbeiterpartei" werkte prikkelend. Men kon gemakkelijk begrijpen, dat het onder deze omstandigheden, bij de eerste de beste geschikte gelegenheid, tot onenigheid zou komen met de marxistische ophitsers, die destijds nog dronken waren van hun overwinning. In de kleine kring van de beweging van die dagen voelde men ook een zekere angst voor zo'n strijd. Men wilde zich zo weinig mogelijk in het openbaar vertonen, uit vrees, klop te krijgen. Men zag in zijn verbeelding de eerste grote vergadering al uiteengejaagd en darmee het einde van de beweging gekomen. Het kostte mij veel moeite om mijn opvattingen ingang te doen vinden, dat men namelijk deze strijd niet mocht ontwijken, maar er integendeel steeds op moest rekenen, en zich daarom ertegen moest wapenen met het enige wapen, dat helpt tegen geweld. Terreur kan niet door de geest, maar alleen door tegenterreur worden gebroken. Het succes van onze eerste vergadering maakte dat mijn mening meer steun vond. Men kreeg de moed om een tweede, reeds iets grotere uit te schrijven. Omstreeks oktober 1919 vond in de Eberbräukeller die tweede grotere vergadering plaats. Onderwerp: Brest-Litowsk en Versailles.

Er traden vier sprekers op. Zelf sprak ik bijna een uur, en mijn succes was nog groter dan de eerste keer. Het aantal bezoekers was gestegen tot honderd dertig.

De innerlijke vorming van de beweging

Een poging om de orde te verstoren, werd door mijn kameraden onmiddellijk in de kiem gesmoord. De onruststokers werden met builen op hun hoofden de trap afgewerkt. Veertien dagen later werd opnieuw een vergadering gehouden in dezelfde zaal. Het aantal bezoekers was gestegen tot honderd zeventig, en de zaal was goed bezet. Ik had weer gesproken, en weer was het succes groter dan bij de voorafgaande vergaderingen. Ik drong er op aan dat wij een grotere zaal zouden nemen. Tenslotte vonden wij die aan het andere eind van de stad in het "Deitsche Reich" in de Dachauer Strasze. De eerste vergadering in de nieuwe lokaliteit was slechter bezocht dan de laatste die hieraan vooraf gingen, krap aan honderd veertig bezoekers. In het bestuur liet men de hoop alweer zakken en de eeuwige twijfelaars meenden, dat de reden van deze betrekkelijk slechte opkomst, misschien de reden kon zijn, dat wij te vaak vergaderden. Het kwam tot scherpe woordenwisselingen, waarbij ik het standpunt verdedigde, dat een stad van zevenhonderdduizend inwoners niet alleen ééns per veertien dagen, maar iedere week tien vergaderingen moest kunnen verdragen, dat men zich door een enkele terugslag niet van de wijs mocht laten brengen, dat de ingeslagen weg de juiste was, en dat vroeger of later het succes moest komen, wanneer wij maar steeds met dezelfde volharding bleven voortgaan. Deze winter van 1919 / 1920 was trouwens één voortdurende strijd, om het vertrouwen in de levenskracht van de beweging, die toch tenslotte de overwinning zou behalen, te versterken en op te voeren, totdat er tenslotte dat fanatisme uit geboren wordt, dat dan als geloof bergen kon verzetten.

De volgende vergadering in dezelfde zaal stelde mij alweer in het gelijk. Het aantal bezoekers was alweer groter geworden, nu tot meer dan tweehonderd en zowel het uiterlijke als het financiële resultaat was prachtig. Ik drong erop aan, dat dadelijk een nieuwe vergadering zou worden uitgeschreven. Nauwelijks veertien dagen later vond die dan ook plaats en het publiek bestond uit tweehonderdzeventig personen. Weer veertien dagen later riepen wij voor de zevende keer de aanhangers en vrienden van de nieuwe beweging bij elkaar, en nu was er in de zaal maar nauwelijks meer plaats voor het aantal mensen, dat was komen opdagen, want het waren er nu reeds meer dan vierhonderd geworden.

In deze tijd kreeg de jonge beweging haar definitieve innerlijke vorm. Dat gaf in onze kleine kring vaak aanleiding tot min of meer heftige woordenwisselingen. Van verschillende kanten - zoals tegenwoordig (1924) ook - werd er kritiek op uitgeoefend dat de jonge beweging als partij werd gekwalificeerd. Ik heb in zo'n opvatting nooit iets anders kunnen zien dan een bewijs voor de praktische onmacht en de geestelijke kleinheid van de man die er mee komt. Het waren en zijn altijd die mensen, die het innerlijk wezen en de uiterlijke vorm van een beweging des te hoger schatten, naarmate de bewoordingen waarmee ze zich aanduidt hoogdravender zijn, waarbij zij tot overmaat van ramp dan de woordenschat van onze oudste voorvaderen menen te moeten gebruiken. Toentertijd was het moeilijk om de mensen te laten begrijpen, dat iedere beweging, zolang ze niet de overwinning van haar ideeën, en daarmee haar doel heeft weten te bereiken, een partij is, ook als ze zich duizendmaal anders noemt. Als iemand een nieuwe gedachte, waarvan de verwerkelijking direct in het belang van zijn medemensen is, wil uitdragen, dan zal hij aanhangers moeten zoeken die bereid zijn voor zijn opvattingen op te komen. En zelfs al streefde hij niets anders na dan de vernietiging van het bestaande partijwezen, om zo een einde te maken aan de verdeeldheid van de natie, toch zullen de mensen, die deze overtuiging aanhangen en die dit besluit verkondigen, een partij blijven vormen die tot dat doel bereikt is. Het is muggenzifterij en haarkloverij, als de een of andere arrogante oude volkse theoreticus, van wie de praktische resultaten omgekeerd evenredig zijn met zijn wijsheid, zich verbeeldt, dat hij het partijkarakter, dat iedere jonge beweging bezit, door een naamswijziging zou kunnen veranderen. Integendeel!

Zwervende apostelen van de volkse idee

Wanneer en iets onvolks is, dan is het wel dat smijten met liefst Oud Germaanse uitdrukkingen, die niet meer in onze tijd thuis horen en al evenmin meer een bepaalde betekenis hebben, maar die er gemakkelijk toe kunnen leiden, dat men in de woordenschat van een beweging haar gehele betekenis gaat zien. Dat is een schandelijk misbruik, dat men vandaag de dag erg vaak constateert. Ik heb trouwens al in die tijd en ook daarna steeds meer moeten waarschuwen voor die zwervende apostelen van de volkse idee, die bijna nooit iets werkelijks presteren, maar waarvan de verwaandheid slechts moeilijk kon worden overtroffen. De jonge beweging moest, en moet zich ook vandaag de dag nog in acht nemen voor een al te grote toestroom van figuren, die slechts één punt hebben dat zij steeds tot hun aanbeveling aanvoeren, namelijk het feit, dat zij al sinds dertig of zelfs veertig jaar voor hetzelfde ideaal hebben gestreden. Wanneer iemand al veertig jaar in de weer is, zonder zelfs het allerkleinste succes gehaald te hebben, of zelfs zonder overwinning van de vijand te hebben kunnen voorkomen, dan heeft hij in zijn veertig jarige loopbaan het bewijs voor zijn eigen onmacht geleverd. Het gevaar ligt in het feit, dat zulke figuren zich niet als gewone leden in de beweging willen laten opnemen, maar kletsen over "leidersposities", die alléén in staat zouden zijn, om hen de positie te geven, die hun op grond van hun veertigjarig streven zou toekomen. Maar owee, als men een jonge beweging aan zulke figuren uitlevert. Een zakenman die er in slaagde om in een veertigjarige loopbaan een groot bedrijf consequent af te breken, is niet de man aan wie je de oprichting van een nieuwe onderneming kan toevertrouwen - en net zo min is zo'n volkse Methusalem, die in een even lange periode een goed idee wist te verknoeien en te verkalken, op zijn plaats in de leiding van een nieuwe jonge beweging. Overigens komen al deze figuren maar voor een deel in de nieuwe beweging om haar te dienen en om de nieuwe leer te steunen in de strijd, maar in verreweg de meeste gevallen streven ze er naar, om onder de bescherming van die organisatie, of door middel van haar mogelijkheden de wereld opnieuw ongelukkig te maken met hun ideeën.

Blikken zwaarden en geprepareerde berenvellen

Wat dat echter voor ideeën zijn is bijna met geen pen te beschrijven. Het is een van de meest karakteristieke eigenschappen van deze figuren, dat ze eenvoudig dwepen met Oud Germaans heldendom, met de grijze oertijd, met strijdbijlen, speer en schild, maar in de praktijk de grootste lafbekken zijn die men zich maar indenken kan. Want dezelfde figuren, die met zorgvuldig uit blik nagemaakte Oud Duitse zwaarden zwaaien en een geprepareerd berenvel met stierenhorens over hun baardige hoofden dragen, preken voor onze tijd steevast alleen de strijd met geestelijke wapens, en gaan in galop op de vlucht voor iedere communistische gummiknuppel. Het nageslacht zal maar erg weinig aanleiding hebben om het heldenleven van deze heren in een nieuw heldengedicht te bezingen. Ik heb deze figuren maar al te goed leren kennen, en voel de grootste afkeer voor hun miserabele komediespel. De grote massa echter vindt hun optreden grappig, en de Jood heeft alle reden om deze volkse komedianten te ontzien en aan hen zelfs de voorkeur te geven boven de echte strijders voor een komende Duitse staat. Bovendien zijn deze gasten nog grenzeloos verwaand, en willen, welke bewijzen ze ook van hun eigen volkomen onmacht hebben geleverd, toch steeds alles beter weten, en worden tot een ware kwelling voor alle eerlijke en oprechte strijders, voor wie heldendom nu eenmaal niet alleen iets eerbiedwaardigs in het verleden betekent, maar die het nageslacht ook door hun eigen voorbeeld daartoe willen opvoeden. Ook is het dikwijls maar moeilijk te onderscheiden, wie van deze figuren zich uit innerlijke domheid of onmacht zo gedraagt, en wie daartoe een bepaalde reden heeft.

Weg met het woord "volks"

Speciaal de zogenaamde religieuze reformatoren op Oud Germaanse grondslag, maken op mij steeds de indruk, als zijn ze door die machten gezonden, die de wederopstanding van ons volk juist willen tegen houden. Hun hele activiteit heeft immers tot gevolg, dat het volk de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand, de Jood, vergeet, en in plaats daarvan zijn krachten verspilt op even onzinnige als rampzalige binnenlandse godsdienstruzies. Juist om deze redenen echter is het zeer noodzakelijk, dat de leiding van de beweging met absoluut gezag wordt bekleed en dus een sterke centrale macht vormt. Alleen daardoor kan het werk van zulke funeste elementen tot vruchteloosheid worden gedoemd. Om die reden zal men ook steeds de ergste vijanden van een eendrachtige, strak geleide en bestuurde beweging onder deze volkse Ahasverussen (Bijbels gezegde, kan vertaald worden in 'verdwaasde/verdwaalde profeet'- vert.) moeten zoeken. Wat ze in de beweging haten is vooral de macht die hun krankzinnige gedragingen kortwiekt. Het was niet voor niets, dat de jonge beweging zich eenmaal heeft gebonden aan een bepaald programma, en daarbij het woord "volks" niet heeft gebruikt. Het begrip "volks" kon, tengevolge van zijn grote rekbaarheid, nooit als basis dienen voor een beweging, en is geen maatstaf om te bepalen, of men al dan niet bij die beweging hoort. Hoe moeilijker dit begrip is te definiëren, hoe meer en uiteenlopender verklaringen er voor bestaan, des te meer groeit ook de mogelijkheid voor letterlijk iedereen om er zich op te beroepen. Als men in de politieke strijd een zo onbepaald en zo veelzijdig uitlegbaar begrip gebruikt, dan heeft dat onmiddellijk tot gevolg, dat ieder streng gedisciplineerde strijdgemeenschap een onmogelijkheid wordt, omdat deze nooit kan toestaan, dat de enkeling in haar rijen zelf kan beslissen over datgene wat hij wenst te geloven en na te streven. Het is ook werkelijk meer dan bar, wat er zich tegenwoordig niet allemaal met het woord "volks" siert en hoeveel hun eigen opvatting hebben over dit begrip.

Tegen het woord "volks"

Een bekend professor in Beieren, die een beroemd strijder met geestelijke wapens is en al veel waardering heeft behaald in zijn diverse geestelijke marsen naar Berlijn, beschouwt volks als identiek met monarchistisch. Deze bolleboos heeft echter totnogtoe nagelaten, om de identiteit van onze vroegere Duitse monarchieën door huidige volkse opvattingen nader te verklaren. Ik vrees ook dat dit de meneer in kwestie niet zou lukken. Want men zal zich moeilijk iets kunnen voorstellen, dat minder volks was, dan het grootste deel van de monarchistische staatsvormen, die Duitsland rijk was. Als dit anders was geweest, dan zouden ze of nooit zijn verdwenen, of het feit van hun verdwijnen zou kunnen worden opgevat als een bewijs voor een onjuistheid van de volkse wereldbeschouwing. Zo legt iedereen dit begrip uit, al naar het in zijn kraam te pas komt. Als basis voor een politieke strijdorganisatie echter kan een dergelijke chaos van meningen niet in aanmerking komen. Het gebrek aan zin voor realiteit en vooral ook het gebrek aan inzicht in de volksziel, waaraan deze twintiger eeuwse volkse profeten steeds weer blijken te lijden, wil ik nu nog geheel buiten beschouwing laten. Dit wordt wel voldoende aangetoond door de minachtende manier, waarop ze door de linkse partijen worden behandeld. Men laat hen maar kletsen en lacht hen uit. Wie echter op deze wereld niet bij machte is en zich de haat van zijn vijanden op de hals te halen, lijkt mij ook als vriend niet veel waard. En zo was ook de vriendschap van deze figuren voor onze beweging niet alleen waardeloos, maar ook steeds enkel nadelig, en dat was ook de hoofdreden, waarom wij in de eerste plaats de naam "partij" kozen - wij mochten hopen, dat daardoor alleen al een hele zwerm van deze volkse slaapwandelaars verre gehouden zou worden - en waarom wij ons in de tweede plaats Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij (NDSAP) noemen.

"Geestelijke wapens"- "stille werkers"

Dat eerste deel van onze naam bewaarde ons voor de dwepers-met-oudheden, voor de woordaanbidders en voor de lieden, die niets anders konden dan met dikke woorden schermen, de tweede echter behoedde ons voor de hele schare ridders-met-"geestelijke'- zwaarden, voor al die treurige kerels, die hun "Geestelijk wapen" als beschermend schild voor de lafheid hielden, die in werkelijkheid hun hart vervulde. Het spreekt vanzelf, dat wij in de nu komende tijd vooral door deze laatste zo fel mogelijk worden aangevallen, natuurlijk niet met de vuist, maar enkel met de pen, zoals altijd van zo'n volkse penneheld niet anders mag worden verwacht. Voor hen had ons principe "Wie ons met geweld bestrijdt, die zullen wij met geweld beantwoorden", iets griezeligs. Niet dat ze ons een platte aanbidding van de gummiknuppel verweten, maar wij werden er ook van beticht dat wij in het geheel niet over geest beschikten. Dat in een grote vergadering zelfs een Demosthenes worden met tot zwijgen gebracht kon worden, wanneer er maar vijfig idioten gevonden worden, die bereid zijn, om hem door hun grote monden en hun vuisten het spreken te verhinderen, is een feit, dat op deze heren niet de minste indruk maakt. Zijn aangeboren lafheid maakt, dat hij zich nooit in zo'n gevaar waagt. Want hij werkt niet "lawaaierig" en "opdringerig", maar "in stilte". Ik kan ook vandaag de dag onze jonge beweging niet nadrukkelijk genoeg waarschuwen, dat ze zich toch vooral niet in het net van die zogenaamde "stille werkers" laat vangen. Dat zijn niet alleen lafaards, maar ook altijd figuren, die niets kunnen en niets uitvoeren. Een man die met iets op de hoogte is, die een gevaar inziet en die ziet op welke manier de weg geruimd zou kunnen worden, heeft de absolute plicht om niet "in stilte" te werken, maar om in het openbaar tegen deze fout en voor de genezing ervan op te treden.

Als hij dat niet doet, dan is hij een plichtvergeten ellendige slappeling die of uit lafheid in gebreke blijft, of uit luiheid en machteloosheid. Het grootste deel van deze "stille werkers" stelt zich echter meestal aan, alsof ze ontzettend veel en ontzettend belangrijke dingen wisten. Maar men kan wel zeggen dat ze stuk voor stuk geen cent waard zijn en enkel proberen iedereen door hun komediespel op een dwaalspoor te leiden; ze zijn lui, maar wekken door dat zogenaamd "stille werken", dat ze zouden doen, en waar ze zich onophoudelijk op beroemen, de indruk, alsof ze steeds overal, en steeds onvermoeibaar aan het werk waren, kort en goed, het zijn bedriegers, politieke onbenullen, die eerlijk werk maar al te graag aan anderen overlaten. Zo gauw zo'n volkse werker-in-het-donker zich op de waarde van zijn "stille werk" beroept, dan is het duizend tegen één, dat hij niet in stilte produceert, maar dat hij in stilte de vruchten van de arbeid van anderen steelt. Daarbij komt nog de arrogantie, de verwaandheid en de onbeschaamdheid, waarmee dit praktisch luierende en lichtschuwe gespuis, zich van het werk van anderen meester maakt en dat dan nog neerbuigend tracht te bevitten, waardoor het dus in werkelijkheid als handlanger van de doodsvijanden van ons volk optreedt. Iedere agitator, van hoe klein formaat ook, die de moed heeft om, temidden van tegenstanders, op een kroegtafel staande, mannelijk en openlijk voor zijn idealen op te komen, presteert meer dan duizend van deze onwaarachtige achterbakse gluiperds. Hij - de man op de tafel - zal zeker de een of ander weten over te halen en weten te overtuigen van de juistheid van zijn bewering. Zijn werk kan gecontroleerd worden en aan het resultaat ervan kan men de uitwerking en de waarde afmeten. Alleen de laffe zwendelaars, die zich beroepen op hun "werken in stilte" en die zich zo dus met het dekmanteltje van een goedkope anonimiteit wensen te verstoppen, kunnen voor niets worden gebruikt en kunnen in de ware zin van het woord worden beschouwd als de profiteurs en bloedzuigers op de wederopstanding van ons volk.

De eerste grote massavergadering

In het begin van het jaar 1920 drong ik er op aan, dat onze eerste massavergadering zou worden gehouden. Daarover ontstonden weer meningsverschillen. Enkele functionarissen van de partij meenden dat dit veel te vroeg zou zijn en dat de uitwerking daarom niet anders dan noodlottig zou kunnen zijn. De rode pers was begonnen zich met ons bezig te houden en wij waren zo gelukkig ons langzamerhand hun haat op de hals te halen. Wij waren ook begonnen om als debaters in andere vergaderingen op te treden. Natuurlijk werd ieder van ons onmiddellijk overschreeuwd. Maar één resultaat konden wij toch boeken: men leerde ons kennen en naarmate men zich beter bewust werd van ons bestaan, groeiden de afkeer en de woede tegen ons. Wij mochten dus wel de hoop koesteren, dat wij bij onze eerste grote massavergadering op een overgroot bezoek van onze vrienden uit het rode kamp zouden mogen rekenen. En ook mij stond het overduidelijk voor ogen, dat het zeer waarschijnlijk was, dat deze vergadering uiteengeslagen zou worden. Maar deze strijd moest toch worden uitgevochten; als het nu niet gebeurde, dan enkele maanden later. Nu lag het lot van de beweging geheel in onze handen; wanneer wij onverbiddelijk, onvoorwaardelijk voor haar in de bres sprongen, dan konden wij haar bestaanszekerheid verschaffen. Ik kende juist de mentaliteit van de roden maar al te goed en wist, dat een verzet tot het uiterste niet alleen een goede indruk maakt, maar ook reden is voor velen om zich aan te sluiten. Men moest nu eenmaal vastbesloten zijn om een dergelijke tegenstand te bieden. De heer Harrer, die destijds voorzitter van de partij was, meende dat mijn mening over het gekozen tijdstip onjuist was en trad daarom als eerlijk en oprecht man als leider van de beweging af. De heer Anton Drexler nam zijn plaats in. Ikzelf had de organisatie van de propaganda op mij genomen en zette die ook onvoorwaardelijk door. Nu werd er vastgesteld, dat de eerste grote vergadering van de nog onbekende beweging op de 24ste februari 1920 zou plaats vinden.

Broederschap tussen rood en rooms

De voorbereidingen werden door mij persoonlijk geleid. Deze waren zeer kort van duur. Ons gehele propaganda apparaat was er trouwens op ingesteld om bliksemsnel te kunnen werken en beslissingen te forceren. Ten opzichte van kwesties van de dag moesten wij direct ons standpunt bepalen en dit de vierentwintig uur door massavergaderingen bekend maken. De aankondiging daarvan moest door aanplakbiljetten en strooibiljetten gebeuren, die geredigeerd werden volgens de richtlijnen, die ik bij de bespreking van de propaganda al in grote lijnen heb aangeduid. Invloed op de grote massa, concentratie op enkele punten, onophoudelijke herhaling van die punten, overtuigde en zelfbewuste redactie van de tekst, zodat het de vorm van een onomstotelijke bewering kreeg, de grootste hardnekkigheid bij de verbreiding en het grootste geduld bij het afwachten van de uitwerking. Als kleur werd principieel rood gekozen, omdat dit de meest opzwiepende is en onze tegenstanders het meest zou prikkelen en ergeren en hen daardoor, of ze het wilden of niet, steeds weer aan ons bestaan zou herinneren. In de tijd die nu aanbrak, kwam ook in Beieren de innerlijke broederschap tussen de marxisten en het Centrum als politieke partij het duidelijkst tot uiting in de moeite, die de hier regerende Beierse volkspartij zich gaf, om te trachten de invloed van onze aanplakbiljetten op de rode arbeidersmassa's te verminderen en later geheel teniet te doen. Wanneer de politie geen andere reden kon vinden om hiertegen op te treden, dan werd er over "verkeersbelemmeringen" gesproken, tot men tenslotte, om de geheime rode bondgenoten maar te plezieren, met welwillende medewerking van de zogenaamde "Duitsnationale Volkspartij", deze aanplakbiljetten, die honderdduizenden internationalistische, opgehitste en bedrogen arbeiders aan het Duitse volk hadden teruggegeven, helemaal verbood. De biljetten - die in de eerste en tweede druk van dit boek als bijlage waren gevoegd - zijn de beste bewijzen van de geweldige strijd, die de jonge beweging in deze tijd moest uitvechten. Ze zullen echter ook tegenover het nageslacht getuigen van onze wil, van de eerlijkheid van onze overtuiging en van de willekeur van zogenaamde nationale autoriteiten. Zij zullen helpen een einde te maken aam de opvatting, dat er in Beieren een werkelijk nationale regering bestond, en ze zullen aan dit nageslacht nog bewijzen, dat het nationale Beieren uit de jaren 1919, 1920, 1921, 1922 en 1923 niet het gevolg was van de werkzaamheid van een nationale regering, maar dat deze regering integendeel niet dan onder dwang rekening hield met een volk, dat meer en meer nationaal begon te voelen.

Pöhner en Frick

De regeringen zelf deden al het mogelijke om dit herstel te beletten en onmogelijk te maken. Voor twee mannen moet daarbij een uitzondering worden gemaakt. De toenmalige commissaris van politie Ernst Pöhner en zijn trouwe raadsman Oberamtmann Frick waren de enige hogere ambtenaren, die reeds destijds de moed bezaten, om eerst Duitser en dan ambtenaar te zijn. Ernst Pöhler was de enige man op een verantwoordelijke plaats, die niet probeerde het de massa naar de zin te maken, en zo haar gunst te werven, maar die voelde, dat hij verantwoordelijkheid droeg, ten opzichte van zijn volk en bereid was voor de wederopstanding van zijn volk, dat hij boven alles liefhad, zo nodig zijn bestaan als enkeling op het spel te zetten en op te offeren. Hij was dan ook steeds een doorn in het oog van al die koopbare ambtenaren, die zich niet laten leiden door het belang van hun volk, en door het besef dat het brandend noodzakelijk is, om dit weer zodanig te verheffen, dat het zijn vrijheid herkrijgt, maar waarvoor wetten alleen en uitsluitend worden gevormd door de bevelen van hun broodheer zonder dat het hun ook maar in het minst interesseert, wat er van de hun toevertrouwde nationale goederen wordt. Het belangrijkste was echter, dat hij behoorde tot die karakters, die in tegenstelling met de meeste dienaren van ons zogenaamde staatsgezag niet bang zijn voor de vijandschap van de volks- en landverraders, maar die integendeel er naar verlangen, omdat ze die vijandschap zien als een van de meest vanzelfsprekende levensomstandigheden van iedere man van eer. Het bewustzijn, dat hij door Joden en marxisten werd gehaat en het constateren van de gehele leugen- en lastercampagne van dit gebroed tegen hem, vormden voor hem het enige geluk midden in de ellende van ons volk. Hij was een man van onaantastbare eerlijkheid, van Spartaanse eenvoud en van Duitse rechtschapenheid, en de spreuk: "liever dood dan slaaf zijn" was voor hem geen holle frase, maar vormde de kern van zijn karakter

De opstelling van het programma

Hij en zijn medewerker Dr. Frick zijn mijns inziens de enige van de mannen aan het roer die als medeoprichters van het nationale Beieren kunnen worden beschouwd. Voordat wij nu konden overgaan tot het houden van deze grote vergadering, was het niet alleen noodzakelijk, dat het nodige propagandamateriaal aanwezig was, maar dat er ook voor gedrukte beginselprogramma's van de beweging was gezorgd. Ik zal de richtlijnen, die ons vooral bij de formulering van het programma voor ogen stonden in het tweede deel diepgaand bespreken. Ik wil hier alleen maar even vaststellen, dat het niet alleen werd opgesteld om aan de jonge beweging vorm en inhoud te geven, maar om de massa te laten begrijpen, wat het doel was waarnaar wij streefden. Van de zijde van zogenaamde intellectuelen heeft men zich daarover vrolijk gemaakt, ons bespot en geprobeerd, daarop kritiek uit te oefenen. Door de juistheid van onze opvattingen in die dagen is dit program echter uiterst effectief gebleken. Ik heb in deze jaren dozijnen nieuwe bewegingen zien opkomen, en zij zijn allemaal weer spoorloos verdwenen en uit elkaar gewaaid als kaf in de wind. Slechts één bleef bestaan: de N.S.D.A.P. En ik ben er vandaag aan de dag dieper van overtuigd dan ooit, dat men haar kan bestrijden en kan proberen haar lam te leggen, dat kleine ministertjes, die daar zitten voor hun partij en die niets zien dan hun partij, ons kunnen verbieden te spreken, maar dat niemand er in zal kunnen slagen om de overwinning van onze ideeën te voorkomen. Wanneer men eens van de huidige staatsopvatting en van haar vertegenwoordigers zelfs de namen niet meer zal weten, dan zullen de beginselen van het nationaal socialistische programma de fundamenten zijn van een komende staat. Dat vergaderwerk voor januari 1920, dat vier maanden duurde, heeft langzamerhand de geringe middelen opgeleverd, die nodig waren, om ons eerste foldertje, ons eerste aanplakbiljet en ons programma te kunnen laten drukken. Wanneer ik dit deel beëindig met de beschrijving van de eerste grote vergadering van de beweging, dan gebeurt dat, omdat de partij hierdoor buiten het nauwe kringetje van een kleine vereniging trad, en nu voor het eerst bepalend inwerkte op de machtigste factor van onze tijd, de openbare mening.

Ikzelf werd destijds slechts door één enkele zorg gekweld: Zal de zaal vol zijn, of zullen we voor een gapende leegte moeten spreken? Ik had bij mezelf de rotsvaste overtuiging dat, wanneer het publiek in grote getale zou komen, deze dag ook een daverend succes voor de jonge beweging zou opleveren. Zo wachtte ik, met vrees in het hart, die avond af. Om 19.30 uur zou de vergadering worden geopend. Om kwart over zeven betrad ik de feestzaal van het Hofbräuhaus op de Platzl te München, en mijn hart sprong op van vreugde. De geweldige zaal - want destijds was hij nog geweldig in mijn ogen - was tot de nok gevuld met mensen, die als haringen in een ton zaten te wachten, een massa van bijna tweeduizend man. En wat het belangrijkste was, het publiek was juist dat wat wij hadden gewenst. Veel meer dan de helft van de zaal scheen bezet met communisten en onafhankelijke socialisten. Deze heren hadden het vaste voornemen om aan onze eerste grote vergadering snel en afdoende een einde te maken. Maar het liep anders af dan zij hadden gedacht. Nadat de eerste spreker zijn rede had beëindigd, nam ik het woord. Reeds na enkele minuten regende het interrupties en ontstonden er in de zaal hevige vechtpartijen; een handjevol van mijn trouwste kameraden uit de oorlog en andere aanhangers rolden over de grond met de rustverstoorders, en slaagden er tenslotte met veel moeite in om de rust te herstellen. Na een half uur begon de bijval langzamerhand het geschreeuw en gebrul te overstemmen. En nu greep ik het programma, en begon het voor het eerst toe te lichten. En naarmate de tijd verstreek, groeide de bijval en namen de interrupties af. En toen ik de massa tenslotte de vijfentwintig stellingen punt voor punt voorlegde, en haar vroeg, om er zelf haar mening over uit te spreken, toen weren ze stuk voor stuk met steeds groter gejuich eenstemmig aangenomen, en toen dan ook de laatste stelling de weg naar het hart van de massa had gevonden, stond er een zaal vol mensen voor mij, die door een nieuwe overtuiging, een nieuw geloof en een nieuwe wil waren samengesmeed. Toen na bijna vier uur de zaal begon leeg te lopen en de massa langzaam naar de uitgang stroomde, toen wist ik, dat nu de beginselen van een beweging uitgingen naar het hart van het Duitse volk en dat deze beginselen niet meer uit te roeien zouden blijken. Er was een vuur ontstoken, da eenmaal de gloed zal zijn, waarin het zwaard zal kunnen worden gesmeed, dat aan de Germaanse Siegfried zijn vrijheid en aan de Duitse natie het leven terug zal geven. En ook voelde ik, hoe naast die opkomende opstanding de onverbiddelijke godin van de wraak schreed, en haar oordeel uitsprak over de meinedigen van de 9e november 1918, en hun werk. Zo liep de zaal leeg. De beweging nam haar loop.


Tweede deel / De Nationaal Socialistische Beweging

Hier een deel van het eerste hoofdstuk van deel twee. De rest ontbreekt!

Eerste Hoofdstuk / Wereldbeschouwing en partij

Op 24 februari 1920 vond de eerste grote massavergadering van onze jonge beweging plaats. In de feestzaal van het Münchener Hofbräuhaus werden de vijfentwintig programmapunten van de nieuwe partij aan een bijna tweeduizend koppige menigte voorgelegd, en ieder punt werd met grote geestdrift aanvaard. Daarmee waren de eerste principes en richtlijnen vastgelegd voor een strijd, die een definitieve opruiming zou houden onder een ware chaos van traditionele ideeën en opvattingen en van al te wazige en schadelijke idealen. In de luie en laffe burgerlijke wereld en ook bij de zegetocht van de marxistische golf, zou een nieuwe factor gaan meespreken en alle krachten inspannen om het noodlot nog op het laatste ogenblik een halt toe te roepen.

Het heeft geen verdere uitleg nodig, dat de nieuwe beweging alléén dan mocht hopen, eens belangrijk en sterk genoeg te worden voor deze titanenstrijd, wanneer zij er van de eerste dag van haar bestaan af in slaagde, om in de harten van haar aanhangers de heilige overtuiging te wekken, dat het politieke leven door haar ontstaan niet wéér met een nieuwe lege leus was verrijkt, maar dat hiermee een principieel andere wereldbeschouwing haar stem liet horen. Men moet in gedachten houden, hoe miserabel en klein de standpunten een oogmerken zijn die de z.g. 'partijprogramma's' bepalen, hoe deze gewoonlijk in elkaar geknutseld worden en hoe ze van tijd tot tijd worden opgelapt of vervormd. Men moet ook eens goed hebben doorzien door welke drijfveren deze burgerlijke 'programmacommissies' worden bewogen om de waarde van deze misproducten van programma's te kunnen inzien.

De burgerlijke programmacommissies

Steeds weer is het één enkele bezorgdheid, die of tot nieuwe programma's of tot wijziging van de oude aanleiding geeft: de angst voor de volgende verkiezingen. Telkens wanneer het tot de koppen van deze parlementaire staatsknoeiertjes begint door te dringen, dat de geliefde soevereine kiezers weer eens aan het muiten slagen en van plan zijn om de oude partijlijn te verlaten, verjongen ze de oude idealen weer. Dan komen de partijastrologen en sterrenwichelaars, de zogenaamde 'ervaren' en doorgewinterde partijgenoten, meestal oude parlementaire rotten, die zich uit de rijkdom van hun politieke ervaring soortgelijke gevallen weten te herinneren toen het geduld van de massa ook ten einde was en die nu hetzelfde drama weer voelen aankomen. Dan grijpen ze naar het oude recept, vormen een 'commissie', leggen overal hun oor te luisteren aan de borst van de massa, besnuffelen de persproducten, en krijgen zodoende langzamerhand in de gaten, wat de geliefde medeburgers uit de meest verschillende bevolkingsgroepen nu eigenlijk wensen, waar ze tegen zijn en wat ze hopen te bereiken. Ieder beroep en zelfs ieder speciaal soort werknemer wordt apart bestudeerd en men streeft er naar al hun diepste wensen te weten te komen. Ook de 'minderwaardige leuzen', waarvan die gevaarlijke oppositie zich bedient, zijn dan gewoonlijk toch opeens wel een onderzoek waard en het is geen zeldzaamheid, dat die leuzen dan zomaar, alsof het vanzelfsprekend is, in de eigen voorraad van de oude partijen opduiken.

Zo komen deze commissies bij elkaar, 'herzien' het oude programma, knutselen een nieuwe in elkaar (deze heren nemen net zo vaak een nieuw overtuiging in als een frontsoldaat een schoon hemd, namelijk altijd als het vorige absoluut niet meer te dragen is) zo eentje waarin elk krijgt wat hij wil dat hem toekomt. De boer ziet de landbouw beschermd, de industrieel ziet de afzet van zijn producten verzekerd, de consument wordt beschermd tegen al te hoge prijzen, de salarissen van de leerkrachten worden verhoogd en de pensioenen van de ambtenaren eveneens. De weduwen en wezen krijgen door de zorgen van Vadertje Staat een weelderig bestaan, het verkeer wordt uitgebreid, alle tarieven gaan naar beneden en de belastingen zullen wel niet helemaal, maar toch zeker voor negentig procent worden afgeschaft.

Uit het leven van de 'Volksvertegenwoordigers'

Vaak gebeurt het dat men toch nog een bevolkingsgroep over het hoofd heeft gezien, of een wens die toch onder de bevolking leeft niet helemaal goed in de gaten heeft gehad. Dan plakt men er snel nog zoveel bij als men maar kan, net zolang tot men denkt dat de massa gerustgesteld en uiterst tevreden zal zijn. Op die wijze is men er dus weer in geslaagd om de massa weer gerust te stellen en dan, in vol vertrouwen op Gods goedheid en de grenzenloze en onverwoestbare domheid van het stemvee, de strijd voor het 'nieuwe Rijk' zoals men zegt, te beginnen. En wanneer de dag van de verkiezingen dan weer voorbij is, en de parlementaire heertjes weer vier jaar de tijd hebben om hun volgende openbare vergadering voor te bereiden, wenden ze zich van de dictatuur van het gepeupel af, om zich met interessantere en aangenamere taken bezig te houden, dan gaat de programmacommissie weer uit elkaar en de strijd voor een nieuwe vorming van de gemeenschap blijft weer beperkt tot de strijd om het dagelijks brood, of, om meer in de sfeer van de parlementariër te spreken, tot de strijd om de presentiegelden en vergoedingen.

Iedere morgen gaat het geachte kamerlid naar het terrein van zijn werkzaamheid, of, als hij het eigenlijke heiligdom al niet binnengaat, dan toch naar de balie, waar de presentielijsten ter ondertekening liggen. Met een roerende plichtsgetrouwheid tegenover zijn volk schrijft hij daar zijn naam op, en neemt dan, als welverdiend loon voor deze steeds weer erg inspannende bezigheid, een geringe financiële schadeloosstelling in ontvangst. Na vier jaar of in andere kritieke weken, wanneer het einde van het bestaande parlement weer erg dichtbij begint te komen, voelen de heren plotseling een onbedwingbare drang in zich opkomen. En zoals een larve niet anders kan doen dan zich tot een kever te ontwikkelen, zo kunnen deze parlementaire larven niet anders, of ze moeten het grote gemeenschappelijke huis, waar ze vier jaren als vlinderpoppen ondergedoken waren, verlaten en met grote, schone vleugels uitgerust, naar de geliefde kiezers fladderen. Dan spreken ze weer tot hun kiezers, vertellen van de enorme hoeveelheid werk die ze zelf hebben verzet, en van de opzettelijke tegenwerking van die anderen, en in plaats van dat het volk nu dankbaar is en hun toejuicht, slingert het hen vaak ruwe en zelfs venijnige woorden naar het hoofd.

Marxisme en het democratische principe

Wanneer die ondankbaarheid onder het volk een bepaalde graad van hevigheid heeft overschreden, dan is er nog maar één middel dat dan in staat is om de situatie te redden: de glorie van de partij moet weer opgepoetst worden en het partijprogramma moet opgelapt. De commissie komt weer op de proppen en het de hele zwendel begint weer van voren af aan. Men hoeft zich echt niet te verbazen over het succes dat hierdoor steeds weer wordt behaald: de domheid van de mensheid is echt ongelooflijk. Zowel het 'burgerlijke' als het 'proletarische' stemvee keren, weer volledig verblind door het aantrekkelijke programma en begeleid door de politiek gestuurde correcte pers, weer in de oude partijstal terug, en kiest weer voor de oude bedriegers. Dan, op het moment dat hij (weer) gekozen is, verandert de 'volksman', de kandidaat van de werkende klasse, onmiddellijk weer in een parlementaire larve, vreet zich verder weer dik en moddervet aan de bladeren van de staatsboom, en wordt pas na een jaar of vier weer een schitterende vlinder. Er is maar weinig dat deprimerender is dan deze constante kringloop van gebeurtenissen.

Het is dan ook geen wonder dat men in het 'burgerlijke' kamp uit zo'n aanblik geen kracht kan halen om de strijd aan te binden tegen de georganiseerde macht van het marxisme. In ernst houden deze heren zich ook nooit met zulke ideeën bezig. Hoe bekrompen en hoe geestelijk minderwaardig deze blanke medicijnmannen ook mogen zijn, toch zijn ze niet zo dom om te geloven, dat ze met de methoden van de Westerse democratieën een leer kunnen verslaan, die de democratie met op- en dependenties op zijn best beschouwt als een middel, dat zij kan gebruiken om de kracht van de tegenstander te verlammen en daardoor zelf de vrije hand te krijgen. Want al doet een deel van de marxisten het op het ogenblik ook op buitengewoon handige wijze lijken alsof marxisme en democratie in werkelijkheid slechts twee woorden voor één begrip waren, moet men toch niet vergeten dat deze heren zich op kritieke momenten al uiterst weinig om de beslissing van de meerderheid naar Westers democratisch recept bleken te bekommeren.

Dit kon men zien in de dagen, dat de burgerlijke parlementariërs meenden dat de monumentale bekrompenheid van een enorm aantal zonder meer voldoende was om het rijk te beveiligen, terwijl het marxisme in diezelfde tijd met een bijeengeraapt zootje straatschenders, deserteurs, partijbonzen en Joodse persmuskieten eenvoudig de macht nam, en zodoende aan de democratie toonde wat zij in hun ogen waard was. Men heeft toch écht al de goedgelovigheid van zo'n parlementaire toverpriester nodig om te kunnen menen, dat de brute vastberadenheid van de belanghebbenden en dragers van deze internationale pest nu in het vervolg door de magische formules van het Westers parlementarisme bezworen zal kunnen worden. Het marxisme zal net zolang met de democratie meemarcheren, tot het hem lukt om langs indirecte weg voor zijn misdadige idealen zelfs nog de steun te krijgen van de nationale geesteswereld, die hij notabene zelf ten ondergang heeft gedoemd.

Als hij vandaag de dag tot de overtuiging zou komen dat er uit de heksenketel van onze parlementaire democratie plotseling een meerderheid bijeengeknutseld kon worden, die - al was het alleen maar op grond van zijn getalsmeerderheid, die dus tot wetgeving bevoegd maakt - het marxisme ernstig in verlegenheid zou kunnen raken, dan was het met het parlementaire stelsel onmiddellijk afgelopen. De vaandeldragers van de rode internationale zouden dan, in plaats van een appèl aan het geweten van de democraten te richten, een vlammende oproep aan de proletarische massa richten en de strijd zou zich daardoor met één slag uit de muffe lucht van de vergaderzalen van onze parlementen naar de fabrieken en de straat verplaatsen. Dan was het met de democratie gelijk gedaan, en wat aan de geestelijke lenigheid van die volksapostelen in de parlementen was mislukt, zou, precies als in de herfst van 1918, aan de smidshamer en het breekijzer van de opgejaagde massa der proletariërs onmiddellijk lukken: de burgerlijke wereld zou dan namelijk dadelijk begrijpen, moeten begrijpen, hoe waanzinnig het is, zich te verbeelden, dat men de Joodse veldtocht tegen de wereld met de wapens van de Westerse democratie tot staan kan brengen.

Ik zei al, dat er een behoorlijke portie goedgelovigheid nodig was om zich tegenover zo'n speler aan regels te binden, die hij niet anders dan als bluf of als middel tot eigen voordeel kan beschouwen, die hij overboord gooit, zo gauw ze voor hem geen nut meer hebben. Omdat de politieke strijd bij alle z.g. "burgerlijke" partijen eigenlijk uitsluitend zijn hoogtepunt vindt in een vechtpartij om een paar zetels in het parlement, waarbij de opvattingen en beginselen al naar het uitkomt, als onnutte ballast over boord worden gegooid, dan wel aan boord blijven, zijn natuurlijk ook de programma's daarop berekend, en zijn ook hun krachten - of beter: hun zwaktes - hiervan het resultaat. Ze missen de grote, alles overheersende aantrekkingskracht, die alléén in staat is, de grote massa te pakken, en die het gevolg is van grote machtige ideeën, van de overtuigingskracht van een onvoorwaardelijk geloof en van de fanatiek strijdbereidheid voor die ideeën.

Wanneer echter op enig moment de ene partij voorzien is van alle wapens die een wereldbeschouwing kan verschaffen - die opvatting mag dan ook duizendmaal misdadig zijn, dat doet er niets aan af - opstaat en stormloopt tegen de bestaande orde, dan kan de andere zijde zich alleen maar verzetten, wanneer ze voor haar overtuiging een nieuwe vorm vindt, en van een slappe en laffe verdediging tot een felle, moedige en krachtdadige aanval overgaat.

Wereldbeschouwing tegen wereldbeschouwing

Nu wordt onze beweging tegenwoordig dikwijls, vooral van de kant van de zogenaamde nationale burgerlijke ministers, bijvoorbeeld van het Beierse centrum, aangevallen met het snuggere argument dat wij een 'omwenteling' zouden nastreven. Ons antwoord daarop kan dan alleen maar zijn: inderdaad, wil willen proberen in te halen wat jullie in je misdadige domheid hebt nagelaten. Jullie hebben - door de beginselen van je parlementaire koehandel geholpen - de natie in de afgrond gestort; wij echter, en daarom vallen wij aan, door een nieuwe wereldbeschouwing, zullen er voor zorgen dat ons volk de principes van dat geloof hard, fanatiek en onwankelbaar zal verdedigen en zo steen voor steen de trappen bouwen waarlangs ons volk eens weer tot de tempel van zijn vrijheid zal weten op te klimmen. Zo moest onze grootste zorg in de eerste dagen van de beweging vooral zijn, dat toch uit dat grote aantal van strijders voor een nieuw en hoog ideaal niet een vereniging ontstond die de belangen behartigde voor een of ander deel van het parlement.

Onze eerste voorzorgsmaatregel was de opstelling van het programma, dat met opzet in een bepaalde richting stuurde, in een richting die alleen door haar innerlijke grootheid geschikt leek om de kleine en zwakke geesten van onze huidige partijpolitiek te verjagen. Hoe correct onze opvatting hierover was, dat de uiterste scherpte bij het vaststellen van programmapunten een gebiedende eis is, bleek wel het duidelijkst uit de noodlottige gang van zaken, die aan de ineenstorting van Duitsland voorafging. Dit inzicht moest leiden tot een nieuwe staatsidee, die op haar beurt weer één van de belangrijkste onderdelen van de nieuwe wereldbeschouwing is.

Het begrip "Volks"

Ik heb al in het eerste deel het een en ander gezegd over het word "volks", omdat ik moest constateren dat er zoveel begrippen aan deze uitdrukking waren verbonden, en dat het daarom nooit mogelijk is dit woord in de doelstellingen van een gesloten strijdgemeenschap te benutten. Allerhande mogelijke figuren met de meest uiteenlopende ideeën sieren zich tegenwoordig met de naam "volks". Daarom zou ik, voordat ik me met het doel en de taak van de N.S.D.A.P. ga bezighouden, eerst een uiteenzetting willen geven voor het begrip "volks", en de verhouding van dit begrip tot de partijbeweging.

Het begrip "volks" schijnt zo weinig scherp omlijnd en voor zoveel vormen van uitleg vatbaar en daardoor evenmin bruikbaar als bijvoorbeeld het woord 'religieus'. Men kan zich van dit woord al net zo min gemakkelijk een scherpomlijnde voorstelling maken, hetzij praktisch, hetzij theoretisch. De omschrijving 'religieus' wordt pas helder op het ogenblik dat zij verbonden wordt met een bepaalde vorm, waarin ze tot uitdrukking is gekomen. Het is een mooie, maar meestal ook een erg goedkope verklaring wanneer men iemands karakter als 'diep religieus' aanduidt. Er zullen natuurlijk wel enkelen zijn die met zo'n algemene kwalificatie tevreden zijn, en die zelfs bij het horen van het woord een bepaald, meer of minder scherp omlijnd beeld van de bedoelde zielstoestand voor zich zien.

Maar omdat de grote massa nou eenmaal niet uit geleerden of heiligen bestaat, zal zo'n zeer algemene religieuze idee voor de modale mens alleen betekenen dat zijn individuele denken en doen aan geen dogmatische vormen meer gebonden is, zonder dat het religieus verlangen ooit zover rijpt, dat zich uit de zuiver metafysische en onbegrensde gedachtewereld een bepaald scherpomlijnd geloof vormt. Dit geloof is zeer zeker niet het einddoel zelf, maar tevens een middel om het doel te kunnen bereiken. Dit doel is echter niet alleen ideëel, maar is tenslotte ook van uitermate praktisch nut. Men dient toch te begrijpen dat de hoogste idealen steeds aan de hoogste levensbehoeften beantwoorden, zoals de adel van de hoogste schoonheid ook tenslotte alleen gelegen kan zijn in de logische doelmatigheid.

Van religieus gevoel tot apodictisch geloof

Doordat het geloof er zijn deel toe bijdraagt om de mens boven het peil van het dierlijke leven te verheffen, maakt het metterdaad de zekerheid en veiligheid van zijn leven groter. Laat men eens proberen om de mensheid van onze tijd te beroven van het religieus-gelovige levenselement, dat door de opvoeding nog weer versterkt is - praktisch betekend dit dus, dat onze sociaal-maatschappelijke en morele grondbeginselen, die voor het overgrote deel op deze religieuze opvoeding berusten, buiten werking zouden worden gesteld - en laat men dit alles dan niet door iets gelijkwaardigs vervangen, dan zal men zien, hoe dit een zeer hevige aantasting van de fundamenten van het menselijk leven tot gevolg zal hebben.

Men kan dus hieruit wel de conclusie trekken, dat men niet alleen kan zeggen dat de mens leeft om hogere idealen te dienen, maar dat omgekeerd zijn bestaan als mens ook afhankelijk is van deze hogere idealen. Zo sluit de cirkel zich. Natuurlijk zijn ook met de algemene aanduiding 'religieus' reeds enige principiële ideeën of overtuigingen verbonden, bijvoorbeeld van de onvernietigbaarheid van de ziel, van de eeuwigheid van het leven, van het bestaan van een hoger wezen, etc. Maar al deze gedachten, hoe overtuigend ze voor de enkeling ook kunnen zijn, blijven, zolang het geloof of de intuïtie niet tot de onwankelbare kracht van een apodictisch geloof uitgroeit, onderworpen aan de kritiek van deze eenling, en zijn daardoor dus ook nooit zeker van een onvoorwaardelijke aanvaarding. Vooral dit apodictisch geloof is een uiterst belangrijke factor in de strijd, die de bressen breekt voor de aanvaarding van religieuze grondbeginselen, en zo voor die bepaalde vorm van godsdienst vrij baan maakt.

Indien dit scherpbegrensde geloof ontbrak, dan was de religiositeit in haar vage veelvormigheid niet alleen zonder waarde voor het menselijke leven, maar zou waarschijnlijk tevens nog bijdragen tot de algemene ontwrichting. Met het begrip "volks" is het nu ongeveer evenzo gesteld als met het woord "religieus". Ook daarin liggen reeds enkele principiële constateringen opgesloten. Dan zijn echter, al betekenen ze mogelijkerwijze ook zeer veel, toch te weinig gepreciseerd, en zullen zich pas boven de waarde van een of minder waardeerbare persoonlijke opvatting verheffen wanneer ze als grondprincipes in het kader van een politieke partij worden opgenomen.

Want de idealen op het gebied van wereldbeschouwingen en de eisen, die daaruit afgeleid worden, kunnen al evenmin alleen door het zuivere gevoel of de innerlijke wil der mensen verwerkelijkt worden, als bijvoorbeeld de vrijheid door het algemene verlangen naar vrijheid een feit wordt. Nee, pas wanneer de ideële drang naar een onafhankelijkheid zich van militaire machtsmiddelen meester maakt, en daardoor de beschikking krijgt over de, voor de strijd noodzakelijke organisatie, eerst dan kan die hartenwens van het volk tot heerlijke werkelijkheid worden. Iedere wereldbeschouwing - hoe oneindig juist en nuttig ze voor de mensheid ook moge zijn - zal iedere betekenis voor de praktische opbouw van het leven van een volk missen, zolang haar beginselen niet tot het vaandel van een strijdorganisatie zijn geworden. En deze zal op haar beurt weer net zolang een partij zijn, tot haar streven tot de overwinning van haar idealen heeft geleid, en haar partijdogmata de grondprincipes vormen van de nieuwe staat, waarin de volksgemeenschap zijn nieuwe vorm heeft gevonden.

Wanneer de algemene geestelijke idee echter tot fundament wil worden voor een toekomstige ontwikkeling, dan is het een eerste vereiste, dat die idee zo scherp mogelijk wordt bepaald naar karakter, wezen en begrenzing, omdat ze alleen in dat geval de basis kan zijn voor een beweging, die homogeen, en dat betekent sterk genoeg zal zijn, om de strijd aan te gaan. Uit de algemene ideeën moet een politiek programma, en uit een algemene wereldbeschouwing een politiek geloof worden gevormd. Dit geloof zal, omdat het doel ervan praktisch bereikbaar moet zijn, niet alleen de idee op zichzelf moet dienen, maar zal zich ook moeten bezighouden met de strijdmiddelen, die de idee kan benutten bij haar strijd om de macht. Naast de abstracte juistheid, die door de theoreticus in het streven dient te worden gelegd, moet ook het praktische inzicht van de politicus zijn invloed doen gelden. Daarom zal een eeuwig ideaal, dat een lichtende ster voor de mensheid kan zijn, zich helaas moeten tevreden stellen met een onvolmaakte projectie in het aardse, omdat het nu eenmaal met de onvolmaaktheden van de mensen rekening zal moeten houden, indien het althans niet van tevoren wil stranden, doordat het te hoge eisen stelde.

Van volksgevoel tot politieke overtuiging

Deze omvorming van een algemeen ideële en zeer waarachtige wereldbeschouwing tot een vastomlijnde, strak georganiseerde politieke geloofs- en strijdgemeenschap, die ook naar wil en geest geheel homogeen is, is de belangrijkste fase van de hele strijd, omdat hier meer dan ergens anders wordt bepaald, of de idee al dan niet de overwinning zal kunnen behalen. Want in deze fase moet immers uit een groep mensen die uit miljoenen bestaat, die alleen in meer of mindere mate deze waarheden aanvoelen en ze zelfs maar voor een deel begrijpen, één man opstaan, en met apodictische kracht de vage ideeënwereld van de grote massa omsmeden tot onwrikbare beginselen; en hij moet de strijd voor de volstrekte juistheid van deze beginselen zolang voeren, tot zich eindelijk uit de golven van een vrije gedachtewereld de eendracht van geloof en streven als een sterke rots verheft. Het algemene recht tot zo'n daad ligt in de noodzaak ervan; het individuele recht in het succes.

Wanneer wij proberen het woord "volks" te herleiden naar zijn diepste, eigenste kern, dan komen we tot de volgende conclusie: de politieke opvatting, die op het ogenblik (1924) vrij algemeen wordt gehuldigd, zegt dat de staat weliswaar over enige scheppende en cultuurvormende kracht beschikt, maar dat hij buiten alle raskwesties staat en veel eerder nog als een product van economische noodzaken, of op zijn best als het natuurlijk gevolg van politieke machtswil moet worden beschouwd. Dit grondbeginsel leidt, wanneer men consequent doorredeneert, niet alleen tot blindheid voor de oerkrachten van het ras, maar tevens voor de betekenis van de persoonlijkheid.

Want als men ontkent dat de verschillende rassen ook in cultuurscheppend vermogen verschillen, dan zal men dat verschil noodzakelijkerwijs ook bij de persoonlijkheden moeten ontkennen. Deze stelling, dat alle rassen gelijk zouden zijn, leidt tot de opvatting, dat ook alle volken en dan ook alle eenlingen van dezelfde betekenis zouden zijn. Daarom moet men ook begrijpen, dat het ontstaan van een internationaal marxisme niet betekent dat er inderdaad een nieuwe gedachtewereld openging, maar dat de jood Karl Marx in werkelijkheid slechts een reeds zeer oud beginsel en een zeer oude opvatting in de vorm van een bepaalde politieke geloofsbelijdenis deed herleven.

Als zo'n algemene vergiftiging niet reeds aanwezig was geweest, dan had deze doctrine ook nooit tot een dergelijk verbazingwekkend politiek succes kunnen leiden. Karl Marx was slechts die ene man onder de miljoenen die met de zekerheid van de profeet uit het moeras van een langzaam verwordende wereld, de belangrijkste gifstoffen bij elkaar zocht en er als een tovenaar een meer geconcentreerde oplossing van brouwde, om zo hierdoor sneller een einde te maken aan de vrijheid en onafhankelijkheid van de naties. Dit alles echter alleen in dienst van zijn ras.

Daarom is de marxistische leer slechts de kortste samenvatting van de tegenwoordig algemeen gehuldigde wereldbeschouwing. Dit alleen al maakt dat het voor onze zogenaamde burgerlijke wereld onmogelijk is om de strijd tegen dat marxisme aan te binden, omdat deze bourgeoisie immers zelf eigenlijk aan precies dezelfde kwalen lijdt en er een wereldbeschouwing op nahoudt, die zich van de marxistische eigenlijk alleen in graden en personen onderscheidt. De burgerlijke wereld is marxistisch, maar gelooft aan de mogelijkheid dat bepaalde groepen (de bourgeoisie, zijzelf) een heersende functie kunnen bekleden, terwijl het marxisme zelf stelselmatig tracht de gehele wereld aan het jodendom uit te leveren.

Daartegenover ziet de volkse wereldbeschouwing de betekenis van de mensheid in de oerelementen van het ras. Zij beschouwt de staat principieel slechts als middel en ziet het doel in de handhaving van het bestaan als ras. Ze gelooft ook zeer beslist niet in een gelijkheid van rassen, maar ziet de verscheidenheid en daarmee tevens het verschil - in - waarde, en voelt zich door dit inzicht verplicht om ook te handelen naar de eeuwige wil die onze kosmos beheerst, en dus alles te doen wat de overwinning van de betere, sterkere kan bewerkstelligen en wat kan zorgen dat de mindere, de zwakkere, zich schikt en gehoorzaamt. Dat wil dus zeggen dat zij het aristocratische beginsel van de natuur tot het hare maakt en dat het haar diepste overtuiging is, dat deze wet inderdaad ook voor de minste enkeling geldt.

Van politieke overtuiging tot strijdorganisatie

Ze ziet niet alleen de verschillen van de rassen onderling, maar ook die tussen de enkelingen. Ze aanvaardt de massa, omdat die geen organisch geheel vormt, niet als zodanig, maar heeft in die massa slechts aandacht voor de betekenis van de eenling, en oefent daardoor een organiserende invloed uit, in tegenstelling met het marxisme, dat ontbindend werkt. Ze gelooft dat het noodzakelijk is om de mensheid weer tot idealisme op te voeden, omdat ze het idealisme als een van de meest onmisbare voorwaarden voor het menselijk bestaan beschouwt. Maar, wanneer de een of andere ethische idee een gevaar gaat betekenen voor het bestaan van een ras dat de drager is van een hogere ethiek, dan kan zij het recht op bestaan van die idee niet erkennen; want in een wereld van bastaards of in een wereld waar negers de toon aangaven, zouden alle menselijke begrippen van schoonheid en verhevenheid, en tevens alle ideeën van een geïdealiseerde toekomst voor deze mensheid, voor altijd verloren zijn.

De menselijke cultuur en beschaving zijn in ons werelddeel onafscheidelijk verbonden met de aanwezigheid van de Ariër. Indien hij uitstierf of ten onder ging, zou deze wereld weer in een donker cultuurloos tijdperk verzinken. Naar de mening echter van de volkse wereldbeschouwing, zou zo'n ondermijning van de menselijke cultuur door de vernietiging van de drager ervan, de ergste misdaad zijn die men zich maar kan voorstellen. Wie het waagt om de schendende hand uit te strekken naar het hoogste evenbeeld van De Heer, pleegt daarmee heiligenschennis tegen de Schepper van dit wonder en helpt ons uit het paradijs verdrijven.

En daarmee is de volkse wereldbeschouwing weer in overeenstemming met de diepste bedoelingen van de natuur, omdat ze dat vrije spel van de natuurkrachten herstelt, dat tot een voortdurende veredeling moet leiden, totdat tenslotte het hoogst ontwikkelde ras de aarde geheel in bezit zal hebben en zich nu ongehinderd kan wijden aan de opbouw van de aarde en aan die van de andere gebieden, die gedeeltelijk boven en gedeeltelijk buiten haar liggen. Wij voelen allen dat het zeer goed mogelijk is dat er zich later, in een verre toekomst, problemen zullen kunnen voordoen van zo groot gewicht dat alleen het allerbeste ras, alleen een volk der besten, gewapend met alle middelen en mogelijkheden die de hele aarde kan gebieden, ze zal kunnen oplossen.

Het volkse beginsel erkent de waarde van ras en persoonlijkheid

Het behoeft geen betoog, dat een zo algemene vastlegging van de werkelijke inhoud van een volkse wereldbeschouwing op duizenderlei verschillende manieren kan worden uitgelegd. Wij moeten dan ook constateren, dat het moeite zal kosten, om temidden van al de politieke jonggeborenen van de laatste tijd (bedoeld wordt het jaar 1926) er één te vinden, die niet in meer of mindere mate op dit beginsel gebaseerd is. Ze bewijst echter juist door het feit van haar bestaan tegenover de vele andere de eigenheid van haar opvattingen. Zo ziet men tegenover de marxistische wereldbeschouwing, die zeer streng is gedisciplineerd en georganiseerd en die in haar geheel onder leiding van één enkele toporganisatie staat, een veelheid van meningen opstaan, iets wat, enkel ideëel beschouwd, reeds uitermate weinig indruk maakt tegenover de eendracht van het vijandelijke front.

Zulke zwakke wapens kunnen nooit de overwinning behalen. Pas wanneer tegenover de internationale wereldbeschouwing - die op politiek gebied door het georganiseerde marxisme wordt geleid - een volks geloof optreedt, dan even streng georganiseerd en geleid wordt, eerst dan zal de eeuwige waarheid haar invloed kunnen doen gelden, en zal ook wanneer de krachten aan weerszijden gelijk zijn, toch de schaal naar haar eigen zijde doen doorslaan.

De samenbundeling van de aanhang van een wereldbeschouwing kan echter alleen maar plaatsvinden, wanneer die wereldbeschouwing zo scherp en ondubbelzinnig mogelijk geformuleerd is; en wat de dogmata zijn voor het geloof, dat zijn voor de politieke partij de programmapunten. Nu moet er voor de volkse wereldbeschouwing een werktuig worden geschapen, dat haar in staat stelt om strijd te voeren, en dat wel in dezelfde trant, als de marxistische wereldbeschouwing die voor het internationalisme doet. En nu is het doel van de N.S.D.A.P. om dit werktuig te scheppen.

Dat de vastlegging van het volkse beginsel in zodanige vorm, dat een partij er gebruik van kan maken, de eerste voorwaarde is voor een overwinning van die volkse wereldbeschouwing, wordt wel het beste bewezen door een feit, dat zelfs de tegenstanders van zo'n binding van het beginsel aan een partij, moeten toegeven, al doen ze dit dan ook indirect. Juist zij die niet moe worden er de nadruk op te leggen dat de volkse wereldbeschouwing niet door een enkeling 'in erfpacht' genomen kan worden, maar in de harten van talloze miljoenen leeft, erkennen daarmee dan tevens, dat het feit van de alom aanwezigheid van zulke beginselen op zichzelf nog niet voldoende is; die aanwezigheid alleen bleek immers niet bij machte om de overwinning van de vijandelijke wereldbeschouwing, die op waarlijk klassieke wijze in een partij is georganiseerd, ook maar een strobreed in de weg te leggen.

Bevordering van het vrije spel der krachten

Was het tegendeel het geval, dan zou het Duitse volk reeds nu een geweldige overwinning hebben bevochten en zou het niet aan de rand van de afgrond staan. Het succes van de internationale wereldbeschouwing is te danken aan het feit, dat ze werd voorgestaan door een partij, die als een stormtroep was georganiseerd; en dat de tegengestelde overtuiging het pleit verloor, kwam doordat deze had verzuimd een eensgezinde organisatie op te bouwen. Een wereldbeschouwing kan nooit strijden en overwinnen, wanneer ze gegrondvest is op een algemeen aangehangen overtuiging en daarvan iedere uitleg aanvaardt en goedkeurt, maar alleen en uitsluitend, wanneer ze haar idealen scherp omlijnt en begrenst, door zichzelf om te smeden tot de begrensde, en daardoor bindende vorm van een politieke organisatie.

Daarom was mijns inziens mijn eigen taak vooral daarin gelegen, dat ik uit de omvangrijke en vormloze materie van een algemene wereldbeschouwing de principiële kernideeën moest zoeken, en die in meer of minder dogmatische vormen formuleren, en dat wel zo scherp en gecontroleerd, dat de mensen, die deze beginselen aanhingen, inderdaad een eendrachtige organisatie zouden kunnen vormen.

Met andere woorden:

De Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij neemt uit de fundamentele ideologie van de algemeen volkse wereldbeschouwing de belangrijkste elementen, en bouwt daaruit de politieke geloofsbelijdenis op, waarbij ze rekening houdt met de praktische werkelijkheid, met de tijdsomstandigheden, en met het beschikbare mensenmateriaal en zijn gebreken. En deze geloofsbelijdenis zal nu op haar beurt weer bij machte blijken om grote mensenmassa's in streng georganiseerde organisaties samen te vatten, en hierdoor het wapen te scheppen, dat de wereldbeschouwing de overwinning doet behalen.

Tweede hoofdstuk / De Staat

Reeds in de jaren 1920 en 1921 vond de aftandse bourgeoisie van onze tijd het telkens weer noodzakelijk om ons te verwijten, dat wij ten aanzien van de bestaande staat een afwijzende houding aannamen, en dit feit werd voor de partijpolitieke roofridders van alle kleuren een reden, om zich nu gerechtigd te achten, om die jonge beweging, die een, voor hen al te ongemakkelijke wereldbeschouwing verkondigde, met alle middelen te lijf te gaan. Daarbij vergat men natuurlijk opzettelijk, dat het begrip "staat" in de burgerlijke wereld van onze tijd ook niet meer voor één bepaald vaststaand begrip wordt gebruikt, en dat er voor datgene wat zij hieronder verstaan, geen bepaalde definitie meer bestaat, en trouwens ook niet meer kan bestaan.

Drie heersende opvattingen over de staat

Meestal houdt men hiervoor speciale explicateurs, die dan aan onze universiteiten de functie van hoogleraar in het staats- en volkenrecht vervullen; zij kennen als zodanig geen belangrijkere taak, dan om voor de meer of minder gelukkige vorm, waaraan hun werkgever de voorkeur geeft om aan te nemen, een meer of minder aannemelijke of mooiklinkende verklaring te vinden. Hoe slechter nu de staat in elkaar zit, des te ingewikkelder, gekunstelder en onbegrijpelijker zullen de formules luiden die zijn recht op bestaan moeten verdedigen. Wat zou nu bijvoorbeeld een Oostenrijkse professor moeten schrijven over de zin en doel van de staat, terwijl die staat juist in zijn land een van de grootste mislukkingen was die men zich kan voorstellen? Dit was wel een hele zware taak, wanneer men bedenkt, dat een hoogleraar in onze tijd niet zozeer de plicht heeft om de waarheid te spreken, als wel, om een bepaald streven te dienen. Dit streven echter wil ik tot elke prijs het monsterlijke mechanisme in stand houden, dat nu 'staat' wordt genoemd.

Daarom moet men zich ook niet verbazen, wanneer bij de bespreking van dit vraagstuk alle werkelijke vraagstukken zoveel mogelijk vermeden worden, en er daartegenover een stortvloed van 'ethische', 'zedelijke', en 'morele' en andere ideële redenen naar voren worden gebracht. In 't algemeen kan men dus de mensen naar hun opvatting over de staat in drie groepen verdelen:

a

De groep van diegenen die de staat eenvoudig beschouwen als een meer of minder vrijwillige samenbundeling van een aantal mensen onder de macht van een regering. Dit is de grootste groep. In haar rijen vindt men op de eerste plaats de aanbidders van het huidige legitimiteitbeginsel, die dus menen dat de wil van de mensen er in deze niet toe doet. Het feit, dat een staat bestaat, betekent in hun ogen dat hij daarom al heilig en onaantastbaar is. Om dit krankzinnige product van verdwaald menselijk intellect te kunnen verdedigen, moet men wel een echte slaafse eerbied hebben voor het zogenaamde staatsgezag. Zulke figuren zien kans om in een oogwenk het middel tot doel te verheffen.

Voor deze mensen is de staat niet meer dan een werktuig dat de mensen moet dienen, maar in de ogen van deze figuren zijn de mensen slechts geschapen om het staatsgezag- en daarmee iedereen die dit gezag vertegenwoordigt - tot en met het alleronbelangrijkste ambtenaartje te dienen. En nu heeft het staatsgezag alleen tot taak om te zorgen dat rust en orde gehandhaafd blijven, zodat deze toestand van stilzwijgende, latent hysterische aanbidding niet in een minder rustige overslaat. Dit staatsgezag is dus in dit geval geen doel en ook geen middel meer; het heeft tot taak om voor rust en orde te zorgen, terwijl de rust en orde op hun beurt weer tot taak hebben om te zorgen dat het gezag kan blijven bestaan. Tussen deze beide polen moet zich dus het gehele leven afspelen.

In Beieren wordt deze opvatting vooral gehuldigd door de staatkundige genieën van het Beierse politieke katholicisme, anders gezegd van de "Bayrische Volkspartei"' in Oostenrijk waren het de zwart-gele legitimisten; en in het Rijk zelf kon men deze mening helaas maar al te vaak aantreffen bij de zogenaamde conservatieve elementen.

b

De tweede groep is al wat kleiner van omvang, omdat hieronder iedereen gerekend hoort te worden die de erkenning van de staat tenminste van enkele factoren afhankelijk maken. Zij wensen niet alleen een gelijk bestuur voor iedereen, maar eisen ook reeds eenheid van taal, zij het dan ook dat ze dit om reden van algemeen bestuurstechnische aard wensen. De uitoefening van staatsgezag is niet meer het unieke en enige doel van de staat; er is ook reeds sprake van de behartiging van de belangen van onderdanen. Hier komen dan ook al denkbeelden van "vrijheid"(zij het dan ook grotendeels van een volledig verkeerd begrepen soort) tot uitdrukking. Het enkele feit van zijn bestaan is niet meer voldoende om een regeringsvorm onaantastbaar te maken; ook de staatsvorm is aan kritiek onderworpen en moet aan zijn doel beantwoorden.

De ouderdom heiligt de mensen en instellingen naar hun inzichten niet in die mate dat het vandaag de dag daardoor het recht zou missen om zo'n oudere instelling te bekritiseren. Overigens is dit een opvatting die voor alles van de staat verwacht dat hij zich met de economische problemen zal bezighouden. Men gaat in dit stadium dus van praktische overwegingen uit, en velt zijn oordeel over de staat op grond van algemene economische beschouwingen van rentabiliteit. Deze opvatting vindt in hoofdzaak haar aanhangers onder onze gewone Duitse bourgeoisie, en wel in het bijzonder onder het democratisch-liberale deel daarvan.

c

De derde groep is numeriek de zwakste. Zij, die hieronder moeten worden gerekend, beschouwen de staat reeds als een middel ter verwerkelijking van machtspolitieke doelstellingen - zij het dan ook dat ze deze meestal slechts zeer vaag en weinig scherp omlijnd zien - van het volk dat binnen deze staat leeft, en stellen zeer beslist de eis dat dit door een gemeenschappelijke taal gekenmerkt wordt. Het streven naar een uniforme staatstaal komt niet alleen tot uitdrukking in de hoop dat men daardoor een stevig fundament kan scheppen voor een toekomstige machtstoename, maar al evenzeer in de - overigens onjuiste - mening als zou men onder bepaalde omstandigheden door het opleggen van die taal vreemde volksgroepen kunnen naturaliseren. Het was in de laatste jaren wel erg bitter om aan te zien hoe men in deze kringen, vaak nog volkomen ter goeder trouw, solde met het woord 'germaniseren'.

Ik weet me nog heel goed uit mijn jeugd te herinneren, hoe juist dat woord volkomen onjuiste denkbeelden bij ons wakker riep. Men kon destijds zelfs in de Al-Duitse kringen in volle ernst horen verkondigen dat de Duitsers in Oostenrijk - mits hierbij de regering de helpende hand bood - er waarschijnlijk wel in zouden slagen om het Slavische element in Oostenrijk te 'germaniseren'. Men werd zich daarbij in het geheel niet bewust dat germaniseren iets is wat men alleen met een stuk grondgebied en nooit met mensen kan doen. Dat die opvatting echter ontstaan kon kwam doordat men in het algemeen er de mening op nahield dat het 'germaniseren' van een volk eenvoudig tot stand te brengen zou zijn door dat volk de Duitse taal op te dringen, iets wat dus tot een volkomen uiterlijk feit beperkt bleef.


HOME